Skip to main content

Full text of "Algemeen Nederlands tijdschrift voor wijsbegeerte"

See other formats


TIJDSCHRIFT 
OR  WIJSBEGEERTE 


ONDER  REDACTIE  VAN: 

,.  D.  BIERENS  DE  HAAN.  JULirS  DE  BOER. 
L.  H.  GRONDIJS.  Dr.  Ph.  KOHNSTAMM. 
Dr.  W.  MEIJER.  K.  J.  PEN. 

MHDtWERKlNQ  TOEGEZEGD  o.a.  DOOR: 

Dr.  H.  W.  Pii.  VAN  DEN  Bergh  van  Eijsinga.  Dr.  G.  A.  van  den 
Bergh  van  Eijsinga.  J.  van  den  Bergh  van  Eijsinga— Elias.  Dr.  P. 
Bierens  de  Haan.  Prof.  Dr.  t.  J.  de  Boer.  L.  E.  j.  Brouwer.  H.  C. 
L^iFbREt.  üc.  B.  Faddegon  Pfof.  Dr.  H.  V.  Grornewegen.  Dr.  A.  H. 
de  Hartog.  Prof.  Dr.  G.  Heijmans.  Dr.  K.  H.  E.  de  Jong.  Mr.  M. 
C.  L.  LOTSY.  G.  MannourY.  Dr.  J.  A.  der  Mouw.  Dr.  B.  J.  H.  Ovink. 
A.  Pit.  Prof.  Dr.  P.  H.  Ritter.  Dr.  H.  Was.  Prof.  Dr.  Jhr.  B.  H.  C. 
K.  van  der  WiJCK.  Dr.  C.  J.  Wijnaendts  Francken. 


EERSTE    JAARGANQ. 


.  ^^STERDAM, 

w.  n;ersluys. 


:  LEIDEN, 

I  Boekhandel  en  Drukkerij 

1        VOOKHEEN  E.  J.  BRILL. 
1907. 


TIJDSCHRIFT  VOOR   WIJSBEGEERTE. 


TIJDSCHRIFT 
VOOR  WIJSBEGEERTE 


ONDER  REDACTIE  VAN: 

Dr.  J.  D.  BIERENS  DE  HAAN.  JULIUS  DE  BOER. 

L.  H.  GRONDIJS.  Dr.  Ph.  KOHNSTAMM. 

Dr.  W.  MEIJER.  K.  J.  PEN. 

MEDEWERKING  TOEGEZEGD  o.a.  DOOR: 

Dr.  H.  W.  Ph,  van  den  Bergh  van  Eijsinga.  Dr.  G.  A.  van  den 
Bergh  van  Eijsinga.  J.  van  den  Bergh  van  Eijsinga— Elias.  Dr.  P. 
BiERENS  DE  Haan.  Prof.  Dr.  T.  J.  de  Boer.  L.  E.  J.  Brouwer.  H.  C. 
DiFEREE.  Dr.  B.  Faddegon  Prof.  Dr.  H.  Y.  Groenewegen.  Dr.  A.  H. 
DE  Hartog.  Prof.  Dr.  G.  Heijmans.  Dr.  K.  H.  E.  de  Jong.  Mr.  M. 
C.  L.  LOTSY.  G.  Mannoury.  Dr.  J.  A.  der  Mouw.  Dr.  B.  J.  H.  Ovink. 
A.  Pit.  Prof.  Dr.  P.  H.  Ritter.  Dr.  H.  Was.  Prof.  Dr.  Jhr.  B.  H.  C. 
K.  van  der  Wijck.  Dr.  C.  J.  Wijnaendts  Francken.  \ 


EERSTE   JAARGANG. 


AMSTERDAM, 

W.   VERSLUYS. 


LEIDEN, 

Boekhandel  en  Drukkerij 

VOORHEEN    E.   J.    BRILL. 

1907. 


INHOUD. 


BIz. 

Een  wijsgeerige  beweging  in  Nederland  (bij  de  oprichting 
van  het  Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte)  door  Dr.  J.  D. 

BiERENS  DE  Haan 1 

Transcendenteel  Idealisme  door  Dr.  Ph.  Kohnstamm  .  24 

Natuurphilosophie  en  Atomistiek  door  J.  Clay    ...  64 

Het  primitieve  levensproces  door  Dr.  H.  Rethy  ...  85 

Boek-bespreking 113 

Inhoud  van  tijdschriften 122 

Overzicht  der  werkzaamheden  van  de  vereenigingen  voor 
wijsbegeerte  vervuld  in  het  eerste  deel  van  den  winter- 
cursus  190611907 127 

Het  primitieve  levensproces  door  Dr.  H.  Rhety  (Slot)  129 

Het  vraagstuk  van  den  wereldvrede  door  L^H.  Grondijs  162 

Het  ding  op  zichzelf  door  G.  J.  P.  J.  Bolland.    .    .  222 
Het  heroïsche:  Een  hoofdstuk  van  hoogere  levensleer 

door  Dr.  J.  D.  Bierens  de  Haan 226 

Boek-bespreking 261 

Inhoud  van  tijdschriften 266 

Beschouwingen  over  de  schoolsche  logica  bij  Hegel  en 

bij  de  nieuwere  Duitsche  logici  door  Dr.  B.  Faddegon  271 

Over  Spinoza  en  den  godsdienst  door  Dr.  W.  Meijer  316 

Het  Ik  en  't  Psychisch  Monisme  door  G.  Heymans  .     .  329 

De  overgang  van  „Gothiek"  tot  „Renaissance"  en  van 

Realisme  tot  Idealisme  door  A.  Pit 343 


VIII  INHOUD. 

Blz. 

Boek-bespreking 372 

Vereenigingen  voor  Wijsbegeerte 379 

Ontvangen  boeken 384 

Psychologie  en  Logica  door  Dr.  Ph.  Kohnstamm   .     .  385 
De  weg  tot  de  idee.  (Een  denken  dat  zichzelf  denkt) 

door  Dr.  J.  D.  Bierens  de  Haan 427 

Verweer  door  K.  J.  Pen 440 

De  natuur  door  J.  Clay 500 

Inhoud  van  Tijdschriften 515 

Ontvangen  boeken .518 


EEN  WIJSGEERIGE  BEWEGING      (jlM^^^ 
IN  NEDERLAND 

(BIJ   DE  OPRICHTING  VAN  HET  TIJDSCHRIFT  VOOR  WIJSBEGEERTE) 

DOOR 

Dr.  J.  D.  BIERENS  DE  HAAN. 


I. 

Een  Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte  kondigt  zich  niet  aan 
met  geschal.  Het  brengt  in  zijn  eerste  aflevering  geen  gisteren 
ontdekte  waarheid  aan  het  licht,  noch  tracht  door  de 
efemeere  waarde  van  een  ongehoorde  stelling  aanspra-ak  te 
maken  op  de  publieke  aandacht.  Doch  de  reden  zijner 
oprichting  zij  gaarne  vermeld.  Deze  is:  het  bestaan  eener 
wijsgeerige  beweging  in  Nederland.  Vanwege  deze  wijsgeerige 
beweging  is  de  oprichting  van  het  Tijdschrift  noodig  ge- 
worden ;  en  zoo  het  Tijdschrift  voor  wijsbegeerte  een  orgaan 
kan  heeten,  is  het  een  orgaan  dezer  beweging,  in  welke 
verschillende  geestes-stroomen  te  zamen  loopen.  Geen  der 
redakteurs  zou  zich  aansprakelijk  gesteld  hebben  voor  de 
taak,  welke  dit  Tijdschrift  geeft,  zoo  niet  in  deze  geeste- 
lijke strooming  een  moreele  en  oekonomische  waarborg 
gelegen  was  voor  zijn  levensvatbaarheid;  de  werkzame 
deelname  aan  den  inhoud  en  de  finantieele  steun  van  het 
abonnement  moeten  in  de  tegenwoordige  wijsgeerige  be- 
weging verzekerd  zijn.  Geen  boom  kan  groeien  dan  in  zijn 
grond  geplant. 


2  EEN   WIJSGEERIGE   BEWEGING 

Maar  nevens  zijn  grond  is  ook  de  belangstellende  ver- 
zorging een  oorzaak  van  welvaart  des  booms.  En  evenzoo 
hoopt  het  Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte  belangstelling  te 
ontvangen,  ook  van  dien  breeder  kring  van  menschen,  die 
in  Nederland  aan  het  geestelijk  kiiltuurleven  deelnemen,  al 
staat  de  filosofie  bij  hen  niet  in  het  middelpunt  der  aan- 
dacht. Dezulken  stelt  de  Redaktie  zich  voor  als  degenen 
voor  wie  eensdeels  deze  oprichting  is  bedoeld.  Een  wijs- 
geerig  Tijdschrift  is  geen  vakblad,  en  al  mocht  ook  eens 
een  heele  aflevering  gevuld  zijn  met  speciale  vakstudiën, 
dan  zou  dit  geen  bewijs  zijn  van  't  karakter  van  het  Tijd- 
schrift. Want  zoozeer  als  de  wijsbegeerte  een  algemeene 
wetenschap  is,  die  allen  behoort  te  boeien,  daar  zij  de 
grondslagen  van  alle  kennis  openlegt,  zoozeer  is  ook  een 
Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte  een  werk  van  algemeenen  aard , 
waarin  evengoed  over  muziek  als  over  zedekunde  geschreven 
kan  worden,  en  evengoed  over  geschiedenis  als  over  politiek 
en  wiskunde  —  zoo  slechts  het  onderwerp  wijsgeerig  zij 
opgevat  en  doordacht.  Juist  de  kultuurtaak  der  Wijsbegeerte 
is  haar  voornaamste  opgaaf;  juist  de  opvoeding  van  het 
intellekt  tot  zijn  volheid  en  het  overwinnen  van  de  een- 
zijdigheden ;  de  overwinning  dus  ook  van  de  eenzijdigheden 
der  levensbeschouwing;  de  verkondiging  ook  van  een  volle 
en  harmonieuse  levensleer  —  ziedaar  wat  in  het  program 
van  wijsgeerigen  arbeid  is  voorgeschreven.  Het  wijsgeerig 
Tijdschrift  is  in  zijn  voorstanders  zich  van  de  kultuurtaak 
der  wijsbegeerte  bewust. 

Daar  nu  de  verschijning  van  dit  Tijdschrift,  en  zijne 
levensvatbaarheid  uit  de  kracht  eener  Wijsgeerige  Beweging 
volgt,  richt  zich  bij  de  oprichting  onze  aandacht  als  vanzelf 
tot  haar.  Wat  beteekent  een  zoo  groote  vermeerdering  van 
wijsgeerige  belangstelling,  dat  de  oprichting  van  een  Tijd- 
schrift noodig  wordt?  Wie  gewoon  is  de  tijden  engelegen- 


IN   NEDERLAND.  3 

heden  te  beschouwen,  mag  aan  deze  stille  gebeurtenis  ook 
wel  eenige  aandacht  wijden  en  zich  rekenschap  geven  van 
krachten,  die  werkzaam  zijn  in  de  tegenwoordige  geestes- 
beschaving.  Vóór  eenige  decenniën  heette  het,  dat  de 
filosofie  had  afgedaan,  en  niemand  geloofde  meer  aan  haar 
toekomst,  dan  haar  weinige  adepten.  De  herleving  eener 
wijsgeerige  belangstelling  is  een  niet  te  miskennen  teeken 
in, de  moderne  kuituur. 

Voorzeker  blijkt  hier  de  herleving  van  het  beschouwelijk 
temperament.  Dit  is  een  faktor,  rijkelijk  werkzaam  in  de 
Middeleeuwen,  zoodat  de  beschouwelijke  mensch  als  een 
der  typeerende  figuren  van  dat  tijdvak  meetelt  —  maar  in 
de  nieuwere  geschiedenis  en  inzonderheid  in  de  beschavings- 
periode, die  wij  globaal  als  „de  negentiende  eeuw"  aan- 
duiden, een  verschijning,  die  achter  de  groote  stroomingen 
in  het  verborgen  treedt. 

Hoe  nu  het  beschouwelijk  temperament  door  onzen  tijd 
wordt  te  voorschijn  geroepen ,  d.i.  hoe  eene  wijsgeerige 
beweging  in  dezen  tijd  en  in  dit  land  samenhangt  met  de 
geschiedenis  der  geestes-beschaving  in  het  algemeen  — 
ziehier  een  onderwerp,  waarover  wij  thans  gaarne  eenige 
gedachten  ten  beste  geven.  Deze  samenhang  kan  slechts  in 
het  breede  uitgelegd,  daar  ook  de  geheele  kuituur  zich 
langs  breede  lijnen,  voortbeweegt.  Hare  logika  bestaat  in 
een  breed  en  algemeen  historisch  plan. 

IL 

De  richting  der  negentiend'  eeuwsche  energie  is  naar  het 
konkreet-voorstelbare ,  d.w.z.  dat  de  hoofdzakelijke  aandacht 
der  beschaafde  menschheid  in  dit  tijdperk  zich  minder  tot 
de  spekulatieve  vraagstukken  en  de  niet  op  ervaring  be- 
rustende ideeën  gekeerd  heeft,  dan  tot  de  praktijk  des  levens 


4  EEN  WIJSQEERIGE  BEWEGING 

en  der  maatschappij,  en  de  kennis  der  natuur.  Deze  fase  van 
bloei  in  de  geschiedenis  der  wereld  onderscheidt  zich  van 
vroegere  tijdperken  door  dien  nadrukkelijken  toeleg  op  het 
konkrete  en  verdeelde,  het  bizondere  en  veelvormige,  d.  i. 
op  de  menigvuldigheid  der  verschijning,  waarachter  de  diep- 
zinnige waarheid  van  het  Eene  en  Algemeene  schuil  ging.  De 
voortgezette  verdeeling  van  den  arbeid  en  van  allen  arbeid; 
de  onnoembaar  vermeerderde  produktie  van  voorwerpen  voor 
nutsgebruik  en  genot;  de  volmaking  van  het  industriewezen 
en  der  verkeersmiddelen  —  zij  zijn  de  teekenen  van  dien 
zin  tot  het  konkreet-voorstelbare ,  die  aan  de  negentiende 
eeuw  zijn  stempel  heeft  opgedrukt.  De  moderne  tijd  is 
recht  „dieszeitig"  en  ontvlucht  het  Eeuwige  als  een  onbe- 
reikbaar Jenseits.  Hij  vindt  zijn  taak  daarin  het  aanschijn  van 
„deze  wereld"  naar  alle  zijden  te  verkennen. 

Wijsgeerig  gezien  is  dergelijke  richting  in  de  historie  een 
der  twee  mogelijke  richtingen,  waarin  de  geest  des  men- 
schen,  die  tevens  de  geest  der  menschheid  is,  zich  beweegt. 
Daar  zijn  het  Geheel  en  het  gedeelde,  de  oorspronkelijke 
(konkrete)  Algemeenheid  en  het  bizondere,  de  Grond  en  de 
verschijning.  De  werkelijkheid  is  tweezijdig.  Zoozeer  nu  als 
het  konkreet-voorstelbare  aan  haar  eene  zijde  ligt,  zoozeer 
ligt  het  Oneindige  aan  de  andere;  het  eindige  is  de  buiten-, 
het  Oneindige  de  binnenzijde  der  werkelijkheid,  en  met  elke 
eindige  en  bepaalde,  afgebakende  voorstelling  is  tegelijk 
de  waarheid  van  het  Oneindige  aangeroepen. 

Ziehier  dus  twee  polen  voor  de  heenbeweging  des  geestes; 
en  afwisselend  is  de  aandacht  meer  den  eenen  en  meer  den 
anderen  kant  heen  gekeerd.  Het  middeleeuwsch  geestesleven 
richt  zich  op  het  Geheel ,  dat  in  het  beeld  der  kerk-organisatie 
als  in  levenden  lijve  voor  oogen  staat,  en  eiken  bewusten 
mensch,  zoowel  arbeider  als  denker,  steunend  nabij  is  in  zijn 
werk.  Vandaar  het  grootsch  karakter,  het  geestelijk-eigenaar- 


*  IN   NEDERLAND.  5 

dige,  het  grootere  dan  zichzelf,  de  hoogere  toewijding,  waar- 
aan de  werken  uit  die  kultuur-periode  aanstonds  herkenbaar 
zijn.  Een  tooneel,  dat  in  drie  verdiepingen  den  geheelen  kosmos 
beduidt;  een  kosmologie  die  het  heelal  begrijpt;  een  wijs- 
begeerte die  theologie  is;  een  schilderkunst  die  tegelijk 
aardsch  is  en  bovenaardsch ;  een  bouwkunst,  die  het  infernale 
en  het  hemelsche  in  de  konceptie  van  eenzelfde  kathedraal 
samenvat....  altemaal  teekenen  eener  geestesrichting,  die, 
hoezeer  ook  bij  tijden  op  het  bizondere  verliefd,  toch 
bovenal  naar  de  idee  des  Geheels  zich  uitstrekt. 

De  negentiende  eeuw  echter  heeft  zich  op  het  verdeelde 
en  bizondere  geworpen  en  noemde  deze  voorliefde  den 
hartstocht  der  werkelijkheid ,  welke  naam  aan  zijn  onjuist- 
heid zijn  groote  zeggingskracht  ontleent.  Want  bedoelend 
dat  het  zwaartepunt  van  de  aandacht  verplaatst  was  naar 
het  voorstelbare  en  konkrete,  gaf  men  hieraan  tegelijk  dien 
titel  van  opperste  waardij ,  die  slechts  toekomt  aan  het 
geheel.  Hetgeen  slechts  verschijning  is,  te  houden  voor 
de  werkelijkheid,  wil  zeggen  dat  het  wezen  zonder  welke 
geen  verschijning  bestaat,  het  geheel,  de  waarheid  zelve, 
is  uit  het  gezicht  geraakt.  En  daar  is  van  louter  eenzijdig- 
heid het  denken  in  een  blinde  steeg  gekomen ,  waaruit  het 
slechts  door  terugkeer  kan  worden  verlost. 

De  richting  naar  het  voorstelbare,  gelijk  de  negentiende 
eeuw  kenmerkt,  is  niets  anders  dan  de  geest  der  nieuwe 
geschiedenis  zelf,  die  reeds  in  de  zestiende  en  zeventiende 
eeuw  zijn  eerste  periode  heeft  doorleefd,  en  toen  een  be- 
lofte heeft  uitgesproken ,  die  drie  eeuwen  later  werd  ver- 
vuld. Die  geest  heeft  zijn  werking  wel  vermeerderd  maar 
niet  gewijzigd.  Wat  Baco  heeft  gedekreteerd  voor  het 
onderzoek  der  natuur  is  door  Darwin  beaamd  als  de 
methode,  langs  welke  zijn  resultaten  verkregen  zijn;  de 
gedachte  van  het  mechanisme,  vooral  door  Cartesius  aan- 


6  EEN  WIJSGEERIGE  BEWEGING 

gewezen ,  sluit  het  program  in  der  gelieele  latere  fysika. 
Het  filologisch  werk,  gelijk  het  door  Erasmus  is  opgezet 
en  ingeleid,  is  de  aanwijzing  geweest  van  een  weg,  nog 
door  de  filologie  van  laatsten  tijd  betreden  ...  de  eenheid 
dier  twee  perioden  is  klaarblijkelijk;  het  is  niet  slechts 
overeenstemming  maar  eenzelfde  geest,  die  in  beide  heerscht. 
En  dit  blijkt  ook  hieruit,  dat  beide  eenzelfde  surrogaat  vin- 
den voor  de  vervallen  intellekts-aandaclit  des  geheels:  dit 
surrogaat  is  de  methode.  Van  nu  af  is  naast  den  arbeid, 
die  aandacht  vraagt  voor  het  bepaalde,  een  aandacht  ge- 
geven aan  de  methode  van  den  arbeid;  niet  slechts  de 
natuur  wordt  onderzocht,  maar  ook  de  methode  van  natuur- 
onderzoek  vastgesteld.  De  methode  van  psychologie  of  gods- 
dienstwetenschap brengt  evenveel  pennen  in  beweging  als  deze 
wetenschap  zelve;  bij  de  geschiedschrijving,  het  onderzoek 
der  klassieke  geschriften  —  overal  is  de  vraag  der  methode 
aan  de  orde.  De  „Vorfragen"  zijn  in  eer.  Het  gezichtspunt 
der  methode  bewijst  een  aandacht  van  den  geest  voor  zijn 
eigen  werk;  in  het  verlengde  hiervan  ligt  een  nieuwe  baan 
tot  de  oorspronkelijke  algemeenheid  open!  maar  uit  eigen 
beweging  blijft  deze  weg  onbegaan.  Het  is  om  het  voorstel- 
baar-konkrete  te  doen. 

Heeft  nu  de  negentiende  eeuw  de  lijnen  van  vroeger  tijd- 
vak doorgetrokken,  is  er  éénheid  van  geest  met  die  vroegere 
periode  —  het  neemt  niet  weg  dat  een  groot  onderscheid 
bestaat  in  de  voldoening  welke  de  geest  van  zijn  arbeid 
ondervindt.  In  de  zestiende  en  zeventiende  eeuw  was  er  nog 
iets  anders  dan  de  methode  als  surrogaat  voor  de  verleden 
aandacht  des  Geheels;  er  was:  de  kerkelijke  belijdenis.  En 
zoo  mocht  de  frischheid ,  welke  het  voorstelbare  en  tast- 
bare geeft,  de  frischheid  en  jeugd  van  het  levende  beeld 
een  rechte  oorzaak  zijn  van  voldoening  in  den  arbeid  —  de 
kerkelijke  belijdenis  immers  vulde  het  ontbrekende  aan ;  men 


IN   NEDERLAND.  7 

voelde  zich  niet  aan  de  sfeer  des  Geheels  ontvallen ;  er  was 
niets  groots  losgelaten.  Zoozeer  was  de  kerkelijke  religie 
een  algemeene  geboortegift,  dat  men  niet  besefte  naar  welke 
eenzijdigheid  het  wetenschappelijk  intellekt  zich  heen  be- 
woog. De  beteekenis  van  dezen  kultuurfaktor  onderschatte 
men  niet! 

Het  konflikt  tusschen  den  geest  der  nieuwe  historie  en 
de  kerkelijke  belijdenis  heeft  eerst  in  de  negentiende  eeuw 
de  gemoederen  verontrust.  De  achttiende  speelde  zelfvoldaan 
met  deze  ontdekking  en  achtte  haar  eigen  kleinheid  groot 
genoeg  als  surrogaat  voor  het  verlorene.  In  de  achttiende 
eeuw  werd  tevens  de  gevoeligheid  geboren,  die  later  de 
gemoederen  te  meer  zou  vatbaar  maken  voor  de  pijn  der 
tegenstrijdigheden  en  der  geestelijke  ontberingen.  Wij  allen 
zijn  nazaten  van  Rousseau  en  zoo  wij  de  onrust  niet  ken- 
den, wij  zouden  sinds  lang  met  achttiende-eeuwsch  zelf- 
behagen in  de  eenzijdigheid  van  onideale  meeningen  hebben 
berust,  en  er  ware  in  ons  geen  hartstocht  der  (ware)  wer- 
kelijkheid. 

Maar  het  konflikt  moest  uitbreken ,  daar  de  kerkelijke  be- 
lijdenis in  haar  wezen  gebleven  was  vóór-Kopernikaansch. 
Het  Calvinisme  dat,  verhard  of  verzacht,  de  kerkelijke 
levensopvatting  in  de  negentiende  eeuw  in  hoofdzaak  is 
blijven  beheerschen  —  het  Calvinisme  is,  bij  al  zijn  ver- 
schilpunten met  de  middeleeuwsche  theologie,  geen  wezen- 
lijke verandering  van  zienswijs  geweest.  Voor  deze  opvatting 
geldt  het  hoogere  leven  mét  zijn  zedelijkheid ,  schoonheids- 
zin en  godsdienst,  niet  als  de  uitwerking  eener  geestelijke 
wet,  die  in  alle  bewustwording  heerscht;  niet  als  een 
universeel  principe,  dat  zich  ontplooit,  overal  waar  het  leven 
tot  zekere  hoogten  komt,  hetzij  in  dezen  uithoek  van  het 
heelal,  hetzij  in  dien  —  maar  voor  de  kerkelijke  belijdenis 
is  het   geestelijke  leven   een  produkt  van  bepaalde  hande- 


8  EEN  WIJSGEERIQE   BEWEGING 

lingen ,  besluiten,  instellingen  Gods,  in  rechtstreeksch  verband 
met  voorvallen  van  de  geschiedenis  der  menschenwereld. 
De  geschiedenis  der  menschenv^ereld  geldt  er  als  terrein 
van  een  goddelijk  arbeidsplan;  de  kerkelijke  belijdenis  is 
niet  ideëel  maar  historisch  van  inhoud;  de  historie  is  ver- 
bonden aan  de  aarde  als  haar  fundament.  Bij  gevolg  geeft  het 
„positieve  Christendom"  den  blik  op  een  kosmos,  die  slechts 
aan  het  vóór-Kopernikaansch  bewustzijn  kan  voldoen,  vóórdat 
de  geschiedenis  der  menschenwereld  uit  het  middelpunt 
des  heelals  verschoven  werd.  Het  is  niet  een  fout  van 
natuurwetenschappelijken,  maar  van  spekulatieven  aard, 
daar  „het  Geheel",  dat  is  de  werkelijkheid,  waarom  het  te 
doen  is,  in  de  kerkelijke  belijdenis  wordt  opgevat  als  een 
empirisch  heelal,  in  middeleeuwsche  uitgave,  in  plaats 
daarvan  dat  het  Geheel  begrepen  wordt  als  de  Idee. 

t 

Is  nu  de  behoefte  des  Geheels  onvoldaan ,  en  wordt  de 
mensch  slechts  met  het  gedeelde,  voorstelbare  en  bepaalde 
gevoed ,  dan  is  hij ,  bij  de  ontoereikendheid  van  de  kerke- 
lijke belijdenis,  aangewezen  op  de  scepsis.  Ziehier  het 
noodzakelijk  nevenstuk  naast  den  exakten  geest,  en  waar- 
door de  mensch  zijn  bewijs  levert,  dat  hij  uit  het  Geheel 
is  geboren  en  tot  het  Geheel  bestemd.  Ziedaar  de  laatste 
ademhaling  van  den  drang  naar  het  Oneindige  of  —  de 
hernieuwde  aanspraak  der  Idee  op  hare  eerbiediging? 
Inderdaad  de  scepsis  is  een  melancholie  naar  de  hoogste 
kennis,  het  voltooide  denken;  een  bewijs  van  den  geestes- 
adel.  Zij  komt  niet  voor  bij  Papoea's  of  in  het  dierenrijk ,  noch 
bij  de  zelfgenoegzame  Aufklarung,  of  bij  een  prompte  ont- 
kenning onzer  hoogste  goederen.  Zij  bestaat  slechts  daar, 
waar  een  mensch  de  idee  des  Geheels  erkent  al  wijst  hij 
haar  af. 

De   scepsis   is  de  natuurlijke  geestelijke  gezindheid  der 


IN   NEDERLAND.  9 

negentiende  eeuw.  In  vorige  eeuwen  is  zij  meer  agnosticisme  — 
tenzij  bii  Pascal.  In  hetgeen  wij  noemden  den  geest  der 
nieuwe  geschiedenis,  past  dit  nevenstuk  naast  de  aandacht 
voor  het  iconkrete.  De  energie,  op  het  voorstelbare  losge- 
laten, staat  voor  een  ledig,  niet  aan  het  einde  slechts  van 
het  onderzoek  dat  nooit  ten  einde  is  —  maar  bij  elke 
groote  triomf,  bij  elk  keerpunt,  bij  elke  aanleiding  tot 
zelfbezinning,  bij  elk  inzicht  dat  de  studie  der  methode 
slechts  een  geringe  vergoeding  is  voor  de  verloren  erken- 
ning des  Geheels.  Het  is  de  klacht  van  Faust ,  en  van  den 
modernen  mensch.  Het  is  de  aantrekking  der  Idee,  die  in 
dezen  zielestaat  op  nieuw  de  onvoldanen  tot  zich  noodt. 

De  drang  tot  een  wereld-  en  levensbeschouwing  uit  cen- 
trale gedachte,  deze  drang,  die  in  de  middeleeuwen  het 
groote  wereldbeeld  schiep ,  dat  voor  den  nieuweren  tijd  on- 
toereikend bleek,  en  van  lieverlede  door  de  nieuwe  ge- 
schiedenis werd  verduisterd  —  deze  drang  is  de  aktiviteit 
onzes  geestes  en  van  den  geest  zelf,  en  hij  is  grond 
dat  bij  de  vordering  van  het  konkrete  streven  de  mensche- 
lijke  aandacht  zich  weer  heen  gaat  wenden  tot  de  idee  des 
Geheels.  Juist  in  de  nieuwe  geschiedenis  staan  eenlingen 
als  Spinoza  en  scholen  als  het  Duitsch  idealisme  als  de 
bewaarders  eener  hooge  traditie;  in  verband  met  en  tegen- 
over den  geest  van  het  tijdperk,  voegen  zij  hun  wijsgeerige 
leeren  in  een  keten  van  samenhang,  die  in  geen  historie 
wordt  stuk  gebroken. 

III. 

Het  schijnt  mij  of  de  hier  getrokken  hoofdlijnen  haar 
zuiverste  figuur  vertoonen  in  de  geschiedenis  der  geestes- 
beschaving  van  ons  eigen  geboorteland.  Zoo  ergens  de 
richting  der  energie  naar  het  konkrete  uitgegaan  is,  dan  in 


10  EEN   WIJSGEERIGE   BEWEGING 

Nederland !  Men  behoeft  de  koppen  der  schutters  en  regenten 
op  onze  zeventiende-eeuwsche  schilderstukken  er  maar  op 
aan  te  zien  (en  te  vergelijken  met  de  portretkoppen  bijv. 
van  Velazquez)  om  te  vleten  met  wie  men  heeft  te  doen. 
Deze  lieden  zijn  betere  geuzen,  diplomaten  en  handelslui, 
dan  dat  ze  idealisten  zijn;  ja  geuzen  vooral;  hun  kloek 
beraad  gaat  met  vastheid  van  wil  te  zaam  en  zij  vinden 
hun  werk  in  het  redderen  van  een  ontredderden  staat  van 
zaken ,  en  daarna  in  een  materieele  energie ,  die  zich  niet 
zeer  om  gemoedsbezwaren  bekreunt.  Hun  blik  is  ruim  — 
maar  hun  geest  beperkt.  Dit  is  het  bloed  waaruit  wij  ge- 
sproten zijn.  Sinds  dien  bloeiden  de  natuurwetenschappen , 
de  rechtsgeleerdheid  en  de  klassieke  filologie,  maar  niet 
de  wijsbegeerte.  Zoo  ergens  dan  was  ook  in  deze  landen  de 
kerkelijke  belijdenis  de  aanvulling  van  het  te  kort,  dat  de 
exakt-wetenschappelijke  en  praktische  zin  overlaat.  Zoo 
ergens  dan  is  ook  in  Nederland  een  oppositie  tegen  deze 
gevoerd  en  de  scepsis,  als  geestelijke  gemoedstoon  der 
negentiende  eeuw,  zij  is  niet  het  minst  gehoord  in  de 
Nederlandsche  Litteratuur. 

Zoo  er  nu  een  wijsgeerige  beweging  in  Nederland  is 
aangevangen,  dan  heeft  dit  verschijnsel  geen  andere  ver- 
klaring noodig  dan  de  logika  der  kultuur-geschiedenis 
zelve,  gelijk  wij  haar  poogden  te  schetsen.  Toch  is  een 
Nederlandsche  wijsgeerige  beweging  weer  iets  van  eigen 
karakter.  Tegelijk  met  het  internationale,  dat  de  moderne 
bewustheid  kenmerkt,  en  dat  aan  alle  denkers  eigen  is  — 
daar  hier  het  menschelijke  het  vaderlandsche  overweegt  — 
houdt  een  wijsgeerige  beweging  verband  met  de  taal  eens 
volks.  De  taal  is  een  geestelijk  land  zelf,  waarin  de  geest 
der  menschheid  een  harer  algemeene  en  toch  eigen- 
aardige  woonplaatsen   vindt;   en  zoo  zal  nooit  een  Neder- 


IN    NEDERLAND.  11 

landsche  wijsbegeerte,  zelfs  al  gaat  zij  in  vreemde  school, 
de  loutere  overname  zijn  van  een  Duitsche,  Engelsche  of 
Fransche  op  eigen  bodem  —  ook  geen  vertaald  poëem  is 
een  herhaling  van  het  origineel. 

Een  wijsgeerige  beweging  in  Nederland  vindt  hier  boven- 
dien een  ander  verleden ,  dan  zij  in  Duitschand  of  Engeland 
vindt.  Het  rechtstreeksch  verleden  der  tegenwoordige  wijs- 
geerige beweging  is  de  „litteratuur  van  '80".  Dit  stempelt 
de  tegenwoordige  beweging  tot  een  beweging  der  „jonge- 
ren" —  dit  woord  in  ruimsten  zin  genomen.  Ook  deze  stem- 
peling worde  ruim  verstaan;  want  verscheidenen  der  vóór 
'80  werkende  en  denkende  intellekten  zijn  deelnemers  aan 
de  wijsgeerige  belangstelling  van  het  heden.  Maar  dat  deze 
belangstelling  thans  een  beweging  is,  is  te  danken  aan  den 
stoot,  die  van  de  litteratuur  van  '80  is  uitgegaan. 

De  oudere  filosofie  was  óf  een  vernieuwde  theologie,  óf 
zij  was  het  voorname  werk  van  eenlingen.  Voor  zoover  zij 
een  kultuurbeweging  kon  genoemd  worden ,  had  zij  bepaald 
theologisch  karakter.  Immers  wat  hier  werkzaam  was,  is  niet 
de  metafysische  drang,  de  behoefte  aan  begrip  der  ver- 
schijnings-wereld  uit  de  idee  des  geheels,  maar  zeer  bepaald 
de  behoefte  om  de  religie  te  rechtvaardigen.  Deze  wijs- 
begeerte (1860)  hing  samen  met  de  kwestie  der  moderne 
theologie,  ja  het  waren  de  moderne  theologen  zelf,  die  de 
wijsbegeerte  —  op  nieuw  ancilla  theologiae  —  aanwendden 
uit  deze  zeer  zeker  nobele,  maar  toch  in  haar  apartheid 
onwijsgeerige  bedoeling.  De  moderne  theologie  had  geen 
wijsgeerige  strekking.  Zij  lichtte  de  moraal  en  de  wijsbe- 
geerte van  den  godsdienst  uit  het  kader  des  geheels  en 
beschouwde  die  twee  als  zelfstandige  vakken  van  onderwijs 
en  van  overweging;  alsof  een  botanicus  zich  op  de  studie 
der  meeldraden  toelegde,  onbegrepen  dat  de  meeldraad 
geen    zin    heeft   zonder   stamper,    en   zij   te   zamen  slechts 


12  EEN  WIJSGEERIGE   BEWEGING 

organen  zijn  in  de  funktioneering  der  geheele  plant.  De 
filosofie  der  moderne  theologie  was  uiteraard  nog  meer 
polemisch  dan  thetisch ;  en  in  het  hart  der  zaak  was  zij 
niet  thetisch  maar  apologetisch;  rechtvaardiging  der  religie 
tegenover  de  natuurwetenschap.  Hoeveel  scherpzinnigheid 
en  toewijding  aan  dezen  arbeid  ten  koste  gelegd  zij ;  hoezeer 
zij  de  behoefte  van  een  verleden  tijd  mocht  wezen  —  met  de 
onwijsgeerigheid  van  het  tijdvak  zelf  is  ook  haar  wijsgeerig 
karakter  geoordeeld.  Zij  is  geen  wijsbegeerte  maar  theologie 
en  derhalve  deelt  zij  in  het  kultuur-plan  als  een  nieuwere 
voortzetting  van  de  kerkelijke  belijdenis.  Zij  zelve  zou  geen 
wijsgeerige  beweging  te  voorschijn  roepen.  Zij  heeft  den 
natuurwetenschappelijken,  naar  het  voorstelbare  gerichten 
geest  der  nieuwe  geschiedenis  slechts  ondervonden  als  het 
bestrijdbaar  tegendeel,  maar  niet  als  haar  eigen  negatieve 
praemisse,  die  uit  kracht  der  onvoldoendheid  de  aandacht 
voor  het  Geheel ,  den  geest  der  wijsbegeerte,  wakker  roept. 
Zij  heeft  niet  de  scepsis  achter  zich.  Ook  personen  als  van 
Vloten  die  haar  het  felst  tegenstonden,  behoorden  in  haar 
kader  en  werden  in  hun  tegenstand  nog  niet  uit  wijsgeerigen 
zin  gedreven!  Kon  van  Vloten  als  type  gelden  van  een 
andere  fraktie  van  het  negentiende-eeuwsche  Nederlandsch 
intellekt:  zoo  was  hij  een  theoloog  in  omgekeerden  zin,  een 
tegenstander  der  theologie,  wiens  denken  dus  door  dezelfde 
anti-these  werd  bepaald;  geen  wijsgeer,  maar  die  wapenen 
leende  uit  het  wijsgeerig  arsenaal  van  Spinoza,  om  den 
strijd  tegen  de  theologie  te  voeren.  Te  zelfstandige  persoon- 
lijkheid om  Multatuliaan  te  wezen  met  de  Dageraders, 
wendde  hij  het  Spinozisme  in  polemisch  gebruik,  tegen  het 
religieus  bewustzijn  zijner  tijdgenooten  aan. 

Slechts  stonden  in  het  verleden  dier  theologische  beweging 
twee  mannen,  die  men  het  meest  voor  de  Nederlandsche 
wijsgeeren    houdt:    Opzoomer    en   Scholten.    Van   Scholten 


!N   NEDERLAND.  13 

ZOU  zeker  grootere  opwekking  tot  een  wijsgeerig  leven  zijn 
uitgegaan,  zoo  zijn  tijd  hem  vergund  had  het  theologische 
kamp  te  verlaten,  want  hij  was  er  de  man  voor;  en  zoo 
het  lot  de  zaken  wat  anders  had  geregeld,  zouden  hij  en 
Martinus  des  Amorie  van  der  Hoeven  de  heroën  geweest 
zijn   eener  Nederlandsche  filosofie  in  de  negentiende  eeuw. 

Maar  Opzoomers  getemperd  empirisme  en  zijn  leer  der 
kenbronnen  voor  de  oudere  wijsbegeerte  in  Nederland  te 
houden;  zelfstandige  wijsbegeerte;  datgene  wat  het  Neder- 
landsch  intellekt  praesteerde  in  spekulatieve  overweging, 
zoo  deze  niet  aan  het  theologische  vraagstuk  werd  opge- 
offerd ....  Opzoomer  als  de  hoofdfiguur  eener  Nederlandsche 
filosofie ;  is  het  geen  bewijs  dat  in  ons  geboorteland  te  voren 
nog  geen  wijsgeerlge  beweging  is  geweest? 

Voorbereiders  eener  wijsgeerige  beweging  waren  die 
weinigen ,  die ,  een  jongere  generatie  dan  Opzoomer  zijnde , 
met  of  zonder  universitairen  leerstoel ,  de  stem  der  wijs- 
begeerte vermochten  wakker  te  houden,  terwijl  de  tijd  aan 
hun  belangen  ongunstig  was  gezind.  Maar  voor  zoover  zij  geen 
arbeidsveld  buiten  het  wijsgeerig  leven  zochten,  werkten 
zij  voor  beperkten  kring.  Hun  beteekenis  ligt  inde  houding  , 
die  zij  in  het  vraagstuk  der  kennis  aannamen.  Een  eigen- 
lijke metafysika  werd  door  hen  nóch  ontwikkeld  nóch 
voorgestaan ;  exakte  wetenschap  en  historie  hadden  de  vesting 
van  het  intellekt  voor  zich  alleen  en  waren  weinig  bereid 
de  poorten  voor  den  metafysikus  te  ontsluiten;  maar  de 
eenige  plaats  waar  zij  inneembaar  was,  was  juist  het  punt 
der  kennis-leer.  Vandaar  was  de  kwestie  tusschen  apriorisme 
en  empirisme  het  vraagstuk  bij  uitnemendheid,  waarover 
toen  werd  gefilosofeerd.  Aan  de  nieuwe  metafysika ,  die  geen 
begrippenspel,  geen  blinde  idiologie  wil  zijn,  moet  Kant 
voorafgaan.  Hij  is  de  wegbereider  van  het  ware  metafysisch 
denken   onzes  tijds.   Zoo   was  het  Kantiaansche  vraagstuk, 


14  EEN   WIJSGEERIGE   BEWEGING 

in    het  Nederlandsch  denken  overgebracht,  de  wegbereider 
van  de  metafysische  belangstelling. 

Maar  een  wijsgeerige  beweging  zou  niet  hierna  gevolgd 
zijn,  zoo  daar  niet  geweest  ware  de  litteratuur  van  '80. 
Want  door  deze  werd  in  het  breede  een  intellektueele  be- 
hoefte wakker,  die  niet  door  de  exakte  wetenschap  werd 
voldaan.  Zoo  kon  voor  de  wijsbegeerte  ontstaan  een  terrein 
voor  algemeener  belangstelling  dan  der  enkelen.  Het  lag 
bovendien  in  den  aard  der  beweging  van  '80,  dat  uit  haar 
een  wijsgeerige  behoefte  ontwaakte.  Immers  zij  was  niet 
maar  een  aktie  tot  voortbrengst  van  litteraire  werken,  doch 
veeleer  een  kultuurbeweging,  in  welke  zulke  werken  werden 
voortgebracht.  De  uiting  was  hoofdzakelijk  bellettristisch , 
maar  de  uiting  is  het  wezen  niet.  De  nieuwe  litteratuur 
bracht  een  nieuwen  faktor  in  de  geestelijke  beschaving  aan , 
n.1.  de  hartstocht  der  Taal.  Zooals  de  oudere  schrijvers  een 
moraal,  een  geloof,  een  roeping  en  een  godsdienst  hadden, 
en  bovendien  schrijvers  waren,  zoo  had  de  nieuwe  littera- 
tuur geen  moraal  noch  godsdienst  dan  den  hartstocht  der  Taal. 
De  Taal  te  hebben  was  een  geloof;  de  eigen  verbeeldings- 
waarde en  het  muzikaal  karakter  der  Taal  te  kweeken ,  was 
een  roeping.  Het  Woord  was  niet  maar  als  een  ongevoelde 
klank,  en  uitdrukkingsmiddel  ten  bate  van  voorstelling  en 
begrip ,  doch  een  vrije  Macht.  Deze  vrije  vaan  des  Woords, 
door  haar  gevoerd,  was  aanwijzing  dat  zich  een  kuituur 
toebereidde  —  die  breeder  gebied  zou  omvatten  dan  roman 
en  vers.  Zoo  kon  de  litteratuur  van  '80  voor  het  intellekt  een 
aansporing  zijn,   die  ook  de  wijsbegeerte  ten  goede  kwam. 

Al  scheen  dus  de  litteratuur  van  '80  aanvankelijk  niet  in 
de  richting  eener  wijsbegeerte  heen  te  wijzen  —  zij  droeg 
toch  die  noodzaak  in  zich ,  doordat  de  vrije  beweging  der  Taal 
haar   leuze    was;  want  terwijl  zij  geen  ethisch,  maatschap- 


IN    NEDERLAND.  15 

pelijk,  noch  politiek  ideaal  stelde,  waaraan  zij  zich  onder- 
schikte, en  geen  eisch  stelde  noch  program,  dan  die  in  de 
Taal  zelve  lagen  opgesloten,  kon  hier  waarlijk  de  subjekti- 
viteit  des  kunstenaars  recht  aan  het  woord  komen.  Zoo 
kreeg  de  vrijheid  van  den  zelfbewusten  mensch  haar  be- 
hoorlijk recht  tegenover  de  uitwendige  wetmatigheid  der 
wetenschap.  Het  Zolaisme  en  het  dichterlijke  voorbeeld 
van  Shelley  beduidden  voor  deze  kunstbeweging  hetzelfde : 
de  vrijmacht  des  geestes  door  het  Woord ,  om  de  objektieve 
natuur  tot  droom  te  verwazen  of  in  passie  te  verteren ,  of 
in  liefde  te  vergeestelijken.  De  kunstzinnige  mensch  mocht 
door  de  Taal  over  alles  beschikken.  Het  gevoelig  tempe- 
rament mocht  gaan  zoover  de  Taal  vergunt. 

Maar  nu  zou  blijken  waarheen  de  Taal  drong.  Want  Öe 
macht,  die  zij  geeft  over  de  stof,  noodigt  tot  wijsgeerige 
bezinning.  Taal  en  denken  zijn  tweelingsuitingen  des  gees- 
tes; en  een  kuituur,  die  de  vrije  beweging  des  woords 
tot  leus  heeft,  kan  wel  beginnen  bij  het  zinnelijke  woord 
maar  moet  eindigen  bij  het  geestelijke.  De  Taal  heeft  een 
voorstellings-  en  een  muzikale  wereld  in  zich ,  maar  ook 
een  begripswereld;  want  deze  laatste  is  te  gelijk  met  de 
taal  zelve  uit  den  aard  der  menschelijke  subjektiviteit  (den 
geest  zelf)  voortgevloeid.  De  Taal  te  verheerlijken  is  evenzeer 
een  beschouwelijke  als  een  hartstochtelijke  liefde.  Ja  veeleer 
een  beschouwelijke;  zoodat  gelijk  te  voren  in  Shelley's  werk, 
evenzeer  in  de  litteratuur  van  '80  een  beschouwelijke  neiging 
aan  het  poëtisch  woord  eigen  was  en  al  eigener  werd.  Lag 
hier  geen  aanwijzing  tot  de  wijsbegeerte?  en  lag  zij  dan  niet 
in  het  wezen  dezer  litteratuur?  En  dat  de  litteratuur  van 
'80  haar  terrein  verbreeden  en  de  grenzen  der  litteratuur 
overschrijden  móest  (waaruit  blijkt  dat  zij  inderdaad  een 
kultuur-beweging  en  niet  slechts  een  litteraire  school  was) 
volgde    uit    haar  opzet,   die  voor  haar  litteratuur  te  groot 


16  EEN   WIJSGEERIGE   BEWEGING 

was.  Want  terwijl  de  leiders  een  hervorming  van  het 
Nederlandsche  geestes-leven  in  vooruitzicht  stelden ,  was  hun 
litteratuur  overwegend  lyrisch.  En  alleen  een  dramatische 
letterkunde  heeft  de  breedheid  die  een  kuituur  omvat.  Zoo 
kon  dan  de  beweging  van  '80,  voor  zoover  zij  litteratuur 
was,  haar  voornemens  niet  vervullen  en  werd  juist  in  dezen 
kring  de  nood  gevoeld  om  de  litteraire  inspiratie  te  voeden 
door  aan  het  leven  een  breeder  inhoud  te  geven,  gelijk 
bleek  in  die  leiders,  die  hun  arbeid  verlegden  naar  het 
terrein  der  maatschappelijke  hervorming. 

Zoo  wees  dan  deze  litteratuur  naar  verbreeding;  en  zoo 
oneigenlijk  als  de  maatschappelijke  werkzaamheid  in  't  ver- 
lengde ligt  eener  litteraire  beweging,  zoo  eigenlijk  kan  een 
wijsgeerige  aktie  als  verbreeding  daarvan  gelden;  te  meer 
nu  deze  litteratuur  zich  al  meer  uit  het  passioneele  naar 
het  beschouwelijke  boog,  en  deze  neiging  bewees  door  het 
formuleeren  van  kunstbegrip ;  weldra  ook  doordat  zij  aan- 
leiding nam  tot  levensleer. 

De  litteratuur  van  80  gaf  te  meer  aanleiding  tot  een 
wijsgeerige  beweging,  daar  zij  uit  haar  tijd  was  geboren. 
De  oudere  litteratuur,  voor  zoover  zij  zich  vooraan  stelde  in 
den  Nederlandschen  schoonheidszin,  stamde  uit  Bilderdijk,  en 
stond  dus  tegenover  den  „geest  der  eeuw",  en  veeleer  in 
het  teeken  der  oppositie  dan  der  verheerlijking  van  de  vi- 
geerende  kuituur.  De  litteratuur  van  '80  stamt  niet  uit  Bilder- 
dijk, maar  uit  den  geest  der  nieuwere  geschiedenis  zelf. 
Deze  afstamming  bewees  zij  eensdeels  door  haar  negatieve 
houding  tegen  hetgeen  wij  noemden  „de  kerkelijke  belijdenis" 
anderdeels  door  sceptische  en  pessimistische  gezindheden. 
Zij  gevoelde  de  eenzijdigheid  van  den  geest  der  nieuwere 
geschiedenis  als  een  ontbering,  een  gemis,  als  de  ver- 
woesting van  iets  schoons  (Helene  Swarth's  Sonnetten  waren 
de    zuivere   spiegel    van    dit  gevoelen).   Zij  zocht  de  over- 


IN   NEDERLAND.  17 

winning  onzer  eenzijdigheid  in  het  recht  der  subjektiviteit 
tegenover  wet  en  regel.  Een  synthese  werd  niet  gevonden 
een  begrip  niet  gesteld,  waarin  wetenschap,  moraliteit, 
samenleving,  kunst,  religie  gelijkelijk  recht  verkregen  en 
tevens  als  takken  van  één  levensboom  waren  vereenigd. 
De  litteratuur  van  '80  maakte  door  deze  eenzijdigheid  eene 
voortbeweging  in  de  richting  der  wijsbegeerte  noodig.  Het 
intellekt,  dat  zijn  vrijheid  verkrijgt  tegenover  het  speciaal 
onderzoek  der  natuur-wetenschappelijke  methode ,  streeft  de 
eenzijdigheid  te  overwinnen  en  vindt  de  alzijdigheid  van  het 
begrip,  of:  het  wetenschappelijk  begrip  voorbijstrevend , 
vindt  het  de  wijsgeerige  idee.  De  geest  der  nieuwe  geschie- 
denis zelve  kwam  in  de  litteratuur  van  '80  met  den  eisch 
eener  verruiming  des  intellekts,  die  op  wijsbegeerte  wees. 
Is  nu  de  wijsgeerige  beweging  als /?eiveo-//2^  voortgekomen 
uit  de  litteraire,  een  vertakking  van  deze  —  dan  beteekent 
dit  niet  dat  de  wijsbegeerte  de  plaats  der  schoone  letteren 
wil  innemen,  maar  dat  zij  ook  kunst  is  en  wil  zijn.  Kunst- 
zinnigheid is,  in  tegenstelling  met  oudere  filosofie,  der  jongere 
eigen.  Het  Duitsch  idealisme,  dat  in  verscheidene  opzichten 
het  model  is,  waarnaar  een  tegenwoordige  wijsgeerige  be- 
weging zich  richt  —  het  Duitsch  idealisme  heeft  sterk  den 
band  gevoeld  die  tusschen  kunst  en  wijsbegeerte  bestaat. 
Dit  bewustzijn  des  verbands  bestaat  ook  nu.  De  wijsbegeerte 
is  een  intellektueele  kunst,  de  kunst  des  intellekts  bij 
uitnemendheid. 

De  tijdvakken  der  geschiedenis  zijn  slechts  in  betrekke- 
lijken  zin  van  elkaar  gescheiden;  zooals  de  Alpenketen 
Germaansch  en  Romaansch  land  uiteenlegt,  doch  geen 
wezenlijke  scheiding  is  voor  wie  hem  overstijgt  —  zoo  ook 
is  de  geest  der  geschiedenis,  die  in  het  midden-eeuwsch 
Europa   de   aandacht  richtte  op  de  idee  des  Geheels,  niet 

2 


18  EEN   WIJSGEERIGE   BEWEGING 

wezenlijk  gescheiden  van  den  geest,  die  in  de  nieuwe  ge- 
schiedenis zich  op  de  koni<reet-voorstelbare  wereld  wierp. 
Het  is  dezelfde  geest  in  twee  fazen;  vandaar  dat  hij  uit 
zijn  laatste  voorliefde  tot  zijn  eerste  wederkeert,  niet  terug- 
gaand doch  voorwaarts.  Zoo  herinnert  na  langen  tijd  van 
nieuwen  arbeid,  de  mensch  zich  een  vorig  tijdperk,  en 
wendt  de  hoofdwaarde  van  dit  herinnerd  verleden  aan , 
opnieuw,  om  de  toekomst  schooner  te  maken  en  beter. 

IV. 

Wat  nu  aangaat  het  karakter  eener  huidige  wijsgeerige 
beweging:  hetgeen  wij  in  het  prospektus  omtrent  dit  Tijd- 
schrift bepaalden,  geldt  ook  voor  de  wijsgeerige  beweging 
in  het  algemeen:  „het  is  de  bedoeling  niet  van  redaktie 
en  medewerkers  om  in  een  gesloten  falanx  voor  een  be- 
paalde wijsbegeerte  te  strijden;  zij  zelven  zijn  bij  alle 
waardeering  voor  eikaars  werk  en  standpunt  van  verscheiden 
wijsgeerige  gezindheid.  Moge  een  school-tijdschrift  zijn  be- 
koring hebben  voor  een  besloten  kring,  hetzij  van  Spinozisten , 
Kantianen  of  Hegelaars  —  wat  wij  meenden  te  moeten 
stichten,  en  waaraan  wij  levensvatbaarheid  toekenden,  is: 
een  vrije  tribune  voor  het  wijsgeerig  woord." 

Zoo  mogen  in  de  beweging  ook  bepaalde  voorliefden 
werkzaam  zijn,  de  beweging  zelve  kan  echter  nóch  als  be- 
paald Spinozistisch ,  nóch  als  bepaald  Kantiaansch  of  Hege- 
liaansch  gestempeld  worden.  Zij  is  de  beweging  om  een  in- 
tellektueelen  geestes-inhoud.  Men  bedenke  dat  noch  Spinoza- 
Kant,  noch  Kant-Hegel,  noch  Hegel-Spinoza  voornamelijk 
een  tegenstelling  vormen.  Hoezeer  het  de  lust  geweest  is 
en  blijft  der  filosofie-verachters,  om  de  meeningen  van 
verschillende  wijsgeeren  (die  vaak  meer  tegengesteld  klin- 
ken dan  zijn)  met  elkaar  in  tegenspraak  te  zetten ,  er  is  toch 
een  verwantschap  aller  metafysika;  en  waarschijnlijk  beslist 


h 


IN   NEDERLAND.  19 

persoonlijk    temperament    over    de    kleur-wijziging    in    het 
metafysisch  denken  der  wijsgeerige  belangstellers. 

Zoo  éen  grondtrek  het  karakter  der  wijsgeerige  beweging 
in  haar  geheel  en  het  streven  der  afzonderlijke  personen, 
die  in  haar  medewerken,  kenmerkt,  dan  is  het:  de  erken- 
ning van  de  werkelijkheid  der  Idee.  Wij  leven  nog  in  het 
tijdperk  van  de  heerschappij  der  natuurwetenschap.  De 
„natuurwetenschappelijk  geschoolde  mensch"  kent  aan  zich 
zelven  toe  een  eerstgeboorterecht  in  het  huisgezin  des  in- 
tellekts,  daar  hij  gaarne  naar  zijn  regelen  en  wetten  alle 
anderen  dwingen  zou.  Voor  deze  eenzijdigheid  wil  de  wijs- 
begeerte in  de  plaats  stellen:  de  centrale  beteekenis  der 
Idee.  De  natuurwetenschap  heeft  zich  haar  eereplaats  ver- 
worven niet  door  logisch  recht,  maar  door  succes.  Zoowel 
de  toepasbaarheid  harer  uitkomsten  voor  de  maatschappe- 
lijke welvaart  als  de  voorspoedigheid  van  hare  proefnemingen 
en  de  veelheid  harer  ontdekkingen,  hebben  haar  in  de 
negentiende  eeuw  een  ongeëvenaard  aanzien  verstrekt. 
Maar  het  utilisme  slechts  kan  hierin  grond  vinden  voor  zoo 
hooge  waardeering.  Het  is  de  vraag  of  de  natuurweten- 
schappelijke methode  tot  waarheid  of  si  echts  tot  juistheid  leidt. 
Het  laatste  is  het  geval.  De  natuurwetenschap  is  in  breed- 

I  verstanen,  maar  ook  meest  eigenlijken  zin  niet  een  theo- 
retische, doch  een  praktische  studie.  Breedverstaan  — 
d,  w.  z.  het  behoeft  geen  praktisch  resultaat  te  zijn  waarom 
zij  ondernomen  wordt  door  een  beoefenaar;  de  behoefte 
aan  kennis  is  ook  hier  de  groote  drijfveer;  maar  op  den 
bodem  van  deze  ligt  de  behoefte  om  de  menschelijke  levens- 

l  konditiën  te  verruimen  en  te  verbeteren,  niet  de  zuivere 
waarheidsdrang.  Stel  naast  elkaar  Spinoza  en  Huyghens ,  dan 
is  de  loutere  drang  naar  waarheid  het  meest  in  den  eerste 
vertegenwoordigd.  Het  is  dezelfde  antithese  als  tusschen 
verstand  e  n  rede. 


20  ENE   WIJSGEERIGE    BEWEGING 

De  natuur  n.1.  is  de  buitenzijde  of  keerzijde;  en  het 
denken,  de  zelfbewustheid,  is  de  binnenzijde,  het  wezen 
zelf.  Zoo  is  de  natuurwetenschap  steeds  een  verkeerde  weg 
tot  de  waarheid;  zij  begint  bij  de  menigvuldigheid,  de 
konkreet-voorstelbare  wereld,  maar  kan  niet  en  bestreeft 
niet  deze  wereld  te  verstaan  in  haar  Eenheid.  Het  Eene  is 
de  waarheid,  en  alleen  het  denken,  dat  niet  het  objekt 
tegenover  zich,  maar  zichzélf  als  objekt  denkt,  denkt  waarheid. 
Het  denken  heeft  den  weg  der  waarheid  in  zich.  De  natuur- 
wetenschap —  en  evenzoo  een  wetenschap  der  psychische 
verschijnselen,  die  zich  te  kwader  ure  voor  wijsbegeerte 
mocht  uitgeven  —  zoekt  de  menigvuldigheid  te  begrijpen 
door  generalisatie.  In  vroeger  tijd  gold  het  soortbegrip  voor 
verklarende  generalisatie  (zoo  konden  deugdhandelingen  uit 
de  deugdzaamheid ,  of  zekere  afscheidingen  uit  het  afschei- 
dingsvermogen verklaard ,  welke  generalisaties  dan  tot  zekeren 
graad  van  zelfstandigheid  als  levensgeesten  werden  vastgezet.) 
Het  nieuwere  denken  in  natuurwetenschap  vindt  de  genera- 
lisatie in  het  wetsbegrip  en  zoekt  opperste  wetten  als  hypo- 
thesen onder  de  verschijnselwereld  te  schuiven,  uit  welker 
gezichtspunt  de  verschijnselen  begrijpbaar  zijn.  Op  die 
wijze  zijn  de  cel-theorie,  de  atoom-leer,  de  ether-hypothese 
te  waardeeren;  niet  als  benaderingen  van  waarheid,  maar 
als  beginselen  van  verstandelijke  samenvatting  der  objek- 
tieve  verschijningswereld.  Het  is  niet  bedoeld  dat  cel,  atoom, 
ether  het  wezen  der  natuurverschijning  zouden  zijn. 

Slechts  zoo  het  menschelijk  denken  beperkt  moet  worden 
tot  sorteering  en  samenvatting  der  verschijning  onder  alge- 
meene  gezichtspunten,  zou  aan  de  natuurwetenschappen 
de  voorrang  toekomen.  Maar  er  is  een  denken  van  het 
denken  mogelijk,  en  het  is  niet  zonder  zin  dat  Auguste 
Comte  deze  mogelijkheid  heeft  geloochend!  De  wijsbegeerte 
slaat    dezen    weg    voor  als   weg  der   waarheid    en    meent 


IN    NEDERLAND.  21 

dat  haar  methode  een  algemeenheid  heeft,  op  grond  waar- 
van de  wetenschappelijke  methode  eerst  mogelijk  en  begrijpelijk 
wordt.  De  natuurwetenschap  werkt  met  de  algemeenheid, 
maar  begrijpt  haar  niet;  zij  veronderstelt  oorzaak-begrip ,  wets- 
begrip als  haar  werktuigen  en  wendt  deze  werktuigen  aan. 
Het  zijn  haar  arbeidsmiddelen  —  die  zij  niet  heeft  uitge- 
vonden. Het  bizondere  (de  verschijning)  „verklaart"  zij  er 
mee,  maar  de  arbeidsmiddelen,  het  algemeene  zelf,  ligt 
voor  haar  onverklaard.  Is  zij  niet  deswege  gedwongen 
een  „hoogere  wetenschap"  te  erkennen,  uit  welke  haar  de 
arbeidsmiddelen  zijn  aangereikt?  De  algemeenheid  (oorzaak- 
begrip enz.)  ligt  in  de  organisatie  des  denkenden  geestes 
zelf  vervat.  De  geest  wiens  denken  tot  zichzelf  uitgaat, 
ziet  daar  de  beginselen  en  kategorieën  van  het  denken  gelegerd, 
ziet  ook  hoe  de  natuurwetenschap  een  deel  is  der  taak , 
welke  de  denkende  geest  uit  kracht  des  denkens  zelf  zich  stelt. 
De  natuurwetenschap  mag  een  toren  zijn,  van  waaruit  de 
vlakte  der  verschijningswereld  wordt  overzien  —  de  wijs- 
begeerte is  een  berg,  die  heenziet  over  de  torens.  De  na- 
tuurwetenschappelijk geschoolde  mensch  mag  een  voor- 
treffelijk werkman  zijn,  wiens  arbeidsprodukten  den  lof  van 
eiken  beschouwer  verdienen  —  de  metafyzikus  is  de  be- 
reider  van  het  werktuig,  dat  van  zijnentwege  wordt  ingericht 
tot  het  werk  van  den  naturalist. 

•Of  —  hier  zijn  geen  twee  personen  tegen  elkaar  verdeeld 
doch  veeleer  is  de  metafysika  een  notie,  welke  in  den 
fysikus  zelf  als  voorwaarde  tot  zijn  eigen  werk  is  vervat. 
Het  denken  is  niet  met  zichzelf  in  strijd;  het  berust  in 
diepsten  aanleg  op  een  grondplan  en  wezenlijke  harmonie, 
waarvan  alle  takken  van  intellektueele  verrichting  het  bewijs 
dragen ;  elke  tak  heeft  eigen  verrichting,  elke  arbeid  eigen 
taak  —  in  het  verband  des  Geheels. 

Het   geheel    is  de  centrale  Eenheid.  Het  denken  dat  alle 


22  EEN   WIJSGEERIGE   BEWEGING 

intellektueelen  arbeid  uit  zichzelven  schept,  is  zelf  het  Ge- 
heel, de  centrale  Eenheid  van  al  zijn  werk;  het  is:  decen- 
trale eenheid  der  verschijningswereld.  En  als  zoodanig  is  het 
niet  het  individueel  overpeinzen  van  dezen  Kant  of  dien 
Aristoteles  of  gindschen  Malebranche,  maar  het  denken  zelf 
is  de  universeele  kracht,  de  Eeuwige  Idee  die  zich  denkt. 

En  de  wijsbegeerte  is:  het  denken  der  menschen  op  de 
Idee  gericht. 

Zoo  blijkt  dus  dat  een  wijsgeerige  beweging  niet  moet 
gerekend  als  een  vernieuwde  (of  verouderde!)  belangstelling 
voor  sommige  intellektueele  problemen,  die  met  de  meer 
exakte  in  tegenstelling  staan ;  maar  dat  hier  een  aanleg  der 
geestelijke  kuituur  haar  recht  zoekt.  De  geest  der  menschheid 
is  één  en  dezelfde,  al  heeft  hij  in  verschillende  tijdperken 
verschillend  accent;  en  deze  geest  is  de  Idee,  de  centrale 
eenheid  der  verschijningen,  de  grond  aller  intellektueele  ver- 
richtingen, de  grond  der  kuituur;  en  daarin  is  de  noodwen- 
digheid gelegen  eener  telkens  herhaalde  hoogere  bezinning, 
nadat  een  tijdlang  de  denkende  aandacht  zich  aan  de  konkreet 
voorstelbare  wereld  heeft  geofferd.  In  de  Idee  zelve  is  de 
toekomst  der  wijsbegeerte  gewaarborgd. 

Een  Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte  kondigt  zich  niet  met 
groote  belofte  aan,  noch  met  een  verbijsterend  werkpro- 
gram  gelijk  een  partij  van  politieke  aktie.  Het  zoekt  geen 
anderen  waarborg  zijner  levensvatbaarheid,  dan  die  bestaat 
in  de  behoefte,  uit  welke  de  oprichting  voortkwam. 

Maar  evenzeer  als  de  Redaktie  door  het  wijsgeerig  karakter 
van  het  Tijdschrift  behoed  wordt  om  haar  belang  met  reklame 
aan  de  publieke  aandacht  voor  te  dragen  —  evenzeer  is 
zij  om  dezelfde  reden  behoed  voor  groote  bescheidenheid. 
Het   is   niet  schoorvoetend  dat  wij  dit  Tijdschrift  en  daar- 


IN    NEDERLAND.  23 

mede  de  wijsgeerige  beweging  voorstaan,  alsof  deze  naast 
en  tegenover  de  geweldige  aktie  der  maatschappelijke  en 
politieke  praktijk  en  der  natuurwetenschappelijke  studie 
nauwelijks  een  plaats  vermocht  in  te  nemen  in  de  tegen- 
woordige kuituur.  Integendeel:  gelijk  wij  in  deze  bladzijden 
overwogen,  schijnt  ons  de  wijsgeerige  belangstelling  een 
onmisbaar  element  der  beschaving  toe ,  en  tot  welke  telkens 
en  steeds  weer  de  geest  der  historie  leiden  moet.  Wij  achten 
dus  ook  een  vernieuwde  wijsgeerige  aandacht  geen  toevallige 
liefhebberij  van  sommige  ontwikkelden,  wellicht  opgewekt 
en  aangemoedigd  door  den  aandrang  van  eenige  voort- 
strevende  mannen.  Maar  daar  de  Geest,  dat  is  de  Idee, 
grond  is  der  historie ,  en  de  Idee  zelve  naar  Vrijheid  streeft, 
welke  in  hoogste  instantie  hierin  bestaat,  dat  de  wereld 
zich  van  haar  bewust  wordt  —  zoo  is  de  bewustwording 
van  de  Idee,  en  de  erkenning  des  Geheels  en  der  ware 
Werkelijkheid  een  noodzaak,  die  in  de  historie  zelf  ligt 
gegeven. 

Het  Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte  verheugt  zich  een  eisch 
dezes  tijds  te  zijn  in  Nederland.  Zijn  Redaktie ,  verwachtend 
dat  de  wijsgeerige  belangstelling  van  dezen  tijd  ernstig  zij 
en  langdurig,  acht  deswege  haar  taak  aanvaardbaar  en 
schoon. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME 

DOOR 

Dr.  PH.  KOHNSTAMM  '). 


Dames  en  Meeren.  Zeer  gewenschte  toehoorders. 

In  een  van  die  oogenblikken,  waarin  Faust's  wispelturig- 
heid ,  zijn  gebreid  aan  energie  en  standvastigheid  ieder  ander 
dan  zijn  iankmoedigen  en  geduldigen  geleider  zouden  ver- 
leid hebben  tot  een  bits  en  onvriendelijk  antwoord,  tracht 
deze  hem  tot  het  nemen  van  een  besluit  te  brengen  door 
hem  toe  te  spreken  o.a.  met  de  volgende  troostwoorden: 

Ihr  sehet  drein 

Als  solltet  Ihr  in  den  Hörsaal  hinein 
Als  stünden  grau,  leibhaftig  vor  Euch  da 
Physik  und  Metaphysika. 

Wanneer  een  zoo  grondig  menschenkenner  als  Mephisto- 
pheles  klaarblijkelijk  van  oordeel  is,  dat  ook  sterkeren  dan 
Faust  afgeschrikt  zouden  worden  door  de  kans  op  een 
betoog  over  „Physik  und  Metaphysika",  dan  —  zoo  kan 
het  schijnen  —  mag  het  niet  dan  grove  ondankbaarheid 
heeten  wanneer  ik  Uwe  belangstelling  in  mij  en  mijne 
voornemens,   die   U  reeds  den  drempel  van  den  „Hörsaal" 


1)  Rede  uitgesproken  bij  de  opening  zijner  lessen  in  de  Wijsbegeerte  aan 
de  Universiteit  te  Amsterdam  op  Maandag  21  Januari  1907. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  25 

deed  overschrijden ,  thans  nog  bovendien  vergeld  door  tot 
U  te  spreiden  over  de  vereeniging  van  die  beide,  over  de 
verhouding,  waarin  natuurwetenschap  en  wijsbegeerte  tot 
elkander  staan.  Toch  heb  ik  de  aarzeling,  die  ik  op  dit 
punt  voelde,  overwonnen  en  ben  ik  bij  mijn  eerste  voor- 
nemen gebleven.  Laat  mij  de  redenen,  waarom,  U  thans 
uiteenzetten. 

Wij  hebben  in  de  laatste  jaren  uit  den  mond  van  hoog- 
leeraren, die  hunne  intreerede  hielden,  herhaaldelijk  ver- 
nomen ^),  dat  er  ernstige  bezwaren  bestaan  tegen  de  traditie , 
die  den  nieuwbenoemden  hoogleeraar  zijn  ambt  doet  aan- 
vaarden met  het  uitspreken  van  een  inaugureele  oratie.  Niet 
aan  het  begin,  maar  aan  het  einde  van  een  hoogleeraars- 
loopbaan  past  zulk  een  redevoering  —  zoo  werd  betoogd. 
Nu  gelden  die  bezwaren  —  in  hoofdzaak  hierop  neer- 
komende, dat  van  den  aftredenden  hoogleeraar,  den  veteraan 
in  de  wetenschap,  een  rede  te  verwachten  zou  zijn  rijker 
van  inhoud  en  van  ruimer  blik  getuigende ,  dan  van  iemand , 
die  eerst  het  hoogleeraarsambt  aanvaardt  —  natuurlijk  in 
zeer  veelvoudig  versterkte  mate  wanneer  het  niet  betreft  de 
aanvaarding  van  een  hoogleeraarsambt,  maar  slechts  van 
een  privaat-docentschap.  Maar  al  zou  die  overweging  zeker 
geschikt  zijn  mij  den  mond  te  snoeren ,  daartegenover  staat 
een  omstandigheid,  die  naar  het  mij  voorkomt  voor  den 
privaat-docent  plicht  maakt  te  doen ,  wat  voor  den  pas  be- 
noemden hoogleeraar  slechts  de  gewoonte  meebrengt.  Deze 
toch  is  door  de  daartoe  bevoegde  machten  geroepen  tot 
zijn  ambt,  hij  aanvaardt  een  taak,  die  hem  is  opgedragen, 
dat  hij  daartoe  bereid  werd  gevonden  kan  slechts  vreugde 
wekken;    maar   de  privaat-docent  komt  aan  den  disch  der 


1)  De  hypothesen  in  de  Natuurkunde  door  Dr.  J.  D.  van  der  Waals  Jr.  Gro- 
ningen, Wolters,  1903,  p.  3.  Het  Aesthetische  bestanddeel  van  Geschiedkundige 
Voorstellingen  door  Dr.J.  Huizinga.  Haarlem,  Tjeenk  Willink  en  Zoon,  1905,  p.  5. 


26  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME, 

Universiteit  als  een  ongenoode  gast,  slechts  „toegelaten" 
is  hij  tot  zijn  werkkring,  door  hemzelf  is  het  initiatief  ge- 
nomen ,  dat  dien  werkkring  hem  verschafte.  Het  kan  daarom 
niet  meer  dan  billijk  geacht  worden,  dat  hij  er  rekenschap 
van  aflegt,  wat  hem  dreef  tot  dien  stap,  waarom  hij  een 
taak  aanvaardt,  die  niemand  van  hem  begeert.  En  zeker 
was  daartoe  de  aanleiding  voor  geen  mijner  collega's 
privaat-docenten  grooter  dan  voor  mij.  Niet  slechts,  omdat 
ik  voor  zoover  het  mij  bekend  is  een  unicum  ben,  de  eenige 
privaat-docent  in  de  wijsbegeerte  in  ons  land ,  maar  voorname- 
lijk om  deze  reden.  Dat  een  theoloog  privaat-docent  wordt  in 
de  theologische,  een  jurist  in  de  juridische  of  een  medicus 
in  de  medische  faculteit,  is  niet  een  nieuw  zelfs  niet  een 
weinig  voorkomend  verschijnsel.  Maar  dat  een  physicus 
opname  vraagt  in  de  literarische  faculteit  schijnt  zoo  onge- 
woon, dat  menigeen,  die  ervan  hoorde,  aan  een  vergissing 
zal  hebben  gedacht.  Inderdaad,  de  wetenschappelijke  om- 
geving ,  waarin  ik  mij  voortaan  ,  althans  ten  deele ,  zal  heb- 
ben te  bewegen,  verschilt  in  hooge  mate  van  die,  waarin 
ik  heb  verkeerd  sedert  ik  werd  opgenomen  in  het  Album 
studiosorum  dezer  Universiteit,  en  wanneer  ik  in  die  nieuwe 
omgeving  om  mij  heen  zie  dan  word  ik  onwillekeurig  her- 
innerd aan  het  slot  van  den  Max  Havelaar,  aan  Multatuli's 
woord  van:  „de  weinige  talen,  die  ik  ken,  en  de  vele,  die 
ik  leeren  kan",  maar  ik  zeg  het  niet  met  Multatuli's  zelf- 
vertrouwen, maar  met  schrik  en  beschaamdheid.  Meer  nog 
dan  aan  andere  privaat-docenten  past  het  mij ,  een  verklaring 
te  geven  van  mijn  vrijmoedigheid,  een  verklaring,  die,  naar 
ik  hoop,  tevens  een  rechtvaardiging  zal  inhouden.  Ik  zal  dus 
trachten  U  duidelijk  te  maken  welke  de  taak  is,  die  ik  mij 
voorstel  aan  deze  Universiteit  te  vervullen;  die  uiteenzetting 
zal  ons  uit  den  aard  der  zaak  voeren  tot  het  onderwerp, 
dat  ik  in  mijn  aanhef  noemde. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  27 

Korten  tijd  na  den  dood  van  Spruyt  verscheen  in  het  tijd- 
schrift Onze  Eeuw  een  artikel  van  de  hand  van  Dr.  J.  D.  van  der 
Waals  Jn  ^),  waarin  deze  naar  hij  ons  verklaart:  „trachtte 
het  werk  van  Spruyt  te  karakteriseeren ,  aan  te  wijzen  in 
welke  richting  hij  in  de  philosophie  is  werkzaam  geweest, 
om  daarna  te  bespreken ,  wat  wij  geneigd  zijn  te  wenschen 
van  den  man,  die  geroepen  zal  zijn  zijn  werk  voort  te  zet- 
ten." De  schrijver  voegt  er  enkele  beschouwingen  aan  toe  over 
wat  hij  meent:  „te  mogen  verwachten  van  zijn  feitelijken  op- 
volger Dr.  M.  A.  van  Melle,  voor  zoover  wij  dit  laatste  uit  zijn 
Inaugureele  Rede  kunnen  opmaken."  Die  beschouwingen  voe- 
ren hem  tot  de  conclusie:  „dat  van  Melle  niet  werkzaam  zal 
zijn  in  de  richting,  waarin  Spruyt  dat  was ,  niet  tot  stand  zal 
brengen  wat  wij  voor  een  noodzakelijke  aanvulling  van 
Spruyt's  werk  houden  -)."  Ik  zal  over  deze  laatste  be- 
schouwingen hier  niet  tot  U  spreken.  Het  is  ons,  helaas, 
niet  meer  vergund  geweest  met  behulp  van  latere  geschriften 
van  van  Melle's  hand  de  vraag  te  beantwoorden  of  deze 
voorspelling  met  de  werkelijkheid  in  overeenstemming  is 
gebleken ,  maar  wat  mondelinge  mededeeling  en  helaas  te 
weinig  gevestigde  persoonlijke  indruk  ons  leert,  schijnt  er 
op  te  wijzen,  dat  dat  antwoord  beslist  ontkennend  zou 
moeten  luiden.  De  invloeden  in  andere  richting,  die  zich 
in  de  Inaugureele  Oratie  zeker  niet  laten  miskennen ,  schijnen 
steeds  meer  te  zijn  verzwakt,  de  nadering  tot  dat,  wat  ook 
Spruyt  beoogde ,  steeds  grooter  te  zijn  geworden.  Het  duide- 
lijkst blijkt  dit  uit  wat  Prof.  van  der  Wijck  ons  in  zijn  af- 
scheidscollege meedeelt,  „dat  van  Melle  hem  in  zijn  laat- 
sten  brief  had  verzocht  zich  in  het  openbaar  uit  te  spreken 
over   het  volstrekte  gezag  van   richtsnoeren   of  normen  op 


1)  Jaargang  1902  p.  81. 

2)  1.  c.  p.  107. 


28  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

ieder  gebied  van  geestelijk  leven."  ^)  Want  —  en  ook' 
hierin  verschil  ik  eenigermate  van  Dr.  van  der  Waals  — 
het  is  juist  de  erkenning  van  absolute  normen,  die  als  de 
quintessens  van  Spruyt's  streven  moet  worden  beschouwd. 
Dr.  van  der  Waals  noemt  als  zoodanig  zijn  strijd  voor  de 
erkenning  van  de  activiteit  van  den  menschelijken  geest;  ik 
zal  de  laatste  zijn  om  het  gewicht  van  die  erkenning  te 
verkleinen ,  maar  zij  schijnt  mij  haar  waarde  te  ontleenen 
en  dus  ondergeschikt  te  zijn  aan  het  andere  inzicht  dat  ik 
zooeven  noemde:  het  inzicht  in  het  absolute  gezag  van 
normen.  Dat  inzicht  te  blijven  verdedigen  in  den  geest,  zooals 
Spruyt  het  aan  deze  Universiteit  heeft  verdedigd ,  beschouw 
ik  als  het  eerste  gedeelte  van  mijn  taak,  en  ik  ben  er  mij 
van  bewust,  dat  ik  daarbij  blijf  op  den  bodem  van  de 
wereldbeschouwing,  die  den  meesten  en  grootsten  invloed 
op  Spruyt  gehad  heeft:  die  van  Kant. 

In  zijn:  Zur  Geschichte  der  Religion  und  Philosophie  in 
Deutschland  zegt  Heine,  na  gesproken  te  hebben  van  de 
verpletterende  kritiek,  die  Kant  gegeven  had  vanhetWolff- 
sche  rationalisme:  „ihr  meint,  wir  könnten  jetzt  nach 
Hause  gehn?  Bei  Leibe!  es  wird  noch  ein  Stück  aufgeführt. 
Nach  der  Tragödie  kommt  die  Farce.  Immanuel  Kant  hat 
bis  hier  den  unerbittlichen  Philosophen  traciert,  er  hat  den 
Himmel  gestürmt,  er  hat  die  ganze  Besatzung  über  die 
Klinge  springen  lassen ,  der  Oberherr  der  Welt  schwimmt  un- 
bewiesen  in  seinem  Blute,  es  gibt  jetzt  keine  Allbarmher- 
zigkeit  mehr,  keine  Vatergüte,  keine  jenseitige  Belohnung 
fiir  diesseitige  Enthaltsamkeit,  die  Unsterblichkeit  der  Seele 
liegt  in  den  letzten  Zügen  —  das  rochelt,  das  stöhnt  — 
und  der  alte  Lampe  steht  dabei,  mit  seinem  Regenschirm 
unterm   Arm,   als   betrübter  Zuschauer,  und  Angstschweiss 


1)  Onze  eeuw  1906.  afl.  8. 


TRANSCENDENTEEL    IDEALISME.  29 

und  Thranen  rinnen  ihm  vom  Gesichte.  Da  erbarmt  sich 
Immanuel  Kant  und  zeigt,  dass  er  nicht  bloss  ein  grosser 
Philosoph,  sondern  auch  ein  guter  Mensch  ist,  und  er 
überlegt,  und  halb  gutmütig  und  iiaib  ironisch  spricht  er: 
„Der  alte  Lampe  muss  einen  Gott  haben,  sonst  i^ann  der 
arme  Mensch  nicht  glücklich  sein  —  der  Mensch  sol!  aber 
auf  der  Welt  glücklich  sein  —  das  sagt  die  praktische 
Vernunft  —  meinetwegen  so  mag  auch  die  praktische  Ver- 
nunft  die  Existenz  Gottes  verbiirgen."  In  Folge  dieses  Ar- 
gumentes  unterscheidetKantzwichen  dertheoretischenVernunft 
und  der  praktischen  Vernunft,  und  mit  dieser,  wie  mit 
einem  Zauberstabchen  belebte  er  wieder  den  Leichnam  des 
Deismus,  den  die  theoretische  Vernunft  getötet."  Ik  lees 
opzettelijk  U  deze  passage  voor,  omdat  zij  U  —  op  veel 
geestiger  wijze,  dan  ik  zou  vermogen  —  een  beeld  kan 
geven  van  de  hoofdzaak  van  Kant's  wijsbegeerte ,  zij  het  dan 
ook  op  andere  wijze  dan  haar  schrijver  bedoelde.  Immers, 
Heine's  beschrijving  is  even  onjuist  als  zij  geestig  is,  en 
Gij  behoeft  dus  slechts  alles  wat  daarin  gezegd  wordt  over 
de  verhouding  van  praktische  en  theoretische  Vernunft 
juist  in  het  tegendeel  te  verkeeren  om  een  in  hoofdzaak 
juist  inzicht  in  die  verhouding  te  verkrijgen.  Niet  zóó  is  de 
samenhang,  dat  om  overwegingen  buiten  het  eigenlijk  the- 
oretisch ,  wetenschappelijk  denken  om ,  ja  zelfs  in  lijnrechten 
strijd  daarmede,  door  de  practische  rede  allerlei  als  waar 
wordt  aangenomen,  en  zulks  om  te  voldoen  aan  zekere 
„behoeften  van  het  hart"  of  hoe  men  zulke  sentimenteel- 
gevoelige  overwegingen  zou  willen  noemen ;  neen,  dit  is  de 
nieuwe  opvatting  van  het  wezen  der  wetenschap,  die  Kant 
heeft  gewonnen ,  dat  de  wetenschap  in  haar  structuur  alleen 
kan  worden  verstaan,  dat  haar  geldigheid  alleen  dan  kan 
worden  ingezien,  wanneer  men  die  wetenschap  opvat  als 
een   uiting   van   het  zedelijk-  element   in   den   mensch;  dat 


30  TRANSCENDENTEEL    IDEALISME, 

aan  alle  wetenschap  slechts  bewijskracht  kan  toekomen 
tegenover  individuen,  die  zich  van  een  zedelijke  roeping 
bewust  zijn;  dat  dus  alle  weten  berust  op  een  geweten.  En 
het  treft  ons  dan  ook  als  een  bewijs  van  een  heel  wat  dieper 
indringen  in  Kant's  gedachtengang  dan  wij  bij  Heine  vonden, 
dat  wij   bij   Schiller  het  volgende  epigram  op  Kant  lezen: 

Dacht'   ich's   doch.  Wissen   sie  nichts  Vernünftiges  mehr 

[zu  erwiedern , 

Schieben  sie's  einem  geschwind  in  das  Gewissen  hinein. 

ja,  nog  veel  verder  strekt  Kant's  betoog;  niet  alleen 
onze  wetenschap ,  maar  deze  geheele  wereld  van  ontstaande 
en  vergaande  dingen,  de  geheele  „natuur",  waartoe  ook 
wij  zelve  als  vergankelijke  sterfelijken  behooren,  ook  zij 
leidt  haar  bestaan  alleen  af  uit,  dankt  dat  bestaan  dus 
alleen  aan  de  geldigheid  van  een  plicht;  men  kan  niet  met 
zin  zeggen,  dat  die  natuur  bestaat,  zoo  men  niet  een  hooger 
beginsel  dan  die  natuur  erkent.  Het  spreek  wel  vanzelf, 
dat  die  erkenning  niet  moet,  noch  kan  worden  opgevat  als 
een  hypothetisch,  onderstellend  gebod,  dat  zich  alleen  richt 
tot  hen  van  wie  men  onderstelt,  dat  zij  zekere  doeleinden 
daarbuiten  begeeren  te  bereiken ,  zooals  zulk  een  gebod 
getypeerd  wordt  door  de  woorden  van  het  Oude  Testament: 

Eer  Uwen  vader  en  Uwe  moeder,  opdat  het  U  wèl  ga. 
Deut.  5.  16. 

Neen,  de  erkenning,  die  Kant  bedoelt  is  die  van  een 
kathegorischen  imperatief,  een  gebod,  waarvan  de  geldig- 
heid wordt  erkend  onafhankelijk  vad  alle  bijoogmerken, 
alleen  om  den  inhoud  van  het  gebod  zelf.  Alleen  wie  zulk 
een  absoluut,  onbeperkt  gezag  erkent,  alleen  hij  —  meent 
Kant  —  kan  deelnemen  aan  het  wetenschappelijk  leven, 
alleen  hij  kan  met  zin  jspreken  van  het  bestaan  van  een 
wereld.  In  Spruyt's  Geschiedenis  der  Wijsbegeerte  vinden 
wij   de   na-Kantiaansche   philosophie   gekarakterizeerd  door 


TRANSCENDENTEEL    IDEALISME.  31 

het  woord  van  Goethe:  In  Anfang  war  die  That  ^).  Ik  zal 
mij  hier  niet  wagen  aan  de  beoordeeling  van  de  vraag,  of 
die  kenmerking  juist  is;  maar  dit  meen  ik  te  kunnen  ver- 
zekeren, dat  het  inzicht,  waartoe  Kant  gekomen  is  niet 
beter  kort  omschreven  kan  worden  dan  door  deze  woorden : 
lm  Anfang  war  die  Pflicht  ^). 

Tot  dat  inzicht  is  Kant  gekomen  —  hoe  vreemd  het  wel- 
licht den  oningewijde  zal  voorkomen  —  door  een  logisch 
onderzoek  van  de  eigenaardigheden  der  mathematische  na- 
tuurwetenschap, en  dat  onderzoek  leidt  dus  tot  een  natuur- 
wetenschappelijke, maar  beslist  anti-naturalistische  wereld- 
beschouwing. Maar  het  is  niet  deze  samenhang  tusschen 
natuurwetenschap  en  wijsbegeerte  —  zooals  Gij  thans  wel- 
licht zoudt  vermoeden  waaraan  ik  bij  den  aanvang  mijner 
rede  dacht.  Want  om  dien  samenhang  ook  maar  eenigermate 
nauwkeurig  te  schetsen,  daartoe  zou  niet  dit  aanvangscol- 
lege,  maar  een  geheele  cursus  nauwelijks  toereikend  zijn, 
en  over  de  verdere,  historische,  vraag  of  daarmede  wel 
werkelijk  Kant's  hoofdgedachte  is  weergegeven ,  en  in  hoe- 
verre andere  gedachtenreeksen  deze  doorkruisen  en  modi- 
ficeeren  zou  men  gemakkelijk  —  wilde  men  haar  naar  zekere 
voorbeelden  behandelen:  unter  Berücksichtigung  der  einschla- 
gigen  Literatur,  —  zeker  wel  tien  cursussen  kunnen  vullen  ■^). 

Maar  al  moge  dan  Kant  deze  waarheden  aan  't  licht  heb- 
ben gebracht  door  de  natuurwetenschappen  te  onderzoeken , 

1)  p.  110 

2)  Het  behoeft  wel  nauwelijks  uitdrukkelijk  gezegd  te  worden ,  dat  met  „An- 
fang hier  niet  bedoeld  is  een  begin  in  den  tijd.  Het  woord  staat  hier  voor 
een  logische  betrekking,  niet  voor  een  tijdsbetrekking.  Verg.  ons:  beginsel. 

3)  Hoe  uitgebreid  de  Kantliteratuur  geworden  is,  blijkt  het  best  uit  Vaihingers 
Commentar  zur  Kritik  der  reinen  Vernunft.  Van  dat  werk  verscheen  de  eerste 
aflevering  in  1881.  Thans  liggen  twee  deelen,  van  circa  500  bladz.  elk,  voor 
ons,  waarin  echter  nog  slechts  de  voorrede,  de  inleiding  en  het  eerste  hoofd- 
stuk der  Kritik  worden  behandeld.  Bladzijde  na  bladzijde  is  in  dit  werk 
gewijd  aan  de  optelling  der  literatuur. 


32  TRANSCENDENTEEL    IDEALISME. 

dat  heeft  niet  belet,  dat  het  juist  de  natuurwetenschappen 
zijn  geweest,  die  de  lijnrecht  tegenovergestelde  richting, 
die  uitgaat  van  de  ontkenning  van  het  absolute  in  alle 
vormen,  ook  in  dien  van  alle  absolute  normen,  die  de 
naturalistische  richting  tot  de  in  vele  kringen  heerschende 
geestesmacht  hebben  gemaakt.  Vooral  sedert  het  Darwinisme 
zijn  zegetocht  deed,  houdt  men  zich  vaster  dan  ooit  over- 
tuigd, dat  alle  vastheid ,  alle  onwrikbaarheid  van  norm 
vervloeit  in  den  stroom  van  gestage  ontwikkeling.  Ik  behoef 
U  geen  bewijzen  ter  adstructie  te  geven;  het  is  immers  van 
algemeene  bekendheid,  dat  plicht  slechts  de  reactie  is  van 
het  individu  op  de  gemeenschap ,  een  gevoel ,  dat  zijn  in- 
trede in  de  wereld  deed  door  natuurlijke  teeltkeus,  het  uit- 
sterven van  hen,  die  er  niet  mede  bedeeld,  en  dus  lang 
zoo  nuttig  niet  waren  voor  de  gemeenschap;  —  dat  genie 
en  v/aanzin  een  is,  en  slechts  bekrompenheid  kan  meenen, 
dat  de  misdadiger  zijn  misdadige  neigingen  behoorde  te  be- 
dwingen; —  dat  de  wetenschap  er  niet  is  om  haar's  zelfs 
wil,  maar  voor  het  heil  en  het  welzijn  der  menschheid;  — 
dat  alle  teleologie,  alle  streven  naar  doeleinden  een  her- 
senschim is,  daar  slechts  causaliteit  heerscht;  —  dat  voor 
het  krachtige  individu  met  zijn  krachtige  emoties  en  sen- 
saties een  bijzondere  moraal  geldt,  of  juister  geen  andere 
moraal,  dan  het  „sich  ausleben"  dier  individualiteit;  kortom, 
dat  het  doen  opgaan  van  alle  werkelijkheid  in  mechanisch 
natuurbeloop  de  taak  is  van  den  modernen  mensch.  Ja  zelfs 
van  de  kunst  hebben  wij  moeten  vernemen,  dat  zij  niet 
waardebeoordeelend ,  maar  natuurwetenschappelijk  beschrij- 
vend heeft  op  te  treden;  gelukkig,  dat  de  praktijk  met  de 
theorie  zoo  weinig  in  overeenstemming  is  geweest. 

Die  strooming  moest  noodzakelijk  terugwerken  op  de 
natuurwetenschap  zelve.  Immers  met  al  de  andere  normen 
moest  ook  de  norm  der  waarheid  haar  gezag  en  geldigheid 


TRANSCENDENTEEL    IDEALISME.  33 

verliezen,  en  zoo  vinden  wij  dan  ook  bij  de  overgroote 
meerderiieid  der  liedendaagsche  natuuronderzoekers  de  mee- 
ning —  let  wèl ,  ik  zeg  niet:  dat  wij  voortdurend  in  gedachten 
moeten  houden ,  dat  de  geheeie  inhoud  van  onze  weten- 
schap onjuist  kan  blijken ,  en  dat  dus ,  mochten  wij  ook 
op  eenig  punt  absolute  waarheid  bezitten  wij  toch  niet 
zouden  kunnen  bewijzen ,  met  absolute  zekerheid  bewijzen , 
dat  wij  haar  bezitten ,  —  maar  deze :  dat  zoo  iets  als  abso- 
lute waarheid  in  't  geheel  geen  beteekenis  bezit,  dat  wij 
aan  wetenschappelijke  theorieën  op  zijn  best  den  eisch 
kunnen  stellen,  dat  zij  gemakkelijk  in  't  gebruik,  nuttig  voor 
verdere  opsporing  van  feiten  zijn ,  maar  dat  het  zinledig 
is  te  vragen  of  een  theorie  juist  of  onjuist  is.  Zelfs  mannen 
als  Hertz  en  Boltzmann,  wier  zuiver  natuurwetenschap- 
pelijke arbeid  boven  mijn  lof  verheven  is,  hebben  zich 
daaraan  niet  kunnen  onttrekken.  „Hieran  anknüpfend,  bringt 
Hertz"  —  zoo  lezen  wij  in  een  verhandeling  over:  Die 
Entwickelung  der  Methoden  der  theoretischen  Physik  van 
Boltzmann's  hand  ^)  —  „den  Physikern  so  recht  klar  zum 
Bewusstsein,  was  wohl  die  Philosophen  schon  langst  aus- 
gesprochen  hatten,  dass  keine  Theorie  etwas  Objektives, 
mit  der  Natur  wirklich  sich  Deckendes  sein  kann,  dass 
vielmehr  jede  nur  ein  geistiges  Bild  der  Erscheinungen  ist, 
das  sich  zu  diesen  verhalt,  wie  das  Zeichen  zum  Bezeichneten. 
Daraus  folgt,  dass  es  nicht  unsere  Aufgabe  sein  kann, 
eine  absolut  richtige  Theorie,  sondern  vielmehr  ein  mög- 
lichst  einfaches,  die  Erscheinung  möglichst  gut  darstellendes 
Abbild  zu  finden.  Es  ist  sogar  die  Möglichkeit  zweier  ganz 
verschiedener  Theorien  denkbar,  die  beide  gleich  einfach 
sind,  und  mit  den  Erscheinungen  gleich  gut  stimmen,  die 
also,    obwohl  total   verschieden,   beide  gleich  richtig  sind. 

1)  Popuiare  Schriften,  Leipzig  1905  Barth  p.  215. 


34  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

Die  Behauptung,  eine  Theorie  sei  die  einzig  richtige,  kann 
nur  der  Ausdruck  unserer  subjektiven  Überzeugung  sein , 
dass  es  kein  anderes  gleich  einfaches  und  gleich  gut  stim- 
mendes  Biid  geben  könne." 

En  nu  heeft  wel  gelukkig  op  den  eigenlijk  natuurweten- 
schappelijken  arbeid  dezer  beide  grooten  hun  desorgani- 
seerende  theorie  over  het  wezen  der  kennis  niet  veel 
invloed  gehad,  dit  wordt  geheel  anders  als  wij  komen  tot 
de  dii  minores.  Het  is  mij  niet  mogelijk  U  in  bijzonderheden 
dit  aan  te  wijzen ,  ik  zou  mij  dan  moeten  begeven  in  allerlei 
details  van  natuurwetenschappelijk  belang,  wier  bespreking 
hier  om  velerlei  redenen  onmogelijk  is  ^).  Slechts  één  voor- 
beeld wil  ik  U  geven  om  aan  te  toonen  tot  waarheen  die 
vrees  voor  het  absolute  kan  leiden.  Gij  hebt  naar  ik  ver- 
moed allen  op  de  schoolbanken  geleerd,  dat  de  zon  zich 
om  de  aarde  beweegt  in  den  tijd  van  een  jaar,  en  dat  wij 
deze  wetenschap  danken  aan  Kopernikus,  die  zijn  theorie 
over  den  loop  der  hemellichamen  in  de  plaats  stelde  van 
de  oude,  onjuiste  Ptolemaische  theorie,  dat  de  zon  zich 
om  de  aarde  beweegt.  Wellicht  zijn  er  zelfs  onder  U,  die 
meenden,  dat  al  mocht  hun  astronomische  kennis  klein 
zijn ,  zij  toch  op  dit  punt  zeker  niet  voor  den  bekwaamsten 
astronoom  behoefden  onder  te  doen.  Ik  moet  U  teleur- 
stellen. Gij  zijt  achterlijken ,  die  de  ontwikkeling  der  moderne 
wetenschap  niet  hebt  bijgehouden.  Niet  Kopernikus  heeft 
gelijk,  noch  Ptolemaus;  immers,  te  zeggen,  dat  de  aarde 
zich  beweegt  om  de  zon,  of  de  zon  om  de  aarde,  zou  een 
uitspraak  wezen  over  absolute  bewegingen.  Het  eenige  wat 
ons  past  is  te  zeggen:  De  aarde  en  de  zon  bewegen  zich 
relatief  ten  opzichte  van  elkander.  „Das  wichtigste  und 
instruktivste    Beispiel    für   die    Relativitat   aller   Bewegung 


1)  Wie  in  deze  quaesties  belang  stelt,  zij  verwezen  naar  Zeitschrift  für 
physikalische  Chemie  36  p.  41  en  Journal  de  Chimie  physique  3  p.  665. 


f. 


TRANSCENDENTEEL    IDEALISME. 

bilden  ja  die  Verhaltnisse  im  Weltenraum ,  die  Lagen  und 
Bewegungen  der  Himmelskörper.  Es  ist  daher  naheliegend 
sich  die  Frage  vorzulegen ,  wie  es  sich  denn  mit  der  gegen- 
seitigen  Richtigkeit  des  Kopernikanisciien  und  Ptolemaischen 
Weltsystems  verhalte.  Kann  man  noch  von  einer  Richtigkeit 
des  einen,  Unrichtigkeit  des  andern  sprechen  oder  sind 
jetzt  beide  Systeme  als  gleichberechtigt  anzusehen?  Nun, 
so,  wie  man  die  Sachlage  vor  dreihundertjahren  angesehen, 
wie  sie  der  Laie  und  vielfach  auch  der  Philosoph  noch 
heute  sieht,  liegt  sie  allerdings  nicht  mehr."  En  verder: 
„Der  Astronom  kann  beide  Systeme  brauchen;  ich  glaube, 
dass  zu  des  Kopernikus  Zeit  das  Ptolemaische  System  dem 
praktischen  Astronomen  gelegener  war;  hatte  doch  sonst 
wohl  schwerlich  ein  Mann  wie  Tycho  de  Brahe  an  dem- 
selben  festgehalten.  Heute  würde  allerdings  ein  Festhalten 
an  ihm  eine  neue  Physik  erfordern ,  da  die  Tatsachen  der 
Aberration  des  Lichtes  und  der  Fixsternparallachsen  mit 
ihm  und  den  sonstigen  Gesetzen  der  Physik  nicht  ver- 
traglich  sind.  Heute  ist  das  Kopernikanische  System  das 
bei  weitem  einfachere;  einen  andern  Vorzug  hat  es  aber 
nicht.  Nicht  die  Kategorien  der  Richtigkeit  und  Unrichtig- 
keit sind  es  demnach ,  die  hier  zur  Geltung  zu  bringen 
sind,  sondern  die  der  grosseren  und  kleineren  Zweck- 
massigkeit."  Zoo  kunt  ge  lezen  in  een  verhandeling  over: 
Die  Relativitat  aller  Bewegung,  in  Ostwald's  Annalen  der 
Naturphilosophie  ^)  van  de  hand  van  Kleinpeter,  een  der 
ijverigste  verdedigers  van  de  hier  besproken  richting. 

Maar  niet  alleen  voor  de  natuurwetenschap ,  ook  voor  de 
wijsbegeerte  zelve  dreigt  van  de  heerschende  naturalistische 
strooming  gevaar.  Ik  denk  daarbij  geenszins  aan  den  achter 
ons  liggenden  „Materialismusstreit" ;  mannen  als  Vogt  en 
Büchner  hebben  tegenwoordig  wel  afgedaan  in  alle  kringen, 

1)  Deel  III  pag.  387. 


36  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

waar  men  zelfstandig  wetenschap  beoefent.  Neen ,  het  natu- 
ralisme heeft  in  onze  dagen  gansch  andere ,  meer  door- 
dachte vormen  aangenomen,  die  zeker  heel  wat  geduchter 
tegenstander  zijn  dan  het  oude  materialisme;  ik  denk  aan 
de  psychologistische  en  positivistische  stroomingen,  die 
tegenwoordig  een  zoo  groote ,  bijkans  overheerschende  macht 
zijn.  Die  theorieën  zal  ik  in  mijn  colleges  later  ter  sprake 
moeten  brengen ,  thans  zou  mij  de  tijd  daartoe  ten  eenen 
male  ontbreken.  Slechts  dit  wilde  ik  opmerken ,  dat,  hoe  veel 
beter  doordacht  en  fijner  uitgewerkt  deze  theorieën  ook  soms 
mogen  zijn ,  zij  in  •  wezen  toch  verwant  blijven  met  het 
vroegere  materialisme,  ja  soms  wordt  die  verwantschap 
zoo  groot,  dat  eigenlijk  slechts  van  naamsverandering  kan 
worden  gesproken.  Toch  kan  ook  deze  alleen  voldoende 
zijn  om  den  niet-natuuronderzoeker  te  misleiden  en  als 
nieuwe  en  ongekende  waarheid  te  doen  introduceeren  wat 
onder  den  ouden  naam  zeker  geweerd  ware.  Nergens  heeft 
men  zich  daarvan  beter  kunnen  overtuigen  dan  in  ons  land 
en  in  onze  omgeving. 

Het  was  zulk  een  lieve ,  het  was  zulk  een  vriendelijke 
en  rustigende  gedachte  geworden  in  den  kleinen  kring  van 
hen,  die  in  ons  land  in  wijsbegeerte  belang  stellen,  dat, 
wat  ook  het  lot  der  wijsbegeerte  van  Kant  in  Nederland 
mocht  zijn,  één  man  haar  onwrikbaar  verknocht  blijven, 
één  trouwe  schildknaap  eiken  smaad  den  Koningsberger 
aangedaan  bloedig  zou  wreken.  En  ziet,  nauwelijks  heeft 
Ostwald  zijn  nieuwen  strijdkreet :  „Voor  de  Energetiek"  laten 
weerklinken ,  of  ....  Mr.  J.  A.  Levy  verbreekt  de  oude  ban- 
den ,  knielt  voor  het  nieuwe  licht  en  raadt  ons  in  zijn  boek 
Het  Indeterminisme  aan  insgelijks  te  doen  ^).  Het  moet  een 
wreede    ontgoocheling    zijn   geweest,   toen    slechts   enkele 

1)  1.  c.  p.  20—28. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 


37 


maanden  nadat  Mr.  Levy's  boek  het  licht  zag,  door  het 
verschijnen  van  Ostwald's  Vorlesungen  über  Naturphilosophie 
het  ook  voor  den  jurist  w^el  duidelijk  moest  worden  —  wat 
elk  natuuronderzoeker  van  den  beginne  had  ingezien  — , 
dat  de  door  Ostwald  verkondigde  leer  wat  haar  wijsgeerig 
karakter  aangaat,  zich  in  niets  onderscheidt  van  die  leer, 
die  in  Mr.  Levy's  boek,  om  met  woorden  van  hemzelf  te 
spreken :  „wordt  geken-  of  liever  gebrandmerkt"  ^).  Immers 
als  die  te  bestrijden  richting  vinden  wij  reeds  in  de  tweede 
alinea  van  het  boek  genoemd:  „die  richting,  welke  het 
psychische  eenvoudig  als  uitvloeisel  van  het  physische  be- 
schouwt en  zonder  meer  als  zoodanig  kenmerkt."  ^)  En  daar- 
naast legge  men  nu  deze  uitlatingen  van  Ostwald^):  „Ich 
habe  mir  die  grösste  Mühe  gegeben,  irgend  eine  Absurditat 
oder  Undenkbarkeit  in  der  Annahme  zu  finden,  dass  be- 
stimmte  Energiearten  Bewusstsein  bedingen :  ich  habe  nichts 
derartiges  zu  entdecken  vermocht.  Wir  werden  uns  alsbald 
bei  der  Untersuchung  der  wichtigsten  Bewusstseinserschei- 
nungen  überzeugen,  dass  sie  energetisch  bedingt  sind,  und 
es  macht  mir  nicht  mehr  Schwierigkeiten ,  zu  denken,  dass 
kinetische  Energie  Bewegung  bedingt  wie  dass  Energie  des 
centralen  Nervensystems  Bewusstsein  bedingt."  Of  ook  deze , 
door  Ostwald  gecursiveerde  uitspraak^):  „Hiernach  schlage 
ich  Ihnen  vor,  das  Bewusstsein  als  eine  Eigenschaft  einer 
besonderen  Art  der  Nervenenergie  aufzufassen,  namlich 
der,   welche  im  Centralorgan  bethatigt  wird."  Het  bewust- 


1)  I.  c.  p.  2. 

2)  Ik  heb  bij  een  vroegere  gelegenheid  (Ak.  Proefschrift  Stelling  XIl)  alle 
richtingen  die  aan  deze  beschrijving  beantwoorden  onder  den  naam  materia- 
lisme samengevat.  Van  Melle  kwam  daartegen  op;  hij  meende,  dat  men  alleen 
dan  van  materialisme  mocht  spreken,  als  de  materie  het  physische  is,  waaruit 
men  al  het  andere  wil  afleiden.  Ik  geef  gaarne  toe,  dat  als  algemeene  naam 
voor  de  bedoelde  richtingen  de  term  naturalisme  zeker  beter  is  dan  materialisme. 

3)  1.  c.  p.  396. 

4)  I.  c.  p.  393.  * 


38  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

zijn,  Kant's  „ursprünglich  synthetische  Einheit'^,  gemaakt  tot 
een  eigenschap  van  het  „Centralorgan"  en  dat  onder  toe- 
juiching van  Mr.  Levy,  alleen  omdat  de  naam  materialisme 
vervangen  is  door  dien  van  energetiek.  „Name  ist  Schall 
und  Rauch"  zegt  Faust;  de  dwaas,  men  bemerkt  wel,  dat 
hij  te  Leipzig....  slechts  Auerbach's  Keiler  heeft  bezocht. 

Maar  de  natuurwetenschappen  zijn  niet  de  eenige  onder 
de  empirische  wetenschappen ,  van  wier  kant  der  wijsbe- 
geerte gevaar  dreigt.  Naast  het  naturalisme  staat  het  histo- 
risme,  dat,  in  nauw  verband  vaak  met  het  Darwinisme, 
maar  ook  wel  afgescheiden  daarvan,  de  leer  predikt,  dat 
niets  bestendig  is,  niets  absolute  waarde  heeft,  maar  alles 
vervloeit  en  bestemd  is  voor  zijn  eigen  beperkten  tijd.  Die 
leer,  mits  zij  zelve  niet  als  absolute  waarheid  wordt  opge- 
vat, maar  doorzien  wordt  in  haar  beperking,  heeft  zeker 
aanspraak  op  erkenning,  en  wij  danken  —  zeker  niet  aan 
haar  alleen,  maar  toch  misschien  voor  een  groot  deel 
haar  —  den  opbloei  der  historische  wetenschappen ,  die  de 
19e  eeuw  misschien  evenzeer  tot  de  historische  als  tot  de 
natuurwetenschappelijke  eeuw  stempelt.  De  rijke  schat  van 
vondsten,  ook  voor  de  wijsbegeerte,  de  onvergelijkelijk  veel 
nauwkeuriger  kennis  van  vroegere  stelsels,  die  zij  ons  ver- 
schaft heeft ,  wordt  alom ,  en  terecht ,  op  hooge  waarde  ge- 
schat. Maar  toch ,  bij  het  zien  van  al  die  goede  gaven  be- 
kruipt ons  somtijds  een  gevoel,  dat  men  wellicht  met  een 
geringe  verandering  van  Virgilius'  regel 

Timeo  Danaos  et  dona  ferentes 
het  best  zoo  zou  kunnen  uitdrukken:  Ik  vrees  die  historici 
met  al  hun  goede  gaven.  Men  versta  mij  wel :  Geen  histo- 
rische detailstudie,  welke  ook,  op  het  gebied  der  wijsbe- 
geerte schijnt  mij  af  te  keuren,  maar  dan  dreigt  gevaar,  wan- 
neer men  de  geschiedenis  der  wijsbegeerte  v^il  stellen  in 
de  plaats  van  de  wijsbegeerte  zelf,  naast  de  historische  be- 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  39 

handeling  geen  ruimte  laat  voor  de  systematische.  En  dat 
gevaar  is  niet  denkbeeldig;  de  tijd  ligt  niet  zoo  ver  achter 
ons,  dat  de  groote  meerderheid  van  hen,  die  zich  ex  officio 
met  wijsbegeerte  bezig  hielden  slechts  één  wetenschap  der 
wijsbegeerte  kenden:  haar  geschiedenis.  Daartegen  nu  moet 
de  philosooph  met  kracht  opkomen.  De  geschiedenis  der 
wijsbegeerte  moge  voor  den  historicus  doel  zijn ,  voor  hem 
kan  zij  nooit  anders  zijn  dan  middel.  Zoowel  tegenover 
naturalistisch  dogmatisme  als  tegenover  historischen  detail- 
arbeid  is  het  eigen  wezen  der  wijsbegeerte  te  handhaven. 
Ik  zal  mij  gelukkig  rekenen,  wanneer  ik  die  taak  aan  deze 
Universiteit,  zij  het  op  zooveel  bescheidener  plaats,  met 
een  klein  deel  van  den  gloed,  den  geest  en  de  strijdvaar- 
digheid kan  vervullen ,  waarmede  Spruyt  zich  van  haar  kweet. 

Maar  —  zoo  zult  Gij  wellicht  vragen  —  wat  is  dan  dat 
wezen  der  wijsbegeerte  als  een  afzonderlijke  wetenschap 
tegenover  natuurwetenschap  zoowel  als  historie?  En  daar- 
mede ben  ik  genaderd  tot  het  tweede  deel  van  wat  ik  be- 
schouw als  mijn  taak.  Ik  heb  reeds  vroeger  gezegd,  dat  in 
het  genoemde  artikel  Dr.  van  der  Waals  ook  een  schets 
geeft  van  de  voortzetting,  die  men  naar  zijn  meening  aan 
Spruyt's  arbeid  zou  behooren  te  geven,  een  voortzetting, 
die  hoofdzakelijk  neerkomt  op  een  strijd  voor  spontaneïteit 
van  's  menschen  wil  tegen  het  onbeperkte  determinisme.  Al 
kant  ik  mij  ook  thans  veel  minder  dan  nog  betrekkelijk 
kort  geleden  tegen  die  denkbeelden ,  toch  schijnt  het  mij , 
dat  men  de  wijze  waarop  de  arbeid  van  Spruyt  behoort 
voortgezet  te  worden ,  niet  aldus  moet  karakterizeeren.  Laat 
mij  U  in  het  tweede  gedeelte  van  mijn  rede  mogen  uiteen- 
zetten in  welke  richting,  naar  welke  methode,  naar  mijn 
meening  behoort  voortgewerkt  te  worden  op  de  door  Spruyt 
hier  gelegde  grondslagen. 

Maar  ik  vrees,  door  dit  te  zeggen  de  gedachte  bij  U  te 


40  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

wekken,  dat  ik,  Charybdis  willende  vermijden,  in  Scylla 
terecht  kom.  Want  terwijl  ik  op  mij  genomen  heb  mij  te 
rechtvaardigen  voor  de  stoutheid  een  privaatdocentschap  in 
de  wijsbegeerte  te  durven  aanvaarden,  schijn  ik  thans  die 
rechtvaardiging  te  willen  zoeken  in  het  streven  den  arbeid 
van  mijn  hooggeschatten  leermeester  te  willen  verbeteren. 
Toch  meen  ik  mij  hier  van  elk  verwijt  vrij  te  kunnen  pleiten. 
Inderdaad,  er  zou  reden  zijn  voor  verwijt,  wanneer  ik  waande 
daarbij  alleen  op  mijn  eigen  krachten  te  kunnen  bouwen. 
Ik  kan  echter  voor  mijn  pogingen,  èn  wat  de  richting, 
waarin,  betreft,  èn  wat  de  wijze,  waarop,  gebruik  maken 
van  een  hulpmiddel ,  dat  Spruyt  niet  ter  beschikking  stond ; 
ik  bedoel  de  van  den  grond  af  herbouwde  wetenschap  der 
logica,  zooals  zij  in  de  laatste  dertig  jaren  in  Duitschland, 
onder  den  invloed  voornamelijk  van  Sigwart  en  Lotze  ont- 
staan is.  Die  verandering,  die  revolutie  in  de  logica,  zooals 
waarschijnlijk  geen  andere  wetenschap  in  zoo  korten  tijd 
doorleefd  heeft,  vindt  haar  uitgangspunt  wederom  in  het 
werk  van  Kant.  Ik  zeide  reeds  zooeven,  dat  Kant  tot  zijn 
belangrijkste  resultaten  gekomen  was  door  een  nauwkeurig 
onderzoek  van  de  methoden  der  mathematische  natuur- 
wetenschap. Maar  hoe  ver  ook  de  consequenties  gaan,  die 
hij  daaruit  getrokken  heeft,  de  consequenties  voor  de 
methodologie  en  de  geheele  formeele  logica  van  zijn  tijd 
heeft  hij  niet  gezien.  Integendeel ,  het  is  van  algemeene  be- 
kendheid, dat  hij  van  oordeel  was,  dat  de  Aristotelische 
logica,  die  reeds  sedert  tweeduizend  jaren  bijkans  onver- 
anderd van  geslacht  op  geslacht  was  overgeleverd,  ook 
voor  de  toekomst  haar  gezag  niet  zou  verliezen  ^).  Dat  in  zijn 
eigen  werk  de  kiem  van  ontbinding  voor  die  logica  school , 


1)  Ik  geef  hier  alleen  Kant's  meening  weer,  maar  bedoel  volstrekt  niet  te 
zeggen,  dat  die  traditioneele  logica  inderdaad  met  de  leer  van  Aristoteles 
vereenzelvigd  zou  mogen  worden. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  41 

besefte  hij  allerminst.  Toch  bleek  dit  al  spoedig,  toen  men 
na  de  opeenvolging  der  na-Kantiaansche  groote  systemen 
en  na  de  daarop  volgende  periode  van  uitputting  zich  weer 
nauwkeurig  rekenschap  ging  geven  van  Kant's  gedachten- 
gang.  In  tweeërlei  richting  werkte  de  gegeven  impuls  door. 
Vooreerst  kwam  men  tot  een  grondige  kritiek  van  de 
overgeleverde  logica,  zoo  grondig,  dat  van  de  traditio- 
neele  leer  over  begrip,  oordeel,  syllogisme  nauwelijks  iets 
bleef  bestaan;  vervolgens  bleek  de  noodzakelijkheid  het 
onderzoek,  dat  Kant  ingesteld  had  naar  de  methoden  der 
mathematische  natuurwetenschap,  ook  op  andere  weten- 
schappen te  richten.  Sigwart  was  het,  die  als  eerste  uit- 
sprak, dat  het  voortaan  noodzakelijk  was:  „die  Logik  unter 
dem  Gesichtspunkte  der  Methodenlehre  zu  gestalten ,  und  sie 
dadurch  in  lebendige  Beziehung  zu  den  wissenschaftlichen 
Aufgaben  der  Gegenwart  zu  setzen."  Sedert  heeft  die  nieuwe 
opvatting  der  logica  zich  meer  en  meer  baan  gebroken;  zij 
is  door  een  steeds  toenemende  schare  van  aanhangers  be- 
vestigd ,  uitgebreid  en  verdiept.  Ik  noem  van  hen ,  die  zich 
bij  die  opvatting  aansluiten,  vooreerst  Windelband  en  voor- 
namelijk Heinrich  Rickert. 

In  ons  land  is  van  de  inwerking  dier  gansche  beweging 
zoover  ik  kan  zien  nog  weinig  te  bespeuren  geweest;  aan 
Spruyt  in  elk  geval  is  zij  bijna  geheel  spoorloos  voorbij- 
gegaan. Dat  blijkt  het  best  uit  het  Leerboek  der  formeele 
Logica,  nog  niet  eens  zoozeer  uit  de  opsomming  der  lite- 
ratuur, waarbij  geen  der  nieuwere  werken  over  logica  een 
plaats  wordt  waardig  geacht,  als  wel  uit  het  geheele  werkje  zelf, 
dat  nog  geheel  op  de  traditioneele  leest  is  geschoeid.  En  ook 
in  de  Geschiedenis  der  Wijsbegeerte  zijn  genoeg  plaatsen  aan 
te  wijzen ,  die  daarvan  getuigen.  Trouwens  de  oorzaak  ligt  voor 
het  grijpen.  Sigwart's  verreweg  belangrijkste  deel ,  het  tv/eede , 
verscheen  voor  het  eerst  juist  in  het  jaar  waarin,  Lotze's  werk 


42  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

slechts  enkele  jaren  voordat  Spruyt  zijn  hoogleeraarstaak  aan- 
vaardde. En  welk  een  taak.  Blijkbaar,  omdat  het  niet  genoeg 
is,  dat  aan  één  man  het  gansche  onafzienbare  veld  ter  beharti- 
ging is  opgedragen ,  heeft  men  daaraan  toegevoegd  nog  twee  ^) 
niet-wijsgeerige  vakken:  één  natuurwetenschappelijk,  de 
psychologie,  en  één  historisch,  de  geschiedenis  der  wijs- 
begeerte, vakken,  die  elk  op  zich  zelf  ruimschoots  het 
leven  van  een  onderzoeker  kunnen  vullen.  Dat  onder 
deze  omstandigheden  er  niet  aan  te  denken  viel ,  dat  tijd 
en  rust  zouden  overblijven  om  één  der  gedoceerde  vakken 
van  den  grond  af  opnieuw  op  te  bouwen  en  de  resul- 
taten op  de  andere  toe  te  passen,  het  spreekt  vanzelf. 
„De  zwakke  bezetting  onzer  litterarische  faculteiten" ,  waar- 
over Spruyt  op  zijn  colleges  klaagde  ^),  omdat  zij  de  èn 
voor  hoorders,  èn  voor  docent  wenschelijke  „splitsing  in 
tirones  en  veterani"  onmogelijk  maakte,  m.oet  ook  hier 
aansprakelijk  worden  gesteld.  Onder  die  omstandigheden 
beschouw  ik  het  als  mijn  plicht,  maar  als  een  groot  voor- 
recht tevens,  met  behulp  van  de  door  de  nieuwere  logica 
veroverde  methoden  voort  te  bouwen  op  den  door  Spruyt 
aan  deze  Universiteit  gelegden  grondslag,  mocht  het  zijn 
naar  gelang  mijner  krachten  tevens  mede  te  werken  aan 
den  voortgang  dier  theoriën  zelve.  Laat  mij,  door  de  methoden 
die  ik  bedoel  toe  te  passen  pp  de  vraag  naar  de  verhouding 
van  wijsbegeerte,  natuurwetenschap  en  historie,  en  de  con- 
sequenties daaruit  te  trekken,  U  toonen  in  welke  richting 
ik  daarbij  werkzaam  zal  zijn  '). 


1)  Of  zelfs  drie,  als  men  de  metaphysica  tot  de  natuurwetenschappen  rekent. 
Verg.  p.  35. 

2)  Geschiedenis  der  Wijsbegeerte  p.  XI. 

3)  Het  behoeft  wel  nauweiiji<s  gezegd,  dat  het  volgende  slechts  mag  be- 
schouwd worden  als  een  korte  aanduiding  van  de  richting,  waarin  ik  mij  wil 
bewegen,  geenszins  ais  een  uitgewerkt  betoog  voor  de  daarin  uitgesproken 
stellingen. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  43 

Getrouw  aan  het  beginsel ,  dat  wij  zouden  uitgaan  van 
onderzoekingen  over  de  methoden  der  wetenschappen  knoopen 
wij  aan  aan  een  opmerking  van  Kirchhoff  over  de  methode  van 
de  natuurwetenschap,  speciaal  de  meest fundamenteele  natuur- 
wetenschap, de  mechanica.  Het  heeft  indertijd  groot  opzien 
gebaard,  en  nog  hoort  men  het  veelal  aanprijzen  als  een 
bewonderenswaardige  ontdekking,  als  een  oplossing,  of,  wil 
men  liever,  een  terzijdeschuiving  van  een  allermoeilijkst  pro- 
bleem ,  dat  Kirchhoff  tot  de  conclusie  kwam,  dat  de  mechanica 
zich  niet  kon  voorstellen  de  bewegingen  in  de  natuur  te  ver- 
klaren ,  maar  ze  enkel  kon  beschrijven.  Het  ligt  niet  in  mijn 
bedoeling  op  het  verschil  tusschen  verklaring  en  beschrijving 
hier  in  te  gaan,  al  geloof  ik  niet,  dat  het  zoo  groot  is  als 
men  gewoonlijk  meent.  Maar  waarop  ik  Uwe  aandacht  wil 
vestigen ,  dat  is  het  probleem ,  dat  in  Kirchhoff's  woorden 
ligt  opgesloten ,  een  probleem  veel  geweldiger  dan  dat , 
hetwelk  hij  tracht  te  ecarteeren,  dat  echter,  althans  voor 
zoover  mij  bekend  is,  nooit  de  aandacht  der  natuuronder- 
zoekers heeft  getroffen  ondanks  alle  discussies,  die  over 
Kirchhoff's  formule  zijn  gevoerd.  Immers  wat  is  de  taak, 
die  Kirchhoff  de  mechanica  oplegt?  Naar  zijn  eigen  woorden  : 
„Die  in  der  Natur  vor  sich  gehenden  Bewegungen  voll- 
standig  und  auf  die  einfachste  Weise  zu  beschreiben."  ^) 
Dames  en  Heeren!  Wanneer  ik  geloofde,  dat  er  ook  maar 
één  beoefenaar  der  mechanica  was,  die  het  als  zijn  taak 
zou  opvatten :  de  (dat  wil  toch  zeggen  alle)  in  de  natuur 
voorkomende  bewegingen  volledig  te  beschrijven,  dan  zou 
ik  uit  piëteit  jegens  hem  afgezien  hebben  van  het  houden 
dezer  rede.  Want  welk  een  onafzienbare,  onmogelijke  taak 
heb  ik  hem  daardoor  opgelegd.  Ik  wil  nog  afzien  van  het 
feit,   dat  Gij  allen  uit  zeer  verschillende  deelen  dezer  stad 


1)  Analytische  Mechanik  p.  1. 


44  TRANSCENDENTEEL    IDEALISME. 

hierheen  zijt  gekomen  en  dat  dus  die  ongelukkige  beoefe- 
naar der  mechanica,  die  alle  bewegingen  volledig  wilde 
beschrijven ,  voor  elk  Uwer  volledig  zou  moeten  aangeven , 
op  welke  wijze,  dus  langs  welken  vv^eg  en  met  welke 
snelheid  het  zwaartepunt  van  zijn  lichaam  zich  hierheen 
bewogen  heeft  en  welke  bewegingen  ten  opzichte  van  dat 
zwaartepunt  daarbij  werden  uitgevoerd.  Maar  hier  op  dit 
oogenblik  zelve,  dat  ik  hier  sta  te  spreken!  Daar  zijn  de 
bewegingen  van  mijn  stembanden ,  mijn  tong  en  mijn  lippen , 
en  die  bewegingen  doen  de  geheele  luchtmassa  in  deze 
kamer  op  de  meest  ingewikkelde  en  gecompliceerde  wijze 
trillen;  de  luchtgolven  kaatsen  terug  tegen  de  wanden  van 
dit  vertrek  en  op  den  vlakken  wand  anders  dan  waar  twee 
wanden  elkaar  bereiken  en  weer  anders  in  een  hoek  van 
het  vertrek.  Zij  buigen  zich  heen  om  al  wat  zich  in  dit 
vertrek  bevindt  en  dat  maakt  opnieuw  de  beweging  samen- 
gestelder;  zij  dringen  door  tot  U  en  verwekken  in  Uw  ge- 
hoororganen weer  gansche  reeksen  nieuwe  bewegingen. 
Daarbij  heb  ik  de  slechte  gewoonte  met  mijn  vingers  zoo 
nu  en  dan  op  dezen  katheder  te  trommelen;  de  katheder 
geraakt  er  door  in  trilling,  en  die  trillingen  deelen  zich 
mede  aan  al  wat  in  dit  vertrek  is.  Daarbij:  ik  adem  en 
Gij  ademt  allen,  en  wij  scheppen  opnieuw  tallooze  bewegingen. 
Kortom,  elke  kubieke  centimeter  lucht  in  deze  kamer,  elk 
milligram  hout  of  ijzer  of  welk  ander  materiaal  er  zich  bevindt, 
verkeert  in  een  uiterst  gecompliceerden,  voortdurend  ver- 
anderenden  en  van  eiken  anderen  verschillenden  bewegings- 
toestand. En  al  deze  bewegingen  —  want  zij  behooren  toch 
alle  tot  „de  in  de  natuur  voorkomende  bewegingen"  — 
zou  onze  ongelukkige  beoefenaar  der  mechanica  „volledig 
en  op  de  meest  eenvoudige  wijze"  moeten  beschrijven. 
Klinkt  dat  „op  de  meest  eenvoudige  wijze"  niet  als  hoon 
op    den   ongelukkigen,    afgemartelden    man,    die,  zich   af- 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  45 

tobbende  om  de  bewegingen  volledig  te  beschrijven  die 
juist  in  dit  oogenblik  in  gindschen  hoek  drie  centimeters 
beneden  de  zoldering  voorkomen,  in  machtelooze  woede 
zich  de  bewegingen  voelt  ontgaan ,  die  zich  op  datzelfde 
oogenblik  in  elk  ander  deel  van  het  vertrek  afspelen.  En 
komt  hij  een  oogenblik  later,  dan  zijn  daar  weer  andere 
bewegingen,  en  de  bewegingen,  die  er  op  dit  oogenblik 
waren ,  zijn  voorgoed  voor  zijn  inventarisatie  verloren. 

Gij  zult  mij  niet  tegemoet  voeren ,  dat  dit  alles  onnoozele, 
misschien  zelfs  onwaardige  „Konsequenzmacherei"  is,  een 
domme  caricatuur,  die  zich  hecht  aan  een  wellicht  niet 
zeer  gelukkig  gekozen  woord.  Ook  ik  weet  zeer  goed,  dat 
Kirchhoff  dit  alles  nooit  bedoeld  heeft,  en,  welke  vrees  of 
hoop  voor  mij  ook  met  deze  rede  hebben  samengehangen , 
de  vrees  dat  zij  aanleiding  zou  geven  tot  zoo  pijnlijken 
arbeid  heeft  mij  nooit  verontrust.  Maar  Gij  voelt  immers 
reeds,  waarom  het  mij  met  het  voorgaande  te  doen  was, 
welk  probleem  verborgen  ligt  op  den  bodem  van  Kirchhoff's 
formuleering.  Dat  probleem  is  de  vraag  naar  de  verhouding 
tusschen  wetenschap  en  werkelijkheid.  En  hoe  sterker  U 
daareven  het  carriceerende  in  mijn  teekening  trof,  hoe 
grooter  Uw  medelijden  was  met  den  tobber,  die  de  on- 
.  eindigheid  der  werkelijkheid  in  zijn  inventarisatie  wilde 
opnemen,  des  te  sterker  zal  dan  thans  bij  U  het  besef 
zijn,  dat  geen  wetenschap,  welke  ook,  een  afbeelding  kan 
geven  van  de  werkelijkheid.  De  werkelijkheid  in  haar  on- 
eindigheid spot  met  alle  beschrijving;  zij  kan  nooit  conform 
worden  aan  eenige  wetenschap,  welke  ook;  zij  laat  zich 
niet  vangen  in  een  systeem  van  begrippen ,  d.  w.  z.  begrij- 
pen; zij  is  irrationeel.  Ik  acht  dit  inzicht  van  het  hoogste 
belang,  afgescheiden  nog  van  andere  overwegingen  daarom 
reeds  omdat  alleen  door  dit  inzicht  een  vreedzaam  samen- 
gaan van  wijsbegeerte  en  natuurwetenschap,  of  liever  van  wijs- 


46  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

begeerte  en  alle  empirische  wetenschappen  mogelijk  is. 
Immers,  wie  meent,  dat  de  werkelijkheid  wèl  opgaat  in  het 
begrip,  dat  de  werkelijkheid  ligt,  of  kan  liggen  in  de  rede, 
die  kan  het  zwoegen  en  slaven  van  de  beoefenaars  der 
empirische  wetenschappen  slechts  schouderophalend  aanzien. 

GeheimnisvoU ,  am  lichten  Tag 

—  zoo  zegt  hij  met  Goethe,  die  evenals  zijn  groote  wijs- 
geerige  tijdgenooten  volbloed  rationalist  was  — 

Lasst  sich  Natur  des  Schleiers  nicht  berauben, 

Und  was  sie  deinem  Geist  nicht  offenbaren  mag 
Das  zwingst  du  ihr  nicht  ab  mit  Hebeln  und  mit  Schrauben. 

Zeker,  indien  de  werkelijkheid  rationeel  ware,  dan  zou 
het  heel  wat  beter  zijn,  —  en  ook  heel  wat  gemakkelijker  — 
om,  in  plaats  van  „mit  Hebeln  und  mit  Schrauben"  en 
met  nog  heel  wat  gecompliceerder  instrumenten  zich  groote 
en  onnoodige  moeite  te  geven ,  in  de  studeerkamer  af  te 
leiden,  hoe  die  natuur  moet  zijn,  en  zoo  hebben  dan  ook 
alle  groote  rationalisten  gedaan;  dat  zij  daardoor  vroeg  of 
laat  in  botsing  komen  moesten  met  de  empirische  weten- 
schappen was  onvermijdelijk.  En  het  is  dan  ook  deze  om- 
standigheid in  hoofdzaak,  hoewel  niet  deze  alleen,  die 
maakt,  dat  het  grootste  en  wijdst  omvattende  der  rationa- 
listische systemen ,  dat  in  ons  land  tegenwoordig  met  zooveel 
energie  en  talent  wordt  gepredikt  en  gepropageerd,  in  bot- 
sing gekomen  is  en  steeds  in  botsing  komen  zal  met  de 
beoefenaars  der  empirische  wetenschappen. 

Maar  wanneer  wij  meenen,  dat  de  rede  de  werkelijkheid 
niet  kan  omvatten ,  dat  de  wetenschap  niet  de  werkelijkheid 
kan  afbeelden,  liever:  in  begrippen  weergeven,  wat  is  dan 
de  wetenschap?  Die  wetenschap  is  een  reeks,  een  systeem 
van  oordeelvellingen  over  de  werkelijkheid.  Elk  dier  oordeel- 


TRANSCENDENTEEL    IDEALISME.  47 

vellingen  heeft  waarde,  omdat  zij  waar  is,  of,  zooals  wij 
ook  kunnen  zeggen:  met  de  werkelijkheid  overeenstemt, 
maar  toch  niet  alleen  daaraan  ontleent  zij  haar  waarde. 
Want  waren  alle  oordeelen  over  de  werkelijkheid,  die  waar 
zijn,  even  veel  waard,  dan  zou  de  taak  van  den  onver- 
poosden inventarisator  weer  aanvangen.  Uit  al  de  naar 
oneindig  veel  richtingen  oneindige  reeks  van  ware  oordeelen 
moeten  dus  sommige  uitgekozen  worden,  die  om  hun  ex- 
ceptioneele  beteekenis  waarde  hebben  voor  de  wetenschap. 
En  —  het  spreekt  van  zelf  —  die  keuze  moet  gedaan 
worden  niet  naar  het  behagen  van  U  of  mij;  zal  er  weten- 
schap zijn ,  dan  moet  er  over  de  vraag  welke  oordeelen 
in  de  wetenschap  thuis  hooren,  welke  niet,  niet  beslist 
worden  naar  subjectieve  willekeur,  maar  objectief  geldig. 
En  wederom  rijst  voor  U  het  vraagstuk  van  normen  met 
bindend  gezag,  wederom  blijkt  het,  dat  geen  wetenschap 
kan  bestaan  als  niet  normen  objectief,  onafhankelijk  van 
persoonlijke  willekeur  gelden. 

Zien  wij  thans  toe  van  welken  aard  de  band  is,  die 'de 
natuurwetenschap  samenbindt.  Stellen  wij  ons  daartoe  een 
natuuronderzoeker  voor,  die  van  de  gebeurtenissen  in  dit 
vertrek  een  natuurwetenschappelijke  beschrijving  zal  geven. 
Hij  zal  dus  niet  naar  Kirchhoff's  formule  een  volledige  be- 
schrijving kunnen  geven;  hij  zal  zich  moeten  beperken  tot 
datgene  wat  het  voor  de  natuurwetenschap  essentieele, 
wezenlijke  behelst.  Dit  verslag  zal  dan  mededeelingen  als 
deze  bevatten:  In  een  vertrek  van  die  en  die  afmetingen 
bevond  zich  een  luchtmassa,  van  zeker  —  door  de  aan- 
wezigheid van  verschillende  verbrandigsprocessen  overmatig 
hoog  —  koolzuur-  en  watergehalte,  in  longitudinale  trilling 
gebracht  door  geluidsgolven  van  matige  intensiteit,  wier 
perioden  gelegen  waren  tusschen  die  en  die  getallen.  Die 
geluidsgolven,    teruggekaatst    tegen    de    wanden,    werden 


48  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

bovendien  gestoord  door  allerlei  lichamen  van  onregel- 
matigen  vorm  waardoor  de  eerst  regelmatige  bewegingen 
allerlei  toevallige  en  grillige  afwijkingen  gingen  vertoonen. 
Kortom  —  om  U  niet  noodeloos  met  zulk  een  opsomming 
te  vermoeien  —  hij  zal  een  reeks  van  algemeene  gegevens 
noemen,  en  alles  wat  zich  niet  onder  algemeene  regels 
laat  brengen  als  toevallig,  d.  w.  z.  voor  hem  onwezenlijk, 
ter  zijde  laten.  Of  met  andere  woorden:  de  natuuronder- 
zoeker kiest  voor  zijn  beschrijvingen  onder  al  de  te  vormen 
oordeelen  die  uit,  die  betrekking  hebben  op  het  algemeene; 
hij  kiest  die  uit,  die  zich  niet  alleen  laten  zeggen  van  dit 
eene  object,  maar  van  elk  exemplaar  dat  tot  dezelfde 
klasse  behoort,  en  hoe  algemeener  zijn  oordeelen  gelden, 
des  te  liever  is  het  hem.  Daartegen  laat  zich  de  zeer  voor 
de  hand  liggende  opmerking  maken,  dat  het  natuuronder- 
zoek  toch  juist  voortschrijdt  door  de  meest  nauwkeurige  en 
gedetailleerde  waarneming,  en  dat  dus  de  natuuronder- 
zoeker, die  deze  vergadering  bijwoonde,  in  plaats  van  op 
dié  algemeenheden  te  letten  wel  zoo  goed  zou  hebben 
gedaan  al  zijn  aandacht  te  besteden  aan  een  klein  onder- 
deel dier  gebeurtenissen,  om  dit  zoo  nauwkeurig  mogelijk 
na  te  gaan,  zooals  indertijd  Galileï  in  de  kerk  te  Pisa  de 
bewegingen  van  den  slingerenden  kroonluchter  zoo  nauw- 
keurig mogelijk  trachtte  vast  te  stellen.  De  opmerking  is 
natuurlijk  juist,  maar  —  hoe  aangenaam  het  mij  persoonlijk 
ook  zou  wezen  wanneer  deze  bijeenkomst  tengevolge  van 
die  opwekking  even  wereldberoemd  mocht  worden  als 
Galileï's  kerkgang  —  ik  kan  ter  wille  van  haar  toch  niets 
van  mijn  uitspraak  terugnemen.  Immers  wat  is  het,  dat 
Galileï  uit  de  beweging  van  dien  kroonluchter  afleidde? 
Toch  niet  iets,  wat  alleen  op  dien  luchter  toepasselijk  was? 
Neen,  hij  leidde  er  de  algemeene  slingerwetten  uit  af,  die 
voor  alle   lichamen  gelden.  En  alleen  om  die  slingerwetten 


\ 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  49 

was  de  kroonluchter  van  belang.  De  waarneming  was  niet 
doel,  maar  middel. 

En  hier  hebben  wij  nu  de  eigenaardigheid  vastgesteld 
van  den  band,  die  alle  oordeelen,  die  natuurwetenschap- 
pelijke beteekenis  hebben,  tot  een  éénheid  samenbindt.  Die 
band  is  teleologisch.  Alleen  omdat  een  oordeel  waarde  heeft 
voor  de  kennis  van  het  algemeene  vindt  het  zijn  plaats  in 
de  natuurwetenschap.  En  dat  er  een  natuurwetenschap  be- 
staat, d.  w.  z.  een  geheel  van  overtuigingen,  dat  een  elk 
behoort  te  erkennen,  kan  dus  alleen  hij  meenen,  die  er- 
kent, dat  het  verwerven  van  zoodanige  algemeene  kennis 
een  deel  uitmaakt  van  onze  zedelijke  roeping. 

Daaruit  vloeit  voort,  hoe  onjuist  de  opvatting  is,  dat 
natuurwetenschap  en  teleologie  met  elkaar  in  strijd  zouden 
zijn.  Die  opvatting  behoort  tot  de  meest  gangbare  van  onzen 
tijd;  wij  hebben  haar  nog  onlangs  —  bedrieg  ik  mij  niet 
zeer  in  de  beteekenis  der  woorden  —  door  een  onzer  be- 
kendste plantkundigen  hooren  verdedigen  ^).  Beteekent  die 
uitspraak  nu  alleen ,  dat  de  plantkundige  bijv. ,  om  de  alge- 
meene eigenschappen  der  planten  te  beschrijven,  beter  doet 
het  aanwenden  van  het  doelbegrip  geheel  te  vermijden,  dan 
is  daartegen  natuurlijk  niets  in  te  brengen,  of  juister, 
dan  staat  het  alleen  aan  de  plantkundigen  de  doelmatigheid 
daarvan  te  beoordeelen.  Maar  wenscht  men,  zooals  meestal 
het  geval  is,  daarmede  „in  naam  der  natuurwetenschap" 
op  te  komen  tegen  de  meening,  dat  in  de  werkelijkheid 
zoo  iets  als  doeleinden  bestaan,  waarnaar  gestreefd  wordt 
of  behoorde  gestreefd  te  worden,  dan  rijzen  ernstige  be- 
zwaren. Immers  de  raad  komt  dan  hierop  neer,  ter  wille 
van  één  der  doeleinden,  die  men  zich  stelt,  te  verklaren, 
dat  alle  streven  naar  doeleinden  hersenschimmig  en  dwaas- 


1)  Prof.  Went  in  De  Gids  van  1906. 


50  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

heid  is.  En  die  raad  herinnert  dan  maar  al  te  zeer  aan  de 
handelwijze,  die  de  Duitschers  noemen:  Den  Teufel  mit 
Beëlzebub  austreiben. 

Nu  verdient  het  echter  overweging,  of  de  natuurweten- 
schappelijke methode  om  uit  de  oneindigheid  der  ware  oor- 
deelen  de  wetenschappelijk  belangrijke  uit  te  kiezen,  wel 
de  eenige  is?  Stel  eens,  dat  wij  in  stede  van  een  natuur- 
onderzoeker, iemand  anders,  die  zeer  speciaal  in  mij  be- 
lang stelt,  uitnoodigden  een  beschrijving  te  geven  van  deze 
bijeenkomst.  Hij  zal  ongetwijfeld  geheel  anders  handelen 
dan  de  natuuronderzoeker.  Al  de  oordeelen,  die  deze  be- 
langrijk achtte,  zal  gene  ter  zijde  laten,  en  waarom?  Juist 
om  dezelfde  reden ,  waarom  zij  den  eersten  belangrijk  waren , 
d.  w.  z,  omdat  het  oordeelen  waren,  die  gelden  voor  elke 
redevoering,  waar  ook  gehouden.  Mijn  vriend  daarentegen 
zal  zich  juist  ten  taak  stellen  die  punten  op  te  zoeken, 
waarin  de  rede  niet  met  andere  overeenstemt,  hij  zal  zoo- 
veel mogelijk  verzamelen  al  wat  als  bijzonder  kenmerkend 
alleen  haar  toekomt.  Daarbij  echter  komt  hij  in  moeilijk- 
heden; immers  het  schijnt  of  hij  nu  toch  weer  die  geheele 
oneindigheid  van  oordeelen  zou  moeten  vellen,  waartoe  de 
werkelijkheid  gelegenheid  geeft.  Want  elke  bijzonderheid, 
die  zich  in  deze  kamer  heeft  voorgedragen,  heeft  zich  nooit 
in  eenige  andere  rede  juist  zóó  toegedragen,  noch  zal  zij 
zich  ooit  weer  zoo  toedragen.  Maar  mijn  vriend  zal  zich 
daaruit  weten  te  redden,  door  alleen  dat  in  zijn  beschrij- 
ving op  te  nemen,  waaraan  hij  een  speciale  waarde  voor 
de  kennis  dezer  gebeurtenis  toekent.  Zoo  zal  hij  niet  de 
inktvlekken  op  de  tafels,  maar  wel  de  toehoorders  tellen, 
en  die  toehoorders  zullen  voor  hem  niet,  zooals  voor  den 
natuuronderzoeker  eenvoudig  „menschen"  zijn,  d.  w.  z. 
levende  wezens  van  zoodanige  gedaante  en  bouw,  neen 
hij  zal  de  namen  opteekenen,  dat  juist  deze  menschen,  deze 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  51 

bepaalde  personen,  hier  aanwezig  waren    is   voor  hem  van 
belang  voor  zijn  einddoel. 

Het  spreekt  vanzelf,  dat  zulk  een  beschrijving  niet  een 
wetenschappelijke  zal  zijn,  d.  w.  z.  wat  hij  opnoemt  heeft 
wel  groot  belang  voor  hem  —  en  voor  mij  —  maar  er  kan 
niet  gezegd  worden ,  dat  deze  beschrijving  van  de  werke- 
lijkheid voor  ieder,  objectief  geldig  is.  Maar  dat  ligt  niet 
aan  de  methode,  die  de  keuze  geleid  heeft.  Immers  nemen 
wij  een  andere  redevoering  dan  juist  deze,  bijv.  de  rede, 
die  Luther  hield  op  den  Rijksdag  te  Worms.  Het  is  duide- 
lijk, dat  wanneer  men  deze  rede  beschrijft  naar  de  zooeven 
genoemde  methode,  die  de  tegenstelling  is  tegenover  die 
der  natuurwetenschappen,  wanneer  men  dus  niet  opgeeft 
datgene,  wat  die  redevoering  met  andere  redevoeringen  ge- 
meen heeft,  maar  juist  wat  haar  daarvan  onderscheidt,  en 
wanneer  men  dan  het  onderscheidende  zóó  kiest,  dat  het 
doet  uitkomen  in  welke  betrekking  die  rede  staat  tot  ob- 
jectief geldige  waarden,  dat  men  dan,  zeg  ik,  ook  evenzeer 
een  objectief  geldige,  dat  is  een  wetenschappelijke  beschrij- 
ving verkrijgt.  Of  concreter,  en  daarom  misschien  duide- 
lijker uitgedrukt:  Een  beschrijving  van  Luther's  rede,  die 
datgene  aangeeft,  wat  invloed  geoefend  heeft  op  het  gods- 
dienstige en  staatkundige  leven,  moet  als  objectief  geldig, 
als  wetenschappelijk  beschouwd  worden  door  ieder,  die  in 
de  wetenschap  slechts  ziet  een  uiting  van  diezelfde  zede- 
lijke natuur  van  den  mensch,  waarvan  ook  zijn  religieus 
en  staatkundig  leven  uitingen  zijn. 

Gij  zult  mij  niet  de  voor  de  hand  liggende  opmerking 
tegenwerpen  —  een  opmerking,  die  in  nauw  verband  staat 
met  de  andere,  die  ik  reeds  terugwees  —  dat  ten  onrechte 
deze  twee  methoden  van  wetenschappelijke  beschrijving, 
die  gericht  op  het  algemeene,  en  die  op  het  individueele, 
tegenover    elkander  worden  gesteld,  want  dat  in  geen  der 


52  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

bestaande  wetenschappen,  welke  ook,  uitsluitend  de  eene 
of  uitsluitend  de  andere  wordt  toegepast,  maar  dat  elke 
wetenschap  van  beide  methoden  gebruik  maakt.  De  opmer- 
king is  zeker  juist,  maar  zij  doet  wederom  niets  ter  zake. 
Zoo  weet  ook  de  physicus  zeer  wel,  dat  in  de  natuur 
zuivere  stoffen  niet  voorkomen ,  en  mocht  hij  het  een  oogen- 
blik  vergeten ,  dan  scherpt  de  tijdroovendste  en  langwijligste 
van  alle  laboratoriumsarbeid  hem  in,  dat  werkelijk  zuivere 
stoffen  ook  op  geenerlei  wijze  in  de  werkelijkheid  te  ver- 
krijgen zijn.  Maar  desondanks  weet  de  physicus,  althans 
de  Nederlandsche  physicus,  zeer  goed,  dat  hij,  vóórdat  hij 
aan  de  studie  der  mengsels  begint,  een  nauwkeurige  studie 
moet  maken  van  de  enkelvoudige,  de  zuivere  stoffen.  Op 
dezelfde  wijze  zal  ook  de  beoefenaar  der  logica  de  ver- 
schillende wetenschappelijke  methoden  afzonderlijk  moeten 
bestudeeren,  al  weet  hij  ook  in  de  werkelijkheid  geen 
wetenschap,  ja  geen  wetenschappelijk  onderzoek  aan  te 
wijzen,  dat  uitsluitend  gebruik  maakt  van  één  methode, 
hetzij  deze  een  der  genoemde  is  of  een  andere. 

Een  andere ,  want  naast  de  twee  genoemde  methoden  van 
wetenschappelijke  beschrijving  staat  minstens  nog  een  derde, 
waarmede  ik  uitdrukkelijk  de  mogelijkheid  wil  openlaten, 
dat  er  nog  meerdere  zijn.  Immers  het  is  duidelijk,  dat  men 
behalve  de  oordeelen,  die  deel  uitmaken  van  de  beschrij- 
vingen van  den  natuuronderzoeker  en  den  historicus,  nog 
andere  objectief  geldige,  dus  wetenschappelijke  oordeelen 
moet  kunnen  vellen.  In  de  eerste  plaats  al  die  oordeelen, 
die  zeggen,  of  de  inhoud  mijner  rede  juist  was  of  niet,  de 
oordeelen ,  die  aangeven  waar  ik  gelijk  had ,  waar  ik  dwaalde. 
Met  andere  woorden,  ri|en  kan  die  rede  aan  kritiek  onder- 
werpen, men  kan  bepalen,  welke  waarde  die  rede  heeft. 
En  men  behoeft  zich  daarbij  niet  aan  het  criterium  der 
waarheid    of   onwaarheid   te   houden;  men  kan  ook  andere 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  53 

criteria  aanwenden;  andere  maatstaven  aanleggen.  Mits  die 
maatstaf  slechts  objectief  geldig  zij,  zal  de  beschrijving 
wetenschappelijk  moeten  worden  genoemd.  Of  met  andere 
woorden;  van  elk  voorwerp,  elke  handeling,  kortom  alles 
wat  in  de  empirische  werkelijkheid  gegeven  is,  kunnen  wij 
een  beschrijving  geven ,  die  zich  ten  doel  stelt  aan  te  toonen , 
óf  en  zoo  ja  welke  waarde  dit  voorwerp,  deze  handeling 
heeft  ten  opzichte  van  al  die  doeleinden,  die  als  objectief 
geldig  worden  erkend  krachtens  de  zedelijke  natuur  van  den 
mensch.  Zulk  een  wetenschappelijke  beschrijving  nu  schijnt 
mij  de  taak  der  philosophie. 

Een  tweeledige  taak  schijnt  mij  derhalve  voor  deze  wegge- 
legd. Vooreerst  dient  zij  te  ontwikkelen  het  systeem  der 
objectief  geldige  waarden  ^).  Dit  is  natuurlijk  niet  zoo  te  ver- 
staan, dat  zij  die  waarden  als  objectief  geldig  zou  hebben 
te  bewijzen.  Van  hem  die  ingezien  heeft,  dat  elk  bewijs 
zich  richt  tot  den  zedelijken  mensch,  dat  elke  redeneering 
alleen  bewijskracht  bezit  voor  hem,  die  de  waarheid  wil, 
ligt  natuurlijk  niets  verder  verwijderd  dan  de  poging  de 
waarde  van  de  schoonheid  te  demonstreeren  voor  hem ,  die 
het  schoone  niet  zien  wil,  of  de  waarde  van  de  vroomheid 
voor  hem,  die  het  heilige  niet  wil  erkennen.  Op  den  onwil 
stuit  elke  menschelijke  macht  af;  het  geweten  blijft  het 
fundamenteelste,  zoo  ten  kwade  als  ten  goede.  Slechts  dit 
vermag  wetenschap,  dat  zij  den  mensch  brengt  tot  zelfbe- 


1)  In  elke  wereldbeschouwing,  die  aanspraak  kan  maken  op  wetenschappe- 
lijkheid, d.  w.  z.  objectieve  geldigheid,  die  dus  meer  wil  zijn  dan  „Begriffs- 
dichtung"  zal  natuurlijk  het  onderzoek  naar  de  geldigheid  van  kennis,  en  de 
nadere  bepaling  van  het  ideaal  der  kennis  een  gansch  bijzondere  plaats  moeten 
innemen;  die  tak  der  wijsbegeerte,  die  zich  met  dat  onderzoek  bezig  houdt, 
de  kennistheorie,  zal  den  grondslag  moeten  vormen  van  het  geheele  systeem, 
waaruit  echter  geenszins  voortvloeit  dat  zulk  een  wereldbeschouwing  intellec- 
tualistisch zou  moeten  zijn,  d.w.  z.  dat  zij  aan  het  ideaal  der  kennis  eenzijdig 
een  hoogere  waarde  zou  moeten  toekennen  dan  aan  de  andere  objectief  gel- 
dige waarden. 


54  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

zinning,  dat  zij  hem  duidelijk  bewust  maakt,  welke  waarden 
het  zijn,  die  hij,  vaak  geheel  onbewust,  vaak  vaag  gevoeld, 
door  zijn  handelen  toont  te  erkennen.  En  daardoor  zal  zij 
tevens  eenheid  brengen  in  die  erkenning,  zal  zij  het  duidelijk 
maken,  dat  men  niet  ter  wille  van  de  eene  de  andere  be- 
hoeft te  miskennen ;  dat  men  de  schoonheid  niet  om  de  vroom- 
heid ,  noch  de  vroomheid  ter  wille  van  de  waarheid  behoeft 
op  zijde  te  zetten.  Zoo  zal  de  wijsbegeerte  weer  de  taak 
hebben  te  aanvaarden,  die  men  haar  te  kwader  ure  als 
onwetenschappelijk  heeft  willen  ontnemen:  doel  en  bestem- 
ming te  bepalen  van  den  mensch. 

Maar  daarmede  is  haar  taak  niet  afgeloopen.  Van  de 
geheele  werkelijkheid,  thans  of  vroeger  bestaande,  heeft  zij 
de  beteekenis,  den  zin,  ons  aan  te  geven;  d.  w.  z.  zij  zal 
hun  waarde  hebben  te  bepalen ,  gemeten  aan  haar  objectief 
geldige  waarden.  Naar  hunnen  aard  zullen  sommige  voor- 
werpen zich  alleen  laten  meten  aan  den  eenen  maatstaf, 
andere  aan  den  anderen ;  sommige  zullen  op  verschillende  wijze 
beteekenis  hebben ,  vele  op  geen  enkele.  Zoo  ligt  de  be- 
teekenis van  de  wet  van  Avogadro  hoofdzakelijk  in  haar 
betrekking  tot  onze  theoretische  kennis;  de  beteekenis  van 
de  Hervorming  ligt  hoofdzakelijk  op  religieus  gebied,  die 
van  Rembrandt  op  het  gebied  van  de  kunst.  Maar  toch  niet 
uitsluitend :  want  de  wet  van  Avogadro  heeft  ook  „praktische" 
beteekenis;  de  Hervorming  heeft  ook  beteekenis  gehad  voor 
het  maatschappelijk  en  staatkundig  leven;  Rembrandt  heeft 
ook  waarde  voor  ons  religieus  bestaan.  In  dien  zin  het 
geheele  historische  leven ,  zooals  het  óf  reeds  achter  ons  ligt,  óf 
nog  ons  omringt,  te  leeren  verstaan  is  de  taak  van  de 
verschillende  philosophische  wetenschappen.  In  dien  zin  heeft 
de  rechtsphilosophie  ons  rechtsleven  te  onderzoeken ,  de  ethica 
onze  zeden  en  gewoonten  en  ons  zedelijk  leven  (in  engeren 
zin);  de  godsdienstphilosophie  onderzoekt  op  die  wijze  het 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  55 

religieuze  leven,  de  aesthetica  dat  van  de  kunst,  de  philo- 
sophie  der  geschiedenis  stelt  den  zin  vast  van  de 
geschiedkundige  ontwikkeling  als  een  geheel;  in  dien  zin 
eindelijk  onderzoekt  de  natuurphilosophie  de  natuur,  de 
logica  ^)  het  v^etenschappelijk  leven ,  zooals  het  als  produkt 
van  historische  ontwikkeling  voor  ons  ligt. 

Laat  mi]  bij  de  laatste  nog  even  stilstaan.  Maar  voor  ik 
daartoe  overga  nog  enkele  opmerkingen  over  het  gezegde. 
Men  zal  de  levens-  en  wereldbeschouwing,  die  uit  deze 
kenschetsing  van  de  taak  der  wijsbegeerte  spreekt,  anthro- 
pocentrisch  noemen.  Inderdaad,  zij  is  het;  in  zeker  opzicht 
heeft  Protagoras  gelijk  en  blijft  de  mensch  voor  den  mensch 
de  maat  aller  dingen.  Maar  laat  mij  vragen,  is  er  een 
andere  dan  een  anthropocentrische  wereldbeschouwing? 
Wij  kennen  het  antwoord:  „die  der  zuivere  natuurweten- 
schap". Inderdaad?  Is  het  zoo  veel  minder  anthropocentrisch , 
onder  alle  ware  oordeelen  alleen  die  als  wetenschappelijk 
geldig  te  erkennen  die  waarde  hebben  voor  den  mensch 
om  hem  in  staat  te  stellen,  hetzij  —  theoretisch  — ,  de  toekomst 
der  dingen  te  voorspellen,  hetzij  —  praktisch  — ,  die  dingen  te 
doen  gehoorzamen  aan  zijn  wil? 

Mijn  tweede  opmerking  knoopt  zich  vast  aan  den  naam , 
dien   men   het  best  der   philosophie  kan  geven ,  wier  taak 


1)  Het  is  uit  den  tekst  in  verband  met  de  noot  op  bladzijde  30  wel 
duidelijk,  dat  de  logica,  zooals  zij  hier  bedoeld  is,  moet  zijn  „kennis-theore- 
tische" logica,  in  dien  zin  althans,  dat  zij  niet  mogelijk  is  zonder  voorafgaand 
kennis-theoretisch  onderzoek.  Waar  ik  dan  ook  in  de  volgende  bladzijden 
spreek  van  een  beperking  van  mijn  onderzoek  tot  de  logica,  daar  is  de  kennis- 
theorie niet  uitgesloten,  maar  integendeel  als  ingesloten  bedoeld.  Eigenlijk- 
logische  en  kennis-theoretische  overwegingen  trouwens  zullen  bij  de  hier  ge- 
schetste opvatting  van  beide  voortdurend  zóó  in  elkaar  grijpen  —  deze  rede 
zelve  toont  het  —  dBt  het  nauwelijks  mogelijk  is,  in  elk  geval  volkomen  nauw- 
keurig te  bepalen,  waar  de  grens  ligt. 

In  het  voorgaande  ligt  niet  opgesloten,  dat  ik  beslist  partij  zou  kiezen  tegen 
elke  opvatting  der  logica,  die  haar  als  „formeele"  logica  kenschetst.  Maar  het 
is  niet  mogelijk,  hier  verder  op  dit  punt  in  te  gaan. 


56  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

ik  trachtte  af  te  bakenen.  Mij  dunkt,  dat  men  ditstelsel  van  wijs- 
begeerte het  best  zal  aanwijzen  als  het  systeem  van  het 
transcendenteel  idealisme.  Transcendenteel  idealisme,  omdat 
het  idealisme  is,  dat  gebaseerd  is  op  een  onderzoek  van 
het  wezen  der  wetenschap ,  omdat  zijn  methode  niets  anders 
zijn  wil  dan  de  consequentie ,  de  voortzetting  van  de  „transcen- 
dentale Methode"  die  door  Kant  geïnaugureerd  werd.  En 
een  systeem?  Zeker  een  systeem  in  zooverre,  dat  wat  hier 
tot  de  philosophie  wordt  gerekend  niet  is  een  ordelooze 
hoop  wetenswaardigheden,  maar  één  geheel,  dat  door  één 
leidende  gedachte  wordt  beheerscht.  Maar  dit  „systeem" 
onderscheidt  zich  dan  toch  van  alle  andere  philosophische 
stelsels  daardoor,  dat  het  niet  is  een  afgesloten  geheel, 
dat  het  niet  meent  —  zooals  Kant  zelf  nog  geloofde  — 
dat  men  eenig  deel  der  philosophie  ooit  als  kant  en  klaar, 
als  voor  alle  tijden  voltooid  zou  kunnen  beschouwen.  Immers 
datgene,  wat  ten  slotte  het  object  dezer  philosophie  is,  is 
de  werkelijkheid ,  de  historische  en  ons  omgevende 
werkelijkheid  in  haar  oneindige  ontplooiing  en  ontwikkeling. 
Die  werkelijkheid  —  wij  zagen  het  reeds  in  den  aanvang 
dezer  beschouwingen  —  is  irrationeel;  zij  laat  zich  niet 
uit  eenig  beginsel  afleiden;  haar  toekomst  in  haar  indivi- 
dueele  ontplooing  laat  zich  niet  voorspellen.  En  daarom 
zullen  de  beide  hoofdproblemen,  die  wij  onderscheidden, 
nooit  als  definitief  beantwoord  gelden.  Want  niets  kan  de 
onmogelijkheid  aantoonen,  dat  bij  de  reeks  van  objectief 
geldige  waarden,  die  de  philosophie  in  hun  samenhang 
zal  aanwijzen ,  zich  andere,  nog  niet  vermoede,  zullen  komen 
voegen.  Immers  die  waarden  laten  zich  niet  —  ik  zeide 
het  reeds  —  op  een  of  andere  wijze  afleiden,  niet  demon-, 
streeren;  zij  laten  zich  alleen  als,  hoe  vaag  dan  ook  erkend 
in  de  historie,  in  de  handelingen  der  menschen  aanwijzen.  Ware 
er  nergens  eenig  spoor  van  schoonheidsgevoel,  dan  zou  geen 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  57 

philosophie  het  goed  recht  der  kunst  kunnen  aantoonen ;  be- 
stond nergens  religieuze  zin ,  hoe  zwak  ook ,  dan  zou  geen  phi- 
losophie bij  machte  zijn,  dien  te  wekken.  De  philosophie 
kan  alleen  aanwijzen ,  dat  uit  de  handelingen  der  menschen 
erkenning  dezer  waarden  spreekt,  en  hun  samenhang  aan- 
toonen ,  zooals  die  blijkt  uit  de  historie.  Maar  dan  kan 
ook  niet  ontkend  worden,  dat  steeds  nieuwe,  rijkere  ont- 
wikkeling nieuwe  plichten  kan  meebrengen .  dat  de  taak 
van  den  mensch  veel  grooter  kan  blijken,  dan  wij  thans 
vermoeden.  En  de  omschrijving  van  die  taak,  van  dien 
plicht,  van  datgene  wat  de  mensch  behoort  te  vervullen, 
zal  dus  nooit  als  afgewerkt  kunnen  gelden.  En  zeker  is  het, 
dat  dit  zich  steeds  wijzigende  en  ontwikkelende  leven 
steeds  nieuwe  verschijnselen  zal  voortbrengen  en  dus  steeds 
opnieuw  de  vraag  zal  stellen:  Wat  is  de  beteekenis,  de 
zin  van  dit  alles?,  die  alleen  de  wijsbegeerte  kan  beant- 
woorden. 

Daarmede  verandert  tevens  ten  eenen  male  de  verhouding 
van  de  wijsbegeerte  tot  de  empirische  wetenschappen.  De 
wijsbegeerte,  zóó  opgevat,  zal  niet  trachten  den  empiri- 
schen  wetenschappen  voor  te  schrijven  tot  welke  uitkomsten 
zij  moeten  komen ;  integendeel ,  zij  zal  vele  vragen ,  die 
men  steeds  gewoon  is  geweest  wijsgeerige  te  noemen  ter 
beantwoording  naar  de  empirische  wetenschappen  moeten 
verwijzen.  Of  alle  natuurbeloop  mechanisch  is  of  niet?  — 
hoe  het  levende  met  het  levenlooze  samenhangt?  —  wat 
de  meest  algemeene  eigenschappen  zijn  der  lichamen  of 
van  de  krachten,  die  zij  op  elkander  uitoefenen?  —  of  er 
physische  verschijnselen  zijn  zonder  psychische  keerzijde  of 
niet  ?  dat  zijn  vragen ,  waarin  de  wijsbegeerte  zich  niet- 
competent  zal  hebben  te  verklaren ,  maar  die  zij  moet  ver- 
wijzen naar  de  natuurwetenschap,  zij  het  dan  ook  een 
algemeene  natuurwetenschap,  die  noch  physica,  noch  psy- 


58  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

chologie  mag  zijn,  maar  die  de  resultaten  van  beide  moet 
verwerken,  en  die  men  misschien  het  beste  als  metaphy- 
sica  ^)  aanduidt.  Slechts  dit  kan  de  wijsbegeerte  verlangen, 
dat  de  metaphysicus,  als  elk  ander  wetenschappelijk  onder- 
zoeker, zich  rekenschap  aflegge  van  het  doel,  dat  alle 
wetenschap  beoogt,  ja  door  den  metaphysicus  moet  dit, 
om  den  aard  der  problemen  die  hij  behandelt,  meer  dan 
door  eenigen  anderen  natuuronderzoeker  worden  in  't  oog 
gehouden. 

Dus  niet  in  botsing  komt  de  wijsbegeerte  met  de  empi- 
rische wetenschappen ,  integendeel  zonder  die  wetenschappen 
kan  zij  zelve  haar  taak  niet  vervullen  ,  nauwelijks  aanvangen. 
Want  hoe  zal  zij  de  beteekenis,  den  zin  van  het  bestaande 
leeren  verstaan,  wanneer  niet  eerst  objectief  geldig  is  uit- 
gemaakt wat  bestaat  en  bestaan  heeft?  Ja,  omdat  zij  zich 
zal  hebben  bezig  te  houden  niet  met  hersenschimmen  of 
algemeenheden,  maar  alleen  met  de  werkelijkheid  zelve, 
mag  men  haar  ten  slotte  zelve  een  der  empirische  weten- 
schappen heeten. 

Keeren  wij  thans  terug  tot  de  logica.  Want,  hoe  aan- 
trekkelijk ook  het  onderzoek  moge  zijn,  dat  wij  leerden 
kennen  als  de  taak  der  andere  philosophische  wetenschappen , 
hoe  aanlokkelijk  het  moge  zijn  zich  bezig  te  houden  met 
die  hoogste ,  tegelijk  met  die  moeilijkste  van  alle  vragen , 
die  de  ethica,  de  aestethica,  de  godsdienstphilosophie  be- 
handelen, voor  mij   acht   ik  die  taak  —  althans  in  afzien- 


1)  Ik  denk  daarbij  aan  een  metapliysica,  zooals  zij  in  ons  land  door  Prof. 
Heymans  wordt  voorgestaan;  ongetwijfeld  zijn  een  aantal  van  de  door  zulk 
een  metapliysica  behandelde  vragen  zuiver  natuurwetenschappelijke,  maar  ik 
wil  volstrekt  niet  zeggen  dat  alle  vragen  die  van  ouds  in  de  metaphysica 
behandeld  worden,  natuurwetenschappelijke  zijn.  Een  groot  deel  van  wat  in 
Aristoteles'  Eerste  Philosophie  voorkomt,  en  sedert  in  de  metaphysica  is  be- 
handeld, behoort  bij  onze  indeeling  thuis  in  de  kennis-theorie. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  59 

baren  tijd  —  niet  weggelegd.  Al  ware  het  alleen ,  omdat  ik 
meen  dat  nog  andere  arbeid  dan  deze  mij  wacht,  zal  ik 
mij  in  mijn  philosophisch  onderzoek  beperken  tot  de  logica, 
dien  tak  der  philosophie  die  het  wetenschappelijk  leven 
bestudeert. 

V  Maar  niet  alleen  als  tak  van  philosophie  zal  ik  de  logica 
kunnen  opvatten.  Ik  legde  er  reeds  den  nadruk  op,  dat  de 
philosophie  in  den  zin  waarin  ik  haar  opvat,  als  de  weten- 
schap van  de  waarde ,  de  bestemming  der  dingen ,  niet  kan 
buiten  de  empirische  wetenschappen,  met  name  de  natuur- 
wetenschappen en  de  historie.  Voordat  men  de  waarde  van 
eenig  deel  der  werkelijkheid  kan  bepalen,  moet  men  weten 
eenerzijds,  welke  eigenschappen  het  heeft  als  exemplaar 
van  een  klasse,  anderzijds  wat  het  als  individu  van  al  zijn 
klassegenooten  onderscheidt.  Zoo  ook  voor  de  logica.  Als 
tak  van  philosophie  is  zij  teleologische  logica,  d.  w.  z.  zij 
zal  van  de  hulpmiddelen  van  iedere  afzonderlijke  weten- 
schap, de  begrippen,  oordeelen,  methoden  dier  wetenschap, 
een  beschrijving  hebben  te  geven  met  het  oog  op  het  doel , 
dat  die  wetenschap  tracht  te  bereiken ,  of  met  andere  woor- 
den, zij  zal  hebben  te  verstaan,  hoe  de  structuur  dier 
wetenschap  samenhangt  met  het  doel ,  dat  die  weten- 
schap beoogt.  Maar  daarbij  zal  zij  zich  moeten  baseeren 
op  de  geschiedenis  dier  wetenschap  eenerzijds,  anderzijds 
op  een  wetenschap,  die  beschrijft,  welke  eigenschappen 
elk  oordeel,  elk  syllogisme,  elk  begrip,  of  wel  elk  natuur- 
wetenschappelijk of  zelfs  elk  chemisch  begrip  bezit,  niet 
met  het  oog  op  zijn  bestemming,  maar  eenvoudig  als  exem- 
plaar van  de  klasse  der  oordeelen,  der  syllogismen  of  der 
begrippen,  of  wellicht  van  de  onderklasse  der  natuurwe- 
tenschappelijke, ja  der  physische  of  chemische  begrippen. 
Die  wetenschap  schijnt  mij  het  best  aangeduid  als  natuur- 
wetenschappelijke logica,  omdat  haar  onderwerp  de  weten- 


60  TRANSCENDENTEEL    IDEALISA^E. 

schap  is,  en  zij  dit  onderzoei^t  op  de  wijze  der  natuur- 
wetenschappen. 

De  geschiedenis  der  wetenschappen  nu  kan  ii<:  als  gegeven 
vooronderstellen;  wel  wordt  zij  èn  elders  in  ons  land,  èn 
ook  aan  deze  Universiteit  slechts  weinig  opzettelijk  beoe- 
fend, maar  ook  zonder  opzettelijke  beoefening  brengt  de 
studie  van  elke  wetenschap  toch  tevens  altijd  meerdere  of 
mindere  kennis  van  haar  geschiedenis  mede.  En  gelukkig, 
dat  ik  èn  bij  mij  zelf,  èn  bij  mijn  hoorders  een  dusdanige, 
zij  het  dan  ook  oppervlakkige  kennis  van  de  geschiedenis 
der  —  althans  van  eenige  —  wetenschappen  mag  aanne- 
men; anders  zou  ik  door  de  talrijkheid  der  voorstudies  wel 
nooit  tot  mijn  eigenlijk  werk  komen.  Slechts  hier  en  daar 
zal  ik  door  voorbeelden ,  zooals  ik  ook  heden  gebruikte,  een 
beroep  op  die  kennis  behoeven  te  doen.  Alleen  van  de  ge- 
schiedenis der  wijsbegeerte  en  speciaal  der  logica  zal  ik, 
ter  verduidelijking,  systematische  uiteenzetting  niet  geheel 
kunnen  ontberen. 

Maar  de  „natuurwetenschappelijke  logica"  mag  ik  niet 
als  bekend  veronderstellen  en  ik  zal  dus  daarover  niet 
kunnen  zwijgen.  Ja,  het  zal  vaak  moeilijker  zijn,  er  niet, 
dan  er  wel  over  te  spreken.  Want  niet  alleen,  dat  de  schei- 
ding tusschen  de  beide  takken  der  logica  nog  nooit  in  dé- 
tails is  doorgevoerd,  zij  is  nog  nauwelijks  aangeduid,  zelfs 
in  de  baanbrekende  nieuwere  werken,  die  ik  U  noemde. 
Voor  zoover  ik  zien  kan  doorkruisen  zich  bij  Sigwart  voort- 
durend teleologische  en  „natuurwetenschappelijke"  beschrij- 
ving, ja  soms  gaat  het  teleologische  karakter  geheel  ver- 
loren. En  Lotze,  die  zoo  sterk  den  nadruk  legt  op  het 
teleologisch  karakter  zijner  logica ,  bepaalt  zich  veel  te  veel  tot 
datgene,  wat  aan  alle  wetenschappen  eigen  is,  dringt  te  weinig 
in  de  afzonderlijke  wetenschappen  door,  om  zijn  teleolo- 
gische methode  geheel  tot  haar  recht  te  doen  komen.  Zoo 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME.  61 

durf  ik  dan  ook  zeker  nog  niet  de  verzekering  te  geven, 
dat  het  mij  gelukken  zal  overal  in  détails  duidelijk  de 
splitsing  tot  haar  recht  te  doen  komen,  wier  juistheid  in 
principe  mij  onbetwijfelbaar  voorkomt. 

Maar  omdat,  naar  ik  zooeven  reeds  opmerkte,  voor  een 
behoorlijke  beoefening  der  logica  in  den  geest,  als  ik  dat 
geschetst  heb,  indringen  in  de  speciale  vormen  en  methoden 
der  speciale  wetenschappen  noodig  is,  is  het  veld,  dat  ik 
afbakende,  nog  veel  te  ruim.  En  dat  niet  alleen,  omdat 
voor  de  logische  studie  der  staathuishoudkunde  bijv.  gron- 
diger kennis  dier  wetenschap  noodig  is,  dan  de  populaire 
noties,  waarover  ik  slechts  beschik,  maar  omdat  van  te 
voren  mag  ondersteld  worden,  dat  dit  onderzoek  niet  uit- 
sluitend logisch  zal  blijven,  maar  in  nauw  verband  zal  be- 
hooren  te  geschieden  met  rechts-  en  staatsphilosophie, 
zooals  het  onderzoek  der  theologische  wetenschappen  niet 
zal  kunnen  geschieden  zonder  gelijktijdige  beoefening  der 
godsdienstphilosophie.  Om  die  dubbele  reden  dus  zal  ik  mij 
moeten  beperken,  en  het  ligt  voor  de  hand,  dat  ik  mij  het 
eerst  zal  wijden  aan  de  mathematische  natuurwetenschappen 
en  die  wetenschappen,  die  daarnaast,  hetzij  door  gelijkheid 
van  doel  hetzij  door  tegenstelling,  het  meest  in  aanmerking 
komen. 

In  de  eerste  plaats  dus  zal  ik  mij  wenden  tot  U,  mijne 
Dames  en  Heeren  Studenten  in  de  natuurwetenschappen. 
Ik  haalde  in  het  begin  dezer  rede  met  instemming  een 
epigram  van  Schiller  aan  als  van  blijvende  waarde.  Maar 
evenzeer  van  Schiller's  hand  is  ook  deze  waarschuwing: 
An  Naturforscher  und  Transcedental-Philosophen. 

Feindschaft  sei  zwischen  Euch.  Noch  kommt  das  Bündnis 

[zu  frühe: 

Wenn  ihr  im  Suchen  Euch  trennt,  wird  erst  die  Wahr- 

[heit  erkannt. 


62  TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 

Moge  de  toekomst  bewijzen,  dat  dit  puntdicht  zijn  tijd 
heeft  gehad. 

Maar  niet  minder  zal  ik  het  op  prijs  stellen,  mijne  Dames 
en  Heeren  Studenten  der  andere  faculteiten,  wanneer  mijn 
onderwijs  Uw  belangstelling  mag  wekken.  Omzijn  onderwerp 
heeft  het  daar,  naar  ik  meen,  recht  op.  Het  speciale  onder- 
zoek der  natuurwetenschap  misschien  alleen  daarom  reeds, 
omdat  het  zal  toonen,  waarom  Gij  weerstand  moet  bieden 
aan  den  zoo  vaak  gehoorden  eisch  alle  wetenschap  te 
schoeien  op  de  leest  der  natuurwetenschap.  En  het  alge- 
meene  deel,  waaraan  ik  mij  in  de  allernaaste  toekomst  zal 
wijden,  zal  U  naar  ik  hoop  het  wezen  van  alle  wetenschap 
beter  doen  verstaan.  Wellicht  mag  het  mij  dan  nog  vergund 
zijn  een  van  U  allen  op  te  wekken  tot  het  speciale  onderzoek 
van  zijn  wetenschap,  dat  ik  thans  nog  niet  kan  ter  hand 
nemen,  al  hoop  ik  ook,  wanneer  mij  de  tijd  en  de  kracht 
niet  ontbreken,  in  de  toekomst  andere  wetenschappen  dan 
de  genoemde,  met  name  de  rechtswetenschap,  in  den  kring 
mijner  logische  onderzoekingen  te  kunnen  trekken. 

En  ten  slotte  tot  U  allen  dit.  Gij  zult  wellicht  van  hier 
gaan  met  een  onbevredigd  gevoel,  omdat  velerlei  is  behan- 
deld, maar  waarschijnlijk  overal  vraagteekens  zijn  blijven 
staan.  Ik  zou  U  willen  antwoorden,  dat  voor  een  aanvangs- 
college  zeker  niets  gewenschter  is,  dan  dat  het  vele  onbe- 
antwoorde vragen  achterlaat.  Maar  ook  mijne  colleges 
zelf  zullen,  naar  ik  hoop,  U  het  vragen  niet  doen  verleeren. 
Want  al  behoor  ik  niet  tot  hen,  die  meenen,  dat  hij  de 
beste  docent  in  de  wijsbegeerte  is,  die  zelf  niet  een  eigen 
meening  over  wijsbegeerte  bezit,  of  althans  die  zooveel 
mogelijk  tracht  te  verbergen,  wel  meen  ik,  dat  mijn  lessen 
zeker  vruchtdragend  zullen  mogen  genoemd  worden,  wanneer 
zij  er  toe  zullen  meewerken  U  te  leeren  op  de  rechte  wijze 
vragen  te  stellen. 


TRANSCENDENTEEL   IDEALISME. 


63 


Voor  heden  rest  mij  slechts,  mijn  dank  te  betuigen  aan 
Edel  Achtbare  Heeren  Burgemeester  en  Wethouders  van 
Amsterdam,  aan  Edel  Grootachtbare  Heeren  Curatoren  dezer 
Universiteit,  aan  den  Rector  Magnificus  en  aan  den  Akade- 
mischen  Senaat  en  inzonderheid  aan  de  Hooggeleerde  Heeren 
Professoren  in  de  Literarische  Faculteit,  dat  zij  mij  in  de 
gelegenheid  hebben  willen  stellen  aan  deze  Universiteit  de 
taak  te  vervullen,  die  ik  heb  geschetst. 

Ik  heb  gezegd. 


NATUURPHILOSOPHIE  EN  ATOMISTIEK. 

DOOR 

J.  CLAY. 


Sinds  de  laatste  tientallen  van  jaren  heeft  de  natuurweten- 
schap zich  ijverig  bezig  gehouden  met  onderzoekingen ,  ten 
einde  het  wezen  der  natuur  beter  te  leeren  kennen.  En 
niet  alleen  door  waarnemingen  heeft  zij  dit  doel  trachten 
te  bereiken,  meer  dan  ooit  bloeit  de  theoretische  natuur- 
wetenschap. 

Gedachten  en  voorstellingen  van  den  meest  verschillenden, 
en  soms  van  tegenstrijdigen  aard  worden  als  hypothesen 
ten  grondslag  genomen  voor  beschouwingen,  waarvan  de 
resultaten  op  de  natuur  betrekking  zullen  hebben. 

Deze  resultaten  worden  echter,  zelfs  bij  zuiver  logische 
en  mathematische  afleiding,  niet  onmiddellijk  vertrouwd, 
omdat  wij  van  te  voren  overtuigd  zijn ,  dat  de  natuurver- 
schijnselen niet  volkomen  met  een  logische  ontwikkeling 
parallel  gaan,  en  omdat  er  een  zekere  onmeetbaarheid  is 
tusschen  geest  en  natuur. 

Niettemin  zien  wij,  dat  deze  beschouwingen  van  groote 
toepasselijkheid  zijn  op  de  natuurverschijnselen,  en  goed 
geschikt,    onze   kennis  van  de  natuur  te  vermeerderen. 

De  beoefening  der  natuurphilosophie  nu  is  noodig,  om 
de  leemte  aan  te  vullen,  die  de  natuurwetenschap  zelve 
laat,  omtrent  hare  grondbegrippen  als  ruimte,  tijd,  beweging, 
kracht,  materie,  atoom  enz.,  en  het  verband  tusschen  deze. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK.  65 

In  de  volgende  bladzijden  is  het  doel ,  den  lezer  in 
overweging  te  geven,  de  waarde  van  de  beoefening  der 
natuurphilosophie  naar  aanleiding  van  de  atomistische 
theorie  der  materie ,  zooals  deze  in  de  tegenwoordige  natuur- 
kunde geldt.  De  chemische  atomistiek  is  er  buiten  gelaten, 
al  geldt  voor  haar  in  vele  opzichten  hetzelfde. 

De  natuurkunde  is  in  haar  opvatting  van  de  stof  uitge- 
gaan van  de  zintuigelijke  waarneming,  en  wel  óf  van  de 
aanschouwing  van  vloeibare,  óf  van  die  van  vaste  lichamen. 
De  theorie,  die  van  de  vloeistof  uitgaat,  komt  tot  de  op- 
vatting van  een  volkomen  continue  vulling  der  ruimte, 
terwijl  de  andere  aanneemt ,  dat  de  stof  bestaat  uit  discrete, 
vaste  deeltjes. 

Het  uitgaan  van  de  vloeistof  leidt  tot  de  continuiteits- 
theorie,  het  uitgaan  van  den  vasten  aggregaatstoestand, 
leidt  tot  de  atomistische  en  moleculaire  theorie  ^). 

Beide  theorieën  hebben  gemeen,  dat  ze  de  eigenschappen, 
resp.  der  vloeistof  en  der  vaste  stof  tot  uiterste  volkomen- 
heid maken;  d.  w.  z.,  de  vloeistof  moet  zuiver  bewegelijk, 
zonder  wrijving,  moet  onsamendrukbaar  zijn;  het  toegeven 
aan  beweging  moet  volkomen  zijn.  Evenzoo  gaat  de  mole- 
culaire theorie  uit  van  volkomen  weerstand  biedende ,  harde , 
veerkrachtige  kleine  lichaampjes,  gescheiden  door  volkomen 
ledige  ruimte. 

Beide  onderstellingen  zijn,  in  verband  met  wat  wij  wer- 
kelijk waarnemen,  niet  toe  te  laten,  maar  noodzakelijk  met 
het  oog  op  algemeene  grondregels,  waarmee  we  in  de 
natuurkunde  moeten  werken.  De  volkomen  bewegelijkheid 
zonder  wrijving  van  de  vloeistof  in  de  continuiteitstheorie, 
en  de  volkomen  veerkracht  van  de  moleculen  in  de  atomis- 


1)  Vergl.  E.  V.  Hartmann.  Die  Weltanschauung  der  modernen  Physik,  blz.  162. 

5 


66  NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

tische  theorie,  zijn  noodig  met  het  oog  op  de  wet  van  het 
behoud  van  arbeidsvermogen,  een  beginsel,  dat  tot  geen 
prijs  opgegeven  zal  worden  ^). 

Wat  nn  de  continuiteitstheorie  betreft  een  korte  opmer- 
king. Deze  voert  tot  groote  moeilijkheden. 

Een  zuiver  homogene  vloeistof  zelf  kan  de  eigenschappen 
der  materie  niet  verklaren,  juist  om  haar  overal  indifferent 
karakter.  Bovendien  is  het  ontstaan  of  verdwijnen  van  een 
beweging  in  een  continu  gevulde  ruimte  onvoorstelbaar  en 
onbegrijpelijk. 

Een  voorganger  in  deze  richting  is  Descartes  geweest, 
maar  het  verst  heeft  Lord  Keivin  het  gebracht  met  de  onder- 
stelling van  zijn  wervelringen.  Hij  stelt  zich  voor  dat  het 
heelal  gevuld  is  met  een  volmaakte  vloeistof,  waarin  ring- 
vormige wervels  zich  kunnen  voortbewegen,  op  de  wijze 
van  een  O  van  tabaksrook.  De  materie  is  in  zijne  beschou- 
wing niet  de  vloeistof  zelve ,  maar  de  bewegingswijze  ervan. 

Uit  deze  beschouwingen  komen  zeer  aardige  dingen  te 
voorschijn,  b.v.,  dat  de  wervels  quantitatief  bepaald  zijn, 
en  gelijk  blijven ,  dat  met  de  beweging  der  wervels  zelve, 
een  afstooten  bij  aanraking  gepaard  gaat  ^).  Maar  door 
hare  buitengewone  ingewikkeldheid  leidt  deze  theorie  niet 
tot  resultaten,  en  is  zij  eer  in  staat,  het  begrip  der  materie 
onduidelijker  te  maken,  dan  te  verhelderen.  Er  zijn  ten 
overvloede  verschillende  elementen  in  aanwezig,  die  haar 
onhoudbaar  maken,  b.v.  hoe  in  een  onsamendrukbare,  vol- 
komen continue  vloeistof  de  verschillende  deelen  een  druk 
op  elkaar  kunnen  uitoefenen,  een  druk,  die  toch  voor  de 
beweging  noodzakelijk  is  ^)  en  b.v.  de  eeuwige  onverander- 


1)  Vergl.  Boltzmann,  Vorlesungen  über  -Gastheorie,  blz:  9.  Stallo,  The  Con- 
cepts  and  Theories  of  Modern  Physics,  blz.  51. 

2)  Verg.  Maxwell,  Atoni.  Encycl,  Britt.  111.  blz.  45, 

3)  Lorentz,  Inaugureele  Rede,  blz.  14. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMfSTIEK.  67 

lijkheid  der  wervelringen,    die  verondersteld  moet  worden. 

Ik  zal  niet  verder  op  continuiteitstheorieën  ingaan ,  maar  zal 
liever  dadelijk  overgaan  tot  de  discrete,  atomistische  theorie. 

De  atomistische  theorie  zooals  zij  tegenwoordig  in  de 
physica  ontwikkeld  wordt,  gaat  uit  van  volkomen  harde, 
door  ledige  ruimte  gescheiden  lichaampjes.  Maar  zij  gaat 
bovendien  uit  van  de  onderstelling,  dat  die  kleine  lichaampjes 
in  snelle  beweging  zijn.  Zij  neemt  dus  twee  elementen  aan , 
het  harde,  onveranderlijke  lichaampje,  het  bewegelijke,  en 
de  beweging  zelve.  En  juist  de  beweging  zal  ten  slotte  in 
deze  theorie  veel  moeten  verklaren,  men  noemt  deze  theorie 
daarom  ook  wel  de  moleculairkinetische  theorie  der  materie. 

Allereerst  wijs  ik  er  nu  op,  dat  de  theorie,  die  van  de 
voorstelling  van  het  vloeibare  uitgaat,  onmogelijk  den  vloei- 
stoftoestand zelf  opnieuw  kan  verklaren,  zooals  het  voor 
een  moleculaire  theorie,  die*  van  onveranderlijke  harde 
moleculen  uitgaat,  onmogelijk  is,  den  vasten  aggregaats- 
toestand te  verklaren.  ^)  Wanneer  ze  dit  toch  tracht  te  doen , 
zal  ze  niets  verklaren,  dan  hetgeen  ze  van  te  voren  had 
aangenomen.  In  dit  verband  denk  ik  aan  een  citaat  van 
Helmholtz,-)  waar  hij  zegt:  „Uber  die  Atome  in  der  theo- 
retischen  Physik,  sagt  sir  W.  Thomson  sehr  bezeichnend, 
dass  ihre  annahme  keine  Eigenschaft  der  Körper  erklaren 
kann,  die  man  nicht  vorher  den  Atomen  selbst  beigelegt 
hat.  Ich  will  mich,  indem  ich  diesem  Ausspruch  bei- 
pflichte ,  hiermit  keineswegs  gegen  die  Existenz  der  Atome 
erklaren,  sondern  nur  gegen  das  Streben,  aus  rein  hypotheti- 
schen  Annahmen  über  Atombau  der  Naturkörper  die  Grund- 
lagen  der  theoretischen  Physik  herzuleiten".  De  moleculaire 
theorie  heeft  derhalve  alleen  succes  met  het  verklaren  van 


1)  Vffl.  E.  V.  Hartmann,  Die  W.  d.  M.  Ph.  blz.  162. 

2)  Helmholtz,  VorlrSge  und  Rede.  II.  blz-  47. 


68  NATUURPHILOSOPHIE   EN    ATOMISTIEK. 

den  vloeistoftoestand,  en  voornamelijk  van  den  gastoestand. 

De  moleculaire  of  kinetische  gastheorie  is  in  latere  jaren 
tot  grooten  bloei  gekomen.  Uit  ervaring  en  uit  experimen- 
ten weten  we,  dat  een  gas  zeer  bewegelijk  is,  en  steeds 
tracht  een  zoo  groot  mogelijke  ruimte  te  vullen.  Dit  blijkt 
uit  de  diffusie  der  gassen  en  uit  den  druk,  dien  een  gas, 
dat  in  zekere  ruimte  is  opgesloten,  op  de  afsluitende  wan- 
den uitoefent.  Deze  druk  wil  de  theorie  om  te  beginnen, 
verklaren.  Zij  doet  dit,  door  zich  voor  te  stellen,  dat  de 
bewegende  lichaampjes  voortdurend  tegen  de  wanden  aan- 
botsen.  Door  deze  voorstelling  verklaart  men  ook  de  wet 
van  Boyle,  dat  de  druk  omgekeerd  evenredig  is  met  het 
volume.  Hoe  kleiner  het  volume  is,  des  te  meer  zullen  de 
deeltjes  tegen  de  wanden  botsen.  Evenzoo  de  wet  van  Gay- 
Lussac,  betreffende  de  regelmatige  toename  van  den  druk 
met  de  temperatuur,  wanneer  men  aanneemt,  dat  de  be- 
weeglijkheid grooter  wordt,  naarmate  de  temperatuur  toe- 
neemt. Het  gelukt  daarbij,  door  gelijkstelling  van  de  hoeveel- 
heid van  beweging,  die  de  wand  voortdurend  tengevolge  van 
de  aanbotsende  deeltjes  ontvangt,  met  den  druk,  dien  de  wand 
moet  uitoefenen,  om  denzelfden  stand  te  behouden,  de  gemid- 
delde snelheid  uit  te  rekenen ,  die  de  deeltjes  moeten  hebben. 
Men  vindt  uit  deze  berekening  zeer  groote  snelheden,  bv, 
voor  lucht  480  M.  per  sec,  voor  een  waterstofmolecuul 
1840  M.  per  sec,  bij  een  temperatuur  van  0°  Celsius. 

Deze  snelheid  moet  men  dus  aannemen,  om  den  druk 
der  gassen  te  verklaren.  We  weten  echter  uit  ervaring,  dat 
een  gas  zich  in  zijn  geheel  niet  met  deze  snelheid  verplaatst, 
integendeel  nemen  we  bijv.  waar,  dat  bij  diffusie  de  snel- 
heid, waarmee  koolzuurgas  in  lucht  doordringt,  bij  0°  en 
atmosferischen   druk   ongeveer   IJ-  m.M.   per  sec  is.  ^)  Om 


1)  o.  E.  Meijer.  Die  kinetische  Theorie  der  Gase,  blz.  267. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK.  69 

dit  verschijnsel  met  de  groote  snelheden  der  moleculen  in 
overeenstemming  te  brengen ,  neemt  men  aan ,  dat  de  mole- 
culen een  zekere  uitgebreidheid  hebben,  en  er  daardoor 
een  voortdurende  botsing  plaats  heeft,  zoodat  een  molecuul 
telkens  slechts  een  heel  klein  eindje  in  een  rechte  lijn  kan 
afleggen,  om  vervolgens  door  een  botsing  in  een  andere 
richting  gebracht  te  worden.  Met  behulp  van  deze  botsingen 
is  het  gelukt,  de  diffusie,  de  inv^endige  wrijving,  en  de 
warmtegeleiding  te  verklaren.  Aangezien  het  aantal  botsingen 
met  de  grootte  der  moleculen  samenhangt,  zal  dan  hieruit 
achterna  de  grootte  der  moleculen  kunnen  bepaald  worden , 
en  is  het  geheele  systeem  dat  van  te  voren  slechts  qualitatief 
aangenomen  kon  worden,  qiiantitatief  bepaald. 

Het  voordeel  van  deze  beschouwing  is,  dat  betrekkelijk 
vele  en  zeer  verschillende  verschijnselen  een  gemeenschap- 
pelijken  verklaringsgrond  hebben  verkregen ,  waaruit  die 
verschijnselen   gemakkelijk  in  samenhang  te   overzien   zijn. 

Aristoteles  zegt  in  de  Metaphysica  ^)  dat  de  verwondering 
het  begin  der  kennis  is.  Maar  slechts  het  begin.  Immers, 
de  wetenschappelijke  en  weetgierige  mensch  wil  niet  in 
dezen  toestand  blijven,  maar  vraagt  zich  af,  uit  welken 
grond  het  waargenomene  geschiedt.  Hij  laat  dus  het  ver- 
schijnsel niet  als  zoodanig,  niet  in  zijn  onmiddellijkheid 
gelden,  en  de  dialectische  aard  van  het  begrip  brengt  hem 
er  toe,  het  verschijnsel  te  denken  als  iets  anders,  als  een 
gevolg  van  een  niet  waargenomen  grond.  Dit  streven  openbaart 
zich,  als  in  de  wetenschap  een  verklaring  gevraagd  wordt. 

Het  verstand  voelt  zich  echter  bij  dezen  eersten  grond 
slechts  zóó  lang  tevreden ,  tot  de  grond  zelf  verklaard  moet 
worden ,  met  andere  woorden ,  tot  de  grond  als  iets  onmid- 


1)  Aristoteles.  Metaphysica.  982b. 


70  NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

dellijk  gegevens  genomen  wordt,  dat  niet  op  zichzelf  geldt, 
en  als  gevolg  gedacht  moet  worden. 

Op  deze  wijze  doorgaande ,  vervalt  men  in  een  eindeloos- 
heid en  in  dezen  gedachtengang  heeft  het  vragen  naar  een 
laatsten  grond  zelfs  geen  zin.  Nooit  kan  deze  verklarings- 
zucht  tevreden  gesteld  worden,  en  hoe  sterker  zij  is,  des 
te  minder  is  zij  te  bevredigen. 

Slechts  het  redelijke  of  volledige  begrip  is  in  staat  deze 
zucht  te  overwinnen.  In  het  begrijpen  wordt  niet  altijd  één- 
zijdig naar  een  grond  gezocht,  maar  de  betrekkelijke  gel- 
digheid begrepen  van  den  grond,  als  gevolg  in  aanleg,  en 
van  het  gevolg,  als  tot  ontwikkeling  gekomen  grond.  De 
geldigheid  of  waarde  van  den  grond  als  zoodanig  vermeer- 
dert nu,  naar  gelang  het  gevolg  van  meer  waarde  en  van 
grooter  geldigheid  is.  Zoo  is  de  moleculair  beweeglijk  ge- 
dachte materie  een  verklaringsgrond  voor  een  verscheiden- 
heid van  verschijnselen,  als  druk,  diffusie,  warmtegelei- 
ding,  inwendige  wrijving.  Daarom  is  zij  als  grondvoor- 
stelling  van  zooveel  waarde.  Wat  men  ook  kwaads  van 
haar  moge  beweren,  het  moet  gezegd  worden,  dat  zij  als 
grondbegrip,  als  grondvoorstelling  van  zooveel  verschijn- 
selen tegelijk,  van  groote  beteekenis  is. 

Zij  ontgaat  echter  haar  noodlot  niet.  Op  verschillende 
wijze  wordt  haar  bestaan  bedreigd. 

De  meest  onmiddellijke,  en  door  mijn  betoog  in  het  oog 
vallende  bedreiging  is  b.v,  wel ,  dat  zij  zelf  als  een  gevolg 
wordt  opgevat,  dat  men  vraagt  naar  een  verklaring  voorde 
voortdurend  gelijkmatige  bewegelijkheid  der  kleinste  lichaamp- 
jes, welker  aantal  en  eigenschappen  altijd  gelijk  blijven. 

Ik  denk  hierbij  aan  een  uitlating  van  J.  G.  Vogt  ^) 
waarin  hij  zegt:  „Es  gibt  nichtsabsurderes,  als  der  moderne 


1)  J.  G.  Vogt.  Das  Wesen  der  Electrizitat  und  Magnetismus,  blz.  7. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK.  71 

kinetische  Substanzbegriff  nach  welcliem  die  Materie  aus 
Atomen  oder  dislcreten  Massenteilchen  besteht,  die  in  der 
monotonsten  Weise  durch  alle  Ewigheiten  hin  und  her- 
schwingen.  Etwas  stupideres  und  sinnloseres  ist  kaum  denk- 
bar, und  nur  trockene,  vom  Büclierstaube  derjahrhunderte 
verschüttete  Physiker  konnten  eine  solche  trostlose  Idee 
aushecken." 

In  de  eerste  plaats  zou  men  hier  kunnen  vragen ,  waarom 
of  het  wél  troostvol  zou  moeten  zijn;  en  waarom  niet 
zinneloos?  In  tegenoverstelling  met  den  geest,  is  juist  de 
materie  zonder  inwendigen  zin ,  zonder  doel.  Hij  zou  het- 
zelfde kunnen  zeggen  van  een  zwerm  muggen ,  die  wij 
doelloos  en  zinneloos  in  de  lucht  dooreen  zien  dansen  en 
wirrewarren.  Deze  zou  kunnen  dienen  als  het  zichtbare 
beeld  van  de  kinetische  theorie  der  materie. 

Maar  hoe  dit  zij ,  zoodra  wij  ons  richten  op  de  grond- 
aanname  zelve,  en  wij  deze  niet  als  een  postulaat  willen 
laten  gelden ,  maar  willen  denken  als  een  logisch  en  ge- 
rechtvaardigd resultaat,  treden  allerlei  moeilijkheden  op. 

Bestaan  de  moleculen  in  de  natuur  buiten  ons? 

Door  waarneming  zijn  wij  niet  gerechtvaardigd  in  onze 
atomistische  opvatting.  Trouwens ,  zoo  wij  dat  wél  waren , 
was  de  onderstelling  niet  noodig.  Wij  hebben,  de  alle  aan 
elkaar  gelijke  kleinste  deeltjes  nooit  gezien ,  en  zullen  ze 
nooit  zien.  Uit  de  wrijvings-diffusie-  en  capillariteitsverschijn- 
selen  komt  men  door  berekening  tot  een  getal  van  1  X  10"^ 
tot  3  X  10"^  m.M.  voor  de  doorsnede  van  de  werkingssfeer 
der  moleculen  van  verschillende  stoffen  ^).  De  golflengte 
van  het  violette  licht  is  nu  ongeveer  tweehonderd  maal 
zoo  groot,  en  aangezien  het  slechts  mogelijk  is  deeltjes  te 
onderscheiden  van  een  afmeting,  die  minstens  0,3  maal  de 


1)  o.  E.  Meijer,  Die  kinetische  Theorie  der  Gase,  blz.  322  en  vig. 


72  NATUURPHILOSOPHIE  EN   ATOMISTIEK. 

golflengte  van  het  licht  is,  zullen  wij  deze  kleine  lichaampjes 
nooit  te  zien  krijgen. 

Overigens  merkt  b.  v.  E.  v.  Hartmann  op,  dat  het  zeer 
goed  mogelijk  is ,  dat  het  juist  het  wezen  der  kleinste  deel- 
tjes is ,  onwaarneembaar  te  zijn  ^). 

Wij  nemen  allerlei  sommatieverschijnselen  waar,  maar 
deze  duiden  niet  rechtstreeks  op  het  bestaan  van  een  on- 
eindig groot,  maar  bepaald,  en  steeds  gelijk  blijvend  aan- 
tal van  gelijke  lichamen.  Dit  is  nl.  de  onderstelling,  die 
de  gastheorie  met  het  oog  op  wiskundige  uitwerking  móet 
doen.  Ter  vereenvoudiging  onderstelt  zij  bovendien,  dat 
deze  lichamen  volkomen  veerkrachtige  bollen  zijn.  Maar  de 
waarneming  leert ,  dat  er  in  in  de  natuur  geen  absoluut 
veerkrachtige  lichamen  voorkomen,  deze  zijn  slechts 
denkbaar. 

De  korpuskeltheorie  heeft  zeer  veel  onbevredigends, 
omdat  zij  ten  slotte  in  hare  grondaannamen  in  kleine  af- 
metingen vragen  onopgelost  laat,  die  wij  in  groote  zoeken 
te  verklaren.  Stallo  ^)'  heeft  gezegd :  „A  phenomenon  is  not 
explained  by  being  dwarfed.  A  fact  is  not  transformed  into 
a  theory  by  being  looked  at  through  an  inverted  telescope." 

Zullen  de  grondaannamen  verklaard  worden,  dan  krijgt 
men  aan  het  molecuul  dezelfde  problemen  als  aan  een 
stuk  waargenomen  materie.  De  theorie  wil  verklaren ,  hoe 
de  verschijnselen  ontstaan  door  onderlinge  beweging  en 
verhouding  en  invloed  van  kleinste  deeltjes  en  bij  het  mo- 
lecuul kan  men  alles  van  voren  aan  beginnen.  Hoe  zullen 
de  krachten  aangrijpen  in  het  molecuul?  Zullen  ze  aangrijpen 
in  afzonderlijk  gescheiden  kleinere  deeltjes  van  het  molecuul , 
gelijkmatig  verdeeld?  Dan  blijft  voortdurend  dezelfde  vraag 


1)  E.  V.  Hartmann,  D.  W.  d.  M.  Ph.  biz.  180. 

2)  Stallo.  Concepts  of  Modern  Physics,  blz.  i 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK.  73 

bestaan,  zoolang  deze  afzonderlijke  deeltjes  nog  van  een 
bepaalde  afmeting  zijn,  en  is  men  zoover  dat  de  krachten 
in  afmetingslooze  punten  aangrijpen ,  dan  houden  deze  op , 
de  ruimte  van  het  molecuul  werkelijk  te  vullen. 

Het  atoom  als  een  ondeelbaar  continuüm  te  beschouwen , 
een  werkelijk  atoom  van  een  bepaalde  grootte,  heeft  de 
physica  zelve  reeds  lang  opgegeven.  Electriciteitsverschijn- 
selen ,  b.v.  de  geleiding  van  geïoniseerde  gassen ,  en  licht 
verschijnselen,  bijv.  de  dispersie,  hebben  het  noodzakelijk 
gemaakt,  deze  kleine  atomen  in  meerdere  kleinere  gedeeld 
te  denken,  ionen  en  electronen,  en  het  atoom  is  een  systeem 
geworden,  een  soort  planetenstelsel  van  kleinere  bewege- 
lijkheden. 

O.  E.  Meijer  ^)  zegt  aan  het  eind  van  zijn  boek  „Die  ki- 
netische Theorie  der  Gase":  „Nu  wij  weten  dat  de  atomen 
niet  oneindig  klein  zijn,  maar  meetbaarmet  eindige  massa's, 
wordt  de  eigenschap  der  ondeelbaarheid  nog  onbegrijpelijker. 
Men  kan  zich  nauwelijks  voorstellen ,  dat  zóó  groote  (!) 
lichamen,  die  maar  1000  maal  kleiner  zijn,  dan  de  kleinste 
microscopisch  zichtbare  deeltjes,  werkelijk  ondeelbare 
elementair-atomen  zouden  zijn." 

Zijn  deze  systemen ,  zooals  ik  ze  zooeven  noemde ,  nu 
de  eeuwige  en  onveranderlijke  eenheden ,  waarvan  de  waar- 
neembare verschijnselen  een  reusachtige  som  is?  De  natuur- 
kunde zelve  geeft  noch  door  waarnemingen ,  noch  theoretisch , 
een  bevredigend  antwoord.  De  natuurphilosophie  is  er,  om 
deze  grondbeginselen  stelselmatig  na  te  gaan. 

Herschel  heeft  de  atomen  vergeleken  met  „manufactured 
article."  „Waaraan  hij  toen  het  meest  gedacht  heeft,  weet 
ik  niet,"   zegt  Maxwell,^),   „aan   goedkoopte,   aan  de  ge- 


1)  o.  E.  Meijer.  Die  l<inetische  Theorie  der  Gase,  blz.  349 

2)  Maxwell.  Atom.  Encycl.  Britt.  III  blz.  49 


74  NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

ringste  moeite  om  te  maken,  of  aan  deugdelijkheid  ten- 
gevolge van  quantitatieve  nauwkeurigheid,  maar  in  ieder 
geval  daaraan,  dat  een  massa  van  zulke  dingen  niet  eeu- 
wig en  op  zich  zelf  bestaande  kan  zijn." 

De  elementen,  waarin  de  geest  de  natuur  analyseert 
bestaan  niet  in  de  natuur  op  zichzelve  en  afzonderlijk, 
maar  zijn  eenvoudig  begrippen ,  katagorieën ,  die  op  de 
natuur  van  toepassing  zijn,  die  voor  de  natuur  gelden.  Het 
is  daaruit  te  verklaren ,  dat  door  sommige  physici  een  toe- 
vlucht gezocht  is  hierin,  de  elementen  zuiver  wiskundig, 
d.  i.  quantitatief  logisch  op  te  vatten. 

Boscovich  is  in  zijn  „Theoria  philosophiae  naturalis"  het 
eerste  tot  deze  uiterste  consequentie  overgegaan,  en  heeft 
de  atomen  als  afmetingslooze  punten  beschouwd,  als  wer- 
kelijke ondeelbaarheden.  Deze  punten  zouden  elkaar  op 
grooteren  afstand  aantrekken ,  op  kleineren  afstand  afstooten , 
en  de  afstooting  wordt  in  de  onmiddelijke  nabijheid  onein- 
dig groot.  ^)  Overigens  zijn  nog  meerdere  combinaties  van 
aantrekking  en  afstooting  noodig,  om  bijv.  verschillende 
moleculaire  werkingen  te  verklaren.  Hoe  is  het  echter  mogelijk, 
dat  de  ruimte  door  deze  afmetingslooze  punten  werkelijk 
gevuld  wordt?  Boscovich  zegt,  dat  de  ondoordringbaarheid 
der  materie  slechts  een  gevolg  is  van  de  afstootende  krachten 
en  de  materie  volstrekt  niet  a  priori  uitgebreidheid  behoeft 
te  bezitten. 

In  den  jongeren  tijd  nog  is  het  dynamische  standpunt 
door  Eduard  von  Hartmann  verdedigd.  Massa  en  traagheid 
wil  hij  verklaard  zien  als  „ein  begriffliches  korrelat  der 
Kraftausserung  in  der  Einheit  von  Wirkung  und  Gegen- 
wirkung"  ^).   Hij  vindt  geen  „rechtsgrond  en  geen  interesse 


1)  Boscovich.  Theoria  philosophiae  Naturalis  biz.  17,  aangehaald  uit  Fechner: 
Die  atomenlehre,  blz.  239  en  vlg. 

2)  E.  V.  Hartmann,  Weltanschauung  der  modernen  Physik,  blz.  162. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN  ATOMISTIEK.  75 

aan  de  existeerende  stof  zelve  meer."  En  of  er,  behalve  de 
kracht,  nog  stof  is,  kan  hem  niets  aangaan,  aangezien 
alleen  de  werkzaamheid  der  krachten  hem  belang  inboezemt. 
Als  houdbare  aanname  der  natuurverschijnselen,  wil  hij 
aannemen  een  systeem  van  atomistische  centraal-krachten, 
een  dynamisme. 

In  de  eerste  plaats  dient  er  op  gewezen,  dat  hij  alle 
natuur-  en  materieele  verschijnselen  dus  terug  voert  tot 
zuiver  tijdelijke  en  ruimtelijke  betrekkingen,  welke  ver- 
schijnselen zich  echter  zelve  juist  van  den  zuiveren  tijd , 
en  van  zuivere  wiskundige  en  geometrische  betrekkingen 
onderscheiden  door  een  realiteit,  een  tastbaarheid  en  een 
waarneembaarheid.  De  ruimtelijke  en  tijdelijke  verhoudingen 
zijn  abstracties  uit  de  natuurverschijnselen,  en  op  deze  van 
toepassing. 

Het  natuurverschijnsel  zelve  is  echter  meer. 

Bovendien  is  de  kracht  een  fictie ,  die  in  tweeden  aanleg 
uit  de  bewegingsverschijnselen  der  materie  gevormd  wordt, 
en  niet  eens  noodzakelijk  is,  zoodat  het  zeer  ongeschikt  is, 
deze  als  uitgangspunt  te  nemen. 

Juist  de  dynamische  opvatting  heeft  iets  metaphysisch , 
wat  den  physicus  zal  afschrikken ,  en  zij  heeft  het  nadeel , 
de  kracht  te  hypostaseeren,  zonder  ze  als  noodwendig  uit 
het  materiebegrip  zelf  voort  te  laten  komen. 

Overigens  is  een  wereld  van  werkzaamheid ,  „Thatigkeit", 
zonder  meer,  een  wereld,  die  zich  niet  uiten  en  vertoonen 
kan,  aangezien  werkzaamheid  zich  pas  vertoont  als  zij  een 
werken  is  op  iets  lijdelijks.  Het  passieve  mag  ons  in  zekere 
omstandigheden  minder  belang  inboezemen,  het  is  nood- 
zakelijk als  een  zijde  van  de  werkelijkheid ,  die  de  eenheid 
is  van  bedrijvigheid  en  lijdelijkheid. 

De   natuurkunde  gaat,   in  gevallen  als  de  atoomtheorie, 


76  NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

uit  van  een  onbewezen  onderstelling  (hypothese),  die  bij 
logische  uitwerking  tot  gevolgtrekkingen  leidt,  die  met  de 
waargenomen  feiten  in  overeenstemming  zijn.  „Wir  haben 
ja  auch  bisher  in  Bewusztsein  unserer  Unbekanntschaft  mit 
der  wahren  Beschaffenheit  der  Moleküle  niemals  pratendirt, 
dasz  unsere  Annahmen  in  der  Natur  genau  realisirt  seien. 
Dagegen  haben  wir  bisher  das  gröszte  Gewicht  darauf  ge- 
legt,  dasz  die  daran  geknüpften  Rechnungen  exact  richtig, 
d.  h.  logisch  nothwendige  Consequenzen  der  Annahmen 
seien"  ^).  Deze  onderstelling  heeft  het  nut,  dat  zij  allerlei 
feiten  kan  voorspellen,  terwijl  zij  bovendien  de  bevrediging 
geeft,  dat  de  onmiddellijk  waargenomen  verschijnselen  be- 
grepen worden  als  een  ontwikkeld  gedachtenresultaat. 

Zoolang  deze  onderstelling  zelve  echter  willekeurig  aan- 
genomen wordt,  en  „opgegeven  zal  worden,  zoodra  een 
andere  aanname  beter  past",  zooals  Boltzmann  het  uitdrukt  '^) , 
zal  zij  naar  twee  zijden  onhoudbaar  blijken  en  onbevredigd 
laten. 

Aangezien  men  bij  een  willekeurige  grondaanname  nooit 
recht  weet,  wat  men  er  aan  heeft,  zal  er  een  neiging  zijn 
haar  te  laten  gelden  voor  zulke  verschijnselen,  voor  welke 
zij  ontoereikend  is.  Als  voorbeeld  noemde  ik  reeds  electrische 
en  optische  verschijnselen.  Du  Bois-Reymond '')  zegt:„Zwar 
ergiebt  sich,  dasz  die  atomistische  Vorstellung  für  den 
Zweck  unserer  physikalisch-mathematischen  Uberlegungen 
brauchbar,  ja  mitunter  unentbehrlich  ist,  dasz  sie  aber, 
wenn  die  Grenzen  der  an  sie  zu  stellenden  Forderungen 
überschritten  werden ,  als  Korpuskularphilosophie  in  unlös- 
lichen  Widersprüche  führt". 

Ten   tweede   zal    geen   onderzoeker   zich   bij  deze  wille- 


1)  Boltzmann,  Vorlesungen  über  Gastheorie  II,  blz.  3  en  4. 

2)  Boltzmann,  Ann.  der  Physik  und  Chemie.  N.F.  60,  blz.  240. 

3)  Du  Bois-Reymond.  „Die  Grenzen  des  Naturerkennens"  Reden  I,  blz.  111. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK.  77 

keurig    aangenomen    gegevens    recht   bevredigd  gevoelen, 
altijd  weer  richt  zich  de  geest  op  dit  onzekere  begin. 

In  de  atomistische  theorie  vatten  we  de  materie,  den 
grondslag  der  verschijnselen,  op  als  een  veelheid  van  ge- 
lijkwaardige eenheden  ^). 

Deze  opvatting  maakt  het  mogelijk,  de  geheele  getallen- 
leer  en  wiskunde  op  de  materie  en  hare  verschijnselen  toe 
te  passen.  Het  atoom  is  de  materieele  eenheid.  We  kunnen 
vrede  hebben  met  het  atoom ,  als  we  de  eenheid  in  het 
Igemeen  begrijpen  ^). 

De  eenheid  zelve  is  de  bestaande  samenhang  en  het  be- 
staande verband  van  twee  gescheiden  zijden,  van  twee  ge- 
scheiden dingen.  In  de  eenheid  moeten  we  dus  twee  zijden 
tezamen  denken,  de  kant  van  het  gelijk  zijn,  en  de  kant 
van  het  verschillend,  het  gescheiden  zijn,  de  continuïteit 
en  de  discretie.  De  eenheid  op  zichzelve  heeft  echter  geen 
beteekenis,  als  het  niet  de  eenheid  van  een  aantal  is.  Aan 
het  begrip  van  de  eenheid  verbindt  zich  voor  ons  onmid- 
dellijk de  gedachte  van  een  aantal,  een  veelheid  van  een- 
heden. De  eenheid  is  de  eenheid  van  een  aantal.  Dit  is  het 
standpunt  der  atomistiek,  waar  we  de  materie  opvatten  als 
een  veelheid  van  eenheden  in  den  ruimsten  zin. 

Deze  veelheid  van  eenheden  vertoont  nu  weer  onderling 
verband.  Immers,  de  eenheden  vertoonen,  al  zijn  zij  ge- 
scheiden, een  overeenkomst,  een  gelijkheid,  een  continuïteit. 

Hetzelfde  verband  vinden  wij  in  de  natuur  als  aantrekkend 
en  afstootend  verband  terug  ^).  Het  ligt  in  het  wezen  der 
discrete    eenheden,   continuïteit  te  vertoonen;  zoo  ligt  het 


1)  Hegel,  Encyclopaedie  der  philosophischen  Wissenschaften.  §  8,  biz.  132. 
ed.  Bolland. 

2)  Bolland.  Collegium  Logicuin  bIz.  302  en  volg. 

3)  Vgi.  Hegel.  Ene.  §  98  biz.  132.  ed.  Eolland. 


78  NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

in  het  wezen   der  afzonderlijke,   op  zichzelf  staande,  voor 
elkaar  ondoordringbare   atomen  verband]! te  houden,  elkaar 
aan  te  trekken. 
Kant    heeft    in   zijn    „Metaphysische   Anfangsgründe    der 

Naturwissenschaft"  gezegd  ^) ,  dat  de  materie  eenheid  is 
van  repulsie  en  attractie,  en  wel  de  gedachte  eenheid. 
Aantrekking  alleen  zou  de  materie  op  één  punt  doen  samen- 
schrompelen  ,  afstooting  alleen  zou  ze  geheel  uit  elkaar  doen 
vliegen.  De  materie  wordt  ons  kenbaar  als  eenheid  van 
tegendeelen,  van  afstooting  en  aantrekking. 

In  de  kinetische  theorie  hebben  we  een  stadium  in  de 
ontwikkeling  van  het  materiebegrip.  De  materie,  de  grond- 
slag der  verschijnselen ,  is  daarin  een  eenheid  van  cloode 
onveranderlijkheid  en  rustelooze  beweging.  De  beweging, 
die  een  betrekking  is  tusschen  tijdelijke  en  ruimtelijke  be- 
paling, heeft  aanzijn,  tastbaarheid,  aan  „das  dauernde 
Etwas"  ^).  „Die  Materie  ist  das  Reale  an  Raum  und  Zeit"  ^). 

Zooals  alle  begrippen  is  dat  der  materie  een  zich  ont- 
wikkelend begrip.  Hoe  meer  oog  en  oor  de  menigte  der 
natuurverschijnselen  waarnemen,  en  de  geest  in  alle  stilte 
met  zijn  logische  grondbegrippen  deze  waarnemingen  be- 
geleidt, des  te  omvattender  en  ontwikkelder  wordt  het 
materiebegrip.  Er  komt  kleur  'en  toon ,  er  [komt  polarisatie 
tot  magnetisme  en  electriciteit,  er  komt  chemische  voor- 
liefde en  afkeer  voor  den  dag.  Het  wordt  een  geheel,  dat 
wij  niet  meer  met  de  eenvoudige  begin-aannamen  kunnen 
omvatten,  en  het  praedikaat  materieel  is  niet  meer  van  toepas- 
sing op  al  deze  verschijnselen.  We  behoeven  niet  te  klagen 
„Matter   is   explained   away"  *),  alsof  het  materiebegrip  als 


1)  Kant.  Werke  VIII,  blz.  480,. 496  ed.  Hartenstein. 

2)  Hegel,  Encyclopaedie  §  26,  Zusatz  blz.  330  ed.  Bolland. 

3)  Hegel,  Encyclopaedie  §  26,  Zusatz  blz.  330  ed.  Bolland. 

4)  DU  moet  een  uitlating  zijn  van  Balfour. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ^TOMISTIEK.  79 

een    leegheid   zou    worden    weggeworpen,    en    de    materie 
worden   verklaard   niet  te  bestaan,  maar  het  materiebegrip 
is  ontwikl^eid ,  vervuld  maar  ontoereikend ,  het  is  betrekke-' 
lijk  in  zijn  geldigheid. 

Wat  dit  laatste  betreft  moeten  we  nog  bedenken,  dat  de 
materie  niet  naast  en  behalve  zijn  verschijnselen  en  eigen- 
schappen bestaat,  maar  dat  het  de  naam  is  voor  de  wezen- 
lijke eenheid  der  verschijnende  eigenschappen  ^). 

In  den  nieuweren  tijd  heeft  de  atomistiek  de  ondeelbaar- 
heid der  atomen  opgegeven,  en  heeft  zich  daardoor  nader 
gebracht  aan  de  zinnelijke  voorstelling.  Door  zich  aan  de 
zinnelijke  voorstelling  te  houden,  heeft  men  zich  meer  en 
meer  verbeeld,  dat  de  atomen  een  zekere  grootte  hadden 
en  realiteit  bezaten ,  d.  w.  z. ,  bestonden  geheel  onafhankelijk 
van  den  menschelijken  geest.  Dit  is  echter  een  dwaling,  die 
men  zich  bewust  v/ordt,  zoodra  men  tot  bespiegeling  komt. 

Boltzmann  vertelt,  verwonderd  te  zijn  geweest,  toen  hij 
van  Mach  hoorde,  dat  deze  niet  aan  een  afzonderlijk  be- 
staan der  atomen  geloofde.  Meerdere  physici  in  den  tegen- 
woordigen  tijd  zijn  aan  het  bestaan  der  atomen  gaan 
twijfelen,  en  zij  zijn  zoover  gegaan,  alle  atomistische 
theorieën  te  laten  varen.  Zij  zijn  hierin  te  ver  gegaan.  Wel 
mag  de  atomistiek  geen  geloof  zijn,  of  een  natuurweten- 
schappelijk dogma,  en  ook  is  zij  geen  feit,  of  een  natuur- 
verschijnsel op  zich  zelve;  maar  zij  behoeft  zich  evenmin 
te  laten  aanleunen,  een  willekeurige  onderstelling  te  zijn, 
die  zonder  nadeel  op  zij  gezet  kan  worden. 

Atomistische  theorieën  zijn  van  kracht  en  van  nut  als  een 
geval  van  toepassing  van  de  algemeene  begrippen ,  de  logica , 
op  het  natuurlijk  waarneembare. 

De   atomistische   theorieën   zullen   en   kunnen   niet  meer 


1)  Vergl.  Bolland  Collegium  Logicum,  blz.  538. 


80  NATUURPHJLOSOPHIE    EN   ATOMISTIEK. 

uit  de  wetenschap  verdwijnen.  Maar  \k  moet  er  nog  eens 
op  wijzen,  dat  liet  atoom  op  ziciizelf  ais  een  ding  op  zich 
zelf,  voor  ons  geen  zin  en  geen  waarde  zou  hebben,  als 
een  ding  dat  niet  tot  ons  in  betrekking  zou  staan ,  en  dus 
niet  waargenomen  en  niet  gedacht  zou  kunnen  worden.  . 

In  de  natuur  op  zichzelf  bestaan  geen  atomen.  Op  zich 
zelve  is  de  natuur  een  chaos,  een  wildernis.  Begrenzing, 
beperking,  bepaaldheid  heeft  de  natuur  voor  zich  zelve 
niet,  alle  verschijnselen  komen  tegelijk  voor,  en  loopen 
door  elkaar.  Aan  zich  zelve  overgelaten ,  verwildert  de  natuur 
altijd  en  gaat  in  ongeordendheid  over  ^).  Zij  vertoont  geen 
eigenschappen  en  verschijnselen  afzonderlijk.  Zij  heeft  in 
het  algemeen  geen  zuivere  stoffen  en  zuivere  vormen,  de 
verschillende  stoffen  doordringen  elkaar,  en  zij  laat  geen 
ledige  ruimte.  Voor  zich  zelve  heeft  zij  geen  geheelen  en 
geen  deelen,  zij  kent  geen  maten  en  heeft  geen  absoluut 
doel.  Allerlei  doeleinden  doorkruisen  elkaar,  en  zij  schaadt 
en  vernietigt  zich  zelve.  Zij  is  de  ware  Proteus^),  die  zich 
in  alle  vormen  en  gestalten  vertoont.  Zij  is  op  zich  zelve 
raadselachtig,  geheimzinnig,  zij  is  van  zichzelve  vervreemd. 

De  noodzakelijkheid,  die  in  het  chaotische  natuurproces 
werkt,  blijft  in  haar  verborgen  en  werkt  verborgen.  Het 
noodzakelijke  is  haar  wezen,  dat  echter  niet  openbaar  wordt. 
De  mensch  echter,  die  geestelijk  het  bewuste  noodzakelijke, 
het  bewuste  wezen,  het  bewuste  redelijke  is,  staat  natuur- 
lijkerwijze door  zinnelijke  ondervinding  met  haar  in  ver- 
band ,  en  is  in  staat  de  verborgen  noodzakelijkheid  te 
ontdekken.  Hij  experimenteert,  dat  is,  zondert  de  natuur- 
verschijnselen en  eigenschappen  af,  dwingt  de  natuur  voor 
zijne   gemakken   te  dienen ,  en  keert  haar  tegen  zich  zelve. 


1)  Boltzmann,  Vorlesungen  über  Gastheorie  I,  blz.  21  en  22. 

2)  Hegel,  Encyclopaedie  §  246,  Zusatz  blz.  297  ed.  Bolland. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK.  81 

In  de  experimenten  leeren  wij  de  natuur  kennen ,.  zooals 
zij  voor  zich  zelve  niet  is ,  maar  zooals  wij  haar  dwingen 
zich  te  vertoonen.  Zuivere  stoffen,  b.v.  fluoor,  of  b.v.  zui- 
vere polarisatieverschijnselen  zijn  een  triumf  der  wetenschap, 
iets  dat  met  moeite  aan  de  natuur  ontworsteld  wordt,  maar 
dat  zij  uit  zich  zelve  niet  vertoont  en  dat  zij  zoo  snel 
mogelijk  tracht  te  vernietigen. 

Een  enkele  wetenschap,  die  de  natuur  moet  nemen,  zoo- 
als zij  op  zich  zelve  is,  de  meteorologie,  heeft  om  die 
reden  weinig  resultaten. 

De  natuurwetten,  die  in  de  wetenschap  gelden,  drukken 
het  veralgemeende,  d.  i.  gedachte,  noodzakelijke  verband 
tusschen  de  verschijnselen  uit,  zooals  dit  uit  experimenten, 
d.  w.  z.  uit  afzonderlijke,  door  ons  zelf  in  zekere  richting 
toegelaten  verschijnselen,  blijkt. 

De  natuur  zelve  is  in  een  immer  ingewikkeld,  onbeperkt 
onregelmatig  proces;  geen  proces  van  een  veelheid  van  allen 
gelijke  en  precies  bepaalde  moleculen  of  atomen.  Ook  de 
kleinste  deeltjes  zelve  zijn  in  proces ,  d.  w.  z.  ,•  bestaan  niet 
eeuwigdurend  in  gelijke  betrekkingen.  Zij  associeeren  en 
dissocieeren ,  zij  ontstaan ,  ontwikkelen  en  vergaan. 

De  natuur  kan  echter  in  gedachte,  ten  behoeve  der  be- 
grijpelijkheid, in  atomen  verdeeld  worden. 

Voor  het  atoom  geldt  hetzelfde,  wat  voor  krachten  en 
voor  andere  elementen  geldt:  het  zijn  scheppingen  van  den 
geest,  werkelijke  ordeningen  in  het  chaotische  natuurver- 
loop; het  zijn  verbandhoudende  abstracties. 

De  wetenschap  analyseert  het  concrete ,  veeleenige  natuur- 
proces in  zijn  abstracties  en  synthetiseert  deze  weder,  maakt 
deze  weder  tot  een  geheel,  en  spreekt  dit  uit  in  de  natuurwetten. 

De  natuur  is  voor  ons  een  probleem ,  waar  wij  van  geeste- 
lijke zijde  genomen,  buiten  staan.  Er  moet  dus  de  nadruk 
op    gelegd   worden,    dat  we   in  de  eerste  plaats  de  natuur 

6 


82  NATUURPHILOSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

moeten  waarnemen.  Maar  bij  de  waarneming  alleen  kunnen 
we  het  niet  laten.  Er  moet  bij  het  waarnemen  gedacht,  en 
over  het  waargenomene  gedacht  worden.  Schopenhauer 
heeft  gezegd  ^) :  „Die  Aufgabe  ist  nicht  sowohl ,  zu  sehen , 
was  noch  Keiner  gesehen  hat,  als  bei  Dem,  was  Jeder 
sieht,  zu  denken,  was  noch  Keiner  gedacht  hat".  Zelfs  het 
verzamelen  van  ervaringen,  in  het  oneindige  steeds  voort 
zonder  meer,  zou  niet  tot  een  bevredigende  kennis  der 
natuur  leiden.  Ik  behoef  niet  te  zeggen,  dat  een  bloote 
natuurbeschrijving  zoowel  voorspellende  kracht,  d.  w.  z.  elk 
practisch  nut,  als  elke  bevrediging  mist. 

Een  bevredigende  kennis  kondigt  zich  pas  aan,  als  er 
niet  meer  behoeft  waargenomen  te  worden,  als  de  geest 
niet  meer  buiten  zichzelf  wordt  gedreven. 

De  natuurwetenschap  zelve  gaat  in  hare  beschouwingen 
en  theoretische  onderzoekingen  steeds  boven  de  ervaring 
uit.  Er  moet  dus  aan  de  waarnemingen  iets  worden  toege- 
voegd, in  hare  willekeurige  opeenvolging  orde  gebracht. 
Zij  moeten  tot  een  beteekenis  worden  gebracht,  dus  als 
teekenen  van  iets  anders  worden  opgevat. 

Er  moet  een  noodzakelijkheid  van  oorzaak  en  gevolg 
door  den  geest  in  worden  gevonden ,  welke  noodzakelijk- 
heid nooit  zinnelijk  waargenomen  is  en  kan  worden. 

Eerst  een  denkende  beschouwing  der  natuur,  eeneenheid 
zoekende,  ordenende  werkzaamheid,  kan  ons  een  bevredi- 
gende kennis  der  natuur  verschaffen.  Wij  passen  subjec- 
tieve werkzaamheid  en  bepaaldheid  toe  op  de  objectieve 
wereld  der  verschijnselen.  Een  subjectieve  werkzaamheid 
echter  in  den  zin  van  willekeurige,  persoonlijke  doelbe- 
ooging  of  fantasie  is  nog  geen  wetenschappelijke  werk- 
zaamheid.   Eerst   als    deze    subjectieve   werkzaamheid    van 


1)  Schopenhauer,  Werke  V,  blz.  122  ed.  Reclam. 


NATUURPHILOSOPHIE   EN  ATOMISTIEK.  83 

algemeenen  aard,  objectief,  dus  logisch  is,  is  zij  weten- 
schappelijk. En  wanneer  dan  de  geest  ten  slotte  eigene  be- 
paaldheid in  de  natuur  terugvindt,  is  een  begrijpende  kennis 
der  natuur  tot  stand  gekomen.  Het  denken  is  in  het  object 
van  het  denken,  tot  zich  zelve  teruggekeerd.  Voor  dit  doel 
bereikt  is,  mag  en  kan,  of  liever  wil  geen  natuuronder- 
zoeker rusten. 

De  natuurwetenschap  neemt  eenvoudig  hare  elementaire 
begrippen  aan  en  werkt  alleen  het  verband  mathematisch 
uit.  Zij  wil  zooveel  mogelijk,  bewust  of  onbewust,  de 
geesteswerkzaamheid  van  den  onderzoeker  op  den  achter- 
grond schuiven,  de  natuur  voor  zich  zelve  laten  gelden. 
Dit  is  haar  roem,  maar  tegelijk  haar  gebrek. 

„Wir  dürfen  nicht  vergessen,  dasz  wir  die  Grenzen  der 
exacten  Wissenschaften  schon  überschritten  haben.  Der 
Appell  an  die  Natur  fehlt,  und  Meinung  steht  derMeinung, 
Ansicht  der  Ansicht  gegeniiber"  zegt  Hertz  ^). 

De  natuurphilosophie,  die  zal  moeten  en  gaarne  willen 
erkennen,  dat  zij  op  de  natuurwetenschap  moet  steunen, 
geeft  de  noodzakelijke  aanvulling  op  de  natuurwetenschap, 
omdat  zij  de  laatste  van  dwaze  en  willekeurige  onderstel- 
lingen kan  afhouden,  omdat  zij  in  staat  stelt,  de  grond- 
begrippen te  doorzien,  en  hunne  draagwijdte  te  schatten, 
en  omdat  zij  de  bevrediging  geeft,  die  de  natuurwetenschap 
zelve  ontbreekt. 

Waar  de  natuurwetenschap  de  subjectieve  geesteswerk- 
zaamheid zelve  geheel  op  den  achtergrond  schuift,  en  meestal 
van  voor  haar  willekeurige  onderstellingen  en  grondbegrippen 
uitgaat,  is  het  de  natuurphilosophie,  die  het  noodzakelijke 
en  logische  verband  tusschen  deze,  en  de  redenen,  waarom 
bepaalde  beschouwingswijzen  (b.v.  de  atomistische)  gelden, 

1)  Hertz,  Gesammelte  Werke  I,  blz.  365. 


84  NATUURPHILQSOPHIE   EN   ATOMISTIEK. 

wil  nagaan,  en  wil  weten,  waarom  de  natuurwetten  in  de 
rede  liggen,  en  hoe  ze  in  de  rede  liggen. 

Hegel  heeft  gezegd  ^) :  „Es  wird  eine  Zeit  kommen ,  wo 
man  für  diese  Wissenschaft  nach  dem  Vernunftbegriffe  ver- 
langen wird".  De  wetten  van  het  denken  moeten  worden 
in  acht  genomen.  Dit  kan  onbewust  gebeuren,  maar  ieder 
zal  toegeven,  dat  dat  niet  wetenschappelijk  is,  en  dat  het 
een  zuiverder  en  meer  bevredigend  standpunt  is,  de  ob- 
jectieve wereld  met  eigen  subjectieve  werkzaamheid  in  over- 
eenstemming te  weten. 

Professor  Lorentz  hoorde  ik  meermalen  op  zijne  colleges 
zeggen:  „Wij  kunnen  kiezen  tusschen  een  meer  levendige, 
maar  niet  zuivere  voorstelling  en  een  meer  zuivere  abstracte 
en  moeilijker  gedachtengang". 

De  physische  theorieën  zullen  altijd  tusschen  deze  twee 
polen  blijven  zweven. 

Aan  de  eene  zijde  moeten  we  onze  voorstellingen  en 
beelden  voortdurend  verfrisschen  en  zuiveren  door  waar- 
neming en  experimenten,  maar  aan  de  andere  zijde  even 
noodwendig  het  logisch  denken  scherpen  en  verfijnen. 

„In  der  gereiften  Erkenntnis  ist  die  logische  Reinheit  in 
erster  Linie  zu  berüchsichtigen",  zegt  Hertz  ^). 

In  verband  met  het  eerste  zijn  wij  in  staat  onze  weten- 
schap ten  nutte  te  maken  aan  de  gemakken  des  levens, 
door  het  laatste  krijgen  wij  wetenschappelijke  zekerheid  en 
bevrediging. 


1)  Hegel,  Encyclopaedie,  §  270  Zusatz,  blz.  366  ed.  Bolland. 

2)  Hertz,  Werke  III  blz.  11. 

Leiden,  Jan.  '07. 


HET  PRIMITIEVE  LEVENSPROCES.^) 


xal    TÓv    xósfiov    ëfA^tffV^ov    xal    óaifióvcov    TiX'^qri. 
(Diog.  Laert.  127.) 

Kal    yuQ  oï  Md-ot  elalv  ê'fitpvxot,  (Hippol.  de 
Haer.  V.  7.) 

Van  alle  verschijnselen  die  wij  in  de  gelegenheid  zijn  in 
de  natuur  waar  te  nemen,  blijven  zonder  eenigen  twijfel 
diegene,  die  de  natuur  in  hare  kwaliteit  als  „levende" 
praesteert  de  wonderlijkste  en  belangwekkendste. 

Het  is  alsof  de  natuur  die  leeft ,  in  al  haar  wezen  van  de 
niet  levende  natuur  afwijkt,  alsof  de  wetten  van  de  onge- 
georganiseerde  natuur  in  het  rijk  van  het  leven  alle  geldig- 
heid verloren  hadden ,  alsof  in  dit  rijk  alle  natuurlijke 
machten  voor  bovennatuurlijke  normen  plaats  hebben  moeten 
maken,  of  wij  met  andere  woorden  in  de  levende  natuur 
een  geheel  andere  natuur  hadden  te  denken ,  dan  die  wij  in 
de  niet-levende  natuur  leeren  kennen. 

Het  groote  verschil  moet  wel  den  meest  primitief  den- 
kenden mensch  frappeeren  en  de  bewuste  verdeeling  van 
de  natuur  in  een  levend  en  niet-levend  gedeelte  zal  daarom 
zonder  twijfel  reeds  een  daad  zijn  van  den  meest  verwijder- 
den oorsprong  onzer  cultuur. 


1)  Voordracht  gehouden  op  den  17den  Januari  1907  voor  de  Afdeeling 
'sGravenhage  van  de  „Nederlandsche  Maatschappij  tot  bevordering  der  Ge- 
neeskunst." 


86  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Die  daad  ligt  ook  bij  ons  nog  steeds  in  de  rede.  Ook  wij 
nemen  nog  het  Leven  als  het  kriterium  voor  een  natuur- 
verdeeling  aan  en  onderscheiden  zeer  scherp  eene  organische 
en  eene  anorganische  Natuur. 

Een  onderscheiding  zonder  meer  kan  de  rede  echter  niet 
bevredigen. 

„Natura  non  facit  saltus"  is  de  uitdrukking  van  het  be- 
wustzijn dat  de  grensen  die  de  Natuur  tusschen  hare  mani- 
festatiewijzen  stelt,  voor  den  onderzoeker  eer  een  verband, 
dan  eene  scheiding  bewerkstelligen. 

Hoe  hangt  het  levende  met  het  levenlooze  samen? 

Hoe  komt  in  het  levenlooze  de  levensvonk?  Op  welke 
wijze  is  het  georganiseerde  met  het  ongeorganiseerde  tot 
het  natuurgeheel  verbonden? 

Sedert  de  mensch  waarlijk  denkt  zal  hij  zich  nauwelijks 
een  intressanter  probleem  gesteld  hebben  en  het  is  ook 
niet  onaannemelijk,  dat  de  oorsprong  van  dit  probleem  zich 
verliest  in  de  allerprimitiefste  stadiën  van  het  menschelijk 
bewustzijn. 

.De  oudste  documenten  van  het  menshclijk  geestesleven 
geven  blijk  van  deels  zeer  verwarde  en  deels  uiterst  naïve 
voorstellingen  omtrent  het  leven ,  als  wij  tenminste  moeten 
oordeelen  naar  het  schriftelijke  nalatenschap  onzer  verre 
Kultuur-voorouders. 

Wij  zullen  ze  maar  niet  eens  bij  wijze  van  curiositeit 
aanhalen,  laat  staan  er  alteveel  achter  zoeken  of  er  met 
alle  geweld  veel  diepzinnigs  in  leggen. 

Als  piëteit  met  overdreven  veel  toegevendheid  moet  ge- 
paard gaan ,  wordt  deze  een  deugd  die  overal  elders ,  behalve 
in  de  nuchtere  wetenschap  thuishoort. 

In  de  wetenschap  betoonen  wij  slechts  piëteit  voor  geestes- 
produkten  die  voor  ons  nog  in  onverwelkte  frischheid  gelden. 

Van  dergelijke  geestesprodukten  levert  pas  het  helleensche 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  87 

denken  voorbeelden  op.  Is  men  in  de  gelegenheid  geweest 
na  te  gaan  wat  al  schoons  en  vernuftigs  in  de  helleensche 
brein  tot  rijpheid  is  gekomen  omtrent  het  levensproces  in 
de  Natuur  dan  kan  men  niet  nalaten  zijn  verbazing  te  uiten 
over  het  nooit  volprezen  genie  van  den  schoonsten  tijd  die 
de  menschheid  ooit  had  beleefd. 

Hoewel  de  opmerkingen  van  Aris.toteles  helaas  slechts 
fragmentarisch  zijn  overgeleverd,  vormen  zij  niettemin  een 
grootsche  ruïne  die  nog  zeer  bruikbare  bouwstenen  voor 
onze  natuursystemen  vermag  op  te  leveren. 

Waarom  er  voor  een  natuurwetenschap  naar  onze  moderne 
begrippen  in  de  helleensche  denkwereld  niet  de  geschikte 
bodem  is  geweest,  hoe  de  zoo  ten  onrechte  gesmade 
middeleeuwen  een  noodzakelijk  overgangsmoment  voor  de 
menschelijke  geest  hebben  moeten  uitmaken  opdat  ons  denken 
tegenover  de  werkelijkheid  ons  modern  standpunt  heeft 
kunnen  innemen,  is  een  vraag,  die  op  het  moment  ons  te 
ver  van   ons  eigenlijk  onderwerp  zoude  afbrengen. 

Een  feit  is,  dat  slechts  een  tijdvak  als  de  Renaissance 
aan  onze  moderne  onderzoekingsmethoden  het  uitgangspunt 
heeft  kunnen  vormen  en  in  deze  periode  hebben  wij  ook 
te  zoeken  het  ontstaan  der  wetenschappelijke  biologie. 

Diegene  nu,  die  het  eerst  scherp  zijn  meening  over  den 
samenhang  van  het  levende  en  bet  levenlooze  in  de  natuur 
had  verkondigd  is  geweest  de  vader  van  de  nieuwere  wijs- 
begeerte: Descartes. 

Willen  wij  zijn  opvatting  omtrent  dien  samenhang  in  een 
woord  formuleeren  dan  past  hiertoe  de  term  „mechanistisch" 
het  allerbest. 

Descartes  en  zijn  school  heeft  omtrent  het  verband  van 
het  georganiseerde  en  ongeorganiseerde  natuur  eene  „mecha- 
nistische" opvatting  gehuldigd. 


88  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Het  verband  of  de  samenhang  van  deelen  tot  een  geheel 
wordt  „mechanisch"  genoemd  indien  de  deelen  hunne  eigene 
zelfstandigheid  tegenover  het  geheel  niet  verliezen. 

Mechanisch  verband  in  een  slechts  geheel  toevallig,  uiter- 
lijk verband:  alleen  door  geweld  te  bewerkstelligen. 

De  samenhang  van  genoemde  twee  deelen  van  de  natuur 
op  deze  wijze  opgevat,  levert  een  geheel  op,  wiens  deelen 
niets  met  elkander  uit  te  staan  hebben.  Deze  opvatting 
schept  een  niet  te  overbruggen  kloof  tusschen  organismen 
en  anorganen,  ontkent  het  bestaan  van  overgangen  of  con- 
tinuïteit tusschen  het  levenlooze  en  het  levende,  maakt 
alzoo  het  levende  tot  een,  in  natuurwetenschappelijken  zin 
onverklaarbaar  wonder. 

Tot  deze  kathegorie  is  ook  de  opvatting  van  diegenen 
te  rangschikken  die  aan  hun  denktrage  wantrouwen  tot  het 
vermogen  van  de  menschelijke  geest  een  hoogere  recht- 
vaardiging willende  geven,  ons  uitdrukkelijk  aanmanen,  te 
berusten  in  het  feit,  dat  het  leven  een  onbegrijpelijk  mysterie 
is  voor  het  verstand. 

De  spontaneiteit,  die  voor  en  bovenal  het  kenmerk  is  van 
al  wat  leeft,  is  naar  de  school  van  Descartes  slechts  door 
eene  bovennatuurlijke  macht  te  bewerkstellingen.  Het  is  een 
bovenwereldsch  intellect  dat  in  het  hart  de  „spiritus  animales" 
moet  inblazen  opdat  het  leven  tot  stand  komeK, 

Zonder  „concursus  Dei"  geen  leven  mogelijk. 

God  windt  het  uurwerk  op ,  en  het  leven  loopt  af  als  een 
automaat. 

Heeft  de  school  van  Descartes  in  deze  vraag  zooals  we 
zien  geen  oplossing  gebracht  waar  ons  modern,  zeer  naar 
monisme  neigend  denken  vrede  mee  kan  hebben ,  de  belang- 
stelling ervoor  is  toch  door  haar  opgewekt,  en  de  denkende 
menschheid  is  aan  het  mediteeren  en  experimenteeren  ge- 
gaan, deels  met  de  bedoeling  om  de  oplossing  die  Descartes 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  89 

gegeven  had  te  rechtvaardigen,  maar  deels  ook  om  aan 
diepere  opvattingen  den  weg  te  banen. 

De  theoriën  zuiver  onder  den  invloed  van  de  Cartesi- 
aansche  school  opgesteld,  zullen  wij  maar  stilzwijgend 
voorbijgaan,  om  een  hooger  stadium  van  de  oplossing  te 
overwegen ,  welk  stadium  mutatis  mutandis  zal  blijken  vrij- 
wel onze  opvatting  te  repraesenteeren. 

De  vader  van  deze  opvatting  is  geweest  Leibnitz.  De 
monadologie  van  dezen  wijsgeer  vat  de  natuur  op  als  een 
zich  steeds  ontwikkelend  geheel ,  waarin  het  organische  niet 
essentieel  maar  gradueel  van  het  anorganische  verschilt. 
Alles  in  rerum  natura  kan  slechts  betrekkelijk  als  levenloos 
worden  aangemerkt  en  ieder  monade  draagt  in  zich  de 
tendentie  tot  hoogere  potentiatie. 

De  opvatting  van  Leibnitz,  naar  onze  moderne  begrippen 
omgewerkt,  is  zeker  de  eenige  die  eene  bevredigende  op- 
lossing van  het  groote  vraagstuk  omtrent  den  samenhang  van 
zuiver  mechanisch-dynamische  acties  met  het  levensproces 
kan  brengen. 

Het  leven  blijkt  een  natuurverschijnsel  wel  van  hoogere 
orde  dan  mechanisme  en  dynam.isme  doch  niets  bovennatuur- 
lijks tot  wier  voortbrenging  een  „concursus  Dei"  noodzakelijk 
is.  Waarom  moeten  chemisch-dynamische  werkingen  het 
zonder  de  hulp  van  God  stellen  en  waarom  komt  de  schep- 
pingshypothese juist  bij  het  leven  tot  geldigheid?^) 

Het  levenswonder  brengt  de  natuur  zelf  tot  stand  en  dat 
wonder  is  in  zijn  wezen  niets  onbegrijpelijker  of  onver- 
klaarbaarder dan  mechanisme,  chemisme  of  dynamisme. 

Leven  is  een  bepaald  en  bijzonder  natuurverschijnsel,  even 

1)  „Wenn  man  annimmt,  dass  iebendige  Wesen  überhaupt  eiiimal  aus 
unorganischen  Stoffen  cntstanden  sind,  so  ist  meines  Dafürhaltens,  die  Schöp- 
fungshypotfiese  die  einzige,  die  den  Anforderungen  der  Logii<  und  der  Cau- 
saiitat  und  damit  einer  besonncnen  Naturforsciiung  entspricht".  (Reinke:  Einl. 
in  die  theor.  Biologie  1905), 


90  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

ZOO  bijzonder  als  mechanisme  —  beide  zijn  verscliijnselen 
van  dezelfde  natuur,  zonder  daarom  dezelfde  natuurver- 
schijnselen te  zijn. 

Het  streven  nu  van  het  modern  materialistisch  monisme 
is  aan  te  toonen,  dat  het  leven  niets  „bijzonders"  is  en 
daarom  niets  „wonderlijks." 

Het  leven  is  in  den  grond  der  zaak  mechanisme  en  „het 
is  in  groote  mate  waarschijnlijk  dat  alle  natuurverschijnselen, 
physiologische,  chemische  en  physische  zich  tot  mechanische 
laten  terugbrengen".  (Zie  Prof.  Heymans  Gids  1896  p.  94). 

Niemand  zal  er  zeker  zijn  die  de  mogelijkheid  van  vrij 
vergaande  relatieve  reduceerbaarheid  der  levensverschijnselen 
tot  mechanische ,  chemische  of  physische  verschijnselen  zoude 
willen  ontkennen. 

Waartoe  de  menschelijke  rede  eenmaal  in  staat  zal  zijn 
of  liever  welke  openbaringen  de  mensch  in  de  toekomst 
met  zijne  technische  hulpmiddelen  aan  de  natuur  zal  af- 
dwingen is  tevoren  niet  te  zeggen. 

Een  andere  vraag  is  echter  of  die  mechanische,  chemische 
verklaarbaarheid  van  het  leven  samen  zal  vallen  met  zijne 
begrijpelijkheid  en  of  de  overtuiging  van  de  continuïteit  en 
eenheid  in  rerum  natura  staan  of  vallen  moet  met  het  geloof 
aan  de  mechanisch  chemische  verklaarbaarheid  van  het  leven.  ^) 

In  het  kort  gesteld  vraagt  het  zich  of  de  continuïteit  in 
rerum  natura  nog  voor  andere  opvattingen  ruimte  laat. 

Het  woord  „ontwikkeling"  zal  hier  blijken  „Ie  mot  de 
l'énigme". 


1)  „Begreifen  können  wir  von  den  Lebenserscheinungcn  nur  das  was  sich 
physico-chemisch  erklaren  lasst." 

(Bütschli.  Mechanismus  und  Vitaiismus.  (Verli.  d.  Ve  Internat.  Zooiogen  Kon- 
gress  Berlin  16  Aug.  1901.) 

„Die  Physiologie  kann  nie  etwas  anderes  sein  als  Physik  und  Chemie  d.  h. 
Mechanik  der  lebenden  Körper". 

(Verworn:  Einl.  zur  Zeitschr.  f.  allg.  Physiologie.  Bd.  I.) 


HET   PRIMITIEVE    LEVENSPROCES.  91 

Dit  woord  en  begrip  met  hetwelk  wij  in  de  biologie 
zoozeer  bevriend  zijn  geworden  moet  onze  draad  van  Ariadne 
zijn  die  ons  in  het  labyrinth  van  de  natuurverschijnselen 
den  weg  aanduidt  en  waardoor  wij  ons  veilig  zullen  voelen. 

Dit  begrip  zal  ons  ook  moeten  helpen  de  kloof  te  dempen 
die  er  bestaat  tusschen  het  levende  en  levenlooze.  Dit  begrip 
maakt  ons  mogelijk  het  Heelal  als  een  groot  organisch  sy- 
steem ^)  op  te  vatten  waarin  het  georganiseerde  en  het  niet 
georganiseerde  te  beschouwen  zijn  als  de  verschillende , 
elkander  wederzijds  beïnvloedende  stadiën,  niveaus  en 
manifestatiewijzen  van  de  aleene  zich  aldoor  ontwikkelende 
levende  natuur. 

De  natuur  leeft  voortdurend  en  ontwikkelt  zich  eeuwig. 
Zij  brengt  zich  voort ;  zij  is  de  Creatrix  en  Creata  in  eene.  ^) 

In  het  levende  hebben  wij  wel  een  tegenstelling  met  het 
levenlooze  te  zien  maar  die  tegenstelling  wordt  door  het 
Leven  zelf  opgeheven  en  geproduceerd  in  de  voortdurende 
assimitatie  en  dissimilatie;  bij  de  voortdurende  wijziging 
der  niet-levende  energievormen  in  dien  zin,  dat  zij  telkens 
aan  het  leven  deelachtig  worden  om  even  spoedig  weer  tot 
mechanisme  of  dynamisme  te  worden  gedoemd. 

In  het  leven  hebben  wij  te  zien  de  zich  voortdurend 
manifesteerende  macht  over  de  mechanische  en  chemisch 
dynamische  energievormen  die  ze  voor  zich  vindiceert  en 
naar  zijn  behoefte  wijzigt  als  zijne  „levensvoorwaarden." 

Het    leven    „infecteert"  ^)    naar   Hegels    uitdrukking   het 


1)  Een  pleonasme. 

2)  „Man  kann  den  Satz  aufstellen  „Alles  iebt  in  der  Natur"  —  das  ist  crhaben 
und  soll  speculativ  sein.  Ein  Anderes  ist  aber  der  Begriff  des  Lebens,  d.  Ii.  das 
Leben  an  sich',  das  freilich  allentiiaiben  ist;  ein  Anderes  das  reale  Leben, 
die  Subjectivitaet  des  Lebendigen,  worin  jeder  Theil  ais  belebter  existiert." 

(Hegei.  Encyltl.  Herausgabe  Bolland  p.  588). 

3)  Infectie  wordt  hier  bedoeld  in  dien  zin  als  Cicero  dit  woord  gebruikt: 
„Puer  jam  infici  debet  iis  artibus  quas  si,  dum  esttener,  combiberit  ad  majora 
veniet  paratior"  of  Apullejus  in:  „Carnes  lasere  infectae"  (doortrokken). 


92  HET    PRIA1ITIEVE   LEVENSPROCES. 

levenlooze  overal  waar  het  zich  kan  verwerkelijken ;  richtend 
alles  naar  zijne  specifieke  behoeften  aangrijpend,  vernielend  en 
transsubstantieerend  wat  in  zijn  werkingssphaer  zich  bevindt. 

Alle  natuurverschijnselen  zijn  te  beschouwen  als  pogingen 
van  het  levensprincipe  om  zich  te  manifesteeren  en  de  sub- 
stantie of  materie  is  als  het  zich  meer  en  meer  organi- 
seerende  stoffelijke  aan  te  zien.  Van  deze  opvatting  was  ook 
Burdach  toen  hij  dit  neerschreef: 

„Das  Leben  ist  nicht  etwas,  das  erst  hin  und  wieder  zu- 
stande  gebracht  wird,  sondern  das  Ursprüngliche,  welches 
aan  den  organischen  Körpern  nur,  in  unsern  Gesichtskreis  tritt." 

De  materie  blijkt  voor  ons  dus  niet  meer  de  geheel  pas- 
sieve en  inerte  massa  zonder  eenige  spontaneïteit,  maar 
datgene,  wat  in  hare  pogingen  tot  zelforganisatie  alle  voor- 
stadiën  van  het  leven  doorloopt. 

„La  substance  est  un  être  capable  d'action"  (Leibnitz).- 
Alle  voorstadiën.  van  de  zichzelf  vormende ,  organiseerende 
en  trapsgewijs  ontwikkelende  materie  vertoonen  ons  de 
wordingsgeschiedenis  en  verdere  ontwikkeling  van  het  Leven. 

Aan  de  materie  is  het  leven  inhaerent  en  pas  door  de 
verwerkelijking  van  het  Leven  door  de  organismen,  doet  de 
materie  blijken  welke  geest  in  haar  woont. 

De  reusachtige  duizelingwekkende  massa's  der  hemel- 
lichamen, de  gedachte  aan  de  natuurkrachten  die  de  gedaante 
van  onze  aardoppervlakte  in  de  Oertijden  veranderd  hadden , 
mogen  bij  ons  zeer  verheven  stemmingen  op  het  gevoel 
onzer  kwantitatieve  nietigheid  teweegbrengen;  de  kroon  der 
schepping  blijft  toch  het  leven. 

Om  zelfs  de  nietigste  uitingen  van  het  leven  in  de  ge- 
daante van  een  bacil  of  een  hoopje  protoplasma  (amoebe) 
te  bewerkstelligen,  moet  de  materie  heel  wat  intensievere 
energie  tentoonspreiden  dan  om  een  heel  planetensysteem 
in    beweging   te   houden    of   op   die  tallooze  verre  zonnen 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  93 

titanische  krachten  te  ontketenen.  De  volmaaktheid  en  het 
waarlijk  belangwekkende  voor  den  geest  uit  zich  niet  in  de 
groote  massa's  en  afmetinglooze  energieën. 

Ons  planeet,  die,  vergeleken  bij  andere  massa's,  een 
stofdeeltje  kan  worden  genoemd  is  misschien  van  heel  wat 
meer  beteekenis  in  het  heelal ,  dan  het  heele  planetensysteem 
inclusieve  de  zon  en  alle  andere  vaste  sterren  die  waar- 
schijnelijk  niets  dan  gloeiende  nevelen  zijn  en  waar  alleen 
chemisch  dynamische  krachten  hun  eindeloos  spel  drijven 
zonder  eenig  belang. 

Zoo  geheel  onmogelijk  is  het  zeker  niet  dat  het  Leven 
slechts  op  ons  planeet  ontkiemd  is.  De  phantasie  moge  zich 
op  andere  planeten  bloeiende  rijken  en  hoogere  wezens  voor 
tooveren.  Uitkomst  van  exact  onderzoek  zijn  die  phantasie- 
beelden  voorloopig  zeker  niet. 

Millioenen  van  niet  meer  lichtende  hemellichamen  kunnen 
als  ons  trawant,  slecht  starre  materie  zijn,  waar  chemische 
werkingen  reeds  uitgevoerd  zijnde,  hunne  slakken  achter 
hadden  gelaten  en  waar  ook  geen  athmospheer  en  dus  geen 
georganiseerd  leven  tot  stand  is  kunnen  komen. 

„Auf  der  Grosse  der  in  Rede  stehenden  Massen  und  ge- 
waltigen  Eutfernungen  beruht  die  Ehrfurcht  der  Menge." 

(Schopenhauer). 

De  ware  belangwekkendheid  vertoont  de  Natuur  in  de 
materie  die  zich  reeds  tot  een  planetensysteem  vormt  in  veel 
hoogere  mate  dan  in  die  diffuus  blijvende  materie,  in  dat 
„Licht  in  seiner  ersten  unverarbeiteten  Roheit"  in  die  onver- 
schillig buiten  elkaar  blijvende  sterren.  ^) 

1)  Dass  sie  in  unermesslichen  RSumen  eine  Vielheit  ist  sagt  für  die  Vernunft 
gar  nichts,  dat  ist  das  aiisserliche  Leere,  die  negative  Unendliclilceit. 

Darüber  weiss  sicli  die  Vernunft  ertioben;  es  ist  dies  eine  blosse  negative 
Bewunderung,  ein  Erlieben  das  in  seiner  Beschranktlieit  stehen  bleibt. 

Das  vernünftige  Intresse  bei  den  Sternen  kann  sicii  jetzt  nur  in  der  Geo- 
metrie derselben  zeigen".  (Hegel.  Encyiti.  Herausg.  Bolland  pg.  347). 


94  HET   PRIMITIEVE    LEVENSPROCES. 

Zoolang  voor  onze  aanschouwing  het  systeem  dat  in  die 
wereld  den  sterren  mag  gelden  niet  geopenbaard  is,  is  het 
respect  voor  die  slechte  oneindigheid  uiterst  misplaatst  ter- 
wijl wij  door  heel  wat  waardiger  geestesobjecten  omringd  zijn. 

De  animaliteit  is  ons  meest  waardige  object  in  de  natuur. 

Naast  deze  verdwijnen  in  belangrijkheid  alle  verschijnselen 
die  de  materie  in  hare  planetaire,  mechanische  en  dynamische 
manifestaties  ons  vertoont. 

In  planten  en  dieren  toont  de  materie  pas  wat  zij  vermag 
te  praesteeren.  —  Niet  in  vulkanische  uitbarstingen  en  aard- 
bevingen vertoonen  de  natuurkrachten  het  wezenlijke  aan 
zich,  maar  in  het  voortbrengen  en  onderhouden  van  het 
leven.  Slechts  in  dienst  van  de  animaliteit  en  vegetatie 
bekomen  zij  recht  van  bestaan  en  het  streven  van  de  heele 
wereldenergie  bereikt  zijn  einddoel  in  het  voortbrengen  van 
het  leven  dat  denkt. 

Of  het  voortbrengen  van  het  leven  nu  op  slechts  zeer 
kleine  schaal  gebeurt,  doet  betrekkelijk  voor  de  werkelijk- 
heid van  dit  feit  niets  af.  De  „albezieling"  van  de  materie, 
moet  onderscheiden  worden  van  het  voortbrengen  van  het 
leven.  —  Niet  het  eerste  is  het  doel  van  de  natuur,  maar 
het  laatste.  Evenmin  als  het  levensproces  ten  doel  heeft  al 
wat  leeft  eenmaal  tot  menschelijkheid  te  doen  ontwikkelen, 
evenmin  zal  het  leven  overal  tot  stand  komen.  Zelfs  op  onze 
aarde  zijn  zand  en  ijswoestijnen ,  terwijl  bijna  de  geheele 
innerlijke  massa  van  ons  planeet  aan  het  leven  absoluut 
geen  deel  heeft. 

Voor  het  tot  stand  komen  van  het  leven  moeten  zeer  vele 
factoren  samenkomen  en  v/aar  dat  factorencomplex  eenmaal 
aanwezig  is,  daar  ontwaakt  de  materie  tot  leven. 

De  eerste  pogingen  tot  leven  zijn  zonder  twijfel  primitief 
doch  dat  duurt  slechts  kort,  dat  tijdvak  van  het  primitieve. 

Weldra  is  door  die  eerste  levenswezens  de  bodem  voor- 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

bereid  voor  de  grillige  en  kwistige  vormenrijkdom  van  de 
hoogere  manifestaties. 

Meer  en  meer  komt  men  tot  de  overtuiging  dat  de  groote 
tijdruimten  die  men  tusschen  de  verschillende  ontwikkelings- 
stadiën  van  het  planten  en  dierenrijk  aannam,  belangrijk 
ingekort  dienen  te  worden. 

„Sobald  der  Blitz  des  Lebendigen  in  die  Materie  einschlagt 
ist  sogleich  ein  bestimmtes  vollstandiges  Gebilde  da,  wie 
Minerva  aus  Jupiters  Haupte  bewaffnet  springt.  (Hegel 
Encykl.  §  339). 

Toen  de  voorwaarden  voor  het  leven  eenmaal  vervuld 
waren ,  heeft  het  zich  in  zulk  eene  intensiteit  gemanifesteerd 
in  zijn  laagste  vormen,  dat  de  aarde  weldra  over  een  zeer 
groote  uitgestrektheid  voor  hoogere  vormen  vruchtbaar  is  gewor- 
den en  geschikte  bodem  opleverde  voor  hunne  ontwikkeling. 

Zooals  de  lagere  levensvormen  in  vroegere  tijden  de 
mogelijkheid  voor  het  bestaan  en  ontstaan  der  hoogere  vor- 
men opleverden,  zoo  zijn  zij  in  dien  zin  nog  steeds  werkzaam. 
Het  hoogere  moet  steeds  met  het  lagere  in  contact  blijven 
en  kan  zich  ervan  niet  losmaken. 

Zoo  moeten  wij  in  de  plantenwereld  een  bemiddelaar 
tusschen   de  dierenwereld  en  de  wereld  der  mineralen  zien. 

Dierleven  is  zonder  plantenleven  onbestaanbaar  en  het 
plantenorganisme  heeft  het  geologisch  organisme  tot  bestaans- 
voorwaarde. 

De  plantenwereld  kon  eerst  ontstaan  nadat  de  groote 
chemische  processen  die  ons  planeet  in  beroering  hielden 
opgehouden  zijn  en  de  mineralen  op  de  hiertoe  gunstige 
temperatuur  hebben  kunnen  uitkristalliseeren.  Toen  is  de 
mogelijkheid  voor  plantenleven  ontstaan  welk  leven  dan  de  in 
het  geologisch  organisme  gebonden  energiën  in  een  rustiger 
proces  verwerkt  voor  zich  en  voor  de  hoogere  manifestatiën 
van  het  leven  in  de  animaliteit. 


96  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

De  heele  natuur  blijkt  een  ontwikkelingsproces  waar  de 
eenvoudigste,  abstractere  vormen  van  de  energie,  in  de  meer  en 
meer  concrete  vormen  tot  aan  het  leven  toe,  voortdurend  betrok- 
ken zijn  en  wel  beschouwd  mede  die  concrete  vormen  zijn. 

In  het  „Systeem  van  de  natuur"  heeft  het  leven  als  een 
ontwikkelingsstadium  zijn  bepaalde  plaats  in  verband  met 
andere  ontwikkelingsstadien. 

Leven,  chemisme,  dynamisme  blijken  geen  absoluut  te 
nemen  begrippen  die  elkander  geheel  uitsluiten  maar  zij 
zijn  met  elkaar  in  redelijk,  organisch,  systematisch  verband 
en  noodzakelijk  uit  het  Idee  der  Natuur  voortkomende  ver- 
schijningswijze van  deze. 

De  wereld  ontwikkelt  zich  ook  noodzakelijk  tot  leven. 
Het  ligt  in  de  rede  dat  het  leven  ontsta. 

Het  ligt  in  het  Idéé  der  natuur  dat  niet  blijvend  „die 
rohen  Krafte  sinnlos  walten"  zullen,  maar  dat  het  ongeor- 
ganiseerde een  zin  krijgt  doordat  het  tot  leven  komt.  ^) 

Het  leven  komt  niet  uit  de  anorganische  krachten  voort, 
het  leven  komt  uit  de  natuur  die  zich  hier  organiseert  om 
elders   zich   als  chemisme  of  mechanisme  te  vertoonen. 

De  natuur  differentieert  zichzelf  tot  hare  verschijnselen, 
tot  verscheidenheden  die  innig  samenhangen  niettegenstaande 
zij  zich  ook  over  en  weer  uitsluiten.  Wel  moet,  opdat  het 
leven  tot  stand  kome  de  natuur  eerst  zich  ook  tot  dynamica 
en  chemie  gedifferentieerd  hebben ,  want  onafhankelijk  van 
deze  differentiatievormen  ontstaat  het  leven  niet,  net  zoo 
min  als  een  dier  in  de  slechts  door  aether  gevulde  ruimte 
zou  kunnen  ontstaan. 

1)  „Der  lebendige  Substanz  ist  lediglich  ein  Teil  der  Erdmaterie.  Die 
Kombination  dieser  Erdmaterie  zu  lebendiger  Substanz  war  ebenso  das  noth- 
wendige  Produkt  der  Erdentwickelung  wie  etwa  die  Entwickelung  des  Wassers: 
eine  unausbleibliche  Folge  der  fortschireitenden  Abkühlung  jener  Massen ,  welche 
die  Erdrinde  bildeten." 

(Verworn  Ailgem.  Physiologie  »  (1901.)  333  ff. 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  97 

De  anorganische  n.1.  de  physische  en  chemische  krachten 
zijn  de  „conditiones  sine  quibus  non"  van  het  leven,  doch 
het  leven  ontstaat  daarom  niet  uit  deze  krachten  maar  brengt 
zichzelf  voort  geheel  spontaan. 

Willen  wij  onderzoekingen  omtrent  de  manifestaties  van 
het  leven  beginnen,  dan  dienen  wij  ons  in  de  allereerste 
plaats  rekenschap  te  geven  van  het  Object  van  ons  onder- 
zoek ons  zelf  scherp  duidelijk  te  maken  wat  wij  met  het 
begrip  „leven"  bedoelen,  aan  welk  soort  van  natuurver- 
schijnselen het  praedicaat  van  „levend"  toekomt  en  waardoor 
de  levensverschijnselen  zich  van  de  andere  natuurverschijn- 
selen onderscheiden. 

Op  deze  vragen  een  volledig  antwoord  trachten  te  geven 
naar  den  stand  van  onze  wetenschap  is  misschien  niet  eens 
het  meest  recente  volledige  werk  over  de  Physiologie  en  Pa- 
thologie in  staat.  Doch  een  volledig  antwoord  verlangen 
wij  ook  niet.  Ons  is  voldoende  een  voorloopig  en  doch  juist 
kriterium,  waaraan  wij  al  wat  zich  als  levend  manifesteert 
zullen  moeten  herkennen,  eene  voorwaarde,  waaraan  elk 
verschijnsel  moet  voldoen  om  door  ons  als  behoorende  tot 
de  verschijnselen  van  het  leven,  aangemerkt  te  worden. 

Het  Kriterium  nu  van  het  leven  is  de  spontaneïteit:  de 
opgeheven  eenzijdige  noodzakelijkheid  van  de  chemisch- 
dynamisch-mechanische  wereld. 

Slechts  het  waarlijk  spontane  is  het  waarlijk  levende. 

Verklaard  is  het  leven  met  deze  definitie  volstrekt  niet; 
hier  is  slechts  de  meest  algemeene  eigenschap  van  alle 
levensverschijnselen  geformuleerd. 

Of  nu  de  levensverschijnselen  voor  het  reflecteerend  ver- 
stand in  hun  wezen  geheel  en  al  door  de  strenge  of  minder 
strenge  causaliteit  van  de  mechanische  natuurverschijnselen 
worden  beheerscht  raakt  deze  definitie  niet,  want  ook  het 
reflecteerend   verstand    moet  toch  maar  van  leven  gewagen 

7 


98  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

als  het  aan  het  onderzoeken  gaat  in  hoeverre  „leven",  bij- 
voorbeeld „chemisme"  is. 

Als  het  leven  onderzoekt  op  „chemisme"  of  „mechanisme", 
moet  het  verstand  zich  toch  eerst  overtuigen  of  hetgeen  het 
onderzoekt  werkelijk  ook  leeft  en  om  dit  te  onderzoeken, 
moet  het  een  kriterium  hebben  waaraan  hij  het  levende  herkent. 

Moet  datzelfde  verstand  chemisme  tot  mechanisme  of 
elektro-magnetisme  reduceeren,  dan  moet  het  zich  scherp 
rekenschap  geven  waaraan  bepaalde  verschijnselen  als 
„chemische"  kunnen  worden  herkend. 

Gaan  wij  nu  de  voorwaarden  waaraan  bepaalde  natuur 
verschijnselen  moeten  voldoen  om  als  chemische  te  worden 
aangemerkt  onder  de  kathegorie  van  de  „affiniteit'  samen- 
vatten ,  dan  moge  de  physicochemicus  ons  nog  zooveel  over 
de  wenschelijkheid  dat  dit  begrip  uit  de  natuurwetenschap 
zal  verdwijnen  voorredeneeren ,  de  affiniteit  blijft  het  kenmerk 
en  kriterium  van  elk  chemisch  proces. 

Zoo  moet  ieder  onderzoeker  voorloopig  berusten  in  het 
feit  dat  slechts  datgeene  leeft,  wat  ^ijn  spontaneiteit  te  toonen 
vermag,  slechts  daar  vermoeden  wij  leven,  waar  wij  spon- 
taniteit bespeuren. 

Nu  moge  in  den  loop  der  tijden  blijken  dat  al  de  spontaniteit 
maar  zinsbegoocheling  is  en  dat  de  levensverschijnselen  in 
hun  wezen  bijvoorbeeld  streng  causale  elektro-magnetische 
verschijnselen  zijn;  merkwaardig  zal  het  toch  maar  blijven, 
hoe  dat  elektro-magnetisme  als  wezen,  in  staat  is  al  dat 
schijn  ons  te  produceeren ,  en  de  vraag  zal  toch  steeds  open 
blijven  hoe  en  onder  welke  omstandigheden  dat  wezen  al 
die  levensverschijnselen  voortbrengt. 

Die  geheele  „verklaarde"  natuur  moet  dan  toch  dunkt  mij 
aan  ons  als  heel  wat  grooter  wonderlijkheid  blijken  dan  zij 
nu  nog  is  in  hare  „duisterheid". 

Voorloopig,  daar  het  leven  nog  niet  geheel  „uitverklaard" 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  99 

is,  zullen  wij  het  begrip  van  de  spontaneiteit  vasthouden 
en  nagaan  in  welke  vormen  die  spontaneiteit  zich  aan  de 
levensverschijnselen  vertoont. 

Die   vormen   zijn   nu  zeer  velerlei   en  toch   kan  men  ze 
gevoegelijk  in  drie  kathegoriën  rangschikken  met  name: 
de  zelfindividualisatie , 
de  zelfhandhaving  en 
het  zelfgevoel. 

De  spontanieteit  in  hare  primitiefste  vorm  is  de  zelf- 
individualisatie. Al  wat  leeft  is  in  de  eerste  plaats  een 
individu  en  slechts  het  levende  bezit  individualiteit. 

De  Natuur  streeft  naar  het  leven,  dat  is  «gaar  de  indivi- 
dueele,  innerlijk  zelfbewerkte  en  niet  toevallig  van  buiten 
verkregen ,  zelfstandigheid. 

De  vorm  die  aan  een  stofcomplex  individualitiet  verschaft 
is  de  vorm  die  dat  stofcomplex  door  en  uit  zich  zelf  heeft 
voortgebracht,  de  vorm,  waardoor  het  zich  geheel  spontaan 
van  de  omgeving  afgrenst  en  scherp  onderscheidt. 

Het  leven,  als  bloote  zelfindividualisatie,  zien  wij  het 
meest  zuiver  in  het  kristal  verwerkelijkt. 

Zelfhandhaving  is  de  tweede,  hoogere  gedaante  van  het  leven. 
Het  individu,  dat  zich  zelf  heeft  gevormd,  handhaaft  zijne  vorm 
door  een  voortdurend  proces  met  de  omgeving.  Het  levende 
kan  namelijk  zijn  individualiteit,  en  integriteit  slechts  op  die 
voorwaarde  handhaven ,  dat  het  altijd  bezig  is  zijn  omgeving 
met  zich  te  assimileeren  en  zich  tegelijk  te  dissimileeren^ 
Het  is  de  voortdurende  „zelfverzaking  en  zelfbeaming"  van 
het  levend  individu  hetgeen  wij  sfofwisseling  noemen. 

Een  hoogere  graad  van  zelfbeaming  is  de  propagatie  of 
zelfvoortplanting. 

Al  deze  genoemde  kathegoriën  zijn  in  het  vegetatieve 
organisme  verwerkelijkt.  —  Stofwisseling  en  voortplanting 
zijn  kenmerken  bij  uitstek  van  de  plant.  — 


100  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Kenmerkend  voor  het  dier  is  het  zelfgevoel,  dat  de 
bodem  voor  de  geestelijkheid  of  menschelijkheid  voorbe- 
reidt. 

Het  levende  individu  is  het  natuurlijke  subject.  Bij  het 
kristal  vertoont  de  subjectiviteit  of  spontaneiteit  zich  op  de 
meest  frappante  en  eenzijdige  wijze  als  de  zich  slechts 
vormgevende  subjectiviteit.  In  de  plant  is  de  subjectiviteit 
zich  vormend,  zich  propageerend  en  zich  handhavend.  — 
Het  hoogste  waartoe  de  natuurlijke  subjectiviteit  echter  kan 
komen  is  de  zich  vormende,  propageerende  handhavende 
en  voelende  dierlijke  subjectiviteit  in  het  aminale  orga- 
nisme. 

In  redelijkheid  en  werkelijkheid  zal  in  de  eerste  plaats 
moeten  blijken,  dat  de  hoogere  stadiën  van  het  leven  de 
lagere  uitingen,  als  opgeheven  momenten  in  zich  bevatten 
en  in  de  tweede  plaats  dat  het  hoogere  in  het  lagere  als 
kiem  of  aanleg  aanwezig  is. 

Zoo  blijkt  het  animale  leven  veel  plantaardigs  aan  zich 
te  hebben  en  aan  het  vegetatieve  leven  zijn  vele  momen- 
ten die  pas  in  het  dierlijk  leven  tot  volle  ontwikkeling  blijken 
te  komen.  Zoo  zullen  wij  aan  het  kristallisatieproces  vele 
momenten  ontdekken  door  welke  het  kristal  boven  zich 
uitwijst  naar  de  hoogere  levensmanifestaties  van  het  vege- 
tatief en  animale  organisme.  Ons  doel  is  de  hoogere  le- 
venskathegoriën  zoowel  als  de  lagere  mechanische  dyna- 
mische momenten  in  de  kristallisatie  aan  te  toonen.  Want 
juist  in  het  kristallisatieproees  blijkt  de  natuur  een  over- 
gang te  maken  van  de  mechanisch-dynamische  tot  de  levens- 
verschijnselen. 

ledere  uiting  van  het  leven  is  in  den  grond  van  de  zaak 
het  heele  leven.  De  levensniveaus  verschillen  in  wezen 
slechts  wat  betreft  de  accentuatie  der  boven  reeds  ge- 
noemde kathegoriën  der  zelf-individualisatie,  zelfhandhaving 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  101 

en  zelfgevoel.  Zoo  valt  bij  de  kristallisatie  het  accent  op 
de  zelfvormatie.  De  zelfindividualisatie  treedt  hier  op,  over- 
wegend met  het  accent  op  de  typische  gedaantevorming. 
Het  leven  vertoont  zich  hier  bijna  alleen  als  zelfafgrensing 
van  de  omgeving.  Van  zelfgevoel  is  hier  nog  niet  de  ge- 
ringste spoor.  Het  levensproces  van  het  kristal  is  met  de- 
zelfde afgrensing  eigenlijk  voltooid  en  in  hoofdzaak  blijft 
het  hierbij  ook.  —  Het  kristal  heeft  alleen  geleefd  in  zijn 
wordingsproces.  —  Het  verstijft  na  afloop  van  dit  proces 
en  de  krachten  worden  latent  om  pas  te  ontwaken  bij 
bepaalde  stoornissen  die  de  integriteit  van  het  kristal- 
individu bedreigen.  Het  ware  leven  is  hier  nog  lang  niet. 
Want  het  ware  leven  is  het  voortdurende  wordingsproces, 
het  zich  zelf  bestendigende  te  midden  van  allerlei  stoor- 
nissen die  het  leven  trouwens  voor  het  grootste  deel  zelf 
produceert.  Het  kristal  is  in  zekeren  zin  iets  wat  vast,  af- 
gewerkt is,  —  de  hoogere  manifestaties  van  het  leven,  in 
de  waarlijk  levende  individuen  zijn  echter  nooit  voltooid, 
zoolang  het  individu  leeft. 

Het  dier  en  de  plant  is  eene  voortdurende  zelfbestendi- 
ging.  Zij  hebben  hunne  typische  vorm  slechts  op  voor- 
waarde dat  de  stofwisseling  met  de  omgeving  nooit  ophoudt. 
Het  kristal  eenmaal  gevormd,  behoeft  niets  meer  aan  de 
omgeving  aftegeven ,  en  behoeft  ook  niets  van  de  omgeving 
op  te  nemen  om  zijn  vorm  te  behouden. 

II. 

De  meeste  chemische  verbindingen  nemen ,  indien  zij 
van  de  vloeibare  in  de  vaste  toestand  overgaan,  de  kristal- 
vorm  aan. 

Wat  is  nu  die  kristallisatie?  —  Is  een  kristal  resultaat 
van   mechanische,   van  physische  of  van  chemische  inwer- 


102  HET  PRIMITIEVE  LEVENSPROCES. 

king   of   hebben    wij    in    het   kristal    wat   anders    te  zien? 

E.  Salisbury  Dana,  de  schrijver  van  een  zeer  gezagheb- 
bend werk  over  mineralogie  definieert  het  kristal  als :  „a 
regular  polyedral  form,  bounded  by  smooth  surfaces,  which 
is  assumed  bij  a  chemical  compound,  under  the  action  of 
its  intermolecular  forces  when  passing  under  suitable  con- 
ditions  from   the  state  of  liquid  or  gas  to  that  of  a  solid-" 

Van  alle  opvattingen  omtrent  het  wezen  van  kristal  is 
deze  opvatting  van  Dana  het  allermeest  verwijderd  van 
vitalisme. 

Dana  beschouwt  kristal  alleen  als  eene  aggregaatstoe- 
stand van  de  stof,  anders  niets. 

Kristallisatie  is  dus  volgens  hem  een  eenvoudig  physisch 
proces  dat  wordt  teweeggebracht  door  de  moleculaire 
krachten. 

Deze  opvatting  wordt  weerlegd  door  het  feit  dat  amorphe, 
niet  voor  kristallisatie  vatbare  stof,  die  men  aan  zich  zelf 
overlaat  en  geheel  aan  uitwendige  invloeden  onttrekt,  zuiver 
tengevolge  van  de  in  hem  werkzame  moleculaire  krachten 
den  bolvorm  aanneemt.  Hetzelfde  is  het  geval  met  een  voor 
kristallisatie  vatbare  stof,  indien  men  door  bepaalde  inwer- 
kingen de  kristallisatie  belet.  Zuiver  physisch  moleculaire 
krachten  brengen  nooit  kristalvormen  teweeg.  Bij  „suitable 
conditions"  wordt  aan  heel  andere  krachten  dan  alleen 
„moleculaire"    gelegenheid    gegeven   zich   te   manifesteeren. 

Hebben  wij  dan  het  tot  stand  komen  van  kristalvormen 
aan  chemisme  toe  te  schrijven? 

Resultaat  van  chemisme  is  scheiding  en  verbinding,  en 
nergens  gedaante. 

Het  product  kan  gasvormig  zoowel  als  vloeibaar  of  vast 
zijn.  Het  gaat  bij  chemisme  om  de  affiniteit  en  het  stoechio- 
metrische  quantum  der  betrokken  factoren  die  een  verbinding 
moeten  vormen. 


HET    PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  103 

Het  mineralogisch  karakter  en  de  kristallisatie  der  ver- 
bindingen is  iets  wat  geiieel  buiten  chemisme  staat. 

Werkelijke  gedaante  is  alleen  in  de  organische  wereld 
mogelijk.  Slechts  het  leven  brengt  gedaante  voort,  slechts 
het  leven  vormt  zich  zelf  tot  individuen  met  bepaalde  typi- 
sche gedaante. 

Kristallisatie  is  nu  het  meest  primitieve  levensproces,  het 
levensproces  zooals  het  gefixeerd  en  verstijfd  is  in  het  sta- 
dium van  zelfindividualisatie,  in  het  stadium  van  auto- 
morphie.  ^) 

Het  kristal  brengt  uit  het  moederloog  zich  geheel  spon- 
taan voort. 

De  eerste  daad  van  al  het  leven  is  het  zich  als  individu 
te  stellen.  Dit  is  het  eerste  begin  van  de  „nisus  formativus" 
dat  het  primitiefst  zich  in  het  kristal ,  volkomener  en  inten- 
siever in  plant  en  dier  en  het  intensiefst  en  volmaakst  in 
den  denkenden  mensch  zich  realiseert. 

De  kristalvorm  is  in  aanleg  regelmatig,  in  het plantenrijk 
heerscht  symmetrie  terwijl  in  het  dierenrijk  het  harmonische 
tot  realisatie  komt. 

Kristallographie  is  aan  de  eene  kant  toegepaste  stereo- 
metrie,  maar  aan  den  anderen  kant  ook  toegepaste  chemie. 

Bij  ieder  kristalindividu  intresseert  ons  niet  alleen  de 
vorm  maar  ook  de  chemische  samenstelling. 

De  samenstelling  van  een  kristal  laat  zich  tot  op  een 
zekere  hoogte  chemisch  opvatten  en  door  eene  chemische 
formule  aanduiden. 

De    Systematiek   der  kristalwereld,  is  om  die  reden  nog 


1)  Lapparent  vindt  dat  het  kristallyne  stadium  beschouwd  kan  worden  als 
de  normale  vaste  toestand  van  de  materie  daar  die  toestand  slechts  ontstaat 
indien  de  materie  is:  „complètement  übre  de  ceder  aux  plus  délicates  de  ses 

actions   internes".  Zeer  juist als  wij   maar  als  de  meest  „delicate  des 

actions  internes  de  la  matière" het  leven  beschouwen. 


104  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

altijd  gegrond  op  de  chemisch  elementaire  samenstelling 
der  individuen. 

De  zes  rubrieken  waarin  men  de  kristalvormen  indeelt 
naar  de  onderlinge  lengteverhoudingen  der  assen,  hebben 
slechts  op  stereometrische  verhoudingen  betrekking.  Ieder 
der  zes  vormen  komt  bij  de  in  chemischen  zin  meest  uit- 
eenloopende  zoowel,  als  ook  de  meest  verwante  soorten  voor. 

Wel  zijn  er  mineralogen  die  met  de  zuiver  stereome- 
trische opvatting  der  kristalvormen  met  recht  geen  vrede 
kunnen  hebben.  Voor  de  hand  ligt  trouwens  voor  een  onder- 
zoeker met  evolutionistische  opvattingen  de  vraag  (niet  of 
eene  grondvorm  uit  de  anderen  door  bemiddeling  van  in 
hoogere  levensvormen  geldende  factoren  zouden  kunnen  zijn 
ontstaan  maar)  of  die  vormen  in  dien  zin  te  rangschikken 
zijn  dat  wij  in  een  bepaalde  reeks ,  lagere  of  hoogere  stadiën 
van  de  zelfvormende  werkzaamheid  van  de  materie  voor 
onze  oogen  hadden.  De  vraag,  welke  de  meest  eenvoudige, 
de  amorphe  toestand  het  meest  nabijkomende  kristalvorm 
ware,  heeft  onder  anderen  Hirschwald  ^)  uitvoerig  besproken 
en   tot   oplossing  trachten  te  brengen. 

Hij  wees  op  het  feit  dat  indien  men  de  kristalvormen 
rangschikt  naar  de  meer  of  mindere  graad  van  cohaesie- 
differentiatie  van  de  stof  in  de  verschillende  richtingen  bij 
de  differente  kristalvormen,  dan  blijkt  de  Hexakisoktaeder 
met  zijn  24  gelijkwaardige  assen  de  vorm  te  zijn  die  van 
alle  volkomen  kristalvormen  het  meest  aan  de  amorphe 
vloeibare  agregaatstoestand  grenst.  Lehman  blijft  hierbij  niet. 
Hij  kan  het  niet  aannemen  dat  de  belangrijke  kloof  die  tusschen 
de  hexakisoktaeder  en  de  totaal  amorph  vloeibare  aggre- 
gaatstoestand bestaat  in  de  natuur  niet  door  overgangsvormen 
zoude  zijn  gevuld.  Als  die  overgangsvormen  meent  Lehman 

1)  Verh.  Kön.  Geol.  Reichsamt  Bd.  23. 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  105 

te  moeten  houden,  de  kogelvormige  individuen  met  stralige 
structuur,  die  men  op  de  wijze  van  den  Porphyr,  ingesloten 
vindt  in  de  glasachtige  mineralen,  vooral  bij  de  Perlithen. 
Dergelijke  vormen  zouden  dan  het  verband  bewerken  tus- 
schen  de  amorphe  vloeibare  stof  aan  den  eenen  en  de  vol- 
komene kristalvormen  aan  den  anderen  kant.  De  overgang 
tot  de  laatsten  zoude  dan  plaats  vinden  door  bemiddeling 
van  de  onvolkomen  kristallen  met  gekromde  vlakken. 

Dankbaar  aanwaarden  wij  biologen,  deze  belangrijke  uit- 
spraken der  mineralogen  doch  nog  meer  reden  hadden  wij 
tot  dankbaarheid,  indien  men  ons  inlichtingen  kon  verstrekken 
omtrent  het  verband  tusschen  chemische  samenstelling  van 
een  stof  en  de  structuur  waarin  deze  in  gegeven  omstandig- 
heden kristalliseert. 

Is  dit  ons  eenmaal  duidelijk  geworden ,  dan  is  er  eenig 
kans  toe  dat  de  opvatting  van  Pflüger  volgens  welke  met 
het  optreden  van  bepaalde  eiwitlichamen  tevens  de  eigenschap 
aanwezig  is  van  groei  en  organisatie ,  een  veel  hechtere  basis 
zal  krijgen  dan  de  wetenschap  nu  nog  instaat  is  haar  te 
geven.  Want  er  moet  toch  een  zeer  belangrijk  onderscheid 
zijn  tusschen  eiwit  dat  leeft  en  eiwit  dat  net  op  het  punt 
is  van  te  gaan  leven  maar  nog  niet  heeft  geleefd  en  eiwit  dat 
net  afgeleefd  is  —  afgezien  nog  van  het  feit  dat  de  samen- 
stelling van  het  protoplasma  geen  oogenblik  dezelfde  kan  zijn. 

Wij  zien  hieruit  reeds  dat  bij  het  leven  heel  andere 
factoren  overwegend  zijn  dan  chemische. 

Bij  de  kristallen  speelt  de  chemische  samenstelling  zonder 
twijfel  eene  nog  zeer  overwegende  rol. 

Die  overwegende  rol  van  het  chemisme  verdwijnt  bij  de 
planten  en  dieren  bijna  geheel.  Daar  wordt  meer  dan  bij  kris- 
tallen alles  door  den  „nisus  formativus"  beheerscht.  —  Immers 
toch  de  dieren  hebben  door  elkander  vrijwel  dezelfde  chemi- 
sch-elementaire  samenstelling  en  het  is  hetzelfde  stofcomplex 


106  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

dat  daar  in  het  planten  en  dierenrijk  aan  die  verbazings- 
wekkende  vormenrijkdom  tiet  substraat  afgeeft. 

Vormenrijkdom  van  een  en  hetzelfde  stofcomplex  zijn  wij 
echter  ook  reeds  bij  het  mineratenrijk  gewoon.  De  elementaire 
opbouw  van  een  kristal  uit  een  bepaald  moederloog  onder 
bepaalde  physische  verhoudingen  is  dan  ook  geen  werk  van 
zuiver  chemisme  meer.  Welke  chemische  verbindingen, 
metalen ,  dubbelzouten  bij  de  vorming  van  een  kristalindividu 
zullen  betrokken  worden,  hoeveel  kristalwater  een  bepaald 
individu  tot  opbouw  verbruikt,  hoe  met  een  woord,  de  ver- 
schillende chemische  elementen  die  een  kristalmolecule 
samenstellen  zich  zullen  groepeeren;  dat  te  bepalen,  is  reeds 
buiten  het  kader  van  chemische  werking.  , 

Chemisme  brengt  bijvoorbeeld  de  verbinding  van  de  alkali 
calcium-hydroxyde  met  het  zuur  koolzuur  tot  koolzure  kalk 
teweeg.  Het  is  echter  de  organiseerende  plastiek  die  uit 
deze  verbinding  hier  de  kalkspaath  en  daar  de  arragoniet 
vormt. 

In  de  chemie  zelf  zijn  wij  eenigszins  ook  in  de  gelegenheid 
aanduidingen  van  plasticiteit  te  herkennen.  —  Heel  wat 
lichamen  zijn  er  van  dezelfde  elementaire  samenstelling  met 
geheel  verschillende  physische  eigenschappen.  De  chemicus 
onderscheidt  daarom  altijd  van  een  stof  de  empyrische 
formule  en  de  structuur  formule. 

Deze  polymerie  van  het  nog  „gedaantelooze"  chemisme 
kan  men  als  het  voorstadium  beschouwen  van  de  kristal- 
liseerende  plastiek. 

Het  voorstadium  is  echter  nog  lang  niet  identisch  met 
het  kristallisatieproces  zelf  en  diens  resultaten  al  moge  onze 
fantasie  in  kristalvorm  gegroepeerde  atomen  en  radikalen 
de  structuur  van  verschillende  chemische  isomeeren  trachten 
voor  te  stellen.  —  Een  bepaald  chemisch  mengsel  of  ver- 
binding van   dezelfde  aggregaatstoestand   en  samenstelling 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  107 

als    een    bepaald   kristal    verschillen   zeer  beduidend   van 
eli<ander. 

Ostwald  eischt  van  de  stof  in  chemischen  zijn:  „dass  er 
in  allen  seinen  abtrennbaren  Teilen  die  gleichen  Eigen- 
schaften aufweist".  Aan  dezen  eisch  voldoet  een  stof  in 
kristallijnen  toestand  volstrekt  niet.  —  In  verschillende 
richtingen  vertoont  het  kristalindividu  geheel  verschillende 
cohaesie-verhoudingen.  In  bepaalde  richting  is  een  kristal 
lichter  splijtbaar  dan  in  eene  andere  richting.  Bij  een 
homogeen,  alleen  op  chemischen  weg  tot  stand  gekomen 
stof,  bestaat  dat  verschil  voor  bepaalde  richtingen  niet.  — 
Snijden  wij  staven  uit  een  homogene  stof  dan  leveren  al 
die  staven  in  elk  opzicht  dezelfde  physische  eigenschappen 
op.  Staven  uit  kristallen  gesneden  in  verschillende  richtingen , 
vertoonen,  al  naar  de  richting,  waarin  zij  zijn  uitgesneden  in 
elasticiteit,  breekbaarheid,  samendrukbaarheid,  geheel  andere 
graden.  —  De  voortplanting  van  warmte  is  door  eene 
kristallijne  stof  anders  dan  door  eene  homogene  amorphe. 

Overtrekt  men  een  plaat  uit  een  amorphe  stof  met  was 
en  raakt  men  die  plaat  aan,  met  de  verhitte  top  van  een 
metaalkegel ,  dan  zien  wij ,  ten  teeken  dat  de  warmte  zich 
in  alle  richtingen  gelijkmatig  voortplant,  de  was  over  een 
cirkelvlak  weggesmolten.  Doen  wij  hetzelfde  experiment  bij 
een  plaat  uit  een  kristal  gesneden,  dan  zullen  wij  de 
warmte  over  een  ellipsvlak  zich  zien  voortplanten  en  de 
assen  van  die  ellipsen  zullen  ten  opzichte  van  elkander, 
lengte  verhoudingen  vertoonen,  afhankelijk  van  het  kristal- 
stelsel waartoe  het  betrokken  kristal  behoort  en  van  de  vlakte 
van  doorsnede  waaruit  de  plaat  in  kwestie  gesneden  is.  — 
De  uitzetting,  die  een  homogene  stof  door  warmte  onder- 
gaat, is  ook  geheel  anders,  dan  dit  het  geval  is  bij  een  kris- 
tallijne stof. 


108  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Verhitten  wij,  eene  in  bolvorm  gesneden  homogene  amorphe 
stof,  dan  blijft  de  vorm,  niettegenstaande  de  hoogere 
temperatuur,  dezelfde.  Doen  wij  hetzelfde  met  een  bol  uit 
een  kristal  gesneden,  dan  zal  de  bol  in  vele  gevallen  bij 
zijne  uitzetting  tot  ellipsoid  worden.  De  assen  van  die  el- 
lipsoid  hebben  ook  eene  bepaalde  betrekking  tot  de  assen 
van  het  kristalstelsel  waartoe  de  grondstof  behoort. 

De  voortplanting  van  het  licht  en  de  verschillende  ver- 
anderingen die  de  lichtstralen  ondergaan,  zijn  in  een  kristal- 
lijn medium  van  geheel  anderen  aard  dan  in  een  doorzichtig 
amorph  medium.  —  Die  veranderingen  hier  te  behandelen 
zou  ons  te  ver  voeren.  —  Van  veel  meer  belang  is  voor 
ons  de  gedragingen  na  te  gaan  van  een  kristalindividu  ten 
opzichte  van  chemische  inwerkingen. 

Deze  zijn  eveneens  geheel  anders  dan  bij  homogene 
amorphe  stoffen.  —  Terwijl  in  eene  homogene  stof,  de  che- 
mische inwerking  gelijkmatig  veld  wint  en  alzoo  zich  in  de 
vorm  van  een  bol  uitbreidt,  zien  wij  bij  kristallijne  stoffen 
de   uitbreiding   op   een   zeer  typische  wijze   plaats  vinden. 

De  vormen  waarin  de  chemische  inwerking  zich  een 
weg  baant,  zijn  in  de  kristallographie  onder  de  benaming 
van  „etsfiguren"  bekend  die  typisch  zijn  zoowel  voor  het 
kristalstelsel  als  ook  voor  de  plek  waar  die  inwerking  op 
het  kristal  individu  plaats  vindt.  Belangrijk  is  ook  het 
experiment  van  Lavizzari  die  een  bolvormige  stuk  kalkspaath 
in  geconcenteerd  salpeterzuur  legde.  —  Het  is  hem  gelukt 
op  deze  wijze  door  de  inwerking  van  het  zuur  de  typische 
hexagonale  pyramide  van  de  kalkspaath  te  verkrijgen.  ^) 

Een  omgekeerde  proef  kan  men  doen  met  een  in  bolvorm 
geslepen  aluinkristal.   Deze  in  een  aluinoplossing  geplaatst 


1)  Wer  in  den  Mineral  nur  eine  Substanz  anerkennt,  der  ist  demjenigen 
zu  vergleichen,  weicher  in  einer  Marmorstatue  nur  Kohlensauern  kalli  sieht. 
(Zirkel.  Elem.  der  Mineralogie  p.  281.) 


HET   PRIMITIEVE    LEVENSPROCES.  109 

en  op  doelmatige  wijze  tekens  omgewenteld ,  kan  zich  tot 
hare  oktaedrische  gedaante  herstellen. 

Een  bol  uit  eene  amorphe  stof  samengesteld  zal  nooit  tot 
haren  typischen  kristalvorm  uitgroeien.  Zij  verhoudt  zich  in 
haar  moederloog  hetzij  indifferent,  hetzij  lost  ze  op,  tot  in 
de  moederloog  verzadiging  is  ingetreden. 

Deze  feiten  leeren  ons  meer  dan  andere,  hoe  een  kristal 
niet  een  eenvoudig  aggregaat  is  van  chemische  molekels 
maar  een  door  en  door  georganiseerd  geheel.  —  De  chemische 
inwerking  wordt  beheerscht  en  ten  teeken  dat  het  beheerscht 
wordt,  zien  wij  het  kristal  aan  die  inwerking  op  eene  typische 
wijze  weerstand  bieden  en  in  bepaalde  banen  laten  verloopen. 

Een  kristal  door  een  chemische  formule  voor  te  stellen  is 
daarom  nog  een  uiterst  onvolledige  voorstelling  van  zijn 
structuur,  want  het  kristal  is  reeds  door  en  door  vorm. 

Gelijk  bij  het  leven,  toont  zich  ook  hier  door  de  uiterlijke 
vorm  heen,  de  innerlijke  structuur.  Ieder  molecule  van  't 
kristal  is  van  de  vorm  van  het  geheel  doordrongen  gelijk 
iedere  cel  van  het  organisme  slechts  beteekenis  heeft  door 
het  geheel.  ^)  Het  morphologisch  element  is  bij  het  kristal 
mede  een  belangrijke  constitueerende  factor.  —  Zoo  blijkt 
dus  het  kristal  zelfs  in  hare  meeste  innerlijkheid,  hare 
individualiteit  te,  bewaren  en  daardoor  bewijzen  hoe,  al  is 
het  op  rudimentaire  wijze,  leven  in  haar  woont.  — 

De  gedragingen  tegenover  bepaalde  chemische  inwerkingen 
toonen  hier  een  vermogen  tot  vormbestendiging  aan,  en 
bewijzen,  dat  het  chemisme  in  het  kristal  „gevitaliseerd"  is 
geworden.  Evenals  de  stoffen  n.  1.  die  een  chemische  ver- 
binding met  elkander  aangaan  hunne  particuliere  physische 
eigenschappen  door  die  verbinding  inboeten,  zoo  verliezen 


1)    Die  ideelle  Form,  die  das  seelenhafte  ist,  diirchdringt  aligegenwartig  das 
Ganze.  (Hegel.  Encykl.  p.  459). 


110  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

de  stoffen  in  eene  „vitale"  verbinding  hunne  chemische 
eigenschappen.  —  De  elementen  van  de  „levenstof"  vertoonen 
pas  hunne  chemische  eigenschappen  als  het  leven  ze  niet 
meer  bij  eikander  houdt  en  zij  tot  „chemische"  lichamen 
uiteen  zijn  gevallen.  Dan  heeft  men  echter  niet  meer  het 
leven  voor  zich,  maar  een  aggregaat  van  stoffen.  Het  leven 
is  slechts  ais  een  heel  individu  te  vatten,  als  iets  ondeel- 
baars. —  Heeft  men  „die  Teile  in  der  Hand"  dan  „fehlt  der 
geistige  Band"  en  men  heeft  niet  meer  met  leven  te  doen.  — 

Schwann  schrijft:  „Der  an  den  Zeilen  vor  sich  gehende 
Prozess  enthalt,  so  lange  man  ihn  nicht  in  seine  einzelnen 
Al<te  zerlegt,  das  Magische,  was  dem  Begriff  Leben  anl<:iebt." 

Een  i<ristal  is  ook  zulk  een  levend  geheel  en  dat  bewijst 
het  door  niets  beter  dan  door  de  vormbestendiging  bij  me- 
chanische of  chemische  stoornissen. 

Mutileert  men  een  kristal,  hetzij  door  mechanisch,  hetzij 
door  chemisch  geweld,  en  plaats  men  dat  kristal  in  een 
adaequate  moederloog,  dan  zal  dat  kristal  zijne  gedaante 
veelal  meer  of  min  volkomen  herstellen  of  in  ieder  geval 
duidelijk  het  streven  hiertoe  vertoonen.  Nog  frappanter  dan 
door  bovengenoemde  verschijnselen,  leveren  de  kristal-indi- 
viduen  ons  analogieën  met  de  hoogere  uitingen  van  het 
leven  op,  in  hunne  gedragingen  tegenover  andere  kristal- 
individuen.  Door  de  groeiende  kristallen  wordt  in  de  moeder- 
loog een  soort  „strijd  om  het  bestaan"  gevoerd.  Het  in 
betere  omstandigheden  ten  opzichte  van  voedsel  verkeerend 
kristal,  is  in  staat  het  minder  begunstigd  individu  van  zijn 
soort  of  van  een  ander  soort  met  zich  te  assimileeren  of  in 
zijn   substantie    in    te   sluiten.  ^) 


1)  Haben  sich  aus  der  aufgelagerten  Substanz  andere  Krisstalle  entwickelt, 
Kristalle  derselben  oder  einer  verschiedenen  Art,  so  bemerken  wir  beim  Fort- 
wachsen  ein  wechselseitiges  Bedrangen  des  jüngern  und  des  altern  Krystalls. 
Er  ist  derselbe  Kampf  weelben  wir  aucli  in  andern  Reichen  der  Natiir  beob- 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 


Diegene  onder  de  „exacte"  onderzoekers  ^)  die  het  eerst  uit- 
voerig de  analogie  van  vitaliteit  met  kristalisatie  behandeld 
heeft  is  Theodor  Schwann.  In  zijne  „Mikroskopische  Unter- 
suchungen  ueber  die  Uebereinstimmung  in  der  Structur  und 
dem  Wachsthum  der  Thiere  und  Pflanzen",  vergelijkt  hij 
het  ontstaan  en  groei  der  cellen  met  dat  van  de  kristallen. 
Op  grond  van  zijne  redeneeringen  vraagt  Schwann  zich  af 
of  wij  niet  gerechtigd  zijn  te  beweeren  „dass  die  Bildung 
der  Elementartheile  der  Organismen  nichts  als  eine  Krys- 
tallisation  imbibitionsfahiger  Substanz,  das  Organismus  nichts 
als  ein  Aggregat  solcher  imbibitionsfahiger  Substanzen  ist." 

Hij  waarschuwt  echter  zeer  tegen  voorbarige  conclusies 
en  zegt  uitdrukkelijk  dat  „nicht  behauptet  wird,  dass  die 
Grundkraft  der  Zeilen  wirklich  etwas  gemeinsam  habe  mit 
der  Kraft ,  wodurch  sich  die  Krystalle  bilden.  Hat  man  doch 
immer  das  Wachsthum  der  Organismen,  weil  dabei  feste 
Substanzen  aus  einer  Flüssigkeit  sich  absetzen,  mit  einer 
Krystallisation  verglichen  ohne  desshabb  die  Identitgt  der 
Grundkrafte  zu  behaupten.  Bisher  sind  wir  auch  ueber  diesen 
Boden  des  Gegebenen,  ueber  diese  blosse  Vorstellungsweise 
der  Thatsachen  nicht  hinausgegangen." 

Haeckel  verlaat  dezen  veiligen  bodem  en  schrijft,  ongeveer 
vijftien  jaar  na  het  verschijnen  van  Schwann's  bovengenoemd 
boek,  de  volgende  merkwaardige  beweringen  omtrent  de 
kristalvorming  die  hij  in  zijn  veel  gelezen  werk  „Prinzipiën 
der  Generellen  morphologie  der  Organismen"  uitvoerig  be- 
handelt. 

„Ein   Kristall    besitzt   eine  innere  Structur  wie  der  Orga- 


achten  können.  Allein  die  Krystalle  sitzen  fest,  mussen  es  abwarten,  ob  ihnen 
und  wie  viel  Nahriing  zugeführt  wird.  Fehit  diese  dem  aufsitzenden  jüngeren 
Kristalle,  so  wird  er  vom  altera,  dem  besten  genahrten  Stammkrystall  allmah- 
Ijch  umschlossen.  CScharff.  N.  Jahrb,  de  Mineralogie,  geciteerd  uit  Lehman: 
Molecularphysik). 
1)  De  „Natuurphilosophen"  hebben  het  al  lang  bedacht  voor  Schwann. 


112  HET   PRIMITIEVE    LEVENSPROCES. 

nismus."  „Wenn  auch  die  chemische  Natur  ihner  Molecule 
gleichartig  ist,  so  gilt  dies  keineswegs  von  der  Lagerung 
und  Verbindungsweise. 

Sowohl  das  wachsende  Moner  als  der  wachsende  Kris- 
tall  zieht,  wie  jede  andere  Cytode  und  wie  jede  Zelle,  aus 
der  umgebenden  Ernahrungsflüssigheit  nur  diejenigen  Sub- 
stanzen  an,  welche  es  zu  seinem  individuellen  Wachsthum 
braucht,  und  trifft  daher,  wenn  viele  verschiedene  ernahrende 
Substanzen  in  der  Flüssigheit  gelost  sind,  eine  bestimmte 
Auswahl." 

Tot  dusverre  bevond  Haeckel  zich  zonder  eenigen  twijfel 
op  den  bodem  der  exacte  feitenwereld  maar  daar  blijft  hij 
niet  stil  staan  en  weldra  neemt  hij  zoo  hooge  metaphysische 
vlucht  dat  de  feitenwereld  hem  geheel  ontsnapt.  — 

(Wordt  vervolgd). 


BOEK-BESPREKING. 


Hegel.  Ein  Überblick  über  seine  Gedankenwelt  in  Aus- 
zügen  aus  seinen  Werken,  zusammengestellt  und  mit  einer 
Einleitung  versehen  von  Georg  Lasson  (Pastor  an  S. 
Bartliolomaus.  Berlin).  Verlag  von  Robert  Lutz  in  Stuttgart. 

De  schrijver  van  dit  handige  boekske,  verschenen  in  de 
verzameling:  „Aus  der  Gedankenwelt  grosser  Geister,"  uit- 
gegeven door  Lothar  Brieger-Wasservogel ,  betreurt  het  dat 
Hegels  wijsbegeerte,  na  slechts  een  20  jaar  in  Duitschland 
invloed  te  hebben  gehad,  sedert  als  volstrekt  onverstaan- 
baar en  vol  van  onvruchtbare  spitsvondigheden  is  veroor- 
deeld en  ter  zijde  gelegd.  Hij  is  overtuigd  dat  nog  heden 
ten  dage  de  groote  meerderheid  der  denkers  in  Duitschland 
tegen  Hegel  gekant  is,  omdat  diens  idealisme  weinig  strookt 
met  den  praktischen  geest  die  tegenwoordig  in  zijn  vader- 
land den  boventoon  voert,  maar  zijn  ingenomenheid  met 
Hegels  denkbeelden  is  zoo  groot  dat  hij  desniettegenstaande 
een  poging  wil  wagen  tegen  dien  stroom  in  te  gaan  en  den 
beschaafden  mensch  weer  tot  Hegels  wereldbeschouwing 
terug  te  brengen. 

Het  boekje  handelt  over  Idealismus,  Gott  und  Welt,  Mensch 
und  Bildung,  Staat  und  Gesellschaft,  Weltgeschichte,  Kunst, 
Religion  und  Christentum;  en  bestaat  uit  aanhalingen,  ont- 

8 


114  BOEK-BESPREKING. 

leend  aan  Hegels  werken.  —  Hierdoor  toont  het  reeds  hoezeer 
de  schrijver  met  Hegel  vertrouwd  is,  en  draagt  het  een 
stempel  van  echtheid,  die  het  aantrekkelijk  maakt. 

Vermoedelijk  zullen  de  Hegelaren  bij  ons  te  lande  dit 
boekje  met  blijdschap  begroeten,  omdat  het,  zonder  veel 
omhaal  van  woorden ,  Hegels  gedachten  over  de  voornaamste 
wijsgeerige  vraagstukken  binnen  het  bereik  der  beschaafde 
menicfte  brensit.  M, 


Open  Brief  aan  Prof.  G.  J.  P.  J.  Bolland  door  Dr.  G. 
Jelgersma,  Hoogleeraar  aan  de  Rijks-universiteit  te  Leiden. 
Leiden,  Gebr.  v.  d.  Hoek,  1906. 

Het  Tijdschrift  voor  Wijsbegeerte  behoort  nota  te  nemen 
van  den  „Open  Brief"  dien  de  Hoogleeraar  in  de  Psychiatrie 
den  Hoogleeraar  in  de  Philosophie  schreef. 

In  1899  vergunde  zich  de  heerjelgersma.  Arts  en  speciali- 
teit in  de  Psychiatrie,  doctor  honoris  causa,  die  zich  wegens 
zijn  psychiatrische  en  anatomische  studiën  een  welverdienden 
naam  als  vakgeleerde  in  de  medische  wereld  verworven 
had,  in  zijn  inaugureele  rede  als  Hoogleeraar,  de  uitspraak, 
ten  gehoore  gebracht  in  het  groot  auditorium  van  het  oude 
universiteitsgebouw  te  Leiden:  „Zonder  eenigen  twijfel,  de 
natuurwetenschappelijk  geschoolde  mensch  ziet  neer  op 
systemen  van  Plato,  van  Descartes,  vanSpinoza,  van  Kant, 
om  geen  minderen  te  noemen."  Deze  woorden  riepen  mij, 
student  die  zich  vormde  in  die  natuurwetenschappelijke  school, 
indertijd  het  beeld  te  voorschijn  van  een  modernen  automo- 
biel-berijder,  die  het  Parthenon  te  Athene,  de  Notre-Dame 
te  Parijs,  den  Dom  te  Reims  etc.  passeerende,  uitroept:  zonder 
eenigen  twijfel ,  de  moderne  mensch  ziet  neer  op  de  bouw- 
werken van  Ictenus  etc.  om  geen  minderen  te  noemen! 

Deze    houding    van    den    uitnemenden    vakgeleerde    ten 


BOEK-BESPREKING.  115 

opzichte  van  de  Philosophie,  die  als  zuivere  algemeene 
wetenschap  het  gemeenschappelijl<  verband  der  bijzondere 
wetenschappen ,  vinculum  scientiarum ,  genoemd  kan  worden, 
of  het  ideëele  centrum,  waaruit  de  wetenschappelijke  peri- 
pherie  licht  ontvangt,  schijnt  al  die  jaren  dezelfde  gebleven 
te  zijn ;  neen ,  nog  uitdagender  te  zijn  geworden ,  toen  hij 
in  zijn  „Open  Brief"  een  attitude  aannam,  die,  behalve  het 
aangematigde  van  de  vroegere,  blijk  gaf  van  een  geprikkelden 
toestand  van  het  gemoed ,  waarbij  de  geest  aan  klaarheid  en 
bezonnenheid  moest  verliezen. 

Aan  het  einde  van  zijn  Open  Brief  zegt  Prof.  Jelgersma: 
„Ik  was  overkropt  van  ergernis  en  ik  moest  mij  uiten.  Nu 
is  het  eruit  en  ik  voel  mij  opgelucht.  Langen  tijd  heb  ik 
geaarzeld   een  open  brief  als  deze  te  schrijven."  (pag.  46). 

Een  affect  of  hartstocht  of  lijding  verwart  den  geest  en 
maakt  de  idee  troebel.  Affectus,  qui  animi  pathema  dicitur, 
est  confusa  idea  (Spinoza,  Ethica,  Pars  III.  Aff.  gen.  def.). 
De  hartstocht  is  een  verwarde  idee.  De  psycholoog  in  den 
geleerden  openbrief-schrijver  zegt  in  gelijken  zin ,  dat  „vooral 
die  geestesprocessen ,  die  met  groote  emotie  gepaard  gaan, 
een  sterke  werking  hebben  in  dien  zin ,  dat  zij  den  geheelen 
geestesinhoud  kunnen  vervalschen."  (pag.  34). 

Deze  bewogen  gemoedstoestand  heeft  Prof.  Jelgersma  er 
toe  gebracht  met  onvoldoende  kennis ,  met  een  belezenheid , 
door  hem  zelf  „slechts  gering"  (pag.  6)  genoemd,  te  oor- 
deelen  over,  hetgeen  hier  gelijk  stond  met,  te  veroordeelen 
een  Philosophie;  —  de  Philosophie  van  Hegel,  welke  men 
dood  waande,  doch  door  Prof.  Bolland  tot  een  hernieuwd  leven 
opgeroepen,  in  Nederland  tot  een  werkelijke  geestelijke  be- 
weging gegroeid ,  alle  wetenschappen  zal  doordringen.  Deze 
philosophie  heeft  geen  ander  dan  een  zuiver  wetenschap- 
pelijk beginsel  en  doel.  De  specialiseering  der  verschillende 
vakwetenschappen    heeft   het  geestelijke  verband  verbroken 


116  BOEK-BESPREKING. 

eener  algemeene  zuivere  wetenschap  der  Rede,  die  als 
philosophie  de  grondbeginselen,  begrippen  en  waarheden 
der  bijzondere  wetenschappen  inhoudt.  De  philosophie  wil 
het  verbrolcen  verband  herstellen,  en  in  't  algemeen  den  geest 
uit  alle  bekrompenheid  vrij  maken. 

De  voornaamste  reden  waarom  Prof.  J.  zijn  brief  schreef 
is  deze:  dat  hij  „den  invloed ,  dien  (Prof.  Bolland's)  onderwijs 
op  de  studenten  uitoefent,  een  noodlottigen"  (pag.  5)  vindt. 
Door  dat  onderwijs  „wordt  bij  hen  eene  eenzijdigheid  ge- 
kweekt" (pag.  5).  Het  is  „voor  hen  zeer  gevaarlijk,  het  zou 
op  den  duur  een  eenzijdige  en  bekrompen  geestesrichting 
kweeken"  (pag.  6).  Zonder  deze  beweringen,  met  de  wer- 
kelijke waarheid  zoo  geheel  in  strijd,  te  bewijzen,  ver- 
liest de  schrijver  zich  in  een  aantal  persoonlijk  bedoelde 
opmerkingen,  en  geeft  hij  zich  moeite  Hegel's  en  Bolland's 
philosophie  te  bestrijden.  In  deze  bestrijding  komt  duidelijk 
de  zelf  erkende  geringe  belezenheid  en  kennis  der  philosophie 
aan  den  dag;  maar  ook,  merkwaardig  genoeg,  voldoende 
wijsheidszin,  om  Prof.  J.  op  enkele  belangrijke  plaatsen,  in 
den  goeden  zin  een  onbewusten  metaphysicus,  zelfs  een 
onbewusten  Hegeliaan  te  kunnen  noemen.  Op  die  plaatsen 
dacht  de   uitnemende  vakgeleerde  ook  zuiver  philosophisch. 

In  zoover  de  menschen  leven  onder  leiding  der  Rede,  in 
zoover  alleen  komen  zij  van  nature  altijd  noodzakelijk  overeen : 
Quatenus  homines  ex  ductu  rationis  vivunt,  eatenus  tantum 
natura  semper  nesessario  conveniunt.  (Spinoza.  Ethica.  Pars 
IV.  Propos.  XXXV). 

D.  B. 


BOEK-BESPREKING.  117 

Verslag  van  de  Rede,  door  Prof.  Bolland  in  het  gebouw 
„Odeon"  te  Amsterdam  tot  opening  zijner  colleges  den 
25sten  September  1906  uitgesproken. 

Leiden,  A.  H.  Adriani,  1906. 

Deze  eerste  les  van  Prof.  Bolland,  buiten  zijn  medeweten 
stenographisch  opgeteekend,  niettemin  daarna  met  zijn  toe- 
stemming door  den  druk  openbaar  gemaakt,  is  voor  een 
deel  een  indirect  antwoord  op  den  Open  Brief  van  Prof. 
Jelgersma,  voor  een  ander  deel  een  praeludium  van  hetgeen 
in  het  cursusjaar  ten  gehoore  zou  worden  gebracht. 

De  drie  in  elkaar  grijpende  deelen  der  Encyclopaedie  van 
Hegel  worden  gekenschetst  door  evenveel  zinnetjes,  die, 
rijk  van  zin,  kunnen  gelden  als  de  oermotieven  van  het 
harmonisch  ontwikkelde  stelsel:  ten  eerste  de  vraag,  in  het 
Johannes-evangelie  ook  door  Pilatus  geuit:  „Wat  is  Waar- 
heid", ten  tv/eede:  „Wat  is  de  natuur"  en  ten  derde: 
„Ken  Uzelf!"  — 

De  paradijs-mythe  wordt,  allegorisch  verhelderd  door  den 
ideëelen  zin  ervan  te  belichten,  in  redelijk  verband  gebracht 
met  een  dictum  van  Goethe's  Mephistopheles:  „Folg'  nur 
dem  alten  Spruch  und  meiner  Muhme  der  Schlange:  dir 
wird  gewiss  bei  deiner  Gottahnlichkeit  bange!"  Dit  ligt  in 
het  wezen  der  kennis  en  der  hoogere  bewustheid,  waarin  de 
mensch  niet  slecht  boven  zijne  dierlijkheid,  maar  zelfs  boven 
zijne  menschelijkheid  uit  komt. 

Zeker,  „een  dichterwoord  op  zijn  best  is  dan  ook  een 
woord  van  wijsheid".  Het  schoone  en  de  kunst  bespreekt 
Bolland  in  verband  met  de  idee  van  het  Verhevene. 

De  hooge  bewustheid  van  den  verheven  geest  is  een 
voorrecht  en  een  vloek  tevens;  gelijk  de  „held"  in  het 
drama  er  zelfs  mede  ten  onder  gaat. 

Een  aantal  pag.  (12 — 23)  zijn  belangwekkend  om  de 
persoonlijke  factoren  die  te  berde  gebracht  worden ,  en  niet 
alleen   psychologisch  maar  ook  philosophisch  licht  werpen 


118  BOEK-BESPREKING. 

op  den  weg  waarlangs  Bolland  tot  Hegel  gekomen  is,  welke 
verklaring  wel  indruk  moet  maken. 

De  inhoud  der  volgende  pag.  betreft  het  verband  tusschen 
physica  en  metaphysica,  metaphysica  en  philosophie,  en 
tusschen   religie   en   philosophie. 

D.  B. 


Verstandig  Misverstand.  Kritiek  van  den  „Open  Brief" 
enz.  door  Mr.  A.  J.  van  den  Bergh. 
Uitrecht,  J.  de  Kruyff,  1906. 

In  zijn  brochure,  antwoord  op  den  Open  Brief  van  Prof. 
Jelgersma,  noemt  Prof.  van  der  Bergh  §1:  „De  eereschuld 
tegenover  toenemend  misverstand",  §  2 :  „De  speldeprikken 
van  Prof.  Jelgersma".  Van  geen  zuiver  philosophisch  belang 
zijnde ,  geven  deze  met  enthusiasme  geschreven  §  §  geen 
aanleiding  tot  nadere  beschouwing  in  dit  Tijdschrift.  Het 
zelfde  geldt  voor  §  §  6  en  7. 

In  §  3  worden  „de  bewijsmiddelen  tegen  Prof.  Bolland" 
in  strikt  juridischen  trant  logisch  doordacht  weerlegd.  De 
Heer  Van  den  Bergh  is  daarbij  zeer  uitvoerig,  neemt  alles 
wat  de  openbriefschrijver  aanvoert  ernstig  op,  behandelt 
de  stof  der  gegevens  nauwkeurig  en  oordeelt  met  het  be- 
trachten der  hierbij  vereischte  rechtvaardigheid.  In  het  betoog, 
waarbij  ook  §  4  behoort,  wordt  tevens  het  goed  recht  der 
wijsgeerige  terminologie  betrokken. 

Ook  §  5:  „Prof.  Jelgersma  een  onbewuste  Hegeliaan"  is 
de  wijsgeerige  aandacht  waard.  Eén  dictum  van  Prof.  J. 
blijve  ook  hier  bewaard:  „Men  kan  het  bestaande  niet  van 
éen  enkel  standpunt  uit  begrijpelijk  maken.  (pag.  25). 

D.  B. 


BOEK-BESPREKING.  119 

De  „Open  Brief"  van  Prof.  Dr.  G.  Jelgersnia  aan  Prof. 
Q.  J.  P.  J.  Bolland,  kritisch  toegelicht  door  L.  H.  Grondijs, 
Phil.  Docts. 

Leiden,  Voorheen  E.  J.  Brill,  1906. 

Dit  polemisch  geschrift,  met  stylistisch  en  nu  en  dan 
zelfs  woordkunstig  vernuft  samengesteld,  laat  zich,  hoewel 
met  philosophie  doortrokken,  moeilijk  in  weinig  regels  in 
wijsgeerigen  zin  kenschetsen. 

Het  citaat  uit  Lewes'  hoofdwerk :  „Have  we  any  idea 
independent  of  experience",  dat  Prof.  Jeigersma  o.  m.  voor  zijn 
brief  plaatst,  wordt  tot  uitgangspunt  voor  een  beschouwing 
over  het  verband  tusschen  empirie  en  wetenschap,  subjec- 
tiviteit en  objectiviteit,  physica  en  metaphysica.  De  causa- 
liteit, het  atomisme  en  Kant's  gedachte  van  het  Ding-an-sjch 
worden  daarin  betrokken. 

Belangrijk  in  dit  verband,  van  natuurwetenschappelijk 
zoowel  als  van  wijsgeerig  standpunt,  is  de  aanwijzing 
in  de  Encydopaedie  van  een  plaats  waar  Hegel  met  bijzon- 
deren nadruk  aan  de  empirie  alle  recht  doet  wedervaren, 
in  §  246. 

Nog  belangrijker  zou  de  verwijzing  zijn  naar  de  geheele 
Einleitung  tot  de  Encydopaedie ,  in  't  bijzonder  naar  §  12. 
Ook  de  zin  dat  de  Philosophie  „die  Erfahrung  zum  Aus- 
gangspunkte  (hat)" ,  dien  de  Heer  Grondijs  citeert  (pag. 
4),  staat  niet  in  §  246,  zooals  hij  vermeldt,  maar  in  §  12. 
Elders  zegt  Hegel  nog:  „Ohne  die  Ausbildung  der  Erfah- 
rungswissenschaften  für  sich  hatte  die  Philosophie  nicht 
weiter  kommen  können  als  bei  den  Alten"  (XV.  258). 

Tot  zuiyer  begrip  worde  opgemerkt  dat  Hegel  (Ene.  §  8) 
de  oude  scholastieke  stelling:  „nihil  est  in  intellectu ,  quod 
non  fuerit  in  sensu" ,  —  waarop  zich  ook  de  ervarings- 
wetenschap grondt,  en  die  de  basis  is  van  de  philosophie 
van  Locke,  —  ook  in  omgekeerden  zin  waar  acht:  nihil  est 


120  BOEK-BESPREKING. 

in  sensu,  quod  non  fuerit  in  intellectu",  —  in  dien  zin 
n.1.  waarin  de  vovg,  het  principe  van  Anaxagoras'  wereld- 
beschouwing ,  begrepen  als  Geest ,  of  de  Jlóyog  van  Herakleitos 
in  de  hooge  beteekenis  van  Rede,  de  substantie  der  wereld 
is,   waaruit  dus   ook  al   het  bestaande  ontstaat. 

D.  B. 


Antwoord  aan  Prof.Jelgersma,  van  Dr.  J.  M.  Fraenkel. 
Leiden,  A.  H.  Adriani,  1906. 

Dit  antwoord  op  den  bekenden  brief  is  vol  waardigheid. 
Er  is  hier  en  daar  zelfs  iets  hooggestemds  in.  De  Heer 
Fraenkel  is  een  van  de  weinige  geleerden  die  stijl  heeft. 

Wijsgeerig  het  belangrijkst  is  de  beantwoording  der  vra- 
gen betreffende  de  Rede,  op  pag.  37  van  den  brief,  die  in 
den  vorm  van  een  catechismus  voor  een  goede  philoso- 
phische  propaedeusis  kan  gelden.  Een  voorbeeld.  Op  de 
vraag:  „Is  de  Zuivere  Rede  een  primum  movens  en  als 
zoodanig  voor  naderen  uitleg  onvatbaar?"  —  luidt  o.  m. 
het  antwoord,  nadat  gewezen  is  op  de  eenzijdigheid  van 
zulk  een  wereldverklarend  beginsel :  „Wat  aan  de  ge- 
dachte van  een  primum  movens  de  waarheid  is,  heeft  de 
zuivere  Rede  zelf  uit  te  maken  en  zoo  kan  zijzelf  niet 
alleen  een  primum  movens,  maar  ook  een  perpetuum  mo- 
bile genoemd  worden,  —  wat  Plato  van  de  ziel  zegt. 
(Phaedrus  245  C,  D.)." 

Belangwekkend  zijn  ook  de  „stellingen",  die  de  Heer 
Fraenkel  den  tijdgeest  in  natuuwetenschappelijke  kringen 
laat  uitspreken.  De  tijdgeest  is  eenzijdig  en  spreekt  als 
zoodanig  in  stellingen.  Twee  ervan  zijn : 

1.  „Onze  kennis  betreft  verschijnselen,  niet  het  wezen 
der  dingen." 

2.  „Alleen  de  stomme  feiten  moeten  spreken."  — 


BOEK-BESPREKING.  121 

De  Philosophie  vraagt  naar  waarheid  —  en  geeft  er  het 
antwoord  op.  Ook  Pilatus  vraagt,  in  het  vierde  Evangelie: 
„Wat  is  waarheid."  De  mensch,  neen  de  menschelijke 
geest  —  of  de  mensch  die  uit  zijne  menscheiijkheid  tot  geestelijk- 
heid gestegen  is  —  vraagt  steeds :  Wat  is  waarheid  ?  Het  ant- 
woord erop  is  de  Philosophie,  is  de  Encyclopaedie  der  Idee. 

Dit  antwoord  zal  ook  de  natuurwetenschap  leeren  ver- 
staan als  zij  zich  tot  natuurphilosophie  omhoog  werkt. 
Maar  voorloopig  blijft  voor  haar,  die  de  waarheid  „bena- 
deren" wil  op  een  eindelooze  baan,  het  woord  van  Schiller 
gelden,  dat  hij  richt  tot  Die  Förscher: 

„Wahrheit,  wo  rettest  du  dich  hin  vor  der  wutenden 

[Jagd? 

Dich  zu  fangen ,  ziehen  sie  aus  mit  Netzen  und  Stangen ; 

Aber  mit  Geistestritt  schreitest  du  mitten  hindurch." 

D.  B. 


INHOUD  VAN  TIJDSCHRIFTEN. 


Zeitschrift  für  Philosophie  iind  philosop/iisc/ie  Kritik. 
(Leipzig   Voigtlander). 

Bd.  128  Heft  2. 

R.  Reimann,  Einige  Gedanken  iiber  die  Organisation  des 

Ideenreichs    mit    kurzem    Hinblick  auf   die  platonisch- 

aristotelische  Idee. 
B.  Mities,  Das  Wirkungsprinzip  der  Reklame. 
H.    Pudor,    Von  den   asthetischen   Formen   der  Rauman- 

schauung. 
A.   Bastian,    Quellen    und    Wirkung   von   Jacob   Böhmes 

Gottesbeweis. 

Bd.  129  Heft  1. 

A.  Domer,  Eduard  Hartmann. 

A.   Bastian,    Quellen    und    Wirkung   von   Jacob   Böhmes 

Gottesbeweis  (Schluss). 
A.   Meinong,   Ueber  die  Stellung  der  Gegenstandstheorie 

im  System  der  Wissenschaften  I. 
Chr.  Pflaum,  Bericht  über  die  Italienische  Philosophische 

Litteratur  des  Jahres  1905. 


INHOUD   VAN   TIJDSCHRIFTEN.  123 

Archiv  für  Pliilosophie ,  I  Abteilung  (Berlin  Reimer). 

Bd.  19  Heft  4  (N.  F.  XII,  4). 

L.  Robinson,  Untersuchungen  über  Spinoza's  Metaphysik  II. 

M.  Clodius  Piat,  L'être  et  Ie  Bien  d'après  Piaton. 

A.    Leclère,    L'esquisse   d'une    Histoire  générale  et  com- 

parée  des  Philosophies  médiévales  de  M.Frangois  Picavet. 
Andreas  Freiherr  di  Pauii,  QuadratusMartyr,  derSkoteino- 
loge.   James  Lindray,  Plato  and  Aristotle  on  tlie  problem 

of  efficiënt  causation. 

Bd.  20  Heft  1  (N.  T.  XIII,  1). 

K.  Joëi ,  Die  Auffassung  der  Kynisciien  Sokratik. 

O.  Gilbert,  Der  öal[.icov  des  Parmenides. 

H.  Maier,  Zur  Syilogistik  des  Aristoteles. 

Br.  Petronievics ,  Zenos  Beweise  gegen  die  Bewegung. 

Eberz,  Die  Einkleidung  des  platonischen  Parmenides. 

L.  Kunz,  Die  Erkenntnisstheorie  d'Alemberts. 

Vierteljahrsschrift  für  wissenschaftlicfie  Pliilosophie  und 
Soziologie. 

30  Jhrg.  Heft  III  (Sept.  1906). 
Georg  Wernick,  Die  Wirkiichkeitsgedanke  II. 
Max  Frischeisen-Köhler:  Die  Lehre  von  der  Subjektivitat 
der  Sinnesqualitaten  und  ihre  Gegner. 

30  Jhrg.  Heft  IV  (Dec.  1906). 
Georg  Wernick,  Die  Wirkiichkeitsgedanke  III. 
E.    v.    Aster,   Ueber  die  erkenntnis-theoretischen  Grund- 

lagen  der  biologischen  Naturwissenschaften. 
P.  Barth,  Die  Geschichte  der  Erziehung  in  soziologischer 

Beleuchtung  V. 
Karl   Marbe,  Beitrage  zur  Logik  und  ihren  Grenzwissen- 

schaften. 


124  INHOUD   VAN   TIJDSCHRIFTEN. 

Kantstudien  (Berlin,  Reuther  u.  Reichard). 

XI  Heft  I. 

G.  Huber,  Graf  von  Benzel-Sternau  und  seine  „dichte- 
rischen  Versuche  über  gegenstande  der  kritischen  Phi- 
losophie." 

M.  Rubinstein ,  Die  logischen  Grundlagen  des  Hegelschen 
Systems  und  das  Ende  der  Geschichte. 

T.  Behrend,  Der  Begriff  des  reinen  Wollens  bie  Kant. 

W.  Lütgert,  Hamann  und  Kant. 

XI  Heft  2. 

B.  Bauch,  Chamberlains  „Kant". 

P.  Hauck,  Die  Entstehung  der  Kantischen  Urteilstafel. 

W.    Meinecke,    Die    Bedeutung   der   Nicht-Euklidischen 

Geometrie    in  ihrem   Verhaltniss  zu  Kants  Theorie  der 

mathematischen  Erkenntniss. 
E.  Sulze,  Neue  Mittheilungen  über  Fichtes  Atheïsmusprozess. 
A.  Görland,  Natorps  Einführung  in  den  Idealismus  durch 

Platos  Ideenlehre. 
E.    Ebstein    und  J.  Jünnemann ,    Ein    unbekannter   Brief 

Kants  an  Nicolovius. 
A.    Höfler,  Zu  Kants  metaphysischen  Anfangsgründen  der 

Naturwissenschaft. 

E.  von   Aster,   Der  zweite   Band  der  Akademie-Ausgabe. 

Revue  Philosopliiqiie. 
Septembre  1906. 

P.  Gaultier,  Qu'est  ce  que  l'art? 

F.  Ie  Dantec,  Les  objections  au  monisme  (II). 

R.  de  la  Grasserie,  Les  moyens  linguistiques  de  conden- 
sation  de  la  pensee. 


INHOUD    VAN   TIJDSCHRIFTEN.  125 

Octobre  1906. 

G.  Dumas,  Les  conditions  biologiques  du  remords. 

F.  Paulhan,  L'échange  économique  et  1'échange  affectif: 
Ie  sentiment  dans  la  vie  sociale. 

Kozlowslci,  L'„a  priori"  dans  la  science. 

Rignano,   La  transmissibilité  des   caractères  acquis,  par 

F.  Ie  Dantec. 
P.  Lacombe ,  La  psychologie  des  individus  et  des  sociétés: 

chez  Taine,  par  F.  Paulhan. 

Novembre  1906. 
H.  Bergson,  L'idée  du  néant. 
C.  Bos,  Des  éléments  affectifs  de  la  conception. 
E.   Rignano,  Une  nouvelle  theorie  mnémonique  du  déve- 

loppement. 
Probst-Biraben ,  L'extase    dans  Ie    mysticisme  musulman 

Les  étapes  du  Soufi. 

Revue  de  Philosophie.  , 

Septembre  1906. 
Philosophie:  E.  Mallet,  La  philosophie  de  l'action. 
M.  Baudin,  La  philosophie  de  la  foi  chez  Newman  (III). 
Philosophie  des  sciences:  F.  Mentré,  La  philosophie  des 
sciences  d'après  Cournot. 

Octobre  1906. 

Esthétique:  P.  Gaultier,  La  critique  d'art. 

Psychologie:  N.  Vaschide  et  R.  Meunier,  La  mémoire  des 

rêves  et  la  mémoire  dans  les  rêves. 
Philosophie:   E.   Baudin,   La   philisophie   de   la  foi  chez 

Newman  (IV). 

Novembre  1906. 
Philosophie:  J.  Gardair,  La  connaissance  de  Dieu. 

G.  Guentin,  Le  libre  arbitre. 


126  INHOUD   VAN    TIJDSCHRIFTEN. 

Mind  (London,  Williams  and  Norgate). 
New  Series  No.  60  (Oct.  1906). 

J.  H.  Bradley,  On  floating  ideas  and  the  imaginery. 
S.  Vailati ,  A  study  of  platonic  terminology. 
H.  Foston,  The  constitution  of  thought. 
Hugh  Mac  Coll,  Symbolic  reasoning. 


OVERZICHT  DER  WERKZAAMHEDEN 

VAN 

DE  VEREENIQINQEN  VOOR  WIJSBEGEERTE 

vervuld  in  het  eerste  deel  van  den  winiercursus  190617. 


Vereeniging  voor  Wijsbegeerte  te  Amsterdam. 

Dr.  Ph.  Kohnstamm,  Voorzitter. 
J.  Verkerk,  Ie  Secretaris. 

Lezingen  gehouden  13  Dec.  1906  door  Dr.  D.  G.  Jelgersma, 
over  Kant  als  schrijver  en  deni<er. 

9  Jan.  1907  door  Dr.  J.  D.  Bierens  de  Haan,  over:  De 
Eenheid  des  geestes  in  de  drie  fakuiteiten  van  het  praktisch 
bewustzijn  (moraliteit,  aesthese,  religie). 

18  Febr.  door  den  Heer  Julius  de  Boer  over:  Hegel 
en  Spinoza. 

Cursussen  dezen  winter  gehouden  door  Dr.  J.  D.  Bierens 
DE  Haan:  Inleiding  tot  de  Wijsbegeerte; 

door  Mej.  E.  Vas  Nunes:  Voorbereiding  fot  de  studie 
van  Hegels  Wijsbegeerte; 

door  Dr.  A.  J.  Resink:  Systematische  Cursus  over  Wijs- 
begeerte en  wijsgeerige  behandeling  van  Politieke  vragen 
van  den  Dag. 


128  OVERZICHT  DER  WERKZAAMHEDEN. 

Vereeniging  voor  Wijsbegeerte  te  Leiden. 

J.  Claij,  Voorzitter. 

J.  C.  DE  Haan,  1ste  Secretaris. 

Lezingen  gehouden  door  K,  J.  Pen  over:  Geschiedenis 
der  nieuwe  Wijsbegeerte  20  Nov.  en  6  Dec.  1906. 

25  Jan.  J.  Claij  over:  Natuurphilosophie  en  Atomistielc. 

31  Jan.  Dr.  J.  D.  Bierens  de  Haan  over:  De  Eenheid 
des  geestes  enz. 

Vereeniging  voor  Wijsbegeerte  te  Utrecht. 

(Geen  bericht  ingei<omen). 

Phiiosophische  Studenten-Vereeniging  te  Amsterdam. 

F.  R.  Klaverweide,  Pres. 
Mej.  A.  Zernike,  Secr. 

Lezing  gehouden  door  Prof.  Straub  over:  het  lichameiijlc 
zien.  Plato-studieclub  onder  leiding  van  Prof.  Kuiper. 

Vereeniging  voor  Wijsbegeerte  te  Arnhem. 

Opgericht  1  Jan.  1907.  Aantal  leden  32. 

F.  J.  W.  Drion,  Voorz. 
J.  L.  A.  Kremer,  Secr. 

Vereeniging  voor  Wijsbegeerte  te  's-Qravenhage. 

Opgericht  21  Febr.  1907. 

Bestuursleden:  Mr.  J.  J.  van  Geuns,  Dr.  W.  Meijer, 
Dr.  WijNAENDTS  Francken,  Dr.  DER  Mouw,  Dr.  K.  H.  E. 
de  Jong,  R.  Casimir,  F.  J.  van  Paasschen. 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES 

DOOR 

Dr.  H.  RETHY. 


(Slot) 

„Bei  der  Kristallisation  der  Anorgane  zeigt  sich  ganz  einfach 
dass,  wenn  in  einer  Mutterlauge  viele  verschiedene  Salz- 
lösungen  unter  einander  gemischt  sich  befinden,  beim  Ab- 
dampfen  derseiben  alle  einzelnen  Salze  gesondert  heraus- 
kristallisieren,  indem  das  gleiche  stets  das  Gleiche  anzieht." 

„Offenbar  beruht  diese  wichtige  Erscheinung,  welche  die 
Gleichartigheit  der  chemischen  Substanz  ganz  ebenso  in  der 
structurlosen  Monere,  wie  in  dem  Kristalle  bedingt  auf  denselben 
Gesetzen  der  molecularen  Anziehung  und  Abstossung.  Die- 
selben Gesetze  der  chemischen  Verwantschaft  und  physi- 
kalischen  Massenanziehung,  bewirken  zusammen  in  gleicher 
Weise  das  Wachsthum  der  Organismen  und  der  Anorgane." 

Hier  is  een  klassiek  voorbeeld  voor  onze  oogen  hoe,  om 
een  vooropgevatte  meening  te  verdedigen  zelfs  door  zich 
„exact"  noemende  onderzoekers  aan  de  feitenwereld  geweld 
kan  worden  aangedaan. 

Leven  moet,  het  koste  wat  het  wil,  identisch  worden 
gemaakt  met  mechanisme,  dynamisme  en  chemisme.  Het 
feit    dat    aan   levensverschijnselen   heel   wat   mechanische, 

9 


130  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

physische  en  chemische  verschijnselen  voorkomen  bewijst 
voor  de  „monisten"  van  Haeckel's  richting  dat  een  levend 
individu  eigenlijk  niets  anders  is  dan  (wel  is  waar  gecom- 
pliceerde) physisch  mechanisch  chemische  machine. 

„Es  spricht  nichts  gegen  die  Möglichheit  dass  den  tech- 
nischen  oder  experimentellen  Naturwissenschaften  gelingen 
wird  auch  die  künstliche  Herstellung  lebender  Maschinen."  ^) 

Om  deze  vooropgevatte  meening  te  verdedigen  moet  men 
aan  den  eenen  kant  aan  de  chemisch-dynamische  verschijnselen 
zooveel  mogelijk  „leven"  aantoonen  en  aan  den  anderen 
kant  aan  alle  verschijnselen  van  het  leven  zoolang  tornen, 
tot  het  gelukt  al  wat  naar  leven  en  spontaneïteit  lijkt,  weg 
te  redeneeren. 

■ 

Kristal  staat  nu  zeer  dicht  bij  de  anorganische  wereld. 
Met  zeer  veel  juistheid  heeft  Haeckel  waargenomen  echter,  dat 
het  kristal  een  innerlijke  structuur  bezit  gelijk  een  organisme.  — 

Haeckel  heeft  ook  echter  een  theoretische  Protozoon  die 
hij  Monere  noemt,  als  grondslag  voor  de  georganiseerde 
Natuur  aangenomen. 

Dit  betrekkelijk  bewegelijke  organisme,  dat  ook  in  staat  moet 
zijn  zich  door  aanpassing  enz.  tot  een  hooger  levensstandaard 
te  ontwikkelen,  moeten  wij  echter  met  alle  geweld  lager  voor- 
stellen als  een  kristal.  Immers  de  Monere  moet  volgens 
Haeckel  als  „structurlos"  gedacht  worden  terwijl  het  rigide 
kristal  „eine  innere  Structur  besitzt  gleich  der  Organismus." 

Doch  dit  alles  zoude  men  cum  grano  salis  kunnen  opvatten 
denkende  dat  hij  het  zoo  erg  niet  meent. 

Onmogelijk  is  echter  de  verklaring  van  Haeckel  van  de 
vorming  zijner  Monere  en  die  van  het  kristal  te  verdedigen. 

Volgens  Haeckel  komt  de  kristallisatie  en  monerencel- 
vorming  tot  stand  „indem   das  Gleiche  stets   das   Gleiche 


1)  Loeb.  Dynamik  der  Lebenserscheinungen. 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  131 

anzieht."  Dit  is  in  de  eerste  plaats  eene  eenigszins  onbe- 
holpen formuleering  van  het  organisatie  en  kristallisatie  proces 
al  is  het  niet  geheel  onjuist.  Maar  geheel  onjuist  is  de 
attractie  van  het  gelijke  door  het  gelijke  als,  „eine  physika- 
lische  Massenanziehung"  en  als  „chemische  Verwandtschaft" 
te  decreteeren. 

De  mechanische  attractie  komt  tot  stand  tusschen  zeer 
ongelijksoortige  stoffen  en  geschiedt  uitsluitend  uithoofde 
van  de  verschillende  massagrootheden.  Adhaesie  en  capil- 
lariteitsverschijnselen  komen  ook  tusschen  stoffen  van  geheel 
verschillende  soort  tot  stand. 

In  de  wereld  van  de  elektrische  verschijnselen  stoot  het 
gelijke  juist  het  gelijke  af;  de  kationen  trekken  juist  de 
anionen  aan. 

Chemische  verwantschap  bestaat  juist  in  de  aantrekking 
van  geheel  tegengestelde  radicalen,  van  geheel  ongelijk- 
soortige stoffen. 

Dat  nu  in  het  kristallisatieproces  en  monerenvorming 
juist  het  gelijke  door  het  gelijke  wordt  aangetrokken ,  is  een 
bewijs  temeer  dat  deze  processen  juist  zoo  onidentisch 
mogelijk  zijn  met  mechanische,  chemische  of  physische 
massenattractie. 

Waar  in  eene  chemische  verbinding  of  mengsel  het  kristal 
en  de  monere  ontstaat,  daar  houdt  de  uitsluitende  heerschappij 
van  chemie  en  physica  op,  daar  treedt  het  leven  op,  dat 
chemisme  en  physica  beheerscht.  —  In  het  ontstaan  van 
het  kristal  hebben  wij  te  zien  de  „generatio  aequivoca"  en 
de  rangschikking  der  stoffen  volgens  vaste  typen  is  niet 
meer  het  werk  van  chemische  krachten  maar  van  den  „nisus 
formativus." 

In  chemischen  en  physischen  zin  bestaat  er  niet  de  minste 
reden  voor  de  aantrekking  van  analoog  samengestelde  stoffen 
door  het  groeiende  kristal. 


132  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

De  verschillende  stoffen  vormen  wel  voortdurend  nieuwe 
verbindingen  en  vertoonen  daardoor  iets  analoogs  aan  het 
leven  doch  tot  gedaante  Icomt  het  niet.  ^) 

Het  feit  dat  in  een  zekeren  zin  aan  de  voortdurende 
wisseling  der  ionenverbindingen  een  einde  wordt  gemaakt 
door  het  kristal,  wordt  door  den  nisus  formativus  bewerkt 
die  bepaalde  verbindingen  fixeert. 

De  nisus  formativus  heft  den  chemisch-dynamischen  drang 
der  affiniteiten  of  potentiaalverschillen  der  verschillend 
geladen  radikalen  op,  om  dat  arbeidsvermogen  in  andere 
banen  te  sturen. 

Dat  Haeckel  cum  suis  huiverig  is  voor  zoo  iets  als  „nisus 
formativus"  is  zeer  verklaarbaar,  uit  zijn  vooroordeel  dat 
het  monisme  staan  of  vallen  moet  met  het  geloof  aan  de 
volkomene  reduceerbaarheid  van  alle  levensverschijnselen 
tot  mechanische  en  dynamische  krachtsuitingen. 

De  eenheid  van  de  natuur  kan  echter  slechts  ware  een- 
heid zijn  door  dat  zij  in  zich  het  onderscheid  verdraagt  en 
voortbrengt. 

De  natuurverschijnselen  zijn  wel  degelijk  van  elkander 
onderscheiden  zonder  dat  die  onderscheiding  daarom  in 
redelijkheid  als  scheiding  behoeft  te  blijken. 

De  geheele  natuur  laat  zich  zeer  goed  mathematisch  me- 
chanisch opvatten,  doch  een  uitsluitende  mechanische  natuur 
opvatting  is  eene  eenzijdige. 

Wij  moeten  terwijl  wij  chemisch,  physisch,  biologisch 
of   physiologisch    de   natuur   leeren  denken    ons    duidelijk 

1)  In  geen  chemisch  mengsel  heerscht  volkomen  evenwicht  en  iedere  reactie 
is  theoretisch  als  omkeerbaar  te  beschouwen.  Men  is  zeer  geneigd  tegenwoordig 
om  aan  te  nemen,  dat  de  verbinding  niet  tusschen  de  volledige  chemische 
lichamen  plaats  vindt  maar  tusschen  de  gedissocieerde  ionen.  Blijkbaar  ge- 
dragen zich  ongedissocieerde  chemische  verbindingen  reeds  als  individuen, 
kristallen,  die  toch  ook  niet  op  elkander  inwerken  naar  de  oude  regel: 
„Corpora  non  agunt  nisi  soluta."  Naar  moderne  opvatting  is  „soluta"  niet  vol- 
doende meer,  het  moet  zijn  „dissoluta"  of  „dissociata". 


I 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  133 

maken  dat  in  al  dit  denken,  dezelfde  werkelijkheid  en  het- 
zelfde denken,  voor  zich  object  wordt. 

Physische  en  chemische  werkingen  zijn  voor  het  reflec- 
teerend  verstand,  dat  in  zijne  reflecties  eenzijdig  bevangen 
blijft  en  die  reflecties  fixeeren  en  objectiveeren  wil,  al  even 
onbegrijpelijk  als  de  biologische  of  psychologische. 

Gewicht,  ondoordringbaarheid,  cohaesie,  elasticiteit  zijn 
eigenlijk  evenveel  en  evenweinig  geheimzinnig  als  vis  vitalis, 
affiniteit  of  psyche. 

Schopenhauer  zegt:  „Begreiflich  und  rein  ergründlich  ist 
immer  nur  das  Mathematische:  weil  es  das  im  Subject,  in 
userm  eigenen  Vorstellungsapparat  wurzelnde  ist;  sobald  aber 
etwas  eigentlich  Objectives  auftritt,  etwas  nicht  apriori  be- 
stimmbares,  da  ist  es  sofort  in  letzter  Instanz  unergründlich." 

Ondoorgrondelijk  zeker,  maar  alleen  voor  het  verstand 
dat  slechts  met  verklaringen  vrede  kan  hebben  maar  niet 
voor  de  Rede ,  die  de  relatieve  waarde  van  verklaringen 
inziet  en  niets  onbegrijpelijk  acht  wat  in  de  rede  ligt. 
Het  leven  ligt  in  de  rede,  en  zeker  ligt  niets  zoo  in  de 
rede,  niets  is  in  de  Natuur  aan  de  rede  meer  verwant  dan 
het  leven. 

Nergens  bespeurt  de  geest  in  de  natuur  zooveel  redelijk- 
heid als  juist  in  de  levensverschijnselen.  Dit  is  hetgeen 
een  Spinoza  bedoelt  als  hij  het  leven  aanduidt  als  het 
„adaequate  begrip." 

Constateer  aan  het  leven  zooveel  mechanisme,  physicaen 
chemisme  als  ge  wilt,  (zelfs  hoe  meer  hoe  liever)  maar 
erken  het  leven  ook  als  eene  redelijke  integriteit. 

Laten  wij  in  ons  het  vermogen  ontwikkelen  het  leven 
ook  organisch,  „more  biologico"  te  denken  en  op  het  ge- 
bied van  de  organische  natuurkategoriën  ons  even  veilig 
voelen  als    op   dat  der  physische   en   mechanische. 

„Het  ware  in  de  Natuur  kondigt  zich  eerst  in  de  levende 


134  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

natuurlijkheid   aan ,   het  levenlooze   is  allerminst  het  ware 
en  waarheid  is  eerst,  waar  leven  voorondersteld  is."  ^) 


III. 

Tot  voor  korten  tijd  heeft  men  het  ontstaan  der  kristallen 
als  een  plotselinge  rangschikking  der  molekels  in  bepaalde 
groepen  voorgesteld. 

Men  zag  een  kristal  in  een  bepaalde  moederloog  als  het 
ware  aanschieten  en  het  kleinst  waargenomen  individu 
bleek  geheel  gelijken  vorm  te  bezitten  met  het  met  bloote  oog 
zichtbare.  De  kristallisatie  dacht  men  uit  twee  stadiën 
bestaande:  de  plotseling  ontstaande  kerngedaante  en  de 
allengskens  met  meer  of  minder  snelheid  plaats  vindende 
groei. 

Het  is  aan  den  Napolitaanschen  patholoog  Schrön  gelukt, 
ook  eene  praekristallinische  phase  onder  de  mikroskoop  te 
observeeren. 

Door  speciale  projectieapparaten  en  onder  andere  ook 
met  behulp  van  de  Zeis'sche  donkere  kamer  heeft  hij  eene 
800.000  voudige  vergrooting  weten  te  bereiken. 

Die  sterke  vergrooting  heeft  embryonale  kristalvormen  aan 
het  licht  gebracht:  sub  of  praekristallinische  individuen. 

Die  kristalembryonen  hebben  naar  Schröns  beschrijving 
de  meest  mogelijke  verscheidenheid  van  vormen  al  naar  het 
kristalstelsel  en  al  naar  het  stadium  van  ontwikkeling  waarin 
ze  verkeeren. 

Waar  een  kristal  zou  ontstaan  is  eerst  een  troebeling  zicht- 
baar in  het  moederloog,  welke  troebeling,  nader  bezien,  uit  fijn 
gegranuleerde  massa  die  netvormig  geordend  is ,  bestaat.  — 

Die  troebeling  krijgt  later  eene  meer  bepaalde  en  scherpere 


1)  Bolland  Collegium  Logicum  p.  970. 


HET  PRIMITIEVE  LEVENSPROCES.  135 

begrenzing  en  op  die  manier  zien  wij  verscheidene,  op  gang- 
liëncellen  of  osteoblasten  gelijkende  celindividuen  ontstaan 
van  de  meest  variabelen  vormenrijkdom.  Deze  intressante 
praekristallinische  vondsten  brachten  Schrön  er  toe  om  zijne 
terminologie  te  „vitaliseeren". 

In  plaats  van  moederloog  spreekt  hij  bijv.  van  Petro- 
plasma.  —  Met  de  term  plasma  of  blasteem  duidt  men  n.1. 
in  de  biologie  den  vloeistof  aan,  waarin  organismen  ontstaan 
en  waaraan  zij  de  voor  hunne  voeding  noodige  bestanddeelen 
onttrekken.  Bij  Prof.  Benedikt,  den  geestdriftigen  promotor 
van  Schrön's  denkbeelden  en  onderzoekingen  kan  die  gevita- 
liseerde  terminologie  echter  zeer  weinig  genade  vinden. 

„Es  ware  gewiss  für  den  epochemachenden  Studiën 
Schrön's  vortheilhafter  gewesen ,  wenn  er  seine  Bezeich- 
nungsweisen  nicht  aus  der  Biologie  entlehnt  hatte.  Durch 
Anlehung  an  die  Bezeichnungsweise  der  Physiker  wird  die 
Verstandigung  gefördert." 

Dat  die  „Verstandigung"  bevorderd  wordt  neem  ik  gaarne 
aan  maar  of  hiermede  het  „Verstandniss"  dier  verschijnselen 
beter  wordt  is  eene  andere  vraag.  —  Ik  zie  het  volstrekt 
niet  in ,  waarom  de  bioloog  verplicht  moet  zijn  egards 
tegenover  den  physicus  te  betrachten,  en  schromen  moet 
zijn  terminologie  te  „biologiseeren". 

Schrön  beschrijft  ook  hoe  uit  die  petroblastindividuën  kris- 
talindividuën  ontstaan.  Men  ziet  eerst  een  der  hoeken  van  het 
kristal  zich  vormen.  Dezen  eerst  ontstaanden  hoek,  noemt 
Schrön  angulus  dominans.  —  Daarop  komt  de  angulus  diago- 
nalis  die  met  den  angulus  dominans  door  de  hoofdas  wordt  ver- 
eenigd.  —  Die  hoofdas,  tot  dusverre  door  de  kristallographen 
als  eenvoudige  hulplijn  opgevat,  blijkt  gedurende  de  kristal- 
vorming eene  realiteit  te  hebben  om  te  verdwijnen,  nadat 
het  kristalindividu  zich  voltooid  had.  De  hoeken  na  de 
angulus    diagonalis    ontstaan,    noemt    Schrön    secundaire 


136  HET    PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

hoeken.  —  De  troebele  substantie,  oorspronkelijk  het  plasma 
der  kristalcellen  uitmakende,  wordt  meer  en  meer  hyaline 
totdat  zij  met  het  voltooien  van  het  kristal  geheel  door- 
zichtig is.  In  dien  embryonalen  toestand  vertoonen  de 
kristalcellen  of  petroblasten  allerlei  verschijnselen ,  die  aan 
het  planten-  en  dierenrijk  herinneren. 

In  de  eerste  plaats  kon  Schrön  bewegelijkheid  waar- 
nemen. —  Dan  was  hij  in  de  gelegenheid  drie  vormen  van 
vermeerdering  te  observeeren. 

De  eerste  vorm  is  die  door  deeling,  waarbij  wij  een 
individu  zich  eenvoudig  in  twee  deelen  zien  splitsen  en  die 
twee  deelen  zich  actief  van  elkander  verwijderen. 

De  tweede  vorm  is  de  propagatie  door  knopvorming 
waarbij  wij  binnen  een  petroblast  ontstaande  kleinere  in- 
dividuen zich  naar  de  periferie  zien  begeven  om  daar  zich 
van  de  moederkristalcel  los  te  maken. 

De  derde  vorm  vertoont  zich  op  die  wijze,  dat  in  het 
moederlijke  petroplasma  een  dochterkristal  geheel  tot  ont- 
wikkeling komt  en  bij  volle  rijpheid  door  een  partus  zich 
afzondert. 

Tot  mijn  spijt  zijn  mij  de  feiten  door  Schrön  geconstateerd 
niet  uit  eigen  waarneming  bekend. 

De  interessante  verhandeling  van  Prof.  Benedikt  getiteld 
„Kristallisation  und  Morphogenesis"  bracht  dit  feitenmate- 
riaal onder  mijn  bereik. 

Men  oppert  bezwaren  die  zeer  gerechtvaardigd  zijn  dat 
de  al  te  sterke  vergrootingen,  die  Schrön  had  aangewend, 
beelden  leveren ,  die  niet  absoluut  betrouwbaar  kunnen  zijn. 

De  photographische  afbeeldingen,  die  ik  gezien  heb,  maken 
echter  op  mij  den  indruk ,  dat  het  bestaan  der  celvormige 
praekristallijne  individuen  reeds  meer  dan  eene  hypothese  is. 

Doch  ook  als  hypothetische  vormen  hebben  die  prae- 
cellulaire  individuen  reden  van  bestaan. 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  137 

Het  behoeft  ons  volstrekt  niet  als  irrationeel  voor  te 
komen ,  dat  een  kristal  een  embryonaal  stadium  doormaakt 
waarin  het  meer  aan  „leven"  doet  denken  dan  in  zijn  toestand 
van  voltooid  individu. 

Veelvuldig  zijn  wij  toch  in  de  gelegenheid  bij  vele  lagere 
dieren  in  het  embryonale  stadium  eigenschappen  te  obser- 
veeren,  die  aan  individuen  van  hoogere  diervormen  tot  volle 
ontwikkeling  komen ,  doch  bij  die  lagere  dieren  na  het' 
embryonale  stadium  verdwijnen. 

De  ascidiënlarven  zijn  bijvoorbeeld  in  het  bezit  van  de 
chorda  dorsalis,  die  bij  de  volwassen  individuen  oblitereert 
zonder  zich  tot  skelet  te  ontwikkelen. 

Vele  protozoën  boeten  in  volwassen  toestand  de  bewege- 
lijkheid in,  die  ze  in  embryonalen  toestand  bezaten  en  ver- 
stijven tot  plantaardige  individuen. 

De  zwermsporen  der  algen,  dus  de  algenembryonen ,  zijn 
van  wimperharen  voorzien.  Zij  vertoonen  zeer  levendige 
dierlijke  bewegelijkheid  in  het  water.  Naarmate  echter  door 
het  optreden  van  de  cellulose  in  hunne  celwanden  het 
plantaardige  zich  begint  te  laten  gelden,  wordt  die  dierlijke 
bewegelijkheid  steeds  geringer  om  bij  de  volwassen  indivi- 
duen geheel  op  te  houden. 

Zoo  verstijven  ook  de  petrocellulae  tot  kristallen. 

Kristal  heeft  geleefd  bij  zijn  ontstaan. 

In  die  subkristallinische  individuen  hebben  wij  te  zien  de 
ware  generatio  spontanea,  de  allerlaagste  organismen  zonder 
albumen  als  substraat.^)  Het  is  dan  ook  niet  ondenkbaar, 
dat  in  een  behoorlijk  samengesteld  moederloog  onder 
geschikte  omstandigheden,  die   te  bestudeeren  zijn,  prae- 


1)  Het  is  trouwens  nog  lang  geen  uitgemaakte  zaak  dat  liet  eiwit  een 
onvermijdelijk  noodzakelijk  bestanddeel  van  het  protoplasma  is.  Sommige 
algen  (b.v.  de  Vaucheria)  schijnen  absoluut  zonder  eenig  eiwitbestanddeel  in 
hun  protoplasma,  alle  levensfuncties  te  verrichten. 


138  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

cellulaire  individuen  ontstaan  zonder  dat  er  van  buiten 
kiemen  in  moeten  vallen. 

Rokitansky  bijvoorbeeld,  was  geheel  vertrouwd  met  de 
gedachte  dat  de  cellen  van  het  levend  organisme  behalve 
„e  cellula"  ook  nog  door  generatio  spontanea  uit  cytoblas- 
teem  kunnen  ontstaan. 

Als  Blasteem  detineert  Rokitansky  „die  gesammten  Arten 
von  austretendem  Gefassinhalte ,  so  die  Ernahrungsflüs- 
sigkeit  im  normalen  Zustande,  die  Exsudate,  die  haemorrha- 
gischen  Ergüsse,  und  selbst  die  Erstarrungen  innerhalb 
der  Gefasse"  i). 

In  dat  Blasteem  als  moederloog  komen  die  cellen  van 
lager  tot  hooger  stadium,  soms  echter  blijven  ze  ook 
duurzaam  op  dat  lager  stadium  en  vormen  zelfs  weefsels.  — 
De  weefsels  door  dergelijke  embryonale  individuen  of  cel- 
kiemen  gevormd,  duidt  Benedikt  met  den  naam  aan  van 
„unterzelligen  Gewebe"  (hypocellulaire  weefsel).  Het  bestaan 
van  praekristallijne  weefsels  is  ook  hoogstwaarschijnlijk.— 

Wij  zien  toch  vaak  genoeg  dat  de  individuen  van  een 
groep  kristallen  niet  in  een  uitsluitend  toevallig  of  mechanisch 
verband  staan. 

De  ijsbloemen,  sneeuwkristallen,  loodboomen  moeten  wel 
in  embryonalen  weefseltoestand  eerst  praeexistent  zijn  om 
al  die  veelvuldige  en  toch  typische  vormen  ons  voor  te 
tooveren.  Ook  de  constante  samenstelling  van  een  ge- 
steente zooals  Graniet  uit  kwarts,  veldspaath  en  glimmer 
zal  niet  het  gevolg  zijn  van  een  toevallig  mechanischen 
neerslag.  Daar  is  al  zoo  iets  als  een  organiseerende  factor, 
werkende  reeds  in  den  embryonalen  toestand,  die  kristallen  en 
mineralen  tot  gesteente  vereenigt.  Een  gesteente  is  wat  meer 
dan  een  eenvoudig  en  toevallig  ontstaan  kristalaggregaat.  — 


1)    (Benedikt:  Wiener  KI.  Wochenschr.  1906  No.  8). 


HET   PRIMITFEVE   LEVENSPROCES.  139 

De  associatie  der  verschillende  soorten  is  naar  een  vast 
systeem  tot  stand  gekomen,  en  is  beslist  niet  toevallig. 
Ook  de  aggregaatsindividuen,  lagen,  en  conglomeraten  zijn 
pogingen  tot  geognostische  individualisatie.  Hier  mogen  wij 
gerust  van  geognotische  individualisatie  spreken,  want  niemand 
minder  dan  Haeckel  erkent  de  gesteenten  als  „Höhere  Anor- 
gane  bei  welchen  die  complicierteGestalt  des  Ganzen  aus  der 
gesetzmassigen  Vereinigung  untergeordneter  Teile  resultirt". 

Benedikt  noemt  een  kristal  „die  erstarrte  Leiche  eines 
Salzes"  daarmede  wil  hij  aanduiden  dat  het  kristal  wel 
eigenlijk  dood  is,  maar  eenmaal  geleefd  had.  Deze  formu- 
leering vind  ik  echter  niet  geheel  passend. 

Een  dierenlijk  is  niet  meer  in  staat  na  verminking  zijn 
integriteit  te  herstellen ,  al  plaatst  men  het  in  zijn  specifiek 
bloedserum.  Het  lijk  gedraagt  zich  als  een  complex  van 
elementen ,  die  met  de  elementen  rondom ,  chemische  ver- 
bindingen kunnen  aangaan. 

Kristallijken  kunnen  wij  maken  door  verhitting  en  plotse- 
linge afkoeling  van  kristalindividu's.  Die  zijn  niet  meer  in 
staat  op  de  wijze  van  etsfiguren  tegen  chemische  agentia  te 
reageeren,  ook  zullen  dezen  in  hun  moederloog  terug- 
geplaatst, noch  verder  aangroeien,  noch  bij  eventueele 
defecten  de  tot  herstel  noodige  elementen  uit  dat  moederloog 
tot  zich  trekken  en  met  zich  assimileeren. 

Intressant  is  anders  het  feit  dat  op  de  plaats  van  de 
verminking  van  een  kristalindividu ,  de  weerstand  tegen  een 
oplosmiddel  sterker  is  en  de  oplosbaarheid  van  de  kristal- 
substantie geringer  blijkt  dan  op  andere  normale  deelen 
van  de  kristaloppervlakte.  Er  is  niet  veel  phantasiever- 
mogen  toe  noodig,  in  dit  belangrijk  verschijnsel  de  intensie- 
vere reactie  van  het  kristalorganisme  op  de  bedreigde 
plaats  te  zien,  analoog  aan  de  reactie  van  het  vegetatief  of 
animaal  organisme  op  plaatsen  van  een  continuiteitsdefect. 


140  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Hier  zien  wij  de  „vis  medicatrix  natiirae"  in  haren  meest 
primitieven  vorm.  —  Het  vaste  type  waarin  de  lichamelijlcheid 
bij  het  kristal  optreedt,  laat  zich  door  alle  storende  omstan- 
digheden heen  gelden.  Het  leven  toont  hier  al  dat  wonderlijke 
vermogen  van  de  aanpassing,  gepaard  met  de  taaie  vol- 
harding in  gewichtige  soortkenmerken.  Het  leven  heeft  op 
dit  niveau  zooveel  regeneratievermogen,  dat  het  zich  niet 
alleen  uit  een  fragment  maar  ook  uit  de  algeheele  oplossing 
kan  reproduceeren  door  generatio  spontanea. 

Uit  al  het  bovenstaande  is  voor  ons  zeker  duidelijk  ge- 
worden, dat  wij  de  eerste  vormen  des  levens,  de  eerste 
vormen,  die  de  zich  organiseerende  materie  aanneemt,  bij  de 
embryonale  kristallen  hebben  te  zoeken.  Chemisch  zuiver 
aluin,  pikrinezuur,  salicylzuur,  urinezuur,  zwavelzure  baryt 
en  verdere  doorSchrön  onderzochte  chemische  producten,  ver- 
mogen de  ware  generatio  spontanea  voor  onze  oogen  tooveren. 

Wij  zien  in  geheel  homogene  chemische  stoffen  primitieve 
levensvormen  ontstaan  en  levensfuncties  zich  afspelen.  Doch 
weldra  komt  het  tot  een  zich  verstijvend  product  waar  het 
leven  latent  blijkt:  het  kristaM). 

De  organisatietendentie  is  verstijfd,  want  in  deze  sfeer 
en  met  dit  materiaal,  is  het  leven  niet  bij  machte  zich  als 
proces  voort  te  zetten;  daartoe  zijn  veel  gecompliceerdere 
verhoudingen  vereischt. 

Pogingen  om  de  kristallisatie  uit  zuiver  physisch  mecha- 
nische werkingen  te  verklaren  hebben  niet  ontbroken. 

De  verklaring  van  Haeckel  hebben  wij  reeds  als  totaal 
onbruikbaar  en  ongerijmd  veroordeeld. 

Belangrijker  zijn  de  denkbeelden  van  den  physicus  Quincke, 
die  ze  neergelegd  had  in  de  „Annalen  der  Physik.  Bd.  IX" 
en  in  de  „Verhandlungen  der  deutschen  physikalischen 
Gesellschaft  Jaarg.   V   1905." 

1)  „'t  Kristal  is  een  eeuwig  verleden."  (Bolland). 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  141 

Quincke  heeft  de  gedragingen  van  alkohol  en  colloiden 
in  waterige  oplossing  tot  object  van  studie  gemaakt.  Hij 
lieeft  daarbij  het  feit  kunnen  constateeren ,  dat  alcohol, 
colloid  en  zout  niet  in  gelijkmatige  suspensie  in  het  water 
blijven,  maar  dat  die  waterige  oplossing  gesplitst  blijkt 
in  verschillende  deelen  van  ongelijke  alkohol  en  zoutconcen- 
tratie  ^). 

De  splitsing  geschiedt  onder  den  invloed  van  de  grens- 
spanningen,  die  tusschen  zoutoplossing,  alcohol ,  en  colloid 
tot  stand  komen.  Op  deze  wijze  ontstaan  dan  blazen,  wier 
wand  van  colloid  is  en  wier  inhoud  uit  eene  alkoholisch- 
waterige  zoutoplossing  bestaat.  Ook  is  merkwaardig,  dat  het 
zoutgehalte  van  die  blaasjes  naar  het  centrum  toe  steeds 
geringer  wordt  terwijl  het  grootste  zoutgehalte  in  den  blaas- 
wand  zelf  is  die  door  Quincke  als  meer  „Oelartig"  wordt 
aangeduid.  —  In  die  blazen  ziet  Quincke  het  voorstadium 
van  de  kristallisatie ,  want  volgens  zijn  theorie  gaat  dan  in 
iedere  voor  kristallisatie  vatbare  oplossing  aan  het  stadium 
van  kristallisatie  een  stadium  van  algemeene  blaasjesvorming 
in  het  vloeistof  vooraf.  —  „Die  Kristalle  entstehen  aus 
einer  Gallerte  oder  aus  unsichtbaren  Schaumzellen,  mit 
ursprünglich    flüssigen   Wanden,  welche  von  der  ölartigen 


1)  Wij  weten  eigenlijk  niet  precies  wat  de  vloeibare  aggregaalstoestand 
van  de  stof  is.  Daardoor  ontsnapt  liet  wezen  van  een  oplossing  ook  aan  onze 
verklaringen. 

Zoolang  de  zwevende  deeltjes  in  een  vloeistof  nog  zoo  groot  zijn,  dat  zij 
voor  het  ongewapend  oog  zichbaar  zijn,  spreken  we  nog  niet  van  eene  oplossing. 
Doch  in  een  ware  chemische  oplossing  mogen  niet  alleen  voor  het  sterkst 
gewapende  oog  geen  deeltjes  zichtbaar  zijn  maar  zelfs  niet  voorondersteld 
worden. 

Hieruit  blijkt  dat  iedere  stof  in  ieder  oplosmiddel  slechts  betrekkelijk  oplosbaar 
dus  ook  slechts  betrekkelijk  onoplosbaar  is. 

Arrhenius  had  aangetoond,  dat  oplosmiddel  dissocieerend  werkt  op  de 
molekels  van  de  opgeloste  stof.  Zoude  men  daarom  liever  niet  pas  die  deelen 
van  de  stof  waarlijk  „opgelost"  beschouwen,  die  als  ionen  in  het  raedium 
rondzweven  ?  .  < 


142  *        HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Flüssigkeit  gebildet  werden,  gefüllt  mit  salzarmen  Flüssigkeit. 
Beide  erstarren  spater  unter  Abgabe  von  Wasser". 

Aan  die  schuimcellen  hebben  wij  ook  leeren  gelooven 
door  de  onderzoekingen  van  Schrön.  Aan  hun  ontstaan 
liggen  echter  geheel  andere  momenten  dan  physische  grens- 
spanningen  ten  grondslag.  Hoe  in  een  rustig  gelaten  homogene 
oplossing  grensspanningen  en  tengevolge  daarvan  differenti- 
aties in  die  homogeniteit  kunnen  ontstaan  en  daardoor 
kristallisatie  tot  stand  komen,  mag  toch  wel  gevraagd  worden. 
Ook  zal  de  vraag  niet  misplaatst  zijn  aan  welke  oorzaken 
Quincke  die  „Erstarrung  unter  Abgabe  von  Wasser"  toeschrijft 
en  gaarne  hadden  wij  vooral  ook  vernomen  welk  verband 
Quincke  zich  denkt  tusschen  de  chemische  samenstelling 
van  een  kristal  en  de  vormen  die  het  aanneemt.  —  Wij 
mogen  toch  van  eene  redelijke  verklaring  wat  meer  eischen 
dan  het  eenvoudig  decreteeren  van  osmotische  drukver- 
schillen, grensspanningen  en  gecompliceerde  chemische 
verhoudingen. 

Aangenomen  het  feit,  dat  door  de  onderzoekingen  van 
Schrön  ons  ad  oculos  gedemonstreerd  is,  dat  aan  de  kristal- 
vorming in  engeren  zin,  een  stadium  voorafgaat  waar  het 
toekomstig  kristalindividu  zich  veel  „levendiger"  gedraagt  dan 
bij  zijne  voltooidheid ;  ligt  het  voor  de  hand  op  grond  hiervan 
ons  af  te  vragen,  of  een  bepaald  petrocellula  vatbaar  is  voor 
het  praesteeren  van  andere,  dan  die  regelmatige  kristal- 
vormen. 

Moet  m.  a.  w.  een  bepaald  embryonale  kristal  altijd  zich 
tot  zijn  bepaalden  typischen  kristalvorm  ontwikkelen,  of 
zijn  er  omstandigheden  mogelijk  waarbij  de  ontwikkeling 
in  andere  banen  plaats  heeft?  Speciaal  onderzoek  in 
deze  richting  is  geheel  overbodig  te  doen.  Een  kost- 
baar  en    intressant    materiaal   is  voor  ons  verzameld  door 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  143 

onzen   beroemden    en    hoogbegaafden    landgenoot  Harting. 

Bekend  zijn  geweest  sinds  lange  tijden  het  onnoemelijk 
aantal  variaties  en  vormen,  waarin  zich  het  calciumcarbonaat 
kan  vertoonen ,  zoowel  op  het  gebied  van  de  kristalvormige 
mineralen  als  in  de  producten  en  engere  bestanddeelen  van 
georganiseerde  levende  wezens.  —  Harting  was  nu  de  eerste 
die  uitgebreid  onderzoek  heeft  gedaan  naar  de  uitwendige 
omstandigheden,  die  de  vorming  van  verschillende  gedaanten 
van  het  calciumcarbonaat  bewerken. 

Hij  heeft  kunnen  constateeren  dat,  indien  hij  de  verbinding 
calciumcarbonaat  onder  bepaalde  omstandigheden  tot  stand 
liet  komen,  naast  de  kristallijne  individuen  in  engeren  zin, 
ook  individuen  zich  vormen,  wier  uitwendige  gedaante  in 
het  geheel  niet  aan  de  gewone  kristalvormen  herinnert,  maar 
zeer  veel  gelijkenis  vertoont  met  hoogere  organismen  of 
celelementen  en  weefseldeelen  der  hoogere  organismen.  — 
De  omstandigheden  tot  vorming  van  die  verschillende  variaties 
schijnen  het  gunstigst  te  zijn,  indien  men  het  calciumcarbonaat 
in  een  medium  van  dierlijk  eiwit  Iaat  ontstaan.  —  Harting 
nam  voor  dierlijk  eiwit:  galvloeistof ,  kippeneiwit,  gelatine, 
bloed,  slijm  van  Arion  Rufus  en  dergelijke  stoffen  meer; 
en  het  calciumcarbonaat  liet  hij  ontstaan  door  de  inwerking 
van  Natriumcarbonaat  op  Calciumchloride.  De  gelatineuse 
massa,  die  zooals  bekend  is,  het  neerslag  van  calciumcarbonaat 
pleegt  te  vormen,  breidt  zich  in  het  albumineuse  medium 
uit  tot  een  dun  membraan  en  na  verloop  van  tijd  ziet  men 
in  dat  membraan  sterk  lichtbrekende  corpuscula  zich  ver- 
toonen. 

Die  corpuscula  zag  Harting  aangroeien  tot  individuen  van 
allerlei  gedaante,  die  hij  zeer  schoon  liet  afbeelden  in  een 
zijner  publicaties :  Recherches  de  morphologie  synthétique  sur 
la  production  artificielle  de  quelques  formations  calcaires 
organiques.  (Verh.  d.  Koninkl.  Akad.  d.  Wetensch.  Dl.  XIII). 


144  HET   PRIMITIETE   LEVENSPROCES. 

De  meeste  dier  individuen  zijn  schijfvormig  met  getande 
randen,  hebben  radiairen  bouw,  en  mooie  concentrische  ringen. 
Naast  die  schijfvormen  Icomen  nog  de  door  Harting  genoemde 
„konostaten"  voor,  waarbij  men  aan  de  periferie  van  de  schijf 
een  omgekeerd  kegelvormig  aanhangsel  ziet  uitsteken.  — 
In  een  vroeger  stadium  kunnen  die  individuen  samengroeien  of 
misschien  kan  er  een  soort  van  celdeeling  onder  plaats  vinden 
in  den  embryonalen  toestand.  In  ieder  geval  zien  wij  ook 
heele  weefsels  en  celcomplexen  ontstaan,  die  zeer  aan  klier 
en  spierweefsels  herinneren. 

Aan  al  deze  individuen,  die  Harting  in  dat  medium  van 
eiwit  uit  calciumcarbonaat  had  verkregen,  gaf  hij  den  naam 
van  calcosphaeriten.  —  Harting  heeft  door  zijne  vondsten 
den  grondslag  gelegd  tot  de  z.g.  „experimenteele  plasmogenie" 
die  ondertusschen  ook  vele  interessante  feiten  aan  het  licht 
heeft  gebracht. 

De  tweede  zeer  verdienstelijke  baanbreker  is  geweest 
Traube,  een  wijnkooper  uit  Bresslau,  vooral  beroemd  om 
zijne  onderzoekingen  omtrent  osmotische  spanningen  en 
omtrent  halfpermeabele  wanden.  Ook  Traube  heeft  or- 
ganoide  vormen  verkregen  door  de  inwerking  van  koper- 
sulphaat  op  ferrocyaankali.  Traube  heeft  zijn  eersten  itk- 
omsten  in  het  jaar  1867  in  de  „Archiv.  für  Anatomie  u. 
Physiologie"  geplubliceerd  terwijl  de  eerste  publicatie  van 
onzen  Harting  omtrent  plasmogenie  reeds  uit  het  jaar  1840 
dateert. 

Leduc  te  Nantes  heeft  de  inwerking  van  ferrocyaankali 
op  kopersulphaat  in  een  vehiculum  van  gelatine  doen  plaats 
vinden  en  zag  dat  het  neerslag  zich  rangschikte  in  den  vorm 
van  een  heel  weefsel  uit  polyaedrische  cellen  met  duidelijke 
kernen,  bestaande.  Dergelijke  vormen  verkreeg  Leduc  ook 
door  de  diffusie  van  stoffen  met  verschillende  concen- 
tratiegraad in  elkander.  De  figuren  hierbij  verkregen  maakte 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  145 

hij  zichtbaar  en  photographeerbaar  door  aan  een  der  op- 
lossingen een  kleurstof  toe  te  voegen.  Men  is  ook  in  de 
gelegenheid  karyokinetische  figuren  te  zien  en  heel  wat 
ander  schoons.  Doch  helaas  duurt  dit  slechts,  zoolang  er 
tusschen  de  verschillende  oplossingen  een  zekere  osmotische 
spanningsverschil  bestaat. 

Renaudet  en  Herera  maakten  voornamelijk  de  organoide 
vormen  die  in  de  silicaten  ontstaan,  tot  voorwerp  van 
onderzoek. 

De  silicium-colloiden  zijn  op  zich  zelf  reeds  zeer  interessante 
lichamen.  Siliciumoxyde  kan  zoo  fijn  gesuspendeerd  zijn, 
dat  het  door  filtreerpapier  gaat.  Onttrekt  men  water  'aan  die 
emulsie,  dan  contraheert  ze  zich  en  vormt  een  slijmig  weefsel 
dat  eindelijk  zoo  hard  wordt  als  steen. 

De  zuiverste  opaal  bevat  echter  steeds  nog  tien  procent, 
dat  is  een  vierde  van  zijn  volumen,  aan  water,  dat  niet 
chemisch  gebonden  is,  maar  in  zijn  netwerk  is  ingesloten. 

Silicaten  in  eene  emulsie  vormen  schuimblaasjes  met  vrij 
resistente  wanden  en  vloeibaren  inhoud,  ze  vormen  als  het 
ware  anorganische  cellen.  Deze  cellen  kunnen  nu  door  de 
inwerking  van  zoutoplossing  ten  gevolge  van  osmotische 
spanningsverschillen  tusschen  de  oplossing  binnen  de  cellen 
en  daarbuiten,  allerlei  gedaantewisselingen  vertoonen.  Zij 
bootsen  gangliencellen,  myceliumdraden,  bacillen,  spier- 
veezels,  diatomeën,  infusorien  ,  medusen,  wormen  en  andere 
niet  verder  te  omschrijven  vormen  na.  —  Doch  laten  wij 
even  Herera  zelf  aan  't  woord. 

„Toute  substance  excessivement  divisée  au  sein  d'un 
liquide  se  rapproche  plus  ou  moins  au  protoplasma:  certains 
silicates,  phosphates,  oleates,  savons,  mélanges  de  sucre 
et  huile,  sel  et  huile,  xylol  et  savon,  ainsi  que  Ie  carbonate 
calcaire  des  chaudières,  ayant  un  toucher  graisseux. 
Mais   tout  naturellement   la   ressemblance  se  confond  avec 

10 


146  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

Tidentité  dans  les  silicates,  les  seuls  corps  existant  dans 
tout  Ie  monde  inorganisé  et  ayant  les  propriétés  plastiques 
OU  plasmatiques  supprèmes.  Le  corps  Ie  plus  abondant  dans 
la  planète,  le  silicium  (après  l'oxygène)  forme  des  structures 
organoides  extraordinaires  et  contribue  dans  une  large  pro- 
portion  a  la  constitution  des  mondes:  C'est  le  protoplasma 
du  régne  minerale  et  peut  être  est  ce  aussi  la  base  inorga- 
nique  du  protoplasma  vivant".  ^) 

Deze  zeer  intressante  vondsten  van  de  Plasmogenie  hebben 
in  bepaalde  kringen  grooten  geestdrift  gewekt.  —  Hier  had 
de  mensch  langs  zuiver  experimenteelen  weg  organoide 
vormen  gemaakt.  De  brug  tusschen  het  organische  en  het 
ongeorganiseerde  was  geslagen  en  de  tijd  zou  niet  meer  ver 
zijn  dat  langs  experimentelen  weg  men  niet  alleen  de  meest 
willekeurige  vormen,  maar  ook  geheel  willekeurig  gecon- 
strueerde   organismen  te  voorschijn  zou  kunnen  roepen.  — 

Het  onderzoek  van  vele,  zoowel  organische  als  anorganische 
colloïden  door  Bütschli ,  Quincke  en  andere  heeft  ook  aan- 
getoond, dat  de  door  onze  diverse  histologische  kleurmethodes 
verkregen  figuren  in  het  gefixeerde  celprotoplasma,  terug  te 
vinden  zijn  in  gewone  colloid  neerslagen. 

Door  deze  vondsten  is  het  natuurlijk  zeer  kwestieus 
geworden  of  de  cel  en  kernfiguren ,  die  wij  in  onze  mikros- 
kopische  praeparaten  waarnemen,  gevolgen  zijn  van  de 
physisch  chemische  eigenschappen  van  het  celprotoplasma 
samenstellende  colloïde  eiwit  substantie,  dan  wel  of  zij 
typische  vormen  voorstellen  aan  welke  eene  adaequate  functie 
beantwoordt. 

Nu  is  het  ook  een  feit,  dat  het  protoplasma  dat  wij  kleuren , 
door   de   maatregelen   die  het  tot  mikroskopisch  onderzoek 


1)    A.   Herera.   Notions  générales  de  biologie  et  de  plasmogène  comparée 
traduct  de  G.  Renaudet.  Berlin  1906. 


MET  PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  147 

geschikt  moeten  maken  zoo  geheel  is  „ontzield"  als  het  ware , 
dat  het  haast  als  een  colloid  substantie  zonder  meer  kan 
worden  aangemerkt.  — 

In  elk  geval  heeft  de  vraag  een  zeer  redelijken  grond, 
of  de  differentiatie,  die  wij  door  onze  kleurmgsmethoden  in 
die  doode  colloid-substantie  weten  aan  te  toonen,  beant- 
woorden aan  de  differentiaties,  die  het  levende  protoplasma 
op  het  oogenblik  vertoond  had,  toen  wij  met  geweld  aan 
zijne  functies  een  einde  hadden  gemaakt.  Het  levend  proto- 
plasma is  zonder  eenigen  twijfel  nog  iets  meer  dan  eene 
colloidale  stof  waarin  osmotische  grensspanningen  of  elektro- 
magnetische potentiaal  verschillen  aantoonbaar  zijn.  —  Al 
deze  physische  factoren  mogen  er  natuurlijk  aanwezig  zijn 
doch  gewijzigd  door  den  factor  xaz'eiox^p  dien  wij  het 
Leven  noemen. 

„Es  wird  nicht  genügen  Eiweiss  synthetisch  darzustellen , 
es  wird  auch  nicht  genügen  in  Gelatine  oder  sonstigen 
Colloïden ,  Gebilde  hervorzurufen ,  die  eine  aussere ,  morpho- 
logische  Aehnlichkeit  mit  Coccen,  Bakterien  oder  sonstigen 
lebenden  Organismen  haben.  Der  wesentliche  Umstand  der 
in  einem  Stoffgemisch  vorhanden  sein  muss,  damit  dasselbe 
als  lebend  gelten  kann,  sind  die  automatischen  Regulations- 
vorgange  die  für  Selbsterhaltung ,  Wachsthum  und  Fortpflan- 
zung  —  die  aussere  Form  is  Nebensache.  (Löb.  Vorl.  ueb. 
Dynamik  d.  Lebenserscheinungen). 

De  onderzoekingen  en  de  uitkomsten  die  de  Plasmogenie 
had  opgeleverd  heeft  hier  en  daar  natuurlijk  ook  kritiek 
uitgelokt.  De  opmerkingen  van  Prof.  Borodin,  als  zijnde 
de  meest  skeptische ,  haal  ik  hierbij  aan.  Ik  ontleen  zijn 
woorden  uit  het  werk  van  Bechteren  „Energie  des  lebenden 
Organismus". 

„Von  mancher  Seite  wird  triumphierend  auf  jene  künst- 
lichen   Amöben    hingewiesen,  welche  durch  Verreiben  von 


148  HET   PRIMITIEVE   PEVENSPROCES. 

Oei  mit  Potasche  etz.  dargestellt  werden  können.  Selbst 
erfahrene  Mikroskopiker  sind  beim  Anblicke  dieser  öligen, 
bestandig  ihre  Contouren  vvechselnden  Körper  nicht  im 
Stande,  dieselben  ohne  weiteres  von  einfachsten  Organismen 
zu  unterscheiden  iind  sind  auf  den  ersten  Bliek  nicht  ab- 
geneigt,  in  denselben  lebende  Körper  zu  erkennen.  Ich 
persönlich  möchte  jedoch,  auf  die  Gefahr  hin,  bei  Vielen 
Unwillen  zu  erregen,  es  wagen  bezüglich  den  künstlichen 
Amöben  andern  Anschauungen  Raum  zu  geben.  Ichfürchte, 
zukünftige  unbefangene  Historiker  der  biologischen  Wissen- 
schaft werden  jene  Kunstprodukte  mit  dem  berümhten 
Automaten  von  Vancanson  zu  einer  gemeinschaftlichen 
Gruppe  zusammen  fassen.  Das  selbstbewuste  XVIII''  Jahr- 
hundert  konnte  die  Aufgabe  von  ihrer  schwierigsten  Seite 
anfassen  und  den  Versuch  wagen,  die  Krone  der  Schöp- 
fung  mechanisch  zu  reproducieren.  Das  XX"  Jahrhun- 
dert  beginnt  bescheiden  mit  der  einfachsten  Seite  des 
Rathsels  und  zeugt  statt  des  künstlichen  Menschen  eine 
künstliche  Amöbe.  Die  angewandten  mittel  freilich  sind  in 
beiden  Fallen  ganzlich  verschieden:  dort  ein  überaus  com- 
plicierter  System  von  Radern ,  welches  selbst  den  erfahrenen 
Mechaniker  nachdenklich  macht,  hier  eine  einfache  Emulsion 
von  Oei  und  Potasche.  Das  Wesen  der  Sache  ist  in  beiden 
Fallen  das  Gleiche:  künstliche  Reprodution  ausserer  Lebens- 
erscheinungen  mit  Hilfe  von  Stoffen  die  mit  Lebenssubstrat 
nichts  Gemeinschaftliches  haben.  Erschaffung  von  etwas  dem 
Leben  gleichen  aus  notorisch  todtem  Material." 

(Protoplasma  und  Vitalismus). 

Zonder  bepaald  in  de  huidige  uitkomsten  van  de  Plas- 
mologie  den  machtigen  steun  te  zien  voor  de  chemisch- 
dynamische  opvatting  der  levensverschijnselen,  kan  men  ze 
uit  een  biologischen  standpunt  belangrijk  achten.  —  Dat  er 
onder  bepaalde  omstandigheden  in  een  totaal  ongeorganiseerd 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  149 

medium ,  zonder  samenwerking  van  eenig  organisme ,  orga- 
noide  gedaanten  zich  vormen  is  een  geconstateerd  feit  dat 
toont,  hoe  het  i^ristallisatieproces  een  hoogere  vlucht  ver- 
mag te  nemen  dan  uitsluitend  het  voortbrengen  van  regel- 
matige, door  platte  vlakken  begrensde,  stereometrische 
figuren.  Het  mineralenrijk  blijkt  te  wemelen  van  gedaanten, 
zeer  veel  gelijkend  op  vormen,  die  het  hoogere  organisme 
in  zich  pleegt  te  produceeren. 

Dit  feit  te  constateeren  is  eene  wel  zoo  gewichtige  daad  van 
den  menschelijken  geest,  als  eenmaal  de  ontdekking  der  moge- 
lijkheid van  de  synthese  van  vele  producten  van  het  orga- 
nisme langs  zuiver  chemischen  weg,  geweest  is. 

Maar  terwijl  het  laatste  inzicht  voor  ons  bewustzijn  aan 
het  vermogen  der  chemisch  dynamische  krachten  een  grooter 
terrein  bezorgde,  toont  het  eerstgenoemde  feit  ons  juist  de 
perken  van  het  chemisme  duidelijk  aan. 

De  onderzoekingen  van  Schrön  hebben  ons  waarschijnlijk 
gemaakt,  dat  de  kiem  van  ieder  kristalindividu  een  levens- 
kiem  is,  en  een  levenskiem  heeft  in  zich  den  aanleg  tot 
hoogere  ontwikkeling. 

Een  levenskiem  komt  echter  nooit  of  te  nimmer  tot  stand 
door  chemisch-dynamische  krachten.  Deze  mogen  de  voor- 
waarden van  zijn  ontstaan  vormen,  maar  als  bij  die  voor- 
waarden de  vonk  des  levens  niet  kan  komen,  kan  er 
er  veel  ontstaan,  doch  leven  zeker  niet.  —  Kristal-indi- 
viduen  zijn  nergens  langs  chemischen  weg  verkregen  al 
kristalliseeren  er  stoffen  uit,  die  nooit  in  de  vrije  natuur 
waren  voorgekomen  en  uitsluitend  langs  den  meest  zuiver 
chemisch-synthetischen  weg  waren  verkregen. 

Het  leven ,  al  is  het  in  den  primitiefsten  vorm,  blijkt  nu  een- 
maal niets  ongemoeid  te  willen  laten  en  wenscht,  waar  het  maar 
eenigszins  kan,  zich  te  nestelen  en  te  doen  gelden.  —  Maar 
het  komt  zoo  plotseling  soms  en  ongemerkt,  dat  men  bij- 


150  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

zonder  goed  moet  kunnen  observeeren,  en  met  fijne  werk- 
tuigen bewapend  zijn  om  zijne  allereerste  uitingen  te 
vatten. 

Tusschen  een  chemisch  proces  en  het  uitkristalliseeren 
van  diens  product  kan  zulk  een  geringe  tijd  verloopen,  dat 
men  beide  soms  als  identisch  geneigd  is  aan  te  zien  en 
men  in  den  waan  bevangen  is,  dat  men  zelf  kunstmatige 
kristallen  heeft  geproduceerd  of  ten  minste  langs  zuiver 
chemischen  weg  heeft  laten  tot  stand  komen. 

Het  leven  heeft  veel  kunstmatigs  maar  de  kunstenaar  is 
zeer  naijverig,  want  het  wil  zichzelf  voortbrengen,  vormen 
en  propageeren  en  duldt  geen  steun  van  buiten.  —  Het 
menschelijk  intellect  moge  de  geschikte  materialen  bij  elkander 
brengen,  het  leven  aanvaardt  ze  dankbaar  —  het  moge  het 
leven  belemmeren  in  zijn  taak,  dan  komt  het  eenvoudig 
niet  tot  stand.  —  Zelfs  het  primitiefste  leven  kan  de  mensch 
niet  verwekken  langs  experimenteelen  weg.  Het  leven  moet 
zichzelf  tot  stand  brengen,  de  mensch  kan  hier  slechts 
verder  toeschouwer  zijn  en  moet  het  proces  aan  zichzelf 
overlaten.  —  Zoude  het  eenmaal  gelukken  een  zuiver  kunst- 
matig „levensvatbaar"  kristal  voort  te  brengen ...  tot  het 
voortbrengen  van  een  amoebe,  il  n'y  a  qu'un  pas.  De 
grootste  stap  is  van  chemisme  naar  kristal,  al  het  andere 
volgt  dan  van  zelf.  En  toch  is  kristallisatie  nog  lang  geen 
waar  leven.  Het  is  de  individualiteit,  maar  zooals  Hegel 
het  uitdrukt:  „eine  ruhende  Individualitat",  en  de  ware 
levende  individualiteit  mag  nooit  tot  rust  komen,  mag 
nergens  kristalliseeren. 

Gelijk  het  leven  een  voortdurende  strijd  is,  tegen  de 
chemische  machten  en  slechts  op  die  voorwaarden  zich  als 
leven  kan  handhaven  dat  het  de  chemische  machten  be- 
heerschen  en  tot  zijne  doeleinden  aan  te  wenden  vermag, 
zoo   moet  het  hoogere  vegetatieve  en  animale  leven  voort- 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  151 

durend  zorgen  niet  tot  den  kristallijnen  toestand  terug  te 
vallen  en  te  verstijven. 

Waar  in  een  organisme  kristallisatie  tot  stand  komt,  daar 
is,  behoudens  bepaalde  uitzonderingen,  een  pathologisch 
proces  aan  den  gang  meestal  in  dien  zin,  dat  de  levens- 
intensiteit niet  in  voldoende  mate  aanwezig  is  om  aan  dat 
lagere  leven,  wat  toch  de  kristallisatie  is,  weerstand  te 
bieden. 

Het  planten  en  dierleven  is  evenzeer  voortdurend  tegen 
de  kristallisatie,  als  tegen  de  chemische  ontbinding  zijner 
plasma  gericht.  Het  eene  is  even  noodlottig  als  het 
andere. 

Suiker  kristalliseert  noch  in  levend  dierlijk,  noch  in 
plantaardig  weefsel.  De  gekristalliseerde  suiker  is  tegen- 
over de  levende  suiker  der  weefsels  het  relatief  doode. 
Evenals  het  leven  ruimschoots  van  krachten  gebruik  maakt 
die  in  de  anorganische  wereld  voorhanden  zijn ;  zoo  brengt 
het  zelfs  in  de  hoogste  differentiaties  vormen  voort,  die  wij 
in  het  rijk  der  mineralen  ontmoeten. 

De  verschillende  kalkconcrementen ,  die  wij  in  de  gelegen- 
heid zijn  te  vinden  in  de  galgangen,  nieren  en  nierkanalen, 
in  de  wand  van  de  slagaderen ,  in  de  hartkleppen ,  op 
pleurale  en  peritoneale  ontstekingsmembranen  zijn  uitingen 
van  verminderende  levensintensiteit,  van  onmacht  van 
het  algemeen  organisme  op  de  plekken  waar  die  zich  hebben 
kunnen  nestelen. 

Deze  concrementen  blijken  uit  individuen  te  bestaan  ge- 
heel analoog  aan  de  kalkosphaerieten  van  Harting.  De  vor- 
ming van  paarlen  bij  de  mollusken  is  ook  eene  uiting  van 
verminderde  of  in  elk  geval  pathologisch  werkende  levens- 
intensiteit. —  Doch  gelijk  het  organisme  met  zuiver 
chemische  stoffen  kan  werken  zonder  dat  het  daarom  door 
deze  behoeft  aangetast  te  worden ,  zoo  maakt  het  organisme 


152  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

ook  gebruik  van  het  kristallisatieproces  maar  houdt  het  in 
banden.  —  Het  gekristalliseerd  eiwit  is  een  laag  stadium 
van  het  protoplasma,  een  terugval  tot  verstijfd  kristallijn 
bestaan.  Iets  dergelijks  hebben  wij  in  de  gekristalliseerde 
koolstof  der  steenkoolmijnen  te  zien:  een  rigied  geworden 
plantenleven. 

De  zetmeelkorrels  die  als  reservevoedsel  voor  vele  planten 
aan  te  zien  zijn,  kunnen  zeer  gevoegelijk  als  kristallen  worden 
aangemerkt.  Voorts  bedient  zich  het  organisme  van  de 
kristallisatie ,  waar  het  een  niet  meer  tot  de  eenheid  van  het 
organisme  behoorend  dood  product  moet  sequestreeren.  Tot 
voorbeeld  hiervan  diene  het  foetus  bij  eene  extrauterine 
graviditeit. 

Tot  een  dergelijk  proces  zoude  men  ook  de  vorming  der 
eierschalen  van  vogels  kunnen  rekenen,  die  volgens  Harting's 
onderzoekingen  geheel  uit  kalksphaerieten  zijn  samen  ge- 
steld. — 


IV. 

Gelijk  het  levende  organisme  van  den  mensch  in  zijn 
sappen  tot  het  laag  kristallijn  stadium  kan  terugvallen, 
zoo  is  de  mogelijkheid  voorhanden  dat  het  ook  in  zijne  cellen 
en  weefsels  tot  een  primitiever  leven  degenereert. 

Het  levend  menschelijk  organisme  vereenigt  ongeveer  alle 
levensniveaux  tot  eene  harmonische  veeleenigheid.  Niet  alle 
weefsels  „leven"  echter  even  intensief.  Zelfs  kan  bijvoorbeeld  het 
skelet  als  het  relatief  „doode"  bestanddeel  aangemerkt  worden. 

Doch  ook  dat  doode  heeft  deel  aan  het  leven,  ook  dat 
doode  gaat  in  het  leven  op  zoolang  het  in  functionneel 
verband  blijft  met  het  organisme.  Op  de  plaats  waar  het  is , 
heeft  het  zijne  beteekenis  en  is  onmisbaar,  al  nadert  zijn 
levensniveau  tot  dat  van  het  mineralenrijk. 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  153 

Anders  wordt  dit,  wanneer  bepaalde  weefsels  bij  hun 
voortdurend  zelfherstel  zich  niet  meer  in  de  vormen  repro- 
duceeren,  die  hunne  functie  van  ze  eischt. 

Het  organisme  is  eene  veeleenigheid  van  cellen  en  weefsels; 
geen  aggregaat.  Doch  het  organisme  kan  slechts  als  organische 
veeleenigheid  bestaan,  doordat  geen  enkele  zijner  celelementen 
buiten  zijn  verband  eenig  recht  van  bestaan  heeft.  ledere  cel 
dient  in  de  eerste  plaats  in  het  geheel  op  te  gaan. 

Niet  door  de  elementen  wordt  het  geheel  gedetermineerd. 
Het  geheel  determineert  zich  tot  zijne  deelen  en  aan  het 
geheel  moeten  de  deelen  hun  bestaansvorm,  beteekenis  en 
plaats  ontleenen. 

Om  deel  van  het  organisme  te  kunnen  uitmaken  moet  de 
cel  hare  individualiteit  opgeven  en  opheffen  in  het  organisme. 
Wij  hebben  alle  reden  echter  om  aan  te  nemen  dat  het  cel- 
individu steeds  neiging  vertoont  om  zich  uit  het  organismen- 
verband  uit  te  schakelen  en  een  afzonderlijk  leven  aan  te 
vangen.  Voortdurend  moet  het  organisme  bezig  zijn  om  de 
celindividuën  tot  het  physiologisch  verband  van  het  geheel 
terug  te  brengen.  Het  leven  van  het  organisme  moet  een 
voortdurende  strijd  blijven  tegen  hare  eigene  cellen  en  weefsels. 
Waar  het  organisme  zich  niet  kan  doen  gelden ,  daar  zien 
wij  cel  of  weefsel  zich  tot  een  nieuw  organisme  in  het 
organisme  ontwikkelen  en  zich  functionneel  uitschakelen  uit 
het  organisch  verband.  —  Het  wordt  een  parasiet. 

Een  frappant  voorbeeld  van  zulk  eene  parasitisme  kunnen 
de  leukocyten  ons  opleveren.  Deze  cellen  zwemmen  geheel 
vrij  in  het  bloedserum  rond  en  verlaten  zelfs  de  bloedbaan 
onder  omstandigheden.  Zij  zijn  cellen  van  het  vloeibare  weefsel 
hetgeen  wij  „bloed"  noemen. 

Nu  is  er  eene  pathologische  toestand  van  het  organisme 
bekend,  waarbij  er  van  deze  cellen  eene  overproductie  plaats 


154  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

heeft  —  eene  productie  die  de  behoeften  van  het  lichaam  verre 
overtreft.  Het  organisme  is  machteloos  om  die  overproductie 
te  belemmeren;  het  leukocytenweefsel  parasieteert  op  het 
organisme  en  richt  haar  te  gronde. 

Leukaemie  is  de  kwaadaardige  nieuwvorming  van  de  lym- 
phatische  organer)  en  van  het  beenmerg,  wier  cellen  zich  uit 
het  verband  van  het  organisme  hadden  losgemaakt  en  zich 
ten  koste  van  dat  organisme  voeden. 

Gelijk  de  leukocyten,  kunnen  ook  andere  weefsels  en  cellen 
van  het  organisme  zich  gedragen.  De  verschillende  soorten 
„nieuwvormingen"  die  ontstaan,  kunnen  als  zoovele  teekenen 
van  machteloosheid  van  het  organisme  worden  aangezien 
tegen  zijn  eigen  weefsels. 

Die  emancipatie  heeft  nu  voor  die  cellen  en  weefsels 
eigenaardige  gevolgen. 

In  hun  morphologisch  aspect  toonen  zij  onmiskenbaar 
dat  zij  niet  meer  op  het  levensniveau  staan  dat  zij  innamen 
toen  zij  nog  in  het  organisch  verband  stonden. 

Het  duidelijkst  is  dit  bij  de  malignere  carcinomen,  die 
het  aspect  hebben  van  het  slijmweefsel  der  molluscen. 

De  nieuwvorming  leidt  over  het  geheel  als  het  ware  een 
„plantenleven".  Zij  wortelt  in  het  organisme  gelijk  een  plant 
in  de  moederaarde. 

ledere  cel  van  het  organisme  kan  de  moedercel  worden 
eener  nieuwvorming.  Wel  zijn  er  voor  het  carcinoom  b.v. 
plaatsen  van  praedilectie.  Die  plaatsen  zijn  nu  juist  diegene, 
waar  in  het  embryonale  stadium  overgang  van  functies 
of  intensievere  groei  plaats  heeft  gegrepen.  De  cellen  op 
die  plekken  behouden  soms  hun  „embryonaire"  karakter  en 
hunne  neiging  om  tot  dergelijke  embryonaire  weefsels  als 
de  carcinoomweefsels  toch  zijn,  terug  te  vallen. 

De  parasiteerende  cellen  die  een  nieuwvorming  uitmaken, 
verloochenen    hunne  afkomst  wel   niet  geheel.  Er  is  in  ze 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  155 

in  de  meeste  gevallen  het  oorspronkelijk  weefsel  waaruit 
zij  zijn  voortgekomen  herkenbaar.  Doch  tot  geheel  lichaams- 
cellen kunnen  zij  nooit  worden.  Zijns  gelijke  produceert  een 
losgeraakte  cel  nooit,  omdat  zij  dit  slechts  met  behulp  en 
in  samenwerking  met  het  organisme  kan  doen.  Hersengangliën 
kunnen  zich  als  hersengangliën  slechts  op  den  bodem  van 
het  volle  organisme  voortplanten.  Zoodra  zij  zichzelf  dien 
bodem  onttrokken  hadden,  worden  zij  de  samengestelde 
elementen  van  een  „glioom".  Of  nu  die  uitschakeling  geheel 
spontaan  geschiedt,  of  daar  herediteitsfactoren  in  het  spel 
zijn ,  dan  of  er  parasitaire  oorzaken  voor  de  genese  der  neo- 
plasmata  aan  te  zien  zijn,  is  eene  nog  onuitgemaakte  kwestie. 

Zooveel  is  zeker,  dat  bij  het  carcinoom  de  locale  of  alge- 
meene  biologische  minderwaardigheid  van  het  organisme  een 
belangrijk  aandeel  heeft  aan  het  ontkiemen  van  dit  lagere  leven. 

Die  minderwaardigheid  kan  geheel  tijdelijk  zijn  en  slechts 
locaal  een  geheel  voorbijgaand  euvel  aanrichten,  dat  het 
gezond  geworden  organisme  of  weefsel  in  staat  is  te  her- 
stellen. Zoo  is  het  niet  ondenkbaar  dat  het  organisme  heel 
wat  carcinomateus  gedegenereerde  cellen  weer  tot  hun  plicht 
had  teruggebracht  gedurende  zijn  leven,  zonder  dat  het 
geheel  als  zoodanig  iets  gemerkt  behoeft  te  hebben  van  de 
gevaarlijke    „rebellen". 

Zoo  zien  wij  hoe  in  verschillende  variaties  het  hoogere 
leven  eene  voortdurende  strijd  en  overweldiging  moet  zijn  van 
het  primitievere  leven.  Hetdierleven  kan  men  als  eene  voortdu- 
rende overweldiging  van  het  plantenleven  beschouwen  en  de 
mineralen  zijn  diegene  die  door  de  planten  moeten  over- 
weldigd worden. 

De  kristallen  en  mineralen  van  de  aardkorst  zijn  de  voor- 
waarden tot  het  ontstaan  van  planten  en  dierenrijk.  —  Om 
in  een  hooger  leven  op  te  gaan  kan  het  kristal  geen  individu 
blijven,    net   zoo   min   als  een  plant  een  organisme  blijven 


156  HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES. 

kan  om  tevens  ook  tot  levensonderhoud  van  een  dier  dienstig 
te  zijn.  Assimilatie  wordt  voorafgegaan  door  eene  bijna 
volkomene  desorganisatie  van  het  object  der  assimilatie. 
Zoo  moet  het  kristal  ook  eerst  verweeren  om  plantenleven 
mogelijk  te  maken.  Op  kale  rotsen  en  op  zuiver  zand 
kan  een  plant  niet  vegeteeren.  Er  moet  humus,  (dat  wil 
zeggen  lijken  van  verweerde  kristallen)  ontstaan,  om  ergens 
plantengroei  mogelijk  te  maken.  Die  verweering  is  het 
werk  van  de  athmosphaer  aan  den  eenen  en  der  bacteriën 
aan  den  anderen  kant. 

De  mikroörganismen  onder  welke  sommigen  zooals  be- 
kend is,  ook  uit  zuiver  anorganisch  voedsel  knnnen  leven, 
bereiden  als  het  ware  den  bodem  voor,  tot  de  hoogere  levens- 
vormen der  planten  en  der  dieren  uit  de  lijken  der  kristallen. 

Dit  zien  wij  in  honderden  voorbeelden  nog  daaglijks 
voor  onze  oogen.  De  symbiose  b.v.  van  sommige  planten 
met  bepaalde  bacteriënsoort  zal  ook  hoogstwaarschijnlijk 
niet  alleen  dienen  tot  verdere  desorganisatie  van  gecompli- 
ceerde verbindingen  die  aan  de  plant  tot  voeding  moeten 
dienen,  maar  zeker  ook  tot  verweering  van  de  „levende" 
kristalindividuen  en  tot  hunne  ontleding  in  chemische  be- 
standdeelen.  —  De  belangrijke  onderzoekingen  van  de  vorige 
eeuw  en  de  voortzetting  dier  onderzoekingen  bevestigen 
meer  en  meer  de  waarheid  van  Carus'  woorden :  „Das  Erste, 
„wodurch  in  der  Massa  der  Erdfeste  das  Einzellebendige 
„der  spatern  epitellurischen  Geschöpfe  vorbedeutet  und 
„vorbereitet  wird,  ist  der  Kristall."  (Natur  und  Idee  p.  178). 

Doch  bij  al  de  intressante  vondsten  mogen  wij  ook  met 
Harting  bedenken: 

„C'est  encore  un  champ  bien  large  qui  s'ouvre  a  l'ex- 
„plorateur,  et  sur  lequel  on  vient  a  peine  de  mettre  les  pre- 
„miers  pas." 

Ziehier  enkele  feiten  uit  een  nog  zeer  duister  gebied  van 


HET   PRIMITIEVE   LEVENSPROCES.  157 

de  biologie.  Doch  geheel  donker  is  het  daar  ook  niet  meer. 
De  menschelijke  geest  is  in  de  gelegenheid  gekomen  lang- 
zamerhand te  leeren  inzien ,  dat  het  rijk  van  het  leven  net 
zoo  min  als  de  andere  natuurrijken  hem  onherroepelijk 
vreemd  blijven  moeten. 

„Ins  Innere  der  Natur  dringt  kein  erschaffener  Geist" 
Deze  woorden  heeft  Göthe  aan  Halier  met  recht  nooit 
kunnen  vergeven.  De  geest,  leeft  en  het  levende  moet  assimi- 
leeren,  dat  wil  zeggen  het  ruwe  materiaal  tot  zich  trekken 
en  eruit  te  halen  wat  hem  gelijkt.  De  feitenwereld  is  ons 
geestesvoedsel  bij  uitstek  —  doch  slechts  het  ruwe  materiaal. 
Deze  moet  de  geest  verteeren ,  daaruit  moet  de  geest  assimi- 
leeren  hetgeen  hem  gelijkt  n.1.  het  Redelijke. 

Geen  bijgeloovige  bewondering,  nederigheid  en  teerderheid 
past  ons  tegenover  de  feiten.  Het  aristotelische  Oav/^a^eiv  is  ge- 
lijk de  „Vreeze  des  Heeren"  slechts  het  begin  van  de  wijsheid. 
Bij  bewondering  mag  het  niet  blijven.  Wij  moeten  de  feiten 
door  onze  experimenten  dwingen  om  hun  achter  schijn- 
baar toevalligen  chaos  verscholen  wezen  en  wet  te  vertoonen 
dat  wil  zeggen  het  redelijk  beginsel  dat  ze  beheerscht.  Want 
slechts  aan  de  Rede  voelt  de  Geest  zich  verwant  en  slechts 
aan  den  Geest  openbaart  de  Natuur  haar  innerlijk  beginsel , 
aan  den  zelfbewusten  Geest  die,  naar  getuigenis  van  den 
Apostel  alles  onderzoekt,  ook  de  diepten  Gods. 

den  Haag,  Januari  1907. 


Literatuur. 

W.   Bechterew.  Die  Energie  des  lebenden  Organismus  iind 
ihre  Psycho-biologische  Bedeutung.  Wiesbaden  1902. 

M.  Benedict.  Kristallisati'on  und  Morphogenesis.  Wien  1905. 
Das  Biomechanische  Denken.  Wien  1904. 
Les  origines  des  formes  de  la  vie. 

Revue  scientifique  1905.  No.  14. 
Ist   die   Blastemlehre  Rohitansky's  berechtigt  oder  nicht? 
Wiener  klinische  Wochenschrift  1906  No.  8. 

G.  J.  P.  J.  Bolland.  Stenographisch  verslag  van  het  Colle- 
gium Logicum.  Leiden  1904. 

/?.  Dübois.  Cultures  minérales  sur  bouillous  gélatineux;  la 
création  artif.  de  l'être  vivant,  Lyon  1904. 

J.  Félix.  Album  de  Plasmogène  et  de  Biologie  comparée, 
précédé  des  conférences  données  a  l'Institut  des  hautes 
études,  Bruxelles  1906. 

Frankenheim.  Poggendorff's  Annalen.  Bd.  III. 

Pierre  Girard.  Le  mécanisme  diastatique  de  la  vie  etc. 
Revue  des  Idees  15  Juin  1906. 

Groth.  Physicalische  und  chemische  Kristallographie.  Leipzig. 

E.  Haeckel.  Allgemeine  Anatomie  der  Organismen  1866. 

P.  Harting.  Elude  des  précipités  et  de  leurs  métamorphoses, 

appliqué  a  l'explication  de  divers  phénomènes  physiques 

et  physiologiques.    (Bulletin    des   sciences    physiques   et 

naturelles  de  Neerlande  1840). 

ld.  Gissingen  betreffende  de  eerste  vorming  der  cellen  en 


LITERATUUR.  159 

derzelver   kernen    in    plantaardige   en    dierlijke  weefsels, 

gegrond  op  het  onderzoek  van  anorganische  praecipitaten. 
[Tijdschr.   van  natuurl.  geschied,  en  physiologie  1841 , 

Dl.  VII,  pag.  199.] 
ld.  Over  de  wijze  van  ontstaan,  den  oorspronkelijken  vorm 

en   de   opvolgende  veranderingen   der  door  praecipitatie 

voortgebrachte  organische  en  anorganische  vaste  stoffen, 

inzonderheid    van    de    verschijnselen   bij  de  vorming  van 

kristallen.  Ibid.  1843  Dl.  X.  p.  151. 
ld.  Over  den  invloed ,  welken  de  warmte  uitoefent  op  de 

metamorphose   der  praecipitaten  en  beschrijving  van  een 

toestel  om  dezelven  te  meten.  Ibid.  Dl.  X.  p.  239. 
ld.  Recherches  de  morphologie  synthétique  sur  la  pro- 

production   artificielle    de   quelques  formations   calcaires. 
[Verhandelingen    der   Koninkl.   Akademie    van    Weten- 
schappen ddl.  XIII.  1873]. 
E.  V.  Hartmann.  Das  Problem  des  Lebens  1906. 
Hegel.  Encyklopaedie   der  Philosophischen  Wissenschaften. 

Herausg.  Prof.  Bolland.  Leiden  1906. 
A.  L.  Herrera.   Notions    générales    de   biologie  et  de  plas- 

mogène  comparées.  Traduct.  de  Renaudet.  Berlin  1906. 
ld.  La  renaissance  du  problème  de  Ia  géneration  spontanée. 

Revue  Scientifique  t.  V.  N«.  7.  p.  208. 
Le  Róle  praepondérant  des  subst.  minérales  dans  les  phéno- 

mènes  biologiques.  Mém.  Soc.  Alzate  pp.  XIII.  338—348; 

1903.  Revue  Scientifique  Paris  Juin  1903.  Buil.  soc.  mycol. 

XIX.  fase.  1903. 
Stephan  Leduc.  Champs  de  diffusion.  [Comptes  rendues  de 

l'Association   frangaise   pour  l'avancement  des  sciences. 

1902]. 
ld.  Les  bases  physiques  de  la  Vie  et  la  Biogenèse,  [Conférence 

faite  sous  le  patronage  de  la  Presse  médicale  le  7  Décembre 

1906]. 


160  LITERATUUR. 

Lapparent.  Traite  de  mineralogie  Paris  1904. 

Lehmann.  Molecularphysic.  Leipzig  1888. 

O.   Lehmann.   Flüssige  Kristalle  Leipzig  1904.   Annalen  der 

Physic.  1905  p.  720—734,  796—810;  1906  p.  1—9,  22—35. 
Loeb.  Vorlésungen  über  Dynamik  der  Lebenserscheinungen, 

1906. 
Max  Münden.  Vier  Beitraege  zur  Granulafrage.  Archiv  für 

Anatomie     und    Physiologie,    pliysiologische   Abtheilung 

1896  und  1897. 
Zentralblatt     für     Baktereologie    und    Parasitenkunde 

Abtli.  I,  1899. 
ld.  Die  bakterioiogiscli-biologisciie  Grundlage  physicalisclier, 

chemischer   und   mineralogischer   Formgestaltungen.  Ver- 
band!,  der  Naturforsclier.   —   Sammiung   1901,   II,   erste 

Halfte  p.  63—72. 
Mallard.  Traite  de  cristallographie  geométrique  et  physique. 

Paris  1879. 
Ostwald.  Grundliniën  der  anorganisclien  Chemie  1900. 
Pflüger.  Die  allgemeinen  Lebenserscheinungen. 
Pieron.   H.   Un   nouvel  aspect  de  ia  lutte  du  mécanisme  et 

du  vitalisme.  Revue  Scientifique  1895  No.  15, 
Georg  Qüincke,  Ueber  die  Klarung  trüber  Lösungen. 

Ueber  unsichtbaren  Flüssigkeitschichten. 

Die    Oberflachenspannung    usw.    [„Annalen    der   Physik" 

1904  Bd.  7—10]. 
G.  Renaudet.  Une  science  nouvelle,  la  Plasmologie.  Mexico 

1904. 
ld.  La  plasmogène  et  1'Evolution  de  la  matière.   Revue  des 

Idees  févr.  1907. 
Hugo  Ribbert.   Menschliche  Zeilen  als  Parasiten.   Deutsche 

mediz.  Wochenschrift  28  Febr.  1907. 
J.  Rotgans.  Het  Kankervraagstuk.  Rectoraatsrede  1907. 
L.  Rhumbler.  Physicalische  Analyse  von  Lebenserscheinungen 


LITERATUUR.  161 

der  Zelle.  [„Archiv,  für  Entwickelungsmechanik  1898  und 

1899  Bd.  7  und  9]. 
Schrön:  Le  tre  Conferenze  tenute  nel!'  Aula  dell'  Universita 

di  Napoli.  Relazione  fatte  dal  Dr.  A.  Nacciarone  1899. 
Theod.    Schwann.    Mikroskopische    Untersuchungen    ueber 

die  Uebereinstimmung  in  der  Structur  und  dem  Wachsthum 

der  Thiere  und  Pflanzen.  Berlin  1832. 
Stodel.    G.   Les  colloïdes  en   biologie.   [Revue   Scientifique 

7  Janvier  1905]. 
Max  Verworn.  Allgemeine  Physiologie  1901. 


11 


HET  VRAAGSTUK  VAN  DEN 
WERELDVREDE. 

DOOR 

L.  H.  GRONDIJS. 


Het  luide  klagen  en  roepen  om  verzachting  der  oorlogs- 
zeden en  voorkoming  van  dreigende  oorlogen,  dat  alle  eer 
doet  aan  de  zachtzinnigheid  en  de  menschlievendheid  dezer 
roependen,  heeft  onder  meer  vele  oude  idealen,  die  lang 
dood  en  begraven  waren,  uit  hunne  graven  gewekt.  Zoo 
ook  het  spooksel  van  een  algemeenen  plicht  der  volkeren 
tot  den   wereldvrede  en   de  stichting  van  een  millenarium. 

Het  is  misschien  niet  ondienstig,  juist  nu  te  trachten, 
dit  vraagstuk  tot  zijn  ware  gedaante  en  juisten  ofnvang 
terug  te  brengen. 

§  1. 

Op  een  kleinen  bol,  verloren  in  de  oneindig-e  ruimte, 
verdringt  zich  eene  eindeloosheid  van  levende  wezens,  welke 
zich  krampachtig  hechten  aan  het  leven,  dat  hen  blind  en 
naakt  en  zonder  kennis  omtrent  hun  oorsprong,  uit  eene 
oneindigheid  van  niet-zijn  werpt  in  een  bedreigd  en  moeitevol 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  163 

bestaan,  waaruit  zij  na  een  korte  spanne  tijds  in  een  ander 
oneindig  niet-zijn  terugzinken.  Alle  bestrevingen ,  alle  be- 
geerten ,  driften  van  deze  individuen  zijn  de  uiting  van 
twee  krachten,  die  in  al  deze  elkander  najagende,  over- 
meesterende, kwellende,  moordende  wezens  werkzaam  zijn 
als  volgens  grondwetten  van  hunne  existentie:  het  egoïsme 
als  de  drift  tot  voortzetting  van  het  individueel  bestaan , 
en  de  geslachtsdrift  als  die  tot  bestendiging  van  het  be- 
staan der  soort.  Een  levenskrachtig  exemplaar  schommelt 
heen  en  weer  tusschen  blinde  opvolging  dier  krachten, 
welke  al  zijne  organen  en  vermogens  stuwen  in  telkens  ééne 
richting  —  en  een  toestand  van  betrekkelijke  traagheid, 
speelschheid ,  en  onledigheid.  Tot  dezen  laatsten  toestand 
(vrijheid)  geraakt  het  alleen ,  zoodra  deze  krachten  hem 
rust  laten,  d.  i.  honger  en  geslachtsdrift  bevredigd  zijn. 
Gelijk  in  de  mechanica  van  rust,  kan  hier  van  vrijheid 
en  willekeur  alleen  gesproken  worden  bij  afwezigheid  van 
werkende  krachten. 

In  het  ingewikkelde,  schijnbaar  chaotische,  samenstel  der 
menschelijke  maatschappij  is  bij  nader  beziens  het  grootste 
gedeelte  der  lichamelijke  en  intellectueele  energie  te  be- 
schouwen als  in  dienst  te  zijn  van  deze  groote  drijfveeren, 
welke  men  vanaf  de  onmiddellijke  voedselverwerving  tot 
aan  de  werkzaamheid  van  het  technisch  intellect,  vanaf 
de  meest  ondergrondsche  zinnelijkheid  tot  in  de  meest 
aetherische  zedelijke  zelfbepaling,  kan  vervolgen.  —  In 
dien  zin  schijnt  dan  wel  alle  werkzaamheid  in  dienst  der 
moraal  om  haarzelve,  in  de  kunst  zonder  vraag  naar  hare 
toepasselijkheid,  of  in  de  wetenschap  om  der  wetenschap 
wil,  als  een  beuzelachtig  spel,  dat  de  mensch  met  zich- 
zelf speelt,  terwijl  hij  door  gevaren  wordt  omringd  en 
naar  alle  zijden  zijne  medemenschen  ziet  wegrukken  door 
een  lot,  dat  hij  vreest  als  zij. 


164  HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

§2. 

De  levensvatbaarheid  der  natuurwezens  hangt  af  van  de 
gelijktijdige  samenwerlcing  van  zoovele  organen,  dat  de 
minderwaardigheid  van  eene  der  functies  de  bestaanskansen 
onevenredig  snel  verkleint.  Hoe  kunstiger,  hoe  samenge- 
stelder  het  organisme  en  hoe  grooter  de  zelfstandigheid  en 
onmisbaarheid  der  afzonderlijke  organen,  —  hoe  meer  op 
de  levenskansen  wordt  inbreuk  gemaakt  door  eene,  zelfs 
geringe,  bouwvalligheid  van  een  der  onderdeelen.  In  den 
strijd  welke  binnen  en  tusschen  de  dierenrassen  wordt  gevoerd, 
waarvan  het  gevolg  is,  dat  als  uit  een  bellum  internecivum 
alleen  de  sterkste  en  best  toegeruste  exemplaren  overblijven, 
(waarbij  men  dan  min  of  meer  euphemistisch  spreken  kan 
van  een  natuurdoel)  —  in  dien  strijd  wordt  onverbiddelijk 
elk  onvolledig  of  onevenwichtig  individu  vernietigd. 

Tegenover  de  roekeloosheid  echter,  waarmede  de  natuur 
te  werk  gaat  met  de  levende  individuen  van  andere  rassen , 
staat  bij  den  mensch  de  groote  voorzorg,  waarmede  zij  de 
individuen  omringt,  door  hen  in  reusachtige  belangenge- 
meenschappen samen  te  voegen. 

Het  egoïsme  wordt  door  ons  wel  ondervonden  als  het 
verlangen  naar  de  vervulling  van  bijzondere  begeerten,  maar 
van  begeerten,  die  haar  kracht  ontleenen  aan  niets  dan  de 
algemeene  noodzakelijkheid,  om  den  vorm  onzer  individu- 
aliteit te  bewaren.  Alle  hebben  zij  dit  gemeen :  dat  de  vorm 
van  ons  mensch-zijn,  van  lichaam,  ziel  en  geest  moet 
worden  intact  gelaten.  Het  egoïsme  is  de  zucht  naar  de 
eeuwigheid  van  onzen  menschelijken  vorm.  In  zijn  drie 
vormen:  nl.  honger  ten  opzichte  van  onzen  lichamelijken 
vorm ,  eergevoel  wat  aangaat  onze  psychische  substantie  en 
roemverlangen  wat  onzen  geestelijken  aard  betreft,  werkt 
het  in  ons  als  een  natuurkracht,  die  in  al  hare  modificaties 


HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  165 

alleen   ons  Ik  bedoelt.   Dit  Ik  wordt*  zelf  nooit  voorwerp 
dier  egoïstische  verlangens,  doch  alleen  zijne  deelen. 

De  geslachts-drift  heeft  evenmin  onmiddellijk  het  ten- 
slotte toch  altijd  bereikte  resultaat  tot  doel.  Zij  blijkt  be- 
vruchting en  voortzetting  van  het  ras  te  hebben  gewild, 
doch  dit  zeer  concrete  maar  te  veel  omvattende  doel  is 
voor  onze  beperkte  emoties  te  abstract.  In  de  spheer  van 
ons  gevoel  treedt  zij  niet  op  als  voortzetting  der  soort,  maar 
als  verplaatsing  in  een  eigenaardigen  zielstoestand  en  begeerte 
naar  telkens  één  wezen.  Wij  moeten  dus  geslachtsdrift  als 
een  natuurkracht  betitelen,  die  niet  als  zoodanig  in  ons 
emotioneel  bewustzijn  opkomt,, maar  zich  in  afzonderlijke, 
zeer  bepaalde  motieven  openbaart. 

Egoïsme  en  geslachtsdrift  zijn  onderscheiden  machten, 
die  elk  voor  zich  den  voortduur  willen  van  hetzij  het  exem- 
plaar of  de  soort,  en  zich  in  het  bewustzijn  van  den  mensch 
openbaren  in  motieven,  welke  zich  kenmerken  door  hunne 
buitengewone  koppigheid  en  onoverwinnelijkheid.  Hét  stre- 
ven der  eene  kan  dan  ook  door  dat  der  andere  macht 
worden  gekruist  en  vernietigd.  (De  eigenaardige  verblin- 
ding door  de  geslachtsdrift  is  in  strijd  met  de  helderziende 
zorg  voor  de  individueele  integriteit.  Evenzoo  de  zelfzucht 
met  de  opoffering ,  welke  het  wezen  is  der  verhouding  van 
het  menschelijke  individu  tot  zijne  progenituur). 

Deze  twee  grondkrachten  willen  dus  het  individu  om  het 
individu  en  het  ras  om  het  ras.  Was  het  bewustzijn  van 
den  mensch  niet  anders  dan  het  product  dezer  twee  in- 
vloeden, dan  zou  het  een  voortdurend  en  onoplosbaar  mo- 
tievenconflict  inhouden,  gelijk  het  bij  de  dieren  het  geval 
is.  Bij  den  mensch  is  eene  verzoening  mogelijk.  Terwijl 
het  egoïsme  en  de  geslachtdrift  van  het  eene  individu  lijn- 
recht tegengesteld  zijn  aan  die  van  het  andere,  openbaart 
zich  in  de  regeling  van  het  zooeven  vermelde  motievenconflict 


166  HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

iets  aan  allen  gemeenschappelijks.  Niemand  kan  zijn  ego- 
ïsme in  den  bruten  vorm  verzoenen  met  dat  van  een  ander , 
evenmin  de  drift  tot  voortplanting  (-|-  de  zorg  voor  het  na- 
geslacht enz.).  Moet  hij  zijn  egoïsme  echter  al  reeds  inperken 
voor  de  algemeene  belangen  van  zijn  geslacht,  dan  is  door 
deze  beperking  van  zijn  egoïsme  de  mogelijkheid  van  een 
vergelijk  ontstaan  met  anderen,  daar  de  natuurmachten  nu 
niet  meer  zoo  beslist  en  scherp  afgegrensd  tegenover  elkan- 
der staan.  Hier  heeft  men  in  het  begrip  de  noodzakelijk- 
heid voor  het  staatswezen. 

Wil  dus  het  egoïsme  het  individu  om  het  individu  en 
de  geslachtsdrift  het  ras  om  het  ras  —  het  staats- 
wezen wil  den  (eeuwigen)  voortduur  van  het  ras  door  het 
egoïsme  der  individuen. 

De  gedachte  van  het  Staatswezen  is  dus  de  gedachte 
van  een  binnen  het  bewustzijn  gewilde  (sedert  Schopen- 
hauer  geen  pleonasme  meer)  oplossing  van  motievenconflicten. 
De  staat  dus,  hoewel  met  natuurlijke  noodzakelijkheid  ver- 
schijnende overal ,  waar  gezamenlijke  zorg  voor  gemeen- 
schappelijke belangen  intreedt,  bij  den  mensch  dus,  is  ook 
zelf  oogmerk  van  menschelijke  handelingen.  Daar  het  staats- 
wezen en  zijn  afzonderlijke  doeleinden  noodzakelijkerwijze 
in  het  bewustzijn  der  individuen  voorkomen^),  moet  ik 
hier  niet  gelijk  bij  egoïsme  en  geslachtsdrift  spreken  van 
een  natuurkracht,  doch  van  eene  Idee. 

Dat  de  mensch  zich  schikt  tot  eene  samenleving,  berust 
dus  op  eene  Idee,  volgens  welke  de  individuen  zich  samen- 
voegen tot  een  georganiseerd  geheel ,  waarin  zij  zich  kunnen 
omringen   met  algemeene   en   uitgebreide  voorzorgsmaatre- 


1)  Bei  der  Organisation  des  Staates  muss  man  nichts  vor  sich  haben  als 
die  Notwendigkeit  der  Idee  in  sich:  alle  anderen  Gesichtspunkte  mussen  ver- 
schwinden.  (Hegel  Philosophie  des  Rechts  §  279  Zus.) 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  167 

gelen  tegen  de  overal  elders  werkzame  uitroeiing  der  meer- 
derheid, en  zich  vereenigen  als  in  een  samenzwering  om 
aan  den  dood  te  ontkomen. 

§3. 

Naast  egoïsme  en  geslachtsdrift  of  de  individueele  be- 
streviiig  tot  telkens  hernieuwde  voortbrenging  van  het  men- 
schelijke  geslacht,  treedt  dus  de  idee  op  van  den  staat, 
die  het  orgaan  is  van  de  allesomvattende  zorg  voor  het 
ras.  Juist  wijl  de  staat  berust  op  eene  idee  en  niet  op  een 
blinde  kracht,  wijl  hij  bewust  wordt  in  de  gemoederen  der 
enkelingen  en  door  redeneeringen  bekrachtigd,  en  niet  spontaan 
of  instinctief,  gelijk  de  zorg  voor  het  bedreigd  eigen  be- 
staan of  de  drift  tot  voortplanting,  in  hun  bewustzijn  op- 
treedt, —  is  hij  in  den  loop  der  tijden  eerst  langzamerhand 
ontstaan  en  is  de  staatsgezindheid  in  een  nog  bijna  geheel 
afzienbaar  historisch  tijdperk  in  de  gemoederen  ingebrand. 

Dat  de  staat  „een  contract"  zoude  zijn  of  er  op  berusten, 
is  een  aanname  uit  een  geestdriftigen  tijd,  toen  voor  het 
eerst  het  wonderbaarlijk  karakter  van  den  staat  in  de  oogen 
sprong,  en  een  min  of  meer  zoetelijke  levensopvatting 
gaarne  voor  het  natuurrijk  met  zijn  onvermurwbare  wetten, 
de  zachte  willekeur  van  menschelijke  handelingen  substi- 
tueerde. Integendeel  vooronderstelt  elk  verdrag,  zielkundig 
gesproken,  eene  geschiktheid  en  gezindheid  tot  overeen- 
stemming, welke  alleen  in  het  staatvormende  individu  kan 
worden  aangenomen.  Alle  contract,  overeenstemming,  samen- 
werking kan  eerst  beginnen  met  het  bewustzijn  van  den 
ban ,  welken  het  van  alle  kanten  dreigende  doodsgevaar  op 
de  menschenrassen  houdt  gelegd ,  en  waaruit  eerstens  de 
noodzakelijkheid  om  zich  te  vereenigen  en  vervolgens  de 
gewoonte  om  over  en  weer  toe  te  geven,  is  opgekomen. 
Ja,   indien  de   staatsmachine  nu  glijdend  werkt,  indien  het 


168  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

diepe  verwondering  wekken  kan ,  hoe  licht  de  zelfzuchtige 
wenschen  der  menigte  worden  omgekruld,  hoe  alle  afzon- 
derlijke eerzucht  of  machtsverlangen  wordt  geknot,  om  te 
worden  aaneengelegd  en  samen  te  werken  in  het  samenstel 
van  functiën,  dat  de  belichaming  is  van  de  doordringende 
zorg  voor  de  veiligheid  en  welvaart  van  het  Geheel,  indien 
men  zich  al  verduidelijkt,  hoe  op  getemde  dieren,  welke 
wij  zijn,  een  machtspreuk,  een  formule,  een  woord  als 
Recht,  Godsdienst,  Zedelijkheid,  een  tooverachtigen  invloed 
kan  uitoefenen,  —  dan  rijst  lichtelijk  de  dwaling,  dat  in 
de  samenleving  het  overwegende,  berekenende,  voorziende 
brein  handelt  in  plaats  van  het  gedrilde  wilsvermogen,  de 
gedachte  in  plaats  van  de  aandrift,  —  dan  wordt  vergeten, 
hoe  de  natuur  het  dier  heeft  verstandig  gemaakt,  heeft  op- 
gevoed tot  den  homo  sapiens  met  de  middelen  der  lijf- 
straffelijke rechtspleging  en  van  den  zonder  verschooning 
gevoerden  rassenkrijg. 

Al  schijnt  ook  de  staatswerkzaamheid  ten  opzichte  der 
individuen  uit  te  gaan  van  grondbeginselen  van  regelenden 
(regulatieven)  aard,  —  de  mogelijkheid  van  haar  onge- 
schokt verloop  berust  niet  op  theoretische  eischen,  welke 
aan  de  individuen  kunnen  worden  gesteld,  maar  hierop: 
dat  deze  individuen  feitelijk  hebben  —  een  zedelijke  ge- 
zindheid tot  „geven  en  nemen,"  tot  aanvaarden  en  laten 
varen  ^).  Geen  enkele  beschaving  is  met  zachte  middelen 
begonnen.  In  haar  aanvang  is  met  groote  ruwheid  het  voor- 
stellingsleven  der  individuen  verstoord,  de  overtuiging  in 
de  betrouwbaarheid  der  instincten  vernietigd,  d.  i.  'smenschen 
natuur  ont-kracht.  De  bloedwraak,  het  onbeperkt  recht  op 
de    gansche    natuur,    het    eigenbelang,    dat   alles   had   het 


1)  „Durch  die  Gewalt,  meint  die  Vorstellung  oft,  hange  der  Staat  zusammen, 
aber  das  Haltende  ist  allein  das  Grundgefühl  der  Ordnung,  das  Alle  haben." 
(Hegel,  Phil.  des  Rechts  §  268  Zus.) 


HET   VRAAGSTUK  VAN   DEN  WERELDVREDE.  169 

zwaard  en  nogmaals  het  zwaard  van  den  vorst,  d.  i.  den 
levenden  duivel  op  aarde,  tegen  zich.  Geen  instinct  kan 
worden  ont-zield  door  een  redelijk  motief,  geen  ideaal  kan 
een  passie  vernietigen,  en  waar  dit  toch  zoo  schijnt  te 
zijn ,  was  deze  reeds  gebroken  en  de  zegepraal  van  het 
ideaal  licht.  De  grondvesting  en  stichting  van  een  staat 
berust  daarom  op  het  geweld  en  de  wreedheid.  Want  het 
geweld  en  de  wreedheid  bij  de  statenstichting  bestond  hierin , 
dat  de  wil  en  de  instincten  van  het  individu  tegen  hemzelf 
gekeerd  werden ,  dat  het  den  dood  en  de  foltering  onder- 
vond ,  welke  het  naar  buiten  wilde  verspreiden.  Het  individu 
buiten  en  vóór  de  staatsgemeenschap ,  is  een  daemon  in 
de  verbeelding  der  anderen,  alle  individuen  zijn  daemonen 
voor  elkaar;  moeten  zij  te  zamen  blijven,  dan  wordt 
het  daemonische  door  en  in  zichzelf  gebroken,  (daemone/z- 
geloof  verdwijnt  eerst  in  eene  beschaving,  zoodra  haar  aan- 
vang ver  genoeg  achter  haar  ligt)  ^). 


1)  Verhouding  en  gezindheid  der  menschen,  „in  den  natuurtoestand"  en 
het  „natuurrecht"  (jus  naturale)  tusschen  de  menschen  kunnen  niet  worden 
bestudeerd  in  hedendaagsche  barbaarsche  samenlevingen,  daar  men  hier 
uitteraard  den  'natuur'  mensch  niet  zal  l<unnen  vinden,  noch  enkel  worden 
tcruggephantaseerd  naar  over  den  historischen  drempel  der  beschaving.  Men 
kan  het  alles  nagaan  om  en  in  ons  zelven.  Overal  waar  het  vanzelfsprekend 
of  zelfs  verdienstelijk  en  'edel'  wordt  gevonden,  dat  men  aan  krachtige  op- 
wellingen van  eer,  van  hartstocht  en  zinnelijkheid  gehoor  geeft,  waar  wraak- 
neming en  krijg  onvermijdelijk  of  begrijpelijk  worden  geacht,  waar  handelingen 
worden  verontschuldigd  met  eene  verwijzing  naar  de  kracht  van  het  eigen- 
belang, daar  zijn  wij  midden  in  het  natuurrecht,  d.  w.  z.  dus  bij  een  ieder 
en  letterlijk  overal.  Deze  natuurrechtelijke  toestand  is  een  staat  van  onschuld, 
d.  i.  van  dispositie  zonder  weifeling.  Dit  weifelloos  en  als  vanzelfsprekend 
ja-zeggen  tot  spontane  ondoordachte  en  natuurlijke  opwellingen ,  welke  uitingen 
zijn  van  egoïsme  en  geslachtsdrift,  kenmerken  den  natuurrechtelijken  staat 
der  individuen. 

Men  mag  er  daarom  geen  moreele  conflicten  in  overdragen,  geen  stelsel- 
matigheden,  geen  zielstoestanden  van  den  staatsburger,  noch  er  den  begrippen- 
rijkdom  der  theologische  of  niet-theologische  moraal  op  toepassen.  Want  de 
staatsburger  is  een  slechts  na  wikken,  wegen  en  weifelen  handelend  wezen, 
gelijk  de  moralist  (zoo  hij  slechts  diep  genoeg  nadenkt)  een  slechts  aarzelend 


170      HET  VRAAGSTUK  VAN  DEN  WERELDVREDE. 

Berust  dus  het  staatsieven  op  deze  bestrijding  der  instincten 
en  gewelddadigheden  door  vorming  van  associaties  met  ver- 


en van  handelingen  afkeerig  wezen.  Daarentegen  handelt  het  natuurlijke  wezen 
volgens  instincten  en  als  van  zelf  d.  i.  zondeloos. 

Zoo  spreekt  Hobbes  (de  Cive  I,  4)  van  cene  „voluntas  laedendi",  die  in 
allen  van  nature  aanwezig  is,  en  verromantiseert  dat  zoo  uiterst  weinig 
samengestelde  karakter  van  den  'natuurmensch'  door  de  onderstelling  van 
een  daenionischen  wil.  Immers  geheel  iets  anders  is  —  door  gehoor  geven  aan 
zijne  aandriften  leed  en  krenking  teweegbrengen,  of  het  leed  en  de  krenking 
te  willen.  Het  daemonische  vooronderstelt  de  moraliteit  en  beteekent:  het 
bestaan,  het  uitlokken  en  veroorzaken  van  het  booze.  Doch  het  is  de  gedachte 
niet  van  het  nienschelijke,  doch  van  het  buiten-  en  bovenmenschelijke.  De 
gedachte  van  het  duivelsche  beteekent  persoonsverbeelding  naar  anderen  en 
niet  naar  zichzelf.  Zij  vloeit  niet  voort  uit  boozen  opzet  maar  uit  vrees.  De 
duivel  wordt  tegen  ons  en  niet  in  ons  werkzaam  gedacht.  [Dit  laatste  geschiedt 
v/el  doch  alleen  in  overrijpe  (decadente)  beschavingstijdperken,  voornamelijk 
in  de  litteratuur  en  heet  dan,  terecht  theoretisch,  'satanisme',  en  heeft  dan 
ook  niets  met  duivclgeloof  uit  te  staan.  Dit  sanatisme  is  een  poging  tot 
theoretische  en  min  of  meer  dartele  en  weelderige  vereenzelviging  van  het 
moreele  subject  met  zijn  eigen  natuur,  van  een  opzet  in  het  veroorzaakt  — 
en  geleidworden.  Het  genieene  en  vuilaardige  geschiedt  in  ons  met  heroïsche 
bewustheid  en  opzettelijkheid  [Chants  de  Maldoror]  en  de  wereld  wordt 
[Gothisch]  vergeestelijkt.  Het  „Ik"  is  duivelsch,  en  de  natuur,  de  vrouw,  — 
ja  vooral  de  vrouw  —  interessant.] 

Evenzoo  is  bij  Hobbes  de  zucht  naar  overheersching  (homines  natura  sua 
avidius  ferrentur,  si  metus  abesset,  ad  dominationem  quam  ad  societatem  (de 
Cive  I,  2)  in  den  natuurmensch  een  veel  te  rijpe  en  samengestelde  begeerte. 
Overheerschingslust  is  iets  geheel  anders  dan  krijgszucht,  gelijk  de  toestand 
van  overheersching  niet  is  een  toestand  van  krijg.  De  krijg  als  zoodanig 
sluit  overeenstemming  uit,  de  overheersching  vooronderstelt  haar.  Aan  over- 
heersching is  krijg  en  overwinning  voorafgegaan  en  het  gezag  moet  op  elke 
oogenblik  in  staat  zijn  om  krijg  en  overwinning  te  herhalen.  Maar  zij  voor- 
onderstelt, dat  de  overwonnenen  of  onderdanen  tegenover  het  gezag  alle 
aanspraken  op  en  pogingen  tot  onafhankelijkheidsherstel  laten  varen.  En  dit 
kunnen  zij  doen  óf  uit  diepgevoeld  eigenbelang  óf  uit  vrees.  Een  eigenbelang, 
dat  alle  opwellingen  tot  zelfstandigheidsherstel  kan  terugdringen  voor  grootere 
veiligheid  in  de  toekomst,  kan  alleen  uit  eene  wijziging  van  het  natuurlijk 
egoïsme  in  de  samenleving  worden  verklaard.  En  de  vrees  kan  alleen  dan 
voldoende  motief  zijn,  zoo  zij  vrees  is  voor  eene  organisatie.  Want  vrees, 
voor  geen  enkel  individu  sluit  wraak,  overrompeling  uit,  daar  elk  individu, 
ook  het  sterkste  aan  zwakheden,  ziekten,  slaap  enz.  onderhevig  is.  Eene 
organisatie  echter  (van  een  krijgerskaste)  is  tusschen  'natuur'  menschen  niet 
mogelijk.  De  zucht  naar  overheersching  zou  dus  niet  alleen  een  bepaalde 
zegepraal  vooronderstellen ,  maar  de  zegepraal  eens  voor  al,  —  maar  een  over- 
eenstemming, eensdeels  tusschen  de  overheerschers ,  anderdeels  tusschen  hen 


HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE  171 

schrikkingen  en  gewelddadigheden,  dan  berust  het  op  eene 


en  de  bcheerschten  —  en  kan  derhalve  in  den  natuurstaat  niet  worden  aan- 
genomen. 

Aan  den  geest  van  Hobbes  is  die  van  Montesquieu  iijnrcclit  tegengesteld. 
De  wetten,  waaraan  de  menscli  onderworpen  is,  vangen  eerst  voor  hem  aan 
bij  zijne  intrede  in  de  maatschappij.  „Want  vóór  dien",  zegt  Montesquieu  in 
zijn  Esprit  des  Lois  (1,  2)  „voelt  de  mensch  niets  dan  zijne  zwakheid,  zijne 
bedeesdheid  is  buitensporig.  En  wanneer  men  behoefte  heeft  aan  voorbeelden 
uit  de  ervaring:  in  de  wouden  heeft  men  wilden  aangetroffen,  die  voor  alles 
sidderen  en  op  de  vlucht  gaan."  Wederzijdsche  vrees  kenmerkt  den  mensch 
in  den  natuurstaat;  eerst  in  en  door  de  samenleving  ontstaan  beweegredenen 
om  zich  te  verdedigen  en  elkander  aan  te  vallen.  Hoe  kunnen  deze  schuchtere 
schepselen  zich  echter  samenvoegen  tot  samenlevingen  van  krijgszuchtige 
wezens?  „Uit  vrees,"  zegt  M. ,  „ontvluchten  de  menschen  elkaar,  doch  de  ken- 
tcekenen  dezer  wederzijdsche  vrees  brengen  er  hen  spoedig  (!)  toe,  elkander 
te  naderen :  overigens  zouden  zij  er  toe  worden  gebracht  door  het  genoegen  (!) 
dat  een  dier  ondervindt  bij  de  nadering  van  een  ander  van  zijn  eigen  ras." 
„Bovendien",  zoo  merkt  de  galante  schrijver  van  „ie  Temple  de  Gnide", 
„Céphise  et  l'Amour"  en  „Arsace  et  Isménie"  snedig  op,  wordt  dit  genoegen 
vermeerderd  door  de  betoovering,  welke  de  beide  seksen  wegens  hun  onder- 
scheid van   elkander  ondergaan Zoodra  zijn  de  menschen  niet  in  eene 

samenleving  bijeengekomen,  of  zij  verliezen  het  gevoel  van  hun  zwakheid, 
hun  gelijkheid  eindigt  en  de  toestand  van  krijg  vangt  aan." 

Is  het  enkel  vrees,  die  het  'natuurlijk'  wezen  voor  den  aanvang  der  samen- 
leving bezielt  of  is  het  'van  nature'  een  onder  omstandigheden  roofzuchtig 
wezen,  dat  zich  juist  door  niets  dan  enkel  vrees  van  de  volstrekte  voldoening 
aan  zijn  egoïsme  en  geslachtsdrift  laat  terughouden?  Gevoelt  het  vrees  voor 
zwakkere  dieren,  voor  zijn  prooi?  Vreest  het  ook  de  andere  dieren,  die  zelve 
kenteekenen  van  vrees  vertoonen?  Hoe  komen  twee  dieren,  wanneer  zij  ten- 
minste niet  de  betoovering  ven  het  geslachtelijk  onderscheid  hebben  onder- 
gaan, er  toe,  zoodra  zij  bij  elkander  kenteekenen  van  vrees  bespeuren,  om 
niet  op  staanden  voet  van  die  vrees  partij  te  trekken,  doch  toenadering  te 
zoeken?  Vanwaar  de  toenadering?  Uit  verlangen  naar  bescherming?  Doch 
vanwaar  het  vertrouwen?  Uit  medelijden?  Doch  vanwaar  de  zelfverloochening? 

Of  moest,  gelijk  elk  Fransch  hoffeest  met  een  herderspel  aanving,  dit 
groote  werk,  dat  de  „Esprit  des  Lois"  is,  deze  rehabilitatie  [der  Mensch- 
heid  (Voltaire),  door  eene  idylle  worden  geopend?  In  dat  andere,  diepere 
en  breedere  boek,  den  Pentateuch,  die  niet  de  geest  der  Wet  doch  de  Wet 
zelve  voor  ons  is,  wordt  in  naïeve,  roerende  en  bijna  aanvallige  beeldspraak, 
ook  eene  idylle  in  het  begin  geplaatst.  Ook  hier  vangt  met  een  herderslied 
de  historie  van  de  wereld  aan.  Daar  is  geen  krijg  van  allen  tegen  allen,  daar 
zijn  geen  sidderend  wegvluchtende  dieren,  daar  is  ook  geen  dartel  verlok- 
kende betoovering  tusschen  de  seksen.  JWaar  dit  herdersspel  is  niet  van  deze 
wereld,  en  zijne  schalmeitonen  zijn  met  de  boomen  en  het  riet  van  het  Eden 
voorbijgeruischt.  Als  de  mensch  gezondigd  heeft  en,  van  schaamte  gebogen. 


172  HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

geheele  wijziging  van  's  menschen  natuur  ^)  (eerst  na  sta- 
tenvorming  treedt  de  behoefte  aan  wedergeboorte  op  [nl. 
uit  den  rampzaligen  gebroken  toestand  van  het  individu] 
en  verder  de  illusie  van  het  geweten).  Wanneer  de  natuur, 
die  te  werk  gaat  in  het  groot,  den  harden  oorspronkelijken 
wil  (voluntas  ut  natura)  op  het  aambeeld  der  tijden  niet  wat 
weeker  heeft  geslagen ,  dan  helpt  geen  philosophie  en  geen 
staatmanskunst.  De  mensch  is  een  tot  in  het  diepst  zijns 
wezens  gewijzigd  dier:  de  vrees  voor  de  vijandelijke  rassen 
heeft  hem  aaneensluiting  geleerd,  de  angst  voor  dood  en 
foltering  heeft  deze  practisch  mogelijk  gemaakt  door  den 
goeden  wil  tot  gehoorzaamheid  in  te  branden  aan  alge- 
meen geldende  afspraken. 

De  samenleving  heeft  zoo  tot  punt  van  uitgang :  de  dressuur 
van  den  mensch  tot  de  feitelijke  erkenning  van  zijn  eigen 
betrekkelijke  onwaarde  ten  opzichte  der  idee  van  den  staat. 
Eerst  op  dezen  grondslag  kan  er  sprake  zijn  van  vrede 
tusschen  den  staat  en  het  individu  -). 


onder  het  vlammende  zwaard  is  doorgegaan,  laat  hij  voor  goed  den  vrede 
achter  zich.  Aan  den  uitgang  van  het  paradijs  begint  de  staat  der  natuur. 
En  deze  staat  der  natuur  staat  onder  cenc  vervloeking  en  vangt  aan  met  een 
moord.  „Ik  zal  vijandschap  zetten  tusschen  U  en  deze  vrouw",  zoo  spreekt  de 
Heer,  „en  tusschen  Uw  zaad  en  haar  zaad."  En  tot  Kaïn:  „Gij  zijt  vervloekt 
van  den  aardbodem,  die  zijnen  mond  heeft  opengedaan,  om  uws  broeders 
bloed  van  uwe  hand  te  ontvangen —  (Doch)  al  wie  Kaïn  slaat,  zal  zeven- 
voudig gewroken  worden." 

1)  „Man  kann  nicht  sagen:  der  Mensch  im  Staate  habe  einen  Teil  seiner 
angeborenen  ausseren  Freiheit  einem  Zwecke  aüfgeopfert,  sondern  er  hat  die 
wilde  gesetzlose  Freiheit  ganzlich  verlassen,  um  seine  Freiheit  überhaupt  in 
einer  gesetzlichen  AbhSngigkeit  unvermindcrt  wieder  zu  finden." 

Kant  (Ros.)  IX,  161. 

2)  Zie  ook  W.  van  Humboldt's  „Versuch  die  Grenzen  der  Wirksamheit  des 
Staats  zu  bestimmen"  IV:  (Recl.  p.  60)  „Der  erste  positive  Qrundsatz  für  den 
Staat  ist:"  „die  Erhaltung  der  Sicherheit  (sowohl  gegen  auswartige  Feinde, 
als  innerliche  Zwistigkeiten)  muss  den  Zweck  des  Staats  ausmachen  und 
seine  Wirksamkeit  beschaftigen."  en  over  de  verhouding  van  den  Staat  jegens 
de  burgers  III  (Red.  p.  53):  „der  Staat  enthalte  sich  aller  Sorgfalt  für  den 
politischen  Wohlstand   der   Burger   und  gehe  keinen  Schritt  weiter,  als  zu 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  173 

De  staatsfunctie  in  het  algemeen  is  de  werkzaamheid  tot 
zelfregeling  der  samenleving;  zij  wordt,  hoezeer  ook  door 
gronden  aan  het  individu  bij  te  brengen,  en  theoretisch  on- 
ontwijkbaar, door  de  individuen  niet  als  een  grijpbaar 
voordeel  ondervonden  maar  als  beperking  en  is  daarom 
voe/baar  alleen  als  een  alzijdige  dwang,  als  de  algemeeneen 
gebiedende  hopelooze  noodzakelijkheid  om  zich  op  te  offeren. 

In  het  consequent  altruïsme,  gelijk  dit  geleeraard  wordt 
in  vele  godsdienstige  stelsels  kan  men  slechts  zien:  eene 
in  het  intellect  geslagen,  tot  begrip  geworden  en  bodem- 
loos gemaakte  staatsgezindheid. 

§4. 

Hieruit  vloeit  verder  tweeërlei  leer  voort  der  handelingen 
voor  het  individu  en  den  staat. 

De  gezindheid  van  het  individu  ten  opzichte  van  de  ge- 
meenschap wordt  meer  bepaald  door  een  algemeenen  eisch 
dan  een  stellig  en  bepaald  gebod,  aangezien  de  samen- 
leving alleen  eene  wilsgebrokenheid ,  een  bereid-zijn  tot 
zelfverloochening  vooronderstelt,  om  de  mate  der  opoffe- 
ring voor  eiken  enkeling  in  het  bijzonder,  naar  gelang  van 
eigenschappen  en  omgeving,  te  bepalen^). 

In  het  individu  is  de  oorzakelijke  verbinding  aanwezig 
tusschen  zijn  aandrijvende  grondkrachten  en  zijn  regelend 
intellect,  of  liever  —  het  is  zelf  de  oorzakelijke  verbinding 
van  zijn  begripsvermogen  en  zijne  natuur,  en  omgekeerd. 
Door  het  algemeene  en  vage  karakter  der  verhouding  van 


ihrer    Sicherstellung    gegen  sich  selbst  und  gegen  auswürtige  Feinde  not- 
wendig  ist;  zu  keinem  andern  Endzwecke  beschranke  er  ihre  Freiheit." 

1)  (Ex  quo  intelligitur)  Scientiam  Moralem  nullam  habere  eos,qui  Homines 
considerant  per  se  <S  quasi  extra  societatem  civilem,  propter  defectum  men- 
surae  certae,  qua  Virtus  et  Vitiuni  aestimari  <S  definiri  possint.  (Hobbes,  de 
Homine,  c.  13). 


174  HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

het  individu  en  de  gemeenschap  kunnen  de  voorstellingen 
en  motieven,  welke  de  gemeenschap  in  het  individu  wekt, 
den  meest  algemeenen  en  volstrekten  vorm  aannemen.  Zij 
kunnen  geheel  buiten  verhouding  komen  te  staan  tot  de 
beweegredenen  van  's  menschen  eigenbelang  en  zelfs  over- 
weldigend en  vernietigend  op  zijne  zelfzuchtige  motieven 
inwerken. 

Het  getemde  individu  der  samenleving  heeft  daarmede 
elke  natuurlijke  vooropstelling  verloren,  aangezien  zijne 
handelingen  door  geen  enkele  onverbiddelijke  kracht  on- 
voorwaardelijk worden  bepaald.  Het  zit  over  zichzelf  ten 
gerecht  en  heeft,  in  beginsel  bezien,  volmaakte  autonomie 
ten  opzichte  van  zichzelf. 

De  bovenzinnelijke  (objectieve)  inhoud  van  het  dierlijk 
bewustzijn,  nl,  de  spontaan-egoïstische  zorg  voor  eigen 
welzijn  en  zelfstandigheid,  is  thans  verzwakt,  en  in  be- 
ginsel zelfs  opgeheven ,  de  zucht  tot  zelfbehoud  getemperd 
en  in  verhouding  tot  den  staat  in  beginsel  zelfs  vernietigd. 
De  homo  sapiens  is  zoodoende  krachtens  scheppingsdefi- 
nitie eene  tabula  rasa  en  zonder  bovenzinnelijken  (objec- 
tieven) inhoud. 

De  staat  daarentegen  als  het  orgaan  der  voorziende 
werkzaamheid  van  een  ras,  berust  uitsluitend  op  het  wel- 
zijn en  de  welvaart  der  samenleving,  welke  hij  bestuurt, 
en  heeft  dus  een  bepaalde  natuurlijke  reden  van  bestaan 
en  een  stellige  vooropstelling:  de  bevordering  van  de  levens- 
vatbaarheid en  de  volstrekte  zorg  voor  het  welzijn  van  hei 
ras  als  ultima  ratio  ^). 


1)  „Das  Wohl  eines  Staats  hat  eine  ganz  andere  Berechtigung  als  das 
Wohl  der  Einzelnen.  Die  sittiiche  Substanz,  der  Staat,  hat  ihr  Dasein  d.  h. 
ihr  Recht  unmittelbar  in  einer  nicht  abstracten  sondern  in  concreter  Existenz 
und  nur  diese  concrete  Existenz,  nicht  einer  der  vielen  für  inoraiische  Gebote 
gehaltenen  allgemeinen  Gedanken,  kann  Frincip  ihres  Handelns  und  Benehmens 
sein."  (Hegel,  Phil.  des  Rechts  §  337). 


HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  175 

Met  dit  wortelverschil  tusschen  staat  en  individu  hangt 
aanstonds  een  wortelverschil  in  de  leidende  beginselen  voor 
beider  handelingen ,  samen.  De  theoretische  moraal  of  plichten- 
leer voor  een  wezen  heeft  alleen  zin ,  in  zooverre  de  na- 
koming dier  plichten  inderdaad  mogelijk  is,  dus  vereenigbaar 
met  den  bovenzinnelijken  inhoud  of  natuurlijken  aanleg 
van  dit  wezen.  Hoezeer  ook  de  toepasselijkheid  aller  alge- 
meene  voorschriften  voor  de  handelingen  der  individuen 
afhangt  van  voorwaardelijke  grondregels,  welke  voor  eiken 
enkeling  samenhangen  met  de  bijzondere  mate  van  dressuur, 
met  het  voorstellingsvermogen,  de  geestkracht,  enz.  enz., 
zoo  zijn  zij  toch  als  moreele  eischen  voor  het  menschen- 
ras  en  zijne  samenleving  geldig. 

Dit  is  zoozeer  waar,  dat  tegenover  de  natuurlijke  instincten, 
welke  zijn  gericht  op  bescherming  van  eigen  aanzijn  en 
dat  der  progenituur,  de  neigingen  tot  belemmering  dier 
instincten  zich  kunnen  verdichten ,  als  het  ware  tot  pseudo- 
instincten :  opofferingsneigingen.  Deze  pseudo-hartstochten 
om  zich  op  te  offeren  {met  mate  natuurlijk,  wegens  de 
onbeperkte  gelegenheid  om  daaraan  toe  te  geven!)  zijn  half- 
natuurlijke,  half-kunstmatig  aangekweekte  ontaardingen  van 
den  langzamerhand  bij  het  individu  door  de  gemeenschap 
bewerkten  goeden  wil  om  zich  te  schikken.  De  sublieme 
dolheden,  welke  hiervan  het  gevolg  zijn,  nl.  de  vrijwillige 
totale  inperking  van  den  geslachtsdrift  bij  den  asceet,  het 
geheel  stelselmatig  offer  van  het  eigen  belang  aan  dat  van 
anderen  in  den  altruïst  enz.  —  zijn  deze  bij  den  mensch 
eerst  laat  gevormde  neigingen,  maar  thans  uit  zijn  instincten- 
samenstel gerukt,  abstract  gemaakt,  en  aangeblazen  met  de 
kracht  van  het  natuur-instinct.  Aan  den  anderen  kant  be- 
wijzen zij  onomstootelijk  de  mogelijkheid  en  geldigheid  (en 
noodzakelijkheid)  der  moraal  voor  menschelijke  individuen. 

De  theoretische  eischen  (elementen  der  moraal)  voor  liet 


176      HET  VRAAGSTUK  VAN  DEN  WERELDVREDE. 

individu  kunnen  elkaar  weerspreken.  De  evenwichtige  maat- 
schappelijke mensch  zoekt  in  zijne  levens-kunst  een  even- 
wicht van  instincten  (en  neigingen  of  pseudo-instincten) 
welke  van  tegengestelden  aard  zijn.  Tegenover  de  dierlijke 
middelpuntzoekende  aandriften  stellen  zich  middelpunt- 
vliedende contramotieven,  die  onmiddellijk  samenhangen 
met  zedelijke  beginselen  van  (leven)  ontkennende  strekking 
in  de  menschelijke  plichtenleer  —  en  alle  oorspronkelijke, 
natuurlijke  begeerten  komen  in  elke  (navolgbare)  zedeleer 
zoowel  bevestigd  als  ontkend  voor. 

Wat  de  materie  aangaat,  is  de  inhoud  van  den  Staat 
minder  ruim  dan  die  van  het  individu.  Het  Staatswezen 
vooronderstelt  alle  neigingen  tot  zelfbeperking,  opoffering 
bij  de  burgers,  doch  houdt  ze  als  't  ware  verzwolgen,  — 
de  staat  is  in  zijn  wezen  het  tegendeel  van  opofferings- 
lustig,  van  matig  en  zelfbeheerschend,  Het  individu  bevat 
de  neigingen  zoowel  tot  bevestiging  als  tot  ontkenning  van 
den  levenswil,  de  staat  is  daarentegen  uitsluitend  een  'ja- 
zeggen'  tot  den  levenswil. 

Het  individu  is  naar  zijne  gezindheid  met  den  Staat  alleen 
dan  in  overeenstemming,  voorzoover  het  zich  met  de  levens- 
neigingen van  het  staatswezen  dermate  vereenzelvigt,  dat 
het  de  onbeperktheid  van  eigen  aanspraak  op  ontwikkeling 
en  eigen  recht  op  uiting  geven  aan  zijne  instincten  prijs 
geeft  1). 

Hierop  berust  de  ontzettende  historische  taak  van  den 
staat  in  de  samenleving:  aan  de  eene  zijde  de  exemplaren 
tot  vollen  wasdom  en  ongebreidelde  ontplooiing  hunner 
vermogens  te  doen  komen,  aan  de  andere  ze  te  leiden,  te 
regelen,   te  knotten,  ja  zelfs  te  vernietigen,  —  zoodat  op 


1)  „Was  die  Edlen  unter  den  Römern  zu  Mühen  und  Aufopferungen ,  zum 
Dulden  und  Tragen  fürs  Vaterland  begelsterte,  war  ihr  fester  Glaube  an  die 
ewige  Fortdauer  ihrer  Roma."  (Fichte,  Reden  an  die  Deutsche  Nation,  VIII). 


I 
I 


HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  177 

bijkans  onmerkbare  en  nauwelijks  scherp  aan  te  geven 
wijze  de  inrichting  van  den  staat,  die  in  dezen  zin  werkelijk 
een  natuurinstelling  is,  samenhangt  met  de  neigingen,  die 
bij  de  ontwikkeling  van  het  menschenras  worden  aange- 
kweekt of  bevorderd.  De  staat  is  geen  uitvindsel,  geen 
klassewerktuig ,  geen  bewust  product  van  geesteswerkzaam- 
heid,  maar  het  orgaan  van  een  natuurkracht,  een  natuur- 
instelling met  een  stelligen  inhoud  en  een  bepaalde  opgave, 
met  het  vervallen  waarvan  ook  het  recht  van  zijn  bestaan  en 
het  voortbestaan  van  eenigen  samenhang  zijner  leden  is 
weggevallen. 

Juist  het  karakter  van  den  staat  als  de  zich  uitbreidende 
en  naar  alle  zijden  om  zich  grijpende  macht  tot  ontwikkeling 
zijner  leden,  als  het  natuurlijk  /•össe/zzm/w/'g' tot  beheersching 
van  alle  levenskansen  der  rassen  —  dit  karakter  van  den 
staat  als  een  onvermurwbaar  natuurwezen ,  dat  veel  geestelijks 
betrekkelijkerwijs  kan  laten  gelden,  dat  vele  meenings- 
richtingen  kan  verduwen ,  welke  alleen  vereenzijdigingen  zijn 
van  neigingen,  die  hij  zelf  herbergt,  —  maar  ten  slotte  ze 
met  de  wreede  supremiteits-overtuiging  van  een  wezen , 
dat  alle  recht  slechts  aan  zichzelf  ontleent,  kan  onopgemerkt 
laten  en  breidelen,  —  juist  deze  overtuiging,  dat  hijzelf 
het  reusachtige  medium  is,  waaraan,  nader  bezien,  alle 
gezindheden  hare  energie  ontleenen,  maakt  den  staat  zoo 
instinctmatig  diep  gehaat  bij  alle  consequente  belijders  der 
negatieve  moraal  van  de  weerloosheids  — ,  de  altruïstische  — , 
de  onthoudingstheorieën ,  welke  het  onbreidelbare  recht  van 
een  natuurlijk  instinct  ten  opzichte  zelfs  der  eischen  van  het 
verstand,  onder  geen  enkele  omstandigheid  mogen  toegeven. 

§5. 

Eene  leer  der  handelingen  voor  staten  (staatslieden)  is 
dus  gebonden   aam   het  onvoorwaardelijk  recht  op  bestaan. 

12 


178  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

Een  individu  kan  krachtens  zijn  redelijk  zelfbestuur  aan 
een  denkbeeld  hooger  waarde  toekennen  dan  aan  eigen 
bestaan  (martelaarschap) ;  een  staat  kan  nooit  martelaar  zijn , 
daar  hij  niet  (kosmologisch)  vrij  is.  Hoezeer  dus  de  staat 
berust  op  het  vermogen  van  zijne  leden,  om  eigen  zelf- 
standigheid te  negeeren  ter  wille  van  de  samenleving,  is 
hij  in  zijn  wezen  egoïst  —  het  individu  kan  zelfmoord 
plegen,  de  staat  nooit,  de  staat  kan  alleen  opgelost  worden. 

Geraakt  eenig  individu  met  een  ander  in  strijd,  dan  kan 
het  de  aandriften,  welke  al  zijn  krachten  samenopstooten 
tot  een  hardnekkigen  wederstand,  terugdringen  en  krachtens 
zijn  verstandelijk  zelfbestuur  van  zelfverdediging  afzien, 
daar  het  natuurrechtelijk  aan  niets  gebonden  is,  —  de  staat 
daarentegen  berust  op  de  noodzakelijkheid  van  zelfhand- 
having,  hierin  ligt  zijn  hoofdbelang.  Zoolang  zijn  bestaan 
niet  bedreigd  wordt,  kan  hij  zich  bezighouden  met  onder- 
werpen van  minder  dringenden  aard,  —  wordt  hij  in  zijn 
bestaan  aangetast,  dan  zinkt  alle  ideologie  als  betrekkelijk 
minderwaardig  en  nietig  weg,  en  het  eenige  dat  blijft,  is 
het  behoud  van  zijne  eenheid,  waarop  al  zijne  energie, 
wordt  samengericht. 

De  verwisseling  van  den  iweeledigen  aard  der  verhoudingen 
van  individuen  en  staten  onderling,  is  grond  voor  de  ver- 
warring, die  veelal  heerscht  bij  het  opstellen  van  bij  voorbaat 
(a  priori)  geldende  grondregels  voor  het  verkeer  der  staten  ^). 


1)  Zie  o.  a.  het  project  van  Bentham  1789  (Principles  of  international  Law) 
waarin  is  vooropgesteld,  dat  geen  natie  aan  eenige  andere  kwaad  behoort 
te  berokltenen  doch  alle  mogelijke  goeds  moet  doen. 

Grégoire's   Précis   du  droit  des  gens  modernes  de  i'Europe  behandelt  een* 
moraalcodex  voor  de  volkeren,  waarin  art.  3:  Een  volk  moet  handelen  jegens 
de  andere  volken,  zooals  het  wenscht,  door  de  andere  behandeld  te  worden,  enz. 

Kant's  „Zum  Ewigen  Frieden"  zal  straks  nader  worden  behandeld. 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  179 


§6. 


Hoezeer  dus  het  menschenras  boven  de  andere  rassen 
verheven  is  in  dit  opzicht,  dat  zijne  individuen  niet  meer 
onvoorwaardelijk  gebonden  zijn  aan,  door  middel  van  in- 
stincten in  hun  bewustzijn  zich  uitende  grondkrachten, 
zoodat  het  menschenras  kosmologisch  vrij  kan  worden  ge- 
noemd, blijkt  dus  de  staat,  hoewel  voortbrengsel  van 
's  menschen  overwegingen  en  vrucht  van  zijn  vrijheid  (de 
staat  is  immers  in  's  menschen  leegen  tijd  ontstaan),  opnieuw 
kosmologisch  gebonden  te  zijn ,  en  te  staan  op  denzelfden 
bovenzinnelijken  bodem  als  het  dier! 

Want  indien  ook  het  verkeer  tusschen  'staten  aan  een 
vormencodex  gebonden  is  en  de  staatsmanskunst  ten  op- 
zichte van  vreemde  staten  van  menschlievende  beginsels 
uit  moge  gaan ,  —  dan  zijn  dit  meeningen ,  die  samenhangen 
met  de  tusschen  de  individuen  heerschende  zeden  ^),  en 
wier  bovendrijven  alleen  getuigt  van  eene  zekerheid  van 
houding  en  een  diep  gewo- telde  overtuiging  omtrent  eigen 
kracht;  —  gelijk  gewoonlijk  edelmoedigheid  bij  een  mensch 
voortkomt  uit  een  hoogen  graad  van  zelfbewustheid  of  zelf- 
genoegzaamheid. Wordt  deze  bedreigd ,  dan  is  de  toepassing 


Zie  ook  Spinoza  Tract.  Pol.  lil,  11. 

1)  Sonst  beruht  das  gegenseitige  Verhalten  im  Kriege  (z.B.  dass  Gefangene 
gemacht  werden)  und  was  im  Frieden  ein  Staat  dem  Angehörigen  eines 
Anderen  an  Rechten  für  den  Privatverkehr  einrSumt,  u.  s.  f.  vornemlich  auf 
den  Sitten  der  Nationen,  als  der  innern  unter  allen  Verhaltnissen  sich  erhal- 
tenden  Allgemeinheit  des  Betragens.  (Hegel  Ph.  des  R.  §  339). 

Zie  ook  Savigny  Röm.  R.  I  p.  33.  „Die  fortschreitende  sitliche  Bilding,  wie 
sie  das  Christentum  begründet,  führt  jedes  Volk  dahin,  ein  Analogon  jenes 
positieven  Völkerrechts  selbst  auf  solche  völlig  fremde  Völker  anzuwenden, 
von  welchen  diese  Gesinning  nicht  getheilt  und  dieses  Verfahren  nicht  erwie- 
dert  wird.  Eine  solche  Anwendung  aber  hat  einen  rein  sittlichen  Charakter 
uud  nicht  die  Natur  eines  positiven  Rechts." 


180  HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

van   meer  menschlievende   beginselen   practisch  onmogelijk 
geworden. 

Staten ,  als  natuurorganen ,  worden  beheerscht  door  over- 
eenkomstige wetten  als  de  dierlijke  wezens  (diplomatieke 
omgang  tusschen  staten  kan  alleen  plaats  hebben  voor 
dergelijke  periodes  als  die  van  katachtige  speelschheid  bij 
de  roofdieren.) 

§7. 

Ik  onderscheid  tusschen  algemeene  beginselen  der  moraal 
en  practische  grondstellingen  of  regelen  voor  zedelijke 
handelingen.  De  laatste  staan  op  den  grondslag  van  weder- 
keerigheid,  volgens  den  regel  nl.  dat  iemand  een  ander 
slechts  plichten  kan  opleggen,  waaraan  hij  zichzelf  onder- 
werpt ^),  en  worden  uit  dit  beginsel  naar  gelang  van  elk 
bijzonder  geval  afgeleid.  Daarentegen  behoort  men  bij  de 
beoordeeling  der  algemeene  beginselen  niet  uit  te  gaan  van 
de  vraag  of  iemand  ze  kan  aanvaarden  enkel  op  den  grond- 
slag van^vederkeerigheid  (jegens  zijne  evenmenschen)  maar 
of  zij  de  zuivere  slotsom  zijn  van  klare  overwegingen  van 
abstracten  aard.  De  vraag  ot  zij  algemeen  uitvoerbaar  zijn 
en  werkelijke  waarde  of  maatschappelijke  wenschelijkheid 
hebben  mag  bij  de  beoordeeling  dus  niet  op  den  voorgrond 
komen.  Zij  bedoelen  daarom  slechts  zedelijke  „idealen" 
waarvan  geldigheid  en  toepassing  of  toepasselijkheid 
moeten  worden  nagestreefd  en  c,  q.  in  den  loop  der  tijden 
geleidelijk  benaderd. 

Zoowel  de  bergrede  in  Mattheus  als  de  Zarathustraleer 
van  Nietzsche  bedoelen  zedelijke  „idealen",  De  hoofdinhoud 
der  heerschende  volks-r  en  standszeden,  der  geschreven  en 


1)  Den  tegenslag  van  den  anderen  regel:  „quod  tibi  fier!  non  vis,  alteri 
ne  feceris"  waaruit  elke  algemeene  rechtsleer  voortvloeit,  gelijk  uit  boven- 
staanden  regel  elk      Igemeene  plichtenleer. 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  181 

ongeschreven  wetten  is  aan  een  ieder  door  overreding  bij 
te  brengen ;  —  de  zedelijke  idealen  daarentegen  zijn  neigingen 
der  samenleving,  in  haar  verbijzondere  beteekenis  genomen 
en  vervolgens  als  onvoorwaardelijk  bedoeld  gebod  uitge- 
sproken. Of  deze  voor  eenig  afzonderlijke  individu  ook 
maar  de  minste  gebiedende  kracht  hebben,  hangt  af  van 
de  bijzondere  hoedanigheid  van  zijn  bewustzijn;  zij  onder- 
stellen voor  hare  navolgbaarheid  een  status  quo,  een  toe- 
stand ,  waarin  alle  blinde  grondmotieven  tot  rust  zijn  gebracht. 

Zoo  is  bijv.  het  gebod,  den  naaste  zoo  lief  te  hebben 
als  zichzelf,  het  inbegrip  van  alle  dwaasheid  voor  een 
mensch ,  in  wien  wraakzucht  en  haat  nog  de  oorspronkelijke 
spontaneïteit  en  kracht  hebben.  Het  laat  zich  denken,  dat_ 
de  met  verstandskiemen  begaafde  „wilde"  door  wederkeerig- 
heidsoverwegingen ,  met  inspanning  van  zijne  verbeeldings- 
kracht en  aan  de  hand  van  kleine  ervaringen,  kan  worden 
gebracht  tot  een  sterke  vrees  voor  het  verrichten  van 
handelingen,  die  hem  sterk  leed  zouden  veroorzaken ,  zoodra 
zij  in  omgekeerden  zin  tegen  hemzelf  werden  verricht.  Hij 
kan  echter  niet  worden  gebracht  tot  liefde,  of  voorname 
hoogachting  jegens  zijn'  vijanden ,  aangezien  daarin  eene 
verzwakking  der  dierlijke  driften  en  een  niet  gewone  kracht 
van  zijn  denkvermogen  worden  vooronderstelt,  welke  hij 
nu  eenmaal  niet  bezit,  terwijl  het  daarmede  te  bereiken 
voordeel ,  nl.  op  zijne  beurt  bemind  en  hoog  geacht  te 
worden,  niet  veel  beteekenis  voor  hem  hebben  kan,  wijl 
de  waarde,  die  wij  toekennen  aan  eene  gezindheid  of  mee- 
ning van  anderen,  slechts  kan  worden  gemeten  door  de 
opoffering  van  onze  zelfzuchtige  begeerten ,  welke  daardoor 
kan  worden  teweeggebracht.  (Zoo  veronderstelt  de  navolging 
van  zelfs  elementaire  oorlogsgebruiken  een  georganiseerd 
stamleven). 

Er  valt  te  onderscheiden  tusschen  redelijke  of  werkelijke 


182  HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

idealen,  welke  gelden  voor  wezens,  door  welker algemeenen 
bovenzinnelijken  inhoud  zij  niet  worden  weersproken-  en 
onredelijke-  of  onwerkelijke  idealen,  wier  beginsel  in  strijd 
is  met  den  natuurlijken  aanleg  van  het  wezen,  waarvoor 
zij  heeten  te  gelden. 

Daar  het  menschelijk  bewustzijn  het  inbegrip  is  van  al 
zijne  neigingen,  kan  geen  dezer  neigingen  afzonderlijk,  als 
maatschappelijk  (d.  i.  aan  allen  gelijkelijk  opgelegd)  gebod 
worden  uitgesproken  en  kunnen  practische  grondstellingen , 
gelijk  deze  in  de  volkszeden  zijn  neergelegd ,  alleen  concreet 
zijn  en  meer  of  minder  willekeurige  vaststellingen  inhouden. 
Voorzoover  echter  in  het  individu  de  mogelijkheid  tot  ver- 
.standelijk  zelfbestuur  aanwezig  is,  kan  elke  afzonderlijke 
neiging  door  hem  worden  volstrekt  gemaakt  en  wordt  zij 
niet  door  den  algemeenen  inhoud  van  zijn  bewustzijn  uit- 
gesloten. 

Zoo  is  het  zedelijk  gebod  uit  de  Bergrede  mogelijk  en 
oplegbaar,  daar  het,  hoe  zeer  dan  ook  verenkeld,  en  zij 
het  dan  ook  ten  koste  van  het  evenwicht  of  het  aanzijn 
van  het  individu ,  uitvoerbaar  is  —  en  het  kan  dus  worden 
gekenschetst  als  een  redelijk  moreel  ideaal. 

§8.      . 

Het  liefdegebod,  aan  menschelijke  individuen  opgelegd, 
om  een  toestand  te  scheppen  en  te  onderhouden ,  waarin 
de  volkomen  wezenseenheid  de  practische  grondstellingen 
voor  handelingen  volkomen  bepaalt,  zoodat  eene  vijandige 
verhouding,  daar  alle  vervreemding  is  opgehouden,  onmo- 
gelijk geworden  is,  —  dit  gebod,  getransponeerd  op  de 
staten,  is  het  gebod  tot  den  wereldvrede.  Ik  zal  nu  nagaan , 
of  dit  vervormde  ideaal  eenigen  redelijken  grond  bevat. 

Het  vraagstuk  van  den  wereldvrede  is  van  kosmologischen 


HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  183 

en  niet  van  individueel-zielkundigen  aard.  Het  komt  er  hier 
niet  op  aan ,  te  willen  maar  te  kunnen  willen.  De  menschen- 
vrienden,  die  dien  toestand  van  eeuwigen  vrede  willen 
naderbijbrengen  door  individueele  gezindheden  uit  te  lokken 
(congressen ,  motie's  enz.  enz.)  vergeten ,  dat  zelfs  de  heros, 
het  eenige  individu  dat  een  rol  speelt  in  de  bereiking  van 
de  historische  doeleinden  der  natuur,  slechts  dan,  wanneer 
en  zoolang  hij  volgens  hare  wetten  handelt,  zich  kan 
staande  houden  en ,  zoodra  hij  eene  stremming  uitoefent  of 
zich  er  tegen  verzet,  wordt  vernietigd  (natura  volentem 
ducit,  nolentem  trahit). 

Kunnen  de  staten  in  allen  ernst  zich  het  probleem  van 
den  wereldvrede  stellen ,  gelijk  er  menschen  zijn ,  die  nauw- 
gezet arbeiden  aan  de  algeheele  onderdrukking  van  hunne 
zelfzuchtige  aandriften?  Of  anders:  geeft  de  natuur  vol- 
doende waarborgen  voor  de  bestendiging  van  den  toestand 
van  algemeenen  vrede,  zoodra  deze  op  een  bepaald  oogen- 
blik  mocht  zijn  bereikt? 

Kant  geeft  (VII,  p.  263)  op  deze  vraag:  of  de  natuur, 
ook  tegen  den  wil  der  enkelingen  in,  door  bepaalde  in- 
richtingen of  instellingen  waarborgen  geeft  voor  het  eindelijk 
bereiken  van  den  wereldvrede ,  drieërlei  antwoord ,  naarmate 
der  staatsrechtelijke,  der  volkenrechtelijke  en  der  wereld- 
burgerlijke verhoudingen  tusschen  de  individuen. 

I.  Het  vraagstuk  van  de  statenstichting  is,  gelijk  Kant 
aangeeft,  zelfs  voor  duivels,  mits  met  verstand  begaafd ,  op- 
losbaar ^)  en  houdt  in:  eene  ordening  van  de  individuen 
en  eene  regeling  van  hunnen  samenhang  op  zoodanige 
wijze,  dat  hunne  afzonderlijke  gezindheden  en  belangen, 
hoe   slecht  ook  en  hoezeer  aan  elkaar  tegenstrijdig,  elkaar 


1)  Verg.  de  Summa  Theol.  van  Th.  A.  (p.  I  q.  108,  2  ad  2in)  „Concordia 
daemonum  qua  quidam  aliis  obediunt,  non  est  ex  amicitia  quam  inter  se 
habeant  sed  excommuni  nequitiaqua(hominesodiunt)  Dei  justitiae  repugnant." 


184  HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

in  zulke  mate  opheffen ,  dat  hunne  openbare  (oogenschijn- 
lijke)  verhouding  niet  anders  is,  dan  indien  hunne  gezind- 
heden niet  zoo  slecht  waren.  Zoo  naderen  zeer  onvolkomen 
georganiseerde  staten,  van  buitenaf  bezien,  dicht  tot  wat 
door  de  rechtsidee  wordt  voorgeschreven ,  zonder  dat  dit 
te  danken  is  aan  de  hoogzedelijke  eigenschappen  der  burgers. 
De  natuur  wil  zoodoende  den  rechtstoestand,  en  wil,  dat 
ten  slotte  het  recht  de  overhand  behoudt. 

Critiek.  De  stichting  van  den  staat,  als  natuurinrichting 
beschouwd ,  berust  op  overwegingen  van  wederkeerigheid 
van  verhouding  en  gaat  dus  niet  volkomen  consequent  uit 
van  beginselen  van  theoretischen  aard  —  integendeel  voor- 
onderstelt hij  bij  de  leden  zijner  samenleving  een  lager 
zedelijk  niveau ,  dan  waarop  zijne  wetgeving  ligt  (daar  elke 
wet  rechtsdwang  onderstelt  en  dus  discongruentie  met  het 
rechtssubject).  Zijne  stichting  vangt  dus  aan  met  de  moge- 
lijkheid tot  het  algemeene  alzijdige  vergelijk  tusschen  de 
leden ,  en  geen  wetgever  kan  eenig  uitsluitsel  geven  in 
gevallen,  waarin  het  onmogelijk  is,  de  oplossing  af  te 
leiden  uit  het  beginsel  van  de  gelijkheid  der  individuen  in 
kosmologischen  zin  (waarbij  overigens  onderscheid  moet 
worden  gemaakt  tusschen  gelijkheid  der  personen  en  gelijk- 
heid van  hunne  functies,  daar  deze  laatste  ongelijkmatig 
met  rechten  en  plichten  kunnen  zijn  belast.)  Waar  tegen- 
gestelde belangen  door  wederzijdsche  gedeeltelijke  opoffering 
verzoenbaar  zijn ,  of  waar  algemeen-  en  privaatbelang  in 
strijd  zijn,  voorziet  de  rechtspraak.' 

Sluiten  echter  tegengestelde  belangen  elkander  uit,  zonder 
dat  het  zwaard  van  het  algemeen-  of  rechtsbelang  in  een 
der  schalen  kan  worden  geworpen,  dan  zwijgt  Themis  op 
de  dilemma's,  en  alleen  de  (godsdienstige)  moraal  kan 
eene  oplossing  eischen ,  —  bijv.  in  het  geval  van  twee  schip- 
breukelingen op  een  plank,  die  er  slechts  een  kan  dragen, 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  185 

waarbij  de  gemeenschap  krachtens  de  gelijkheid  der  indi- 
viduen in  kosmologischen  zin ,  op  het  behoud  van  den  een 
niet  meer  prijs  stelt  dan  op  dat  van  den  ander.  Hier  is 
alleen  dan  eene  oplossing  mogelijk,  wanneer  een  der  schip- 
breukelingen krachtens  een  zedelijk  beginsel  van  zuiverlijk 
algemeenen  aard,  eigen  bestaan  waardeloos  acht  in  ver- 
gelijking met  dat  van  den  ander,  of  met  een  stelselmatige 
overwinning  op  het  egoïsme. 

Het  probleem  van  den  wereldvrede  behoort  nu  tot  die 
vraagstukken  van  algemeen-theoretischen  aard ,  waarvan , 
uitgaande  van  het  wederkeerigheidsbeginsel ,  in  het  algemeen 
geene  oplossing  kan  worden  gegeven.  Voor  werkelijk  alle 
staten  of  statenbonden  immers  twee  aan  twee,  kan  de 
wenschelijkheid  over  en  weer  van  ongehinderde  inbezit- 
neming (koloniale  politiek),  of  van  eene  vrije  regeling  der 
handelsbetrekkingen  met  vreemde  verkoopers  en  afnemers 
(tarievenstrijd),  hetzij  werkelijk,  hetzij  denkbeeldigerwijs 
culmineeren  in  eene  diep  gevoelde  noodzakelijkheid  en 
onmisbaarheid  voor  hun  bestaan  ^).  Zij  verkeeren  dan  in  het 
geval  van  de  schipbreukelingen  op  een  plank,  waarbij 
echter  thans  geene  oplossing  mogelijk  is,  daar  het  (concrete) 
levensbeginsel  van  een  staat,  wiens  bestaan  berust  op  de 
instinctmatige  verdediging  van  den  voortduur  zijner  leden, 
de  ontkenning  in  zich  sluit  van  alle  algemeene  beginsels 
en  neigingen,  ook  de  feitelijke,  anders  dan  noodgedwongen, 


1)  Vergelijk  ook  de  zeer  zuivere  probleemstelling  in  J.  G.Fichte.  Der  geschlos- 
sene  Handelsstaal  III  C.  3en  4(Recl.p.  95en  v.):  Het  is  alleen  voor  den  volstrekt 
'afgesloten  handelsstaat',  den  staat  nl.  die  binnen  de  grenzen  van  het  dominium , 
van  de  organisatie  der  samenleving  en  van  de  capaciteit  der  leden,  alle  geographi- 
sche  en  ethnologische  oorzaken  bevat  voorden  krachtigst  denkbaren  maatschap- 
pelijken  bloei,  en  zich  daarna  compleet  terugtrekt  uit  het  verkeer  der  volkeren — 
het  is  alleen  voor  den  'gesloten  handelsstaat'  ongeoorloofd  om  naar  terrein- 
uitbreiding te  blijven  haken,  omdat  „uit  eene  vergrooting  tot  buiten  de 
natuurlijke  grenzen  voor  hem  niet  het  minste  voordeel  meer  zou  voortvloeien..'" 


186  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN    WERELDVREDE. 

erkenning  van  andere  staten  —  zoodat  hij  geen  keus  heeft 
buiten  den  strijd  op  leven  en  dood. 

Il  Kant:  In  te  groote  staten  verliezen  de  wetten  aan  van- 
zelfsprekendheid en  nadrukkelijkheid,  en  een  ziellooze 
regeering  valt  ten  slotte  in  anarchie  uiteen.  Toch  bezit  elke 
staat  de  neiging,  om  aan  de  onrustige  spanning  ten  opzichte 
van  de  naburen  een  einde  te  maken,  en  door  verovering 
den  toestand  van  eeuwigen  vrede  te  veroorzaken.  Hierdoor 
ontstaat  gevaar  voor  oorlog:  de  natuur  echter  wil  het 
anders  en  bedient  zich  van  twee  middelen  om  de  volkeren 
van  geleidelijke  vermenging  af  te  houden  en  geene  ver- 
overing geheel  doeltreffend  te  maken,  nl.  het  onderscheid 
van  taal  en  dat  van  godsdienst. 

Critiek.  Dit  argument  voor  een  ten  slotte  bereikbaar 
evenwicht  tusschen  de  staten  is  zeer  zwak,  aangezien  het 
tegelijkertijd  de  redenen  bevat  voor  zijn  groote  wankelbaar- 
heid.  Want  rassengewijze  samenwerking  van  individuen 
berust  niet  op  tijdelijk  overeenkomstige  belangen,  noch  op 
afspraken,  die  op  een  willekeurig  te  kiezen  oogenblik 
kunnen  worden  verbroken,  maar  op  de  natuurnoodzakelijk- 
heid van  het  staatsverband. 

De  continuïteit  van  dit  verband  onderhoudt  de  vaderlands- 
liefde: de  diepgewortelde  overtuiging  van  individuen,  dat 
de  staat  leeft,  ook  al  zien  of  voelen  zij  hem  niet  ^).  Geen 
vaderlandsliefde  zonder  gemeenschappelijk  doorstaan  gevaar 
en  zijne  litteekens  of  herinneringen,  of  de  mogelijkheid  van 
een  buitenlandschen  vijand.  Naast  dezen  negatieven  inhoud, 
nl.  de  sterkgevoelde  noodzakelijkheid  om  vijanden  uit  te 
sluiten,   staan   de  positieve  gronden  voor  samenvoelen:  nl. 


1)  „Der  Patriotismus  ist  die  Gesinnung,  welche  in  dem  gewöhnlichen 
Zustande  und  Lebensverhaltnisse  das  Gemeinwesen  für  die  substantiale 
Grundlage  und  Zweck  zu  wissen  gewöhnt  ist."  (Hegel,  Phil.  des  Rechts  §  268). 
Zie  ooit  §  322. 


HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  187 

de  overeenstemming  in  geestelijke  eigenschappen,  blijkende 
uit  een  gelijk  begrippenmateriaal ,  en  uit  gelijke  denkbeelden 
omtrent  de  verhouding  jegens  elkaar  en  de  godheid. 

De  liefde  jegens  allen ,  die  in  een  zelfde  ras-  en  staats- 
verband zijn  opgenomen ,  moet  een  werkelijk  gevoel  zijn , 
d.  i.  een  voorstelbaren  inhoud  hebben,  en  is  daarom  van 
beperkten  omvang  (algemeene  menschenliefde  is  een  abstracte 
eisch ,  die  zichzelf  weerspreekt:  liefde  jegens  allen  is  liefde 
voor  niemand).  Dan  houdt  zij  dus  niet  alleen  den  grond  in 
voor  de  scheiding  tusschen  verschillende  stateo ,  aangezien 
zij  naast  het  onderscheid  in  gezamenlijke  stoffelijke  belangen  , 
ook  een  blijvend  verschil  in  de  geestelijke  verlangens  en 
idealen  der  natie's  stelt,  —  maar  vergemakkelijkt  tevens  de 
groote  botsingen ,  daar  zij  spoediger  eenstemmigheid  ver- 
oorzaakt, zoodat  staatkundige  overtuigingen  sneller  en  met 
meerder  élan  in  het  leven  der  geheele  natie  slaan  ^). 

III.  Kant:  De  derde  waarborg  van  de  natuur  voor  den 
wereldvrede  is  de  handelsgeest,  die  niet  bestaanbaar  is 
tezamen  met  den  krijg,  zoodat  alle  staten,  in  een  krijg 
gemeenschappelijk  hunne  belangen  geschaad  zullen  zien, 
en  dien  derhalve  door  het  inroepen  van  bemiddeling  zullen 
helpen  afwenden. 

Critiek.  Dit  argument  is  weer  een  nest  van  tegenstrijdig- 
heden : 

Met  de  vergemakkelijking  van  het  verkeer  en  de  ver- 
meerdering van  het  aantal  verkeerswegen  voor  den  handel 


1)  Wenn  man  meint,  Fürsten  und  Kabinette  seien  mehr  derLeidenschaftals 
Kammern  unterworfen  und  deswegen  in  die  Hande  der  letzteren  die  Ent- 
scheidung  über  Krieg  und  Frieden  zu  spielen  sucht,  so  muss  gesagt  werden , 
dass   oft  ganze  Nationen    noch  mehr  als  ihre  Fürsten  enthusiasniiert  und  in 

Leidenschaft  gesetzt  werden  i<önnen; Die  Popuiaritat  von  Pitt  kam  daher, 

dass  er  das,  was  die  Nation  damals  wollte,  zu  treffen  wusste.  u,  s,  f.  (Hegel 
Ph.  d.  R.  §  329.  Zus.) 


188  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

neemt  ook  hunne  verplaatsbaarheid  of  verlegbaarheid  toe 
en  dus  ook,  betrekkelijk  genomen  zijne  onafhankelijkheid 
van  het  oorlogsterrein. 

Met  de  vermeerdering  der  productiecentra  en  der  afzet- 
markten, en  derhalve  van  het  bankwezen  nemen  de  be- 
trekkingen tusschen  voortbrenger  en  afnemer  een  algemeene 
(krediet)vorm  aan,  welke  minder  te  lijden  heeft  van  schokken 
in  het  wereldverloop. 

Eindelijk  is  met  de  uitbreiding  der  handelsbetrekkingen 
en  dus  van  het  belang ,  dat  de  natie's  hebben  bij  een  onge- 
stoorden  handel,  aan  den  anderen  kant  eene  vergrooting 
van  het  belangenoppervlak  verbonden,  zoodat  bijkans  elke 
streek  ter  aarde  kan  worden  getrokken  binnen  den  kring 
van  begeerlijke  bezittingen  of  invloedsferen  der  natie's, 
welke  den  wereldhandel  drijven,  en  dus  onder  omstandig- 
heden tot  een  casus  belli  kan  worden. 

Aldus  hebben  zoowel  de  statenvorming  als  de  individuali- 
seering  der  rassen  en  het  wereldverkeer  een  dubbelzijdigen 
invloed  op  de  algemeene  verhouding  tusschen  de  natiën. 
Deze  wordt  samengestelder,  naarmate  de  geschiedenis  voort- 
schrijdt, maar  de  wortelverhouding  tusschen  de  staten,  als 
alleen  bestaande  door  en  in  energieke  wederzijdsche 
uitsluiting*),  blijft  hiermede  even  grondig  en  volstrekt 
gelden. 


1)  Hegel  heeft  gesproken  over  den  Staat  ais  das  „Gottesreich  auf  Erden" 
nl.  als  de  totale  verwerkelijking  der  in  liet  bewustzijn  van  een  volk  ais  een 
systeem  van  rechten  en  verplichtingen  levende  zedelijkheid,  als  de  hoogste 
bestaande  eenheid  op  aarde.  Beschouwt  men  den  staat  in  zijne  negativiteit, 
inzooverre  hij  dus  andere  staten  uitsluiten  moet  om  zich  als  eenheid  te  hand- 
haven, dan  kan  men  evengoed  spreken  van  das  „Teufelsreich  auf  Erden", 
want  de  vermogens  van  deze  „goddelijke"  kracht,  de  organisatie  der  talenten, 
de  in  de  instellingen  opgesloten  geestkracht,  kan  met  dezelfde  beslistheid 
naar  buiten  worden  aangewend. 


HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  189 

§9. 

De  natuur  geeft  uit  haar  zelve  geen  waarborgen  voor 
den  wereldvrede,  integendeel  veriiouden  zich  alle  meeningen 
en  algemeene  gedachten  der  moraal ,  waaruit  hij  zou  kunnen 
voortvloeien ,  tot  de  centrale  gedachte  van  den  staat  als  peri- 
ferische  „momenten",  welker  krachtdadigheid  kan  worden 
verlegd  en  verschoven,  ja  zelfs  in  infinitum. 

Zoo  heeft  de  staat  een  dubbelzijdig  karakter  —  daar  in 
de  instellingen,  waarin  hij  zijn  lichaam  krijgt  deze  meeningen 
en  algemeene  gedachten  zijn  vastgelegd,  —  terwijl  zijn 
eigen  beginsel  van  volstrekte  en  moorddadige  ontkenning 
van  anderer  bestaan,  een  „principium  occultum"  is,  nergens 
wordt  uitgesproken,  en  zich  onverschillig  verhoudt  jegens 
den  geest  der  staatsinstellingen.  De  geest  der  uitwendige 
politiek  moet  onafhankelijk  zijn  van  de  substantie  van  het 
recht  —  elke  regeering  staat  boven  recht  en  onrecht  — 
men  kan  zeggen,  dat  haar  systeem  het  gelegaliseerde 
anarchisme  is. 

De  staat  is  aan  den  anderen  kant  niet  de  abstracte  macht 
van  het  ras  tegenover  den  willekeur  der  individuen:  — 
daar  hij  in  zijne  burgers  neigingen  aankweekt,  tegengesteld 
aan  de  zijne,  wordt  hij  daarmede  gekleurd;  zoodat  de  staat, 
inzooverre  hij  voortbrengsel  is  van  den  arbeid  der  individuen , 
al  hunne  neigingen  en  gezindheden  inhoudt,  —  maar  daar 
hij  het  gewrocht  is  van  het  onsterfelijkheidsverlangen  van 
het  ras,  is  hij  de  absolute  macht  der  historische  doeleinden 
tegenover  de  individuen. 

Hij  is  zoodoende  een  dooreenmenging  van  beschaving 
en    barbaarschheid  ^)  —  de  beschaving  ontleent  hij  aan  de 


\)  Burlamaqui  heeft  in  zijn  Princ.  du  dr.  nat.  met  grooten  nadruk  de  onver- 
anderlijiiheid  der  Natuurwetten  van  liet  Recht  (of  gewoonweg  Loix  Naturelles) 
volgehouden  en  met  conscientieuse  scherpte  vermeden,  van  vage  en  algemeene 


190      HET  VRAAGSTUK  VAN  DEN  WERELDVREDE 

individueele  gezindheden,  welke  hij  voor  zijne  instand 
houding  behoeft,  —  de  barbaarschheid ,  de  ongedwongen 
natuurlijkheid  in  haar  volle  oprechtheid  en  eenvoudigheid , 
is  het  eigenlijke  karakter  van  den  staat,  die  vóór  al  het 
andere,  de  ongehinderde  verhooging  wil  van  alle  bestaans- 
kansen  voor  het  ras.  Het  natuurlijk  wezen  van  den  staat 
houdt  de  rekbare  vereeniging  in  van  alle  uiterste  aan 
het  daglicht  getreden  neigingen,  doch  is  zelf  zoodoende 
een  principium  celatum ,  dat  in  dreigende  tijden  met  on- 
weerstaanbare kracht  in  het  aanzijn  treedt  en  dan  blijkt 
altijd  achtergrond  en  vereenigingspunt  te  zijn  geweest  van 
alle  in  den  staat  werkzame  denkbeelden. 

Men  kan  daarom  het  staatswezen  vergelijken  met  een 
vulkaan,  uit  welks  versteende  uitwerpselen  weelderige  en 
grillige  gewassen  zijn  opgeschoten ,  die  een  aangrijpende 
bekoring  spreiden  over  het  onderaardsch  geweld,  —  doch 
waarbinnen  de  daemonische  natuurkrachten  sluimeren,  die 
straks  deze  geheele  levende  organische  wereld  tot  een 
weinig  asch  kunnen  doen  inschroeien. 

beweringen  voort  te  gaan  tot  duidelijk  geformuleerde  argumenten.  Er  moet 
worden  onderscheiden  tussclien  het  primitieve  en  het  secundaire  natuurrecht, 
daar  men  dan  ooit  op  elk  oogenblik  en  bij  elke  stap  tegen  dit  contrast  aan- 
loopt. Uit  het  primitieve  natuurrecht  bij  B.  kan  bijv.  de  souvereiniteit  niet 
worden  afgeleid.  Wilde  men  nl.  de  Staatsinrichting  verklaren  uit  aangeboren 
inzichten,  dan  zou  moeten  worden  toegegeven,  dat  deze  inzichten  anders 
moeten  zijn  bij  den  Souverein  dan  bij  den  onderdaan  (hetgeen  dan  trouwens 
de  grond  is  voor  het  geloof  in  de  goddelijke  rechten  van  regeerende  families). 

Houdt  men  echter  het  primitieve  en  het  secundaire  natuurrecht  tegenover 
elkaar  vast,  met  den  mensch  er  midden  tusschen  in,  dan  ziet  het  er  slecht 
uit  met  „l'immutabilité  des  Loix  naturelles."  Het  zou  dan  nl.  niet  goed  zijn  in 
te  zien,  welke  wet  die  beide  samen  wel  zouden  volgen.  Daarom  laat  B.  zich 
dan  ook  ontvallen:  „l'on  comprend  bien,  que  ce  Droit  Naturel  second  n'est 
qu'une  suite  du  premier,"  (Genève  1762,  p.  111)  hetgeen  er  niet  uit  volgt,  en 
trouwens  ook  niet  anders  dan  dialectisch,  d. i.  in  zuivere  rede,  te  begrijpen 
zou  zijn. 

Het  schijnt,  dat  B.  verouderd  is,  zijne  speculaties  zijn  het  niet;  men  ver- 
mijdt tegenwoordig  alleen,  ze  te  doen  drukken.  Dit  hangt  samen  met  een 
steeds  grooter  wordende  verlegenheid  voor  deïstische  confessies. 


HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  191 

IL 
§  10. 

Utatur  motu  animi  qui  uti  ratione   non 
potest.  Cicero  (Tusc.  IV,  25). 

De  moraal  is  eene  techniek  der  voorstellingskracht  en  niet 
van  den  spontanen  zin  tot  handelen  ^). 

Vandaar  dat  de  natuurlijke  mensch  niet  moreel  is  en  de 
maatschappelijke  mensch  alleen  voorzooverre  zijne  voor- 
stellingskracht op  zijne  handelingen  invloed  heeft.  Deze 
kan  problemen  stellen,  ontleden,  trachten  te  verwerkelijken 
en  voorzooverre  hij  als  vrij  geestelijk  wezen  zijne  bedoe- 
lingen in  zijne  macht  heeft,  is  hij,  wat  zijne  bedoelingen 
aangaat,  moreel.  Zijn  voorstellingsvermogen  stelt  een  pro- 
blematisch geval ,  zijn  verstand  past  er  zijn  moreel  beginsel 
op  toe  en  zuivert  de  zedelijke  phantasie  door  kritiek  van 
alle  ,timmoreele"  bijmengselen.  Zoodra  de  moralist  echter 
moet  gaan  handelen,  wordt  hem  duidelijk,  dat  het'moreele' 
voorstellingsbeeld  eene  abstractie  was  van  zijn  wezen,  terwijl 
in  de  handeling  het  geheele  wezen  zich  uit. 

Vandaar  dus,  dat  eene  handeling  alleen  zedelijk  kan 
worden  genoemd  in  symbolischen  zin.  Daar  in  den  omvang 
zelfs  der  geringste  handeling  het  totale  menschelijke  wezen 
meedoet,  kan  zij  alleen  zedelijk  worden  genoemd  als  zinne- 
lijke repraesentante  van  het  ideale  moreele  geval. 

In  het  staatsieven  gaat  het  niet  om  de  zedelijke  phantasie 
en  de  staatsman  behoort  ook  geen  ideale  gevallen  te  be- 
peinzen ,  tenzij  het  asymptoten  mochten  zijn  van  de  zeer 
concrete  belangen,  en  eerzuchtige  begeerten  van  de  staats- 
gemeenschap.  En  dit  alles  wijl  het  staatsieven  eene  op- 
volging  is   van    louter   (egoïstische)    handelingen,   die   het 

1)  Zal  in  een  afzonderlijii  verliandeling  door  mij  worden  betoogd. 


192  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN    WERELDVREDE. 

staatsbestaan  bedoelen,  terwijl  het  leven  van  den  individu- 
eelen  mensch  het  spel  is  eener  wisselwerking  van  algemeene 
(onbaatzuchtige)  beginselen  en  het  eigenbelang. 

De  redenen,  welke  tot  dusverre  zijn  ontwikkeld,  leven 
op  natuurlijke  wijze  in  de  instincten  der  menschen.  Niemand 
laat  zich  in  het  dagelijksch  leven  door  eene  consequente 
moraal  van  de  wijs  brengen ,  juist  wijl  geen  enkele  handeling 
al  of  niet  moreel  kan  worden  genoemd,  wanneer  men  haar 
enkel  naar  haar  zelve  beoordeelt,  maar  alleen,  wanneer  zij 
wordt  bezien  in  verhouding  tot  het  algemeene  beginsel, 
waarvan  hare  intentie  een  toepassing  was. 

Geen  wezen,  zoolang  het  handelt,  is  moreel;  het  kan 
slechts  moreel  zijn,  even  voor  het  aanvangt  te  handelen. 
Als  verschijnsel  des  bewustzijns  beschouwd,  is  de  moraal 
een  zaak  van  verstand  en  voorstellingsvermogen.  Hare  voor- 
stellingen zijn  helder  en  doorzichtig,  zoolang  zij  als joroW^é'/T? 
worden  gesteld.  Hare  voorstellingen  worden  motieven,  zoo- 
dra de  moraal  practisch  gaat  worden ,  of  (van  den  anderen 
kant  bezien)  zoodra  het  handelen  noodzakelijk  wordt. 
Worden  zij  motieven,  dan  ontstaat  strijd  van  motieven. 

Moreele  voorstellingen  kunnen  zuiver  worden  vastge- 
houden, motieven  roepen  terstond  contramotieven  in  het 
spel  en  worden  troebel. 

Als  er  werkelijk  iets  moet  gaan  gebeuren,  begint  de 
moraal  te  dralen.  De  dringende  kracht  der  moraal  bestaat  in 
het  doorzichtige  en  plausibele  van  elk  door  haar  gesteld  geval. 
Naarmate  echter  het  handelen  verplichtender  wordt,  ver- 
liezen de  zedelijke  argumenten  aan  vanzelfsprekendheid.  De 
geloovige  wacht  en  wacht  op  het  conflict  tusschen  drijf- 
veeren  en  handelingen,  tusschen  zedelijke  eisch  en  werke- 
lijkheid, maar  de  werkelijkheid  gaat  stil  voorbij  en  alles  is 
als  te  voren.  • 

Wat   wel    eens   wordt  gesteld  als   het   contrast  tusschen 


HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  193 

theorie  en  praktijk,  tusschen  hetgeen  slechts  denkbaar,  en 
hetgeen  verwerkelijkbaar  is,  kan  in  zuiverder  formuleering 
worden  gezegd,  de  tegenstelling  te  zijn  tusschen  moraal  en 
practijk.  De  goede  theorie  is  uitvoerbaar  of  werkelijk  te 
maken,  de  goede,  de  zuivere  moraal  is  in  beginsel  onuit- 
voerbaar. De  theorie  is  a.  h.  w.  het  oog  der  practijk,  en 
heeft  geen  andere  ziel  dan  de  noodzakelijkheid  om  in  practijk 
over  te  gaan.  De  moraal  is  dan 'het  hart  der  praktijk,  een 
zeer  enthousiast  en  onstuimig  kloppend  hart,  maar  blind 
orgaan  dat  voortgaat  op  een  eigen  rhythme. 

Men  kan  spreken  van  een  moreele  sfeer  en  van  een 
practische  sfeer.  De  eerste  is  een  sfeer  van  verbeeldingen, 
de  andere  een  sfeer  van  ruimtelijke  handelingen.  De  moralist, 
die  handelen  wil,  matigt  zich  werkelijkheid  aan;  de  realist 
(in  ethischen  zin)  die  consequent  wil  zijn,  reflectie.  De 
moralist  leeft  van  doorpeinsde  en  gelouterde  denkbeelden, 
de  ethische  realist  van  verfijnde  instincten. 

De  noodzakelijkheid ,  om  in  het  handelen ,  en  wanneer 
het  om  niets  dan  handelen  gaat,  van  elke  consequente 
moraal  af  te  zien ,  leeft  in  de  instincten  der  menschen.  Van 
oudsher  is  de  moraal  te  goed  geweest  voor  leven  en  wer- 
kelijkheid; of  omgekeerd.  De  moralist,  d.  i.  de  geloovige, 
die  zijn  geloof  werkelijkheid  wil  doen  worden ,  kan  theore- 
tisch overtuigd  zijn  van  de  minderwaardigheid  der  wereld 
en  van  de  hervormende  kracht,  welke  kan  uitgaan  van  den 
subjectieven  geest.  Toch  glijdt  de  werkelijkheid,  eeuwig 
onwedergeboren ,  hem  voorbij  en  hij  is  er  wanhopig  gelaten 
aan  gewend. 

Indien  de  instincten  van  den  mensch ,  zelfs  van  den  meest 
verinnerlijkten  mensch,  den  moralist,  niet  volkomen  a-moreel 
waren,  zou  de  werkelijkheid  voor  hem  niet 'te  dragen  zijn. 
Maar  de  innerlijke  onv^schilligheid  van  's  menschen  natuur 
(men    zou   kunnen   zeggen:   zijn  kosmische  oorsprong)  laat 

13 


194  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

hem,  met  al  zijne  verbale  protesten,  ongehinderd  de  wer- 
kelijkheid verdragen.  Men  mag  nog  zoozeer  met  armen  en 
beenen  om  zich  heen  slaan,  zoodra  de  werkelijkheid  een 
individueele  verwachting  dreigt  te  verstoren  —  in  zijn  hart 
laat  men  het  geheel  der  dingen  gelden  en  zichzelf  erbij. 

Al  is  dus  elke  moralist  een  werkelijkheidsdienaar,  wijl 
hij  handelen  móet,  en  ondergaat  dus  met  groote  gestadig- 
heid de  drijfkracht  zijner  werkelijke  instincten,  toch  zal  hij 
niet  kunnen  nalaten  in  een  zoo  bij  uitstek  practisch  gebied 
als  dat  der  staatmanskunst,  zijn  moreelen  wereldvrededroom 
binnen  te  peinzen.  En  dat  de  moralist  dit  kan  doen  zonder 
al  te  hevige  bewustzijnsverstoringen  is  te  danken  aan 
tweeërlei  reden:  1"  dat  alle  zaken,  welke  staatsgemeen- 
schappen  en  hare  belangen  betreffen,  voor  hem  wegens 
den  grooten  omvang,  niet  meer  overzienbaar  zijn,  zoodat 
de  omgrenzing  vervaagt  en  haar  aard  hem  toeschijnt  ongelijk 
te  zijn  aan  die  der  scherp  te  omlijnen  en  nauwkeurig  na 
te  jagen  practische  zaken  om  ons  heen,  2"  dat  alle  staat- 
kundige vraagstukken  berecht  worden  door  (regeerende) 
individuen,  wier  handelingen  aan  willekeur  en  invallen 
onderhevig  zijn  en  dus  ook  onder  het  bereik  der  moraal 
kunnen  komen. 

Dit  zijn  in  het  kort  de  gronden ,  waarop  voor  den  mora- 
list de  mogelijkheid  van  den  zedelijken  vooruitgang  der 
menschheid  rust.  Maar  hier  achter  treft  men  het  geloof  aan 
in  den  vooruitgang  der  menschheid,  een  geloof,  dat  in  de 
Germaansche  en  Romaansche  rassen  zeer  verbreid  is,  en 
waarvoor  men  toch  moeilijk  degelijke  en  verdedigbare 
gronden  zou  kunnen  aanvoeren,  al  was  het  alleen,  omdal 
niemand,  die  aan  dezen  vooruitgang  gelooft,  ook  maar 
voor  het  minst  voorstellingen  heeft  of  gedachten  over  dat- 
gene, waaraan  hij  heet  te  gelooven. 

In  verband  met  opzet  en  bestek   van  dit  artikel ,  zal  zich 


HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  195 

niet  laten  ontvouwen,  waarin  het  „mechanisme",  om  zoo  te 
zeggen,  van  dit  geloof  aan  den  vooruitgang,  aan  de  zede- 
liji<e  evolutie,  of  wat  dies  meer  zij,  eigenlijk  bestaat. 

Is  het  echter  waar,  dat  het  geloof  aan  den  vooruitgang 
(waarvan  een  meer  of  minder  vergroofd  exempel  is  —  het 
geloof  aan  „den"  toekomststaat)  geen  inhoud  heeft,  dan 
moet  men  het  zich  denken,  als  niet  ingegeven  door  de 
treffende  juistheid  van  een  omschrijfbaar  denkbeeld,  maar 
door  eene  behoefte  van  de  naar  zekerheid  dorstende  ziel. 
Het  geloof,  dat  de  menschheid  niet  altijd  weer  van  voren 
af  dezelfde  banen  doorloopt,  en  de  oneindigheid  van  haar 
weg  niet  snoert  om  eenzelfde  cirkelvlak  van  gedachten , 
wenschen  en  verrichtingen ;  —  maar  een  vast  plan  volgt 
door  de  ruimte  van  alle  mogelijkheden  — ;  dit  geloof  kan 
niet  anders  zijn  dan  een  andere  vorm  voor  de  overtuiging 
van  de  oneindige  waarde  van  het  bewustzijn ,  inhoudende: 
eene  kosmogonie  van  het  Bewustzijn.  Men  kan  zich  Wil  en 
Bewustzijn  menschelijk  en  eindig,  en  kosmisch  en  oneindig 
denken. 

Het  geloof  aan  den  'vooruitgang  der  menschheid  is  dat 
andere  geloof  aan  de  vrijheid  van  den  menschelijken  wil, 
reusachtig  geprojecteerd  op  het  groote,  onafzienbare  doek 
der  wereldgebeurtenissen. 

De  vraagstukken  van  wilsvrijheid  en  menschheidsvooruit- 
gang  kunnen  van  een  logisch  en  metaphysisch  gezichtspunt 
uit  niet  worden  afgewezen,  mits  zij  logisch  en  metaphysisch 
worden  vertolkt.  Zij  nemen  dwaze  en  vertrokken  vormen 
aan,  wanneer  zij  worden  gesteld  ten  opzichte  van  (eindige) 
menschelijke  handelingen  of  staatkundige  vraagstukken.  Het 
denken  moet  „vrijheid"  en  „vooruitgang"  op  bepaalde  wijze 
laten  gelden.  Enthousiasme,  moralistisch  ongeduld ,  hervor- 
merspathos,  transponeeren  deze  logische  en  metaphysische 
problemen  in  de  practische  sfeer. 


196  HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

Het  prototype  voor  hun  argumentatiewijze  vindt  men  in 
1  Cor.  XV,  14.  „Wat  is  ons,"  zeggen  ook  zij ,  „aan  onze  ideale 
natuur  gelegen ,  wanneer  nóch  mensch ,  nóch  menschheid 
zichzelf  en  eigen  toekomst  kunnen  bepalen.  Is  dan  het  geloof 
aan  den  „geest"  niet  een  ijdele  inbeelding?" 

Gelijk  ik  reeds  heb  gezegd ,  zijn  de  instincten ,  en  dus  in 
het  algemeen  de  handelingen  der  menschen,  juister  en  kri- 
tisch meer  verfijnd  dan-  hunne  oordeelvellingen  —  en  dit 
wel  alleen  hierom  al,  wijl  de  mensch  gedwongen  is,  in  de 
werkelijkheid  van  het  leven  zijne  instincten  bij  voortduring 
te  toetsen  en  te  oefenen ,  hetgeen  niet  van  het  denken  kan 
worden  gezegd. 

Van  eene  zijde  zou  het  dus  overbodig  kunnen  schijnen, 
te  bestrijden,  hetgeen  nooit  actueel  zal  kunnen  wor 
den.  Eiken  dag  echter  zien  wij  de  philantropie  hooger 
reiken  tot  zij  ten  laatste  in  de  wijsbegeerte  zelve  terecht 
zou  komen.  En  een  samengaan  van  beide  zou  beneden  den 
stand  zijn  van  minstens  de  laatste.  Inzoover  het  plicht  kan 
zijn  te  trachten,  groote  misverstanden  weg  te  nemen,  zal 
gebillijkt  kunnen  worden,  dat  ik  nu  zal  nagaan,  wat  wij 
ons  te  denken  hebben  van  den  vooruitgang  in  maatschap- 
pelijke zaken. 

§  11. 

Het  maatschappelijk  leven  is  de  ontwikkeling  en  ont- 
plooiing van  alle  verhoudingen  tusschen  corporaties  en 
enkelingen. 

Het  wordt  echter  in  hoofdzaak  beheerscht  door  de 
betrekkingen  tusschen  den  staat,  van  wiens  macht  die 
der  corporaties  is  afgeleid,  en  het  individu,  dat  tegen  den 
staat  zoowel  zichzelf  als  de  corporaties  in  het  spel  brengt. 
In  groote  trekken  aangeduid:  de  maatschappij  houdt  den 
strijd    in    tusschen    de    staatsalmacht    en    de    individueele 


HET   VRAAGSIUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  197 

willekeur.  Afgezien  van  de  eigenaardige  bijzonderheden,  die 
de  maatschappelijke  geschiedenis  der  afzonderlijke  rassen  of 
staatsgemeenschappen  kenmerken,  houdt  zij  de  opvolging 
in  van  de  langdurige  protesten  en  verweeren  wederzijds 
tegen  de  overweldiging  door  den  staat  en  de  voortwoeke- 
ring  der  vrijheid  van  het  individu. 

In  tijden  van  vreedzaam  verloop  van  den  maatschappe- 
lijken  groei ,  maken  alle  op  de  werkelijkheid  gerichte  idealen 
zich  gelijktijdig  of  beurtelings  geldend.  De  individualiteit 
speelt  dan  een  ongehinderd  spel  met  eigen  invallen.  Wordt 
een  beginsel  in  hervormenden  zin  aangewend,  d.  i.  wordt 
het  als  absoluut  onontbeerlijk  voorgesteld  voor  de  gemeen- 
schap ,  die  'verbeterd ,  bevrijd  of  verlost'  moet  worden ,  dan 
wordt  daarin  weldra  het  karakter  van  beperktheid  en  de 
kiem  van  den  ondergang  openbaar. 

Zelfs  de  waarheid ,  zoodra  zij  uitgesproken  wordt,  is  weer 
een  deel  en  een  vergankelijk  „moment"  in  de  werkelijkheid. 
En  de  waarde  van  een  grondregel  wordt  niet  bepaald  door 
zijne  juistheid  of  waarheid ,  maar  door  de  mogelijkheid  om 
te  worden  doorgezet  zonder  schade  voor  het  geheel.  Wordt 
een  noodzakelijkerwijze  opgekomen  en  geldend  gemaakt 
beginsel  ziek  aan  individueele  eigenzinnigheden,  waardoor 
het  een  voor  het  evenwicht  van  het  maatschappelijk  geheel 
al  te  gevaarlijk  hardnekkig  karakter  gaat  aannemen,  dan  wordt 
het  door  de  geschiedenis  met  behulp  van  een  beginsel  van 
tegengestelden  of  meer  verzoenenden  aard  gecauteriseerd. 
Zoo  is  dus  de  geschiedenis  der  maatschappelijke  ideeën 
op  te  vatten  als  een  min  of  meer  vreedzaam  overwiegelen 
van  denkbeelden  in  hunne  tegendeelen. 

Men  kan  zich  bijv.  de  ontzettende  hevigheid  der  invoering 
van  het  Christendom  in  Noord-Europa  denken  als  vereischt 
door  de  buitengewone  barbaarschheid  der  volksstammen, 
waarin   door  het   onafgebroken  krijgvoeren  met  de  daaraan 


198  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

verbonden  gewoonten  van  overheering  en  roof  de  sterkste 
roofdierinstincten  opnieuw  waren  ontbreideld  en  aange- 
kweel^t.  Begon  nu  ergens  een  volksstam  zich  te  ordenen  tot 
een  staat  (Karel  de  Groote!)  dan  zond  hij  op  de  ongeor- 
dende naburen  Christelijke  expeditie's  af,  weliswaar  van 
wapenen  begeleid ,  om  de  idee  een  lijf  te  geven  O-  Omge- 
keerd kan  men  ook  zeggen,  dat  het  kruis  bij  de  wapen- 
macht  eene  sanctie  was  van  de  veldwinnende  beschaving 
op  den  veldtocht,  welke  dezen  stempelde  tot  een  kruistocht 
van  het  georganiseerd  tegen  het  ongeorganiseerd  geweld. 
Na  gedurende  duizend  jaren  de  geesten  met  de  oude 
Schoolsche  wijsheid,  de  zielen  met  de  verschrikkingen  en 
zoetheden  van  het  hiernamaals,  en  de  booze  lichamen  cum 
igne  et  tormentis  te  hebben  gedwee  gemaakt,  heeft  het 
Christendom  de  v/ereldlijke  (en  geestelijke)  macht,  d.  i.  de 
maatschappelijke  onontbeerlijkheid  verloren  en  is  als  een 
vlucht  van  schoongekleurde  wolken  in  den  dampkring  der 
verbeelding  opgestegen.  Elk'e  zijner  pogingen,  om  weer 
historische  daadwerkelijkheid  te  krijgen',  wordt  —  nu  de 
zedelijke  kristallisatie  van  den  maatschappelijken  chaos 
voltooid  raakt  —  terstond  beantwoord  door  een  wild  protest 
van  antimoralisten.  De  algemeene  stelselmatige  en  verfijnde 
ontkenning  der  (Christelijke)  moraal  vanaf  het  negatief 
radicalisme  der  Encyclopaedie  tot  aan  het  positief  radica- 
lisme van  Nietzsche  bewijst  symptomatisch  den  weerzin 
van  den  Europeeër  tegen  een  voortdringen  der  Christelijke 
denkbeelden  en  verder  het  einde  der  paedagogische  rol  van 
het  Christendom. 

Omgekeerd    lokken   deze,    tot    uitersten    gedreven,    anti- 
moralismen,    die    zuiver   theoretisch   blijven,  daar  hun  rijk 


1)   „Alle  gewapende  profeten   hebben  overwonnen,  de  onbewapenden  ziju 
te  gronde  gegaan"  (Macchiavelli,  „de  Vorst"  C.  6). 


HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  199 

niet  behoeft  gesticht  te  worden ,  wijl  het  bestaan  heeft  sinds 
den  beginne,  —  een  hernieuwde  en  even  krachtige  ver- 
breiding van  abstract-Christelijke  leerregelen  uit  (Tolstoïa- 
nisme  enz.)  om  het  zondebesef  bij  den  ras-Europeër,  bij 
wien  het  geweten  misschien  wat  te  veel  mocht  zijn  gerust- 
gesteld, weer  eens  aan  te  wakkeren. 

In  een  bewegelijk  evenwicht  tusschen  de  voortdurend 
opdringende  Christelijk-sectarische  neigingen  en  de  door 
prikkeling  van  den  in  zich  zelf  onverschilligen  „ge- 
zonden zin"  telkens  opgewekte  protesten  der  maatschap- 
pelijk verscherpte  instincten  trachten  wij  ons  terecht 
te  vinden  en  zoekt  de  Staat  naarmate  van  de  omstan- 
digheden een  zoo  weinig  mogelijk  verwrikbaar  stand- 
punt in  te  nemen.  Het  is  dwaas  voor  een  van  beide 
stroomingen  de  overwinning  te  voorspellen,  —  daar  zoowel 
de  individualistische  als  de  zedelijke  neigingen  blind  zijn, 
zoodat  noch  een  overwinning,  noch  ook  een  compromis 
mogelijk  zal  zijn.  De  individualistische  neigingen  zijn  blind, 
wijl  zij  niet  de  vrijheid  en  de  willekeur  willen  met  het  oog 
op  een  bepaalde  zaak,  maar  vrijheid  en  willekeur  om  haar- 
zelve.  De  moreele  neigingen  zijn  blind,  wijl  zij  op  de  ver- 
scheidenheid der  wereld  niet  ingaan  maar  haar  abstracte 
beginselen  stellen  en  daaraan  vasthouden. 

Verder  kan  men  bijv.  de  instelling  der  heksenprocessen 
door  Innocentius  VIII  ^),  de  uitroeiing  der  Stedingers  door 
Gregorius   IX  ^)   enz.  enz.  wettigen  in  de  overdenking,  dat 

1)  in  de  bul  „Sumniis  desiderantes  affectibus"  1184. 

2)  De  (Friesche)  Stedingers  werden  in  het  pauselijk  schrijven  aan  bisschop 
Johan  van  Lübeck  enz.  van  26  Juni  1231  en  dat  van  29  Oct.  1232  beschuldigd 
van  omgang  met  booze  geesten,  bereiding  en  gebruik  van  wassen  toover- 
beeldjes  en  schandelijke  samenkomsten  met  waarzegsters.  De  eerste  kruistocht 
tegen  de  Stedingers  mislukte.  Daarop  werden  in  1233  (pauselijk  schrijvenvan 
19  Jan.  aan  de  bisschoppen  van  Paderborn  enz.)  de  getrouwen  ,in  Noord- 
Duitschland  nogmaals  tot  een  tocht  tegen  hen  oogeroepen;  wie  levend  in 
handen  viel  van  de  verdedigers  van  het  ware  geloof,  werd  verbrand.  In  de 


200  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

alleen  op  deze  —  overigens  aanstootelijk  wreede  —  wijze 
het  anarchistische  bijgeloof  der  massa's  kon  worden  ver- 
vangen door  het  gecanoniseerd  (bij)geloof  der  Kerk.  Hier- 
door is  het  anders  onuitroeibare  locale  bijgeloof  der  Euro- 
peesche  rassen  tot  een  systematisch  geloof  aan  de  toover- 
kracht  der  booze  geesten  en  de  wondermacht  van  kerk  en 
heiligen   geworden  ^),   in  een    geloofsinstituut  vereenigd  en 


biil  „Vox  in  Rama"  van  17  Juni  1233  eindeliji<  v/erden  de  vroegere  beschul- 
digingen lierhaald  en  werd  aan  al!c  i<ruisvaardcrs  tegen  de  Stcdingers  de- 
zelfde aflaat  verleend  als  aan  de  kruisvaarders  naar  liet  Heilige  Land.  Nogmaals 
leden  de  geloovigen  bij  het  Hemmelskaniperwoud  een  zware  nederlaag.  Thans 
ging  een  leger  van  predikers  rond  om  het  werk  des  geloofs  te  bevorderen. 
In  April  1234  trok  een  leger  onder  den  ho.ogsten  adel  van  Duitschland  en  de 
Nederlanden,  w.  o.  Floris  graaf  v.  Holland,  Otto  van  Gelderen,  Adolfv.  Berg, 
Hendrik  van  Brabant,  Weststedingen  binnen.  Onder  het  zingen  van  het  mid- 
deleeuwsche  lied  „Media  vita  in  morte  sumus"  door  de  verzamelde  geeste- 
lijkheid, is  daarop  bij  Altenesch  de  Stedingermacht  verslagen. 

1)  Gelijk  ook  overal  in  Europa  de  locale  tradities,  de  zangen  en  geschied- 
kundige overleveringen  door  Christenpriesters  zijn  vervalscht  (Zie  Buckle, 
Hist.  of  Civ.  II  p.  18  en  volg.).  Er  mag  zelfs  worden  verondersteld,  datde  alge- 
meene  lichtgeloovigheid  en  het  bijgeloof  door  deze  Christelijke  literatoren 
niet  weinig  zijn  vermeerderd.  Toch  blijft  het  waar,  dat  deze  kerstening  van 
alle  Europeesche  ongeloofwaardigheden  aan  de  hand  van  de  Israelietische 
mythologie  een  stap  vooruit  is  geweest  naar  de  centraliseering  der  beschaving. 

Omtrent  de  daemonologie  der  Roomsche  kerk  raadplege  men  de  Summa 
Theol.  van  Thomas  Aq.,  die  in  de  Encycliek  „Aeterni  Patris"  1897  is  waardig 
gekeurd,  om  naast  de  Heilige  Schrift  op  het  altaar  te  worden  gelegd,  en  ge- 
kenschetst als  zóó  uitmuntende  door  juistheid  der  leerstellingen,  dat  zij,  die 
haar  volgen,  nooit  dwalen  kunnen:  Er  is  een  rangorde  van  duivels,  die 
heilig  is,  niet  volgens  hun  eigen  natuur,  maar  krachtens  hunne  instelling 
door  God  (p.  I  q,  109  a.  1).  Zij  kennen  de  waarheid  op  drievoudige  wijze  nl. 
van  nature,  door  openbaring  van  de  engelen,  en  door  ondervinding  (p.  I  q.  64, 
a.  1  ad  5)  en  hebben  een  vrijen  wil  (id.  —  a.  2  ad  1)  en  zijn  dus  boos  niet 
van  nature  doch  uit  vrijen  wil  (p.  I  q.  63,  a.  4  Concl.)  hebben  terzelfder  tijd 
gezondigd  (p.  I,  q.  63,  a.  8  ad  1)  en  plegen  in  elke  vrijwillige  daad  een  dood- 
zonde (p.  11',  q.  89,  a.  4,  Concl.)  veroorzaken  indirect  alle  menschelijke  zonden 
(p.  I.  q.  114,  a.  3,  Concl.)  kunnen  den  mensch  echter  niet  door  eigenlijke 
wonderen  tot  boosheid  verleiden  (id.  a.  4  Concl.)  verheugen  zich  meer  dan 
over  eenige  andere  zonde  over  de  wellust  wegens  de  moeilijkheid  haar  te 
overwinnen  (p  II  ,  q.  117,  a.  4,  ad  2)  ondergaan  den  invloed  der  hemellichamen 
en  vallen  de  maanlijders  het  meest  bij  wassende  maan  lastig  (p.  1,  q.  115, 
a.  5,  ad  1)  kunnen  als  succubi  van  mannen  zaad  ontvangen  en  als  incubi  op 
vrouwen  overdragen  (p.  I,  q.  51,  a.  3,  ad  6)  kunnen  alles  veroorzaken  wat  in 


HET   VRAAGSTUK  VAN    DEN   V/ERELDVREDE.  201 

onder  het  enkelvoudige  beginsel  van  de  onfeilbaarheid  der 
kerk  gebracht.  Het  is  zoodoende  a.  h.  w.  éénhoofdig  ge- 
worden en  eindelijk  is  het  aan  de  'Aufklarung'  alleen 
daardoor  mogelijk  geweest  het  zuiver  theoretisch  en  stelsel- 
matig te  ontkennen  en  ten  slotte  als  met  één  zwaardhouw 
van  het  lichaam  der  Europeesche  beschaving  los  te  slaan. 
Dit  vinnige  rationeele  materialisme  is  daarop  consequent, 
al  te  consequent,  vervallen  tot  de  ontkenning  van  elke 
'onverklaarbaarheid'  op  hemel  of  op  aarde,  en  heeft  op 
zijne  beurt  de  tegenwerking  uitgelokt  van  eene  rationeele 
mystiek.  Deze  strijd  duurt  nog  voort. 

Wat  men  over  het  algemeen  'vooruitgang'  noemt,  is 
niet  anders  dan  deze  verfijning  van  den  strijd  tusschen 
richtingen  en  ideeën.  Er  is  een  numerisch  zich  uitbreidende 
bewustwording,  maar  is  zij  eene  bewustzijnsverdieping? 
Er  is  een  buitengemeene  toeneming  van  het  onderscheidings- 
vermogen voor  handelingen;  is  dit  eene  zedelijke  verheffing? 
Het  aantal  individuen  neemt  toe,  bij  wie  sociale  voorstel- 
lingen  door  begrippen,  associaties  door  oordeelen  worden 


beweging  van  voorwerpen  bestaat  (wind,  regen),  (p.  II'  q.  80  a.  2  Conci.) 
kunnen  slangen  en  kikvorschen  uit  rottende  stoffen  te  voorschijn  roepen  (p.  I 
q.  114  a.  4  ad  2).  Het  is  daarom  verboden  met  hen  in  verstandhouding  te 
staan  (p.  11^,  q.  96,  a  2,  3)  en  het  is  een  doodzonde,  met  hen  een  uitdrukkelijk 
of  stilzwijgend  verdrag  te  sluiten  (p.  Il-',  q.  96  a.  2,  3). 

Omtrent  dae.monologie:  zie  vooral  Delrio's  Disquisitiones  Magicae,  waarvan 
het  tweede  boek  (p.  91  Uitg.  Lugduni  1604)  gewijd  is  aan  genoemde  uitdruk- 
kelijke en  stilzwijgende  verdragen  met  vermelding  der  teksten.  Verder  de 
Liguori,  van  Heisterbach,  Brognoli,  von  Görres,  Bautz,  Busenbaum,  Lay- 
mann,  Lehmkuhl,  Gury,  Perrone  over  tractaten  cum  daemonibus. 

Verder  treft  men  het  duivelgeloof  aan  in  de  ordo  baptismi ,  in  de  benedictie 
salis  voor  het  sacrament  van  den  doop  enz.  en  in  de  uitlegging  en  formulieren 
voor  duivelbanning  in  het  Ritualc  Romanum.  Ook  in  ondubbelzinnige  termen 
uitgesproken  in  de  Encycliek  „Humanum  genus"  1884.  Zie  ook  het  gebed  tot 
den  H.  Michael,  den  aanvoerder  der  hemelsche  legers  en  overwinnaar  der 
duivelen,  door  Leo  XllI  voor  diens  naamdag  aan  eiken  priester  opgelegd. 

Over  daemonologie  in  de  Hervormde  Kerken,  met  name  in  de  Schotsche 
Kerk,  zie  Buckle,  Hist.  of  Civ.  XIX. 


202  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

vervangen.  En  naarmate  de  sterke  vrees  voor  lichamelijke 
pijn  of  voor  het  buitengemeen  verfijnde  gruwzame  vooruit- 
zicht op  de  helsche  straffen,  die  bovenop  de  afgrijselijke 
angsten  van  den  middeleeuwschen  mensch  voor  den  dood 
kunnen  worden  gestapeld,  inslinkt  tot  de  hedendaagsche 
fijngevoeligheid  ten  opzichte  der  publieke  meening;  —  naar- 
mate de  sterke  discontinuïteit  van  het  maatschappelijke 
handelen,  dat  tegelijk  grof-barbaarsch  van  verschijning  en 
diep-piëtistisch  van  geestelijke  bedoeling  was,  overging  in 
de  huidige  virtuositeit  in  de  kunst  des  levens,  —  krijgt 
ook  het  maatschappelijk  leven  meer  standvastigheid.  En  dit 
is  het  kostbaarst  goed  eener  samenleving. 

Bestaat  de  zoogenaamde  'vooruitgang'  in  iets  anders 
dan  hierin:  dat  er  een  zoo  weinig  mogelijk  verstoorbare 
verzoening  bereikt  wordt  tusschen  de  grondbelangen  van 
individu  en  staat? 

De  strijd  der  nieuwe  wereld  wordt  niet  gevoerd  door 
individuen  maar  tusschen  ideeën.  De  helden  zijn  even  on- 
misbaar als  ooit,  maar  hunne  waarde  is  niet  volkerenver- 
duisterend  als  in  tijden  van  statenstichting.  Deze  tijden  zien 
niet  meer  de  schoonheid  in  van  een  stralend  despotischen 
held,  deze  tijden  eeren  wel  den  held,  maar  tevens  naast 
hem  den  advokaat  en  openbaren  aanklager,  zijn  tegenstander, 
wien  zij  dank  zijn  verschuldigd  voor  den  staat  van  beschul- 
diging, waarin  hij  den  held  tegenover  het  verontruste 
publiek  gesteld  houdt  diens  gansche  leven  lang  en  den 
schoonen  uitbloei  zijner  daden  onder  de  verlammende  con- 
trole brengt  van  het  gemeen  ^).  Heldenvereering  is  vereering 
van  de  menschelijke  Individualiteit  door  ontvankelijke  ge- 
moederen, wier  blik  helder  genoeg  is  gebleven  om  den 
held  te  onderkennen.  Deze  tijd  wordt  een  individualistische 
tijd    genoemd?   Het  ware  individu  is  de  held.  Deze  tijd  is 

1)  Schoone  voorbeelden  zijn  voor  het  grijpen,  ook  in  ons  land! 


HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN    WERELDVREDE.  203 

er  een  van  mislukte  helden,  die  liun  eigen  ideaal  niet 
kunnen  eeren;  van  verplatte  ambities's,  die  oud,  cynisch 
en  zuur  geworden  zijn.  Naast  den  held,  het  ware  individu, 
is  ook  voor  anderen  plaats  gekomen ,  voor  de  zachte  pleiters 
voor  algemeene  zaken.  De  arbeid  der  heroën  schijnt  al 
vermoed  en  voorbereid ,  —  bij  hun  verschijnen  is  de  wereld 
op  sceptische  wijze  ten  deele  al  overtuigd. 

Dat  het  afzonderlijke  individu  onvoorwaardelijk  tot  macht 
kan  geraken  en  zich  zelf  tot  het  absoluut  beginsel ,  is  de 
grond  der  barbaarsche  samenlevingen,  en  stuk  voor  stuk 
hebben  deze  alle  elementen  van  het  systeem  van  de  indi- 
vidueele  willekeur  moeten  prijsgeven.  Gelijkheid  van  rechten 
toekennen ,  is  gemeenschappelijkheid  van  belangen  teweeg- 
brengen, en  groepsgewijze  aaneensluiting  veroorzaken,  en 
is  dus  anti-individueel,  De  ongehinderde  ontwikkeling  der 
individualiteit  vooronderstelt  voorrechten.  Groote  personen 
kunnen  zich  tot  een  schoon  verschijnsel  ontwikkelen  enkel 
in  een  sfeer  van  privileges.  De  langzamerhand  verworven 
religieuze-,  politische-,  en  rechtsvrijheid ,  d.  i.  het  recht  van 
elk  massaindividu  op  alle  consequenties  van  eigen  geloof, 
op  het  beheer  der  algemeene  belangen ,  en  op  uitzondering- 
looze  rechtstoepassing  —  houden  de  drieërlei  waarborgen 
in  voor  de  handhaving  van  het  (democratische)  wederkeerig- 
heidsbeginsel  der  moderne  samenleving  en  evenzoovele 
veroveringen  van  het  systeem  van  den  staat  op  dat  der 
individueele  almacht.  Het  is  een  strijd  van  ideeën.  Maat- 
schappelijke klassen  kunnen  vage  prctentie's  hebben,  doch 
zij  treden  eerst  in  het  krijt  der  historie,  wanneer  zij  zich 
om  een  leus  hebben  gegroepeerd,  en  zich  de  belichaming 
weten  van  een  onverzoenlijk  denkbeeld.  De  meeningen  om- 
grenzen  de  groepen;  vandaar  dat  het  verzet  van  de  heer- 
schende  klassen  in  het  laatst  der  18^  en  het  begin  der  19^ 
eeuw  tegen   de  gewelddadige  invoering  van  het  algemeen 


204  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN    WERELDVREDE. 

geldende  wederkeerigheidsbeginsel ,  thans  herhaald  wordt 
van  onderop  (anarchisten)  —  het  is  geen  aandringen  tegen 
onrecht,  maar  een  schreeuwen  over  de  vermindering  der 
kansen  op  eenzijdige  machtsbevoorrechting. 

Het  geweten  is  teerder  geworden ,  het  weerstandsvermogen 
tegen  schokken  kleiner,  de  verontrusting  over  onregelmatig- 
heden aanstekelijker.  ^)  Men  denke  eens  aan  de  ontzettende 
kracht  der  persoonlijke  doeleinden  en  de  geweldige  onver- 
schrokkenheid bij  hare  verwerkelijking,  in  de  middeleeuwsche 
politiek;  men  behoeft  slechts  eenigermate  vertrouwd  te  zijn 
met  eenige  staatkundige  hoofdgebeurtenissen ,  om  te  weten, 
hoezeer  scherpte  van  intellect  en  van  het  vermogen  tot 
probleemstelling  verbonden  waren  aan  den  persoonlijken 
moed  en  de  wilskracht  vereischt  voor  de  praktische  oplossing 
dier  vraagstukken.  In  het  Rome  der  republiek  werden  na  het 
jaar  207  de  tribunen  der  vier  legioenen,  als  magistraten 
van  het  Romeinsche  rijk,  door  het  volk  gekozen,  moesten 
van  vijf  tot  tien  veldtochten  hebben  meegemaakt  en  tot  den 
senatoren-  of  ridderrang  behooren ,  zoodat  zij  in  den  regel 
de  hoogste  staatsbetrekkingen  hadden  bekleed.  De  despoot- 
staatsman moest  wreed  kunnen  zijn ,  wijl  hij  in  zijne  hande- 
lingen de  onaandoenlijkheid  van  het  staatswezen  voor  de 
grieven  der  individuen  behoorde  weer  te  geven. 

Maar  kunnen  ook  individuen  willekeurig  zijn,  ontzaggelijk 
en  wreed,  —  ideeën  zijn  onmeedoogender  en  bloediger, 
daar  ideeën  de  voortdrijvende  machten  zijn,  en  ideeën  en 
menschen  incommensurabel.  ^) 

In    de  zeden   is   de  verhouding  vastgelegd  tusschen  het 


1)  „Wir  wollen  irgendwann,  dass  es  Nichts  mehr  zu  fürchteiigicbt."(Nietzsche). 

2)  Man  kann  sagen,  dass  die  göttliche  Vorsehung,  der  Welt  und  ihrem 
Prozesse  gegenüber,  sich  als  die  absolute  List  verlialt.  Gottlasst  die  Menschen 
mit  ihren  Leidenschaften  und  Interessen  gewahren,  und  was  dadurch  zu 
Stande  kommt,  das  ist  die  Vollführing  seiner  Ansichten."  (Hegel  Ene.  §209). 

Verg.  ook  Hegel  Phil.  d.  G.  p.  41. 


HET   VRAAGSTUK    VAN    DEN    WERELDVREDE.  205 

individu  en  de  ideeën  van  zijn  tijd:  overwinning  van  een 
deni<:beeld  op  een  ander  gaat  gepaard  met  wijziging  van  die 
zeden  („unhörbar  dreht  sicli  die  Welt")  De  geschiedenis 
vervult  en  is  het  streven,  de  zeden  langzamerhand  en  meer 
en  meer  tot  rust  te  brengen  in  het  neutraliteitspunt  tu^schen 
de  polen  van  de  individueele  willekeur  en  de  abstracte 
staatsmacht. 

Hierin  is  de  verbetering  gelegen  voor  het  menschclijk 
geslacht,  en  er  is  geen  andere.  De  eischen:  dat  het  individu 
zich  streng  naar  eigen  inzichten  zal  kunnen  bepalen ,  en  toch 
zal  moeten  handelen  volgens  objectieve  vaststaande  normen, 
waaraan  hij  gelooft;  —  dat  het  zich  ongehinderd  naar  zijn 
eigen  aard  zal  moeten  kunnen  ontwikkelen,  en  dat  de  be- 
schaving, welke  hij  bereiken  kan,  een  algemeenen  inhoud 
heeft  en  dus  nivelleerend  werkt;  —  dat  het  individu  zijn 
waarde  en  de  belangrijkheid  van  zijn  streven  zal  moeten 
zoeken  in  datgene  wat  van  algemeen  belang  is,  en  al  het 
algemeene  onverschillig  is  jegens  de  afzonderlijke  indivi- 
duen; —  al  deze  eischen  zijn  grondvormen  der  persoon- 
lijkheid, die  elkaar  weerspreken  en  onophoudelijk  de 
verschrikkelijkste  conflicten  kunnen  brengen. 

Daarom  kan  er  in  dezen  strijd,  welke  het  maatschappelijke 
leven  is,  geen  eenzelvigheid  worden  bereikt.  Doch  er  is  een 
algemeene  diepe,  allengs  aanzwellende,  afkeer  ingetreden  van 
uitersten ,  zoowel  van  den  abstract-algemeenen  staatswü 
(spreekwoordelijke  afkeer  van  'den'  toekomststaat) ,  als  van 
de  levenskrachtige  spontaneiteit  der  heldhaftige  individuen. 

Naarmate  echter  de  werkelijke  handelingen  der  enkelingen 
met  telkens  kleiner  slagen  schommelen  om  de  indifferentielijn, 
nemen  de  uitslagen  van  het  geestesleven  toe.  Daar  het 
moderne  leven  de  beteugeling  van  de  willekeur  der  enke- 
lingen meer  en  meer  aan  de  zelfbepaling  overlaat,  wordt 
in  steeds  breeder  scharen  der  bevolking  het  gedachtenleven, 


206  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

alleen  reeds  door  de  noodzakelijkheid  om  snel  te  handelen, 
geprikkeld.  Er  wordt  meer  en  meer  gevergd  van  de  denk- 
kracht der  massa,  de  sterke  geestelijke  spanning  drijft  de 
meest  onderscheiden  gedachten  en  ideeën  in  alle  maat- 
schappelijke klassen,  en  er  is  geene  uitkomst,  zelfs  der 
wijsbegeerte,  of  zij  wordt  aanstonds  verbreid  en  platgemaakt. 
De  waarneming,  dat  tal  van  maatschappelijke  botsingen 
zoo  vreedzaam  verloopen ,  zoodat  het  halidgemeen  vervangen 
wordt  door  het  verbitterd  vergelijk,  brengt  den  waan,  alsof 
deze  „inversie"  van  den  kamp  der  samenleving  tot  een 
ideeënstrijd ,  alsof  deze  intellectualiseering  der  maatschap- 
pelijke tegenstellingen ,  naar  een  werkelijke ,  lang  verhoopte 
eenzelvige  rust  voert.  Men  weet,  hoevele  sympathieke  astro- 
logen in  het  fraaie  spel  der  kleuren  aan  den  Europeeschen 
ideeënhemei  het  oude  teeken  hebben  meenen  waar  te  nemen 
van  een  hernieuwd  verbond  tusschen  God  en  mensch. 
(Gen.  9  :  13).. 

*  §  12. 

Individuen  en  staten  zijn  geen  vaste  zelfstandigheden , 
die  eens  voor  al  zouden  kunnen  worden  vastgesteld  of  tot 
stilstand  en  met  elkaar  in  evenwicht  gebracht  gelijk  in  oude 
kastenstelsels  is  bedoeld :  de  geestelijke  vormen  der  moderne 
eerzucht  stellen  geene  grenzen,  dan  om  ze  terstond  te 
overschrijden.  De  individuen  kunnen  nieuwe  staten  (onver- 
zoenlijke partijen)  vormen  binnen  den  staat,  en  elke  staat 
is  onderhevig  aan  de  invloeden  van  het  verkeer  met  andere 
staten. 

De  storingen  van  het  evenwicht  der  beschaving  vloeien 
voort  uit  twee  bronnen:  de  cultuur  der  geesten,  voorzoover 
zij  het  ontstaan  van  partijen  en  algemeene  staatkundige 
denkbeelden  vergemakkelijkt,  —  en  de  oorspronkelijke  bar- 


HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  207 

baarschheid  der  grondverhouding  tusschen  staten,  waardoor 
deze  (gelijk  in  de  vorige  paragrafen  is  nagewezen)  als  na- 
tuurlijke (dierlijke)  wezens  tegenover  elkaar  staan,  en  dus 
niet  volgens  een  abstract  beginsel  zichzelf  bepalen,  doch 
door  elkanders  handelingen  worden  bepaald. 

Het  inwendige  staatsieven  ontwikkelt  zich  ongestoord, 
zoolang  noch  het  individu ,  noch  de  staat  willen  overwegen. 
Van  het  eerste  geval  leveren  de  groote  Noord-Italiaansche 
steden  in  de  middeleeuwen  (oligarchieën)  een  beroemd 
voorbeeld;  —  daarentegen  treedt  de  verpletterende  over- 
macht van  het  staatsbelang  telkens  in,  wanneer  de  levens- 
kansen van  het  ras  worden  in  gevaar  gebracht. 

Ook  in  het  alledaagsche  leven  wordt  het  bijzonder  belang 
van  den  enkeling  gecorrigeerd  door  het  rechtsbelang  der 
gemeenschap  en  deze  gedeeltelijke  opoffering  wordt  gedekt 
en  gebillijkt  door  de  algemeene  redelijkheid.  Wanneer  echter 
de  staat  moet  worden  verdedigd  en  de  nietigheid  van  het 
individueel  bestaan  ten  opzichte  van  dat  van  het  ras  in 
het  algemeene  bewustzijn  doordringt,  4fan  is  er  meer  noodig 
dan  eene  theoretische  inschikkelijkheid ,  dan  vaart  de  schrik 
door  de  menigte.  En  wanneer  uit  de  enkelingen  opgevlamd 
is  als  uit  vluchtige,  voorbijgaande  levens:  de  hoopvolle 
zekerheid  van  de  eeuwigheid  der  natie,  —  wanneer  zij  zijn 
verstard  tot  dragers  haref  onsterfelijkheid ,  waar  tegenover 
de  duur  van  hun  veeg  bestaan  een  nietig  oogenblik  is,  — 
en  wanneer  zij  bereid  zijn,  om  zich  op  te  offeren  en  deze 
betrekkelijke  nietigheid  ten  opzichte  van  het  concrete  leven 
hunner  oneindige  verwachtingen  en  geestelijke  verlangens, 
practisch  waar  te  maken  —  dan  is  de  abstractie  van  den 
staat  in  het  aanzijn  getreden. 

Dan  grijpt,  als  het  ware  het  directe  contact  plaats  tusschen 
enkeling  en  staat  en  springt  de  geestelijke  vonk  over,  die 
alle  subjectiviteit  en  eigenzinnigheid  verbrijzelt. 


208  HET   VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

§  13. 

De  mogelijkheid  tot  instelling  van  een  algemeen  bindende 
rechtspraak  voor  geschillen  tusschen  staten  (internationale 
arbitrage)  hangt  onmiddellijk  samen  met  de  mogelijkheid 
van  een  staat  van  staten.  Want  gelijk  rechtspraak  alleen 
mogelijk  is  binnen  een  staat,  aangezien  zij  slechts  hierop 
berusten  kan,  dat  de  uitvoerende  en  de  wetgevende  macht 
uit  één  centraalbeginsel  voortvloeien  (Diké  voert  het  zwaard !) 
—  zal  een  permanente  rechtbank  (niet-permanentie  houdt 
in  beginsel  de  ontkenning  in  van  de  onzijdigheid  van  rechters 
en  rechtspraak)  over  staten ,  alleen  mogelijk  zijn  onder  de 
auspiciën  van  een  hooger  staatsgezag  over  de  staten. 

Onder  de  ernstige  en  hoopvolle  pogingen ,  om  tot  deze 
permanente  rechtspraak  te  geraken  valt  niet  als  voorbeeld 
te  verstaan  de  uitkomst  der  Haagsche  „Conventie  tot  eene 
vreedzame  regeling  van  internationale  geschillen"  van  28 
Juli  '99.  Hoezeer  „bezield  door  het  vaste  voornemen,  om 
mede  te  werken  tot  het  behoud  van  den  algemeenen  vrede", 
hebben  de  mogendheden  zich  niet  kunnen  verstaan  dan  tot 
algemeene  bepalingen  en  vaststellingen ,  omwikkeld  en  vrij- 
wel krachteloos  gemaakt  door  een  stelselmatig  menigvuldig 
voorbehoud. 

Van  de  onderwerpen,  welke  zich  leenen  tot  de  bemoei- 
ingen van  internationale  commissie's  van  enquête,  sluit  art.  9 
uit  die,  welke  zoo  de  eer  als  de  wezenlijke  belangen  der 
natiën  betreffen. 

Is  hier  bij  de  insceneering  der  Conferentie,  terecht,  aan 
de  staatshoofden  de  schoone  en  edele  rol  toebedeeld,  de 
verhevenste  idealen  der  menschheid  te  mogen  verpersoon- 
lijken ^),   dan    is    de   uitvoering  toevertrouwd   aan  het  koel 

1)  „Sa  Majesté  TEmpereur  de  Toutes  les  Russies ,  en  prenant  la  noble 
initialive,   qui  a  été  applaudie  dans  tont  Ie  monde  civilisé,  a  voulu  réaliser 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  209 

verstand,  dat,  hoezeer  ook  geïnspireerd  door  deze  hoogst 
zedelijke  illusiën,  niettemin  moet  toelaten,  dat  het  politieke 
recht  over  de  schouders  van  het  moreele  recht  heen ,  mede 
in  de  akten  kijkt. 

Art.  20,  dat  het  permanente  hof  van  arbitrage  instelt, 
heet  het  te  functioneeren  „conformément  aux  Régies  de 
procédure,  insérées  dans  la  présente  Convention,  sauf 
stipulation  contraire  des  Parties  (en  litige).  Dat  er  dus 
voor  geschillen  van  onbeteekenenden  aard  of  voor  die  van 
kleine  staten  onder  den  druk  der  groote,  een  internationale 
rechtbank  bestaat,  is  een,  ook  voor  den  roem  der  'confe- 
renciers' verblijdenswaard  verschijnsel ,  doch  heeft  met  den 
wereldvrede  niets  uit  te  staan.  Wel  heeft  het  vooruitzicht 
hiervan  waarschijnlijk  in  art.  19  het  hoopvolle  voorbehoud 
laten  invloeien  van  een  recht  der  mogendheden ,  om  nog 
altijd  onder  de  verplichte  arbitrage  nieuwe  gevallen  te  be- 
trekken, door  hetzij  algemeene  conventie,  hetzij  bijzondere 
tractaten. 

En  zelfs  voor  deze  gevallen  kunnen  (volgens  art.  21)  de 
Partijen  zich  aanwde  rechtspraak  door  het  permanente  Hof. 
onttrekken,  indien  zij  aan  eene  „speciale  arbitrage"  de 
voorkeur  willen  geven. 

Ook  art.  31  is  zeer  kenmerkend  voor  de  internationale 
rechtsprocedure:   de   regeling  der  arbitrage  geschiedt  door 


Ie  voeu  exprimé  par  un  de  ses  plus  illustres  prédécesseurs,  rEmpereur 
Alexandre  Ier,  de  voir  tous  les  souverains  et  toutes  les  nations  de  l'Europe 
s'entendre  entre  eux  pour  vivre  en  frères,  en  s'aidant  dans  leurs  besoins 
réciproques 

Sa  Majesté  mon  Auguste  Souveraine,  pénétrée  des  mèmes  sentimenls  qui 
ont  inspiré  Sa  Majesté  1'Empereur  de  Toutes  les  Russies, 

J'espère,  Mcssieurs,  que  cette  belle  allegorie  (se  rattachant  h  la  Paix  de 
Westphalie)  sera  de  bon  augure  pour  vos  travaux  et  qu'  après  les  avoir 
terminés  vous  pourrez  dire  que  la  Paix  que  l'art  a  fait  pénétrer  dans  cette 
salie,  en  est  sortie  pour  répandre  ses  bienfaits  sur  l'humanité  entière.  (Assen- 
timent  unanime)."  (Openingsrede  van  Z.  E.  Mr.  W.  H.  de  Beaufort.) 

14 


210  HET   VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

eene  afzonderlijke  acte  (compromis),  in  welken  vorm  de 
internationale  arbitrage  bekent,  afhankelijk  te  zijn  van  de 
bedoelingen  der  natiën.  Hiermede  is  eigenlijk  expressis 
verbis  gezegd ,  dat  de  aard  der  beslissing  van  de  geschillen 
zal  afhangen  van  den  wil  der  natie ,  van  haar  toorn ,  hare 
hartstochten,  van  alle  instrumenten  van  hare  willekeur. 

De  geest  der  conventie  dunkt  mij  voortreffelijk  te  kunnen 
worden  samengevat  in  de  woorden  van  den  eersten  gede- 
legeerde der  Fransche  regeering:  „Il  importe  qu'aucune 
apparence  de  contrainte  morale  ne  vienne  influer  sur  les 
déterminations  d'un  Etat,  lorsqiie  sa  dignité,  sa  süreté ,  son 
indépendance  pourront  lui  sembler  en  caiise." 

Is  dus  met  de  instelling  van  dit  permanente  hof  of  althans 
met  de  gebleken  algemeene  bereidheid  tot  een  vredelievende 
oplossing  van  internationale  geschillen,  de  mogelijkheid 
geopend  tot  beslechting  van  alle  conflicten,  die  te  groot 
zijn  voor  de  eer  en  te  klein  voor  een  krijg,  —  er  is  door 
dezen  lichtstraal  van  den  vrede  in  den  afgrond  van  het 
eeuwige  oorlogsgevaar  geen  licht  gebracht. 

§  14. 

Naar  aanleiding  van  de  verdragen,  gesloten  met  het  doel 
om  de  wreedheid  van  den  krijg  te  verminderen  en  het 
teweeggebrachte  leed  te  verzachten  (Conventie  van  Genève 
1864,  Declaratie  van  St.  Petersburg  1868,  de  drie  Verkla- 
ringen van  's-Gravenhage  1899  betreffende  het  verbod  van 
het  bezigen  van  licht  deformaties  ondergaande  [dum-dum] 
kogels,  en  projectielen  gevuld  met  verstikkende  gassen,  en 
van  het  werpen  van  projectielen  uit  luchtballons)  zijn  ge- 
heel onjuiste  overpeinzingen  wereldkundig  gemaakt. 

Men  heeft  deze  pogingen,  om  de  afgrijselijkheden  van  het 
oorlogvoêren  althans  gedeeltelijk  op  te  heffen ,  beschouwd  als 
eene  zegejpraal  van  het  edelmoedige  en  geestdriftige  streven 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  211 

tot  verhindering  van  oorlogen  op  de  booze  natuur  der 
menschen. 

Omgei<eerd  moet  men  in  al  deze  Conventies  een  wel- 
sprei<end  en  aandoenlijk  voorbeeld  zien  van  de  wijze,  waarop 
de  natuur  (het  Lot)  de  bedoelingen  der  menschen  in  haar 
tegendeel  verkeert. 

Het  is  een  bekende  en  juiste  uitspraak,  dat  nooit  in  eenigen 
krijg  tusschen  oorlogvoerende  stammen ,  waarlijk  en  zonder 
eenige  verzachting,  krijg  is  gevoerd,  d.  i.  krijg  gevoerd 
zonder  de  uitdrukkelijke  en  stilzwijgende  erkenning  (oor- 
logsgebruiken !) ,  dat  het  overeenkomstige,  in  wezen  over- 
eenstemmende individuen  zijn ,  die  de  wapens  tegen  elkaar 
hebben  opgevat.  Evenmin  als  er  vrede  denkbaar  is  zonder 
de  blijvende  schaduw  van  vijandigheid  ^)  (die  daarom  door 
de  fijne  diplomatie  van  openlijke  sympathiebetuigingen  der 
volken  .moet  worden  gemaskeerd)  kan  men  zich  een 
oorlogvoeren  denken  zonder  den  lichtgloor  van  vrede  en 
eensgezindheid  ten  opzichte  van  tal  van  gebruiken,  die  het 
zuivere  (barbaarsche)  krijgvoeren  onmogelijk  maken.  Men 
kan  ^elfs  (min  of  ineer  paradoxaal)  den  huldigen  krijg  een 
bepaalde  wijze  noemen  van  het  voeren  van  diplomatieke 
onderhandelingen;  deze  worden  dan  ook  tijdens  den  oorlog 
voortgezet  en  haar  verloop  wordt  door  dat  van  de  wapen- 
feiten geregeld  ^). 

De  menschelijke  natuur  laat  allerlei  gelden,  waartegen- 

1)  Plato,  Nomoi  I,  626:  „Wat  de  meeste  menschen  onder  vrede  verstaan, 
is  slechts  een  naam;  in  werltelijkheid  is  er,  ooit  ongeboodschapt,  van  nature 
l<rijg  van  e\ken  staat  tegen  alle  andere." 

Proudhon,  la  Guerre  et  Ia  Paix:  „La  guerre  et  la  paix,  que  Ie  vulgaire  se 
figure  comme  deux  états  de  choses  qui  s'excluent,  sont  les  conditions  alter- 
natives  de  Ia  vie  des  péuples.  Elles  s'appellent  Tune  l'autre."  (Parijs  1869, 1  p.75). 

(2)  id.:  „La  guerre  selon  Ie  témoignage  universel,  est  un  jugement  de  la 
force.  Ce  droit  n'est  pas  une  vaine  fiction  du  législateur;  c'est  selon  la  mul- 
titude  qui  1'affirme,  un  droit  réel,  positif,  primitif,  historique,  capable  par 
conséquent  de  servir  de  principe,  de  motif  et  de  base  a  une  décision  judiciaire." 
(id.  I  p.  110). 


212  HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

over  de  moraliteit  onverzoenlijk  zich  moef  te  weer  stellen.  Het 
ongeregelde  en  plebejische  handgemeen  tot  beslechting  van 
geschillen  is  echter  ook  voor  de  menscheiijke  natuur  ondra- 
gelijk, niet  ondragelijk  in  zijn  geheel  en  als  zoodanig,  maar 
om  de  vorm,  waarin  'plebejers'  handtastelijk  worden.  Dat 
menschen  zouden  vechten  als  dieren ,  regelloos  vechten 
met  nagels  en  tanden ,  wekt  weerzin  op.  Menscheiijke  vij- 
andigheid is  een  vijandigheid,  die  strijd  voert  a.  h.  w. 
volgens  een  verdrag,  volgens  vaste  regels  en  geldende 
gebruiken.  Vandaar  de  verfijnde  uitvinding  en  regeling  van 
het  duel.  Het  duel  is  de  wijze ,  waarop  menschen  vechten. 
'Vulgaire'  handtastelijkheden  zijn  die,  waartoe  menschen 
geraken,  die  nauwelijks  nog  menschen  zijn  en  het  is  on- 
menschwaardig  en  voor  menschen  onmogelijk  om  aldus 
jegens  anderen  hunne  vijandigheid  te  uiten.  Door  de  regeling 
van  het  duel  is  het  vijandelijk  handgemeen  in  den  cedex  der 
wei-levenskunst  opgenomen.  Eensdeels  is  het  duel  dus  eene 
verzachting  van  het  verwoede  en  onmenschelijke  tweege- 
vecht ,  anderdeels  echter  is  dit  laatste  nu  tot  een  menscheiijke 
instelling  gemaakt. 

Evenzoo  zou  een  krijgvoeren  uit  wraak,  zoodat  men  hen 
die  reeds  buiten  gevecht  gesteld  zijn ,  voor  hunne  vijand- 
schap nog  zou  laten  boeten,  door  hen  aan  hun  lot  over  te 
laten,  of  een  oorlog  met  de  vrijheid  om  alle  mogelijke 
vernietigingsmiddelen  te  bezigen,  onmogelijk  zijn.  Niet  alleen 
zou  hierdoor  het  tactisch  en  strategisch  krijgvoeren  zijn 
onmogelijk  geworden,  doch  het  zou  een  gevecht  van 
beesten  worden  tegen  beesten,  oneindig  veel  meer  dan  nu 
aan  toevallen  en  verrassingen  onderhevig.  Geen  krijg  zou 
kunnen  worden  begonnen,  met  de  overtuiging  van  goed 
recht  en  het  geloof,  dat  de  strijdmiddelen  daarmee  overeen- 
komstig zijn.  De  mensch  in  eiken  politicus  zou  terugschrik- 
ken van  de  verantwoordelijkheid  voor  regellooze  bloedbaden , 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  213 

waaruit  de  krijgvoerenden  verdierlijkt  naar  hunne  haardsteden 
zouden  terugkeeren.  Wanneer  echter  'al  het  mogelijke'  is 
gedaan  om  den  oorlog  'menschwaardig'  te  maken,  blijven 
alleen  de  scrupules  over  van  de  moralisten.  Hierover  zet 
zich  de  geschiedenis  heen. 

[Men  leze  eens  de  Gedenkschriften  van  von  Moltke  en 
vergelijke  daarmede  wat  Lodewijk  XI  in  zijn  „Rozier  des 
guerres",  de  „Rozestruik  van  den  krijg",  voor  den  Dauphin 
heeft  aangeteekend :  „Nous  ne  devons  nuUe  fois  faire  ne 
monstrer  scmblant  de  chose ,  qui  plaise  a  noiistre  ennemy , 
ny  chose  qui  soit  a  sa-  volonté,  mais  seulement  devons 
faire  ce  que  nous  cuidons  qui  nous  soit  profitable,  et  a 
luy  contraire!" 

Door  de  Conventie  van  Genève  enz.  is  de  krijg  tot  een 
menschelijk,  menschwaardig  instituut  gemaakt,  voor  de 
eerste  maal  a.  h.  w.  gelegaliseerd  en  door  het  historisch 
bewustzijn  der  politiseerende  individuen  erkend  en  goedge- 
keurd. 

Zoo  is  het  edele  enthousiasme  van  de  voorvechters  der 
algemeene  menschenliefde  noodzakelijk  geweest,  om  den 
oorlog  te  verzachten  en  dus  te  vermenschelijken  en  te  'ver- 
edelen.' 

§   15. 

Het  staatsgezag  berust  (gelijk  vroeger  ontwikkeld  is)  op 
de  kosmologische  vrijheid  der  onderdanen,  om  af  te  zien 
van  de  voldoening  van  onderling-strijdige  wenschen,  mits 
de  voornaamste  doeleinden  van  ras,  corporatie  en  geslacht 
worden  bereikt.  De  tegenstrijdigheid  van  algemeene  en 
bijzondere  drijfveeren  binnen  het  individu,  de  innerlijke 
strijd,  het  dramatische  moment,  alles  wat  de  samenleving 
boeiend  en  afgrijselijk  maakt,  dit  alles  en  de  mogelijkheid 
tot  willekeur,  is  in  de  materie  van  den  staat  verdwenen  — 


214  HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

daarentegen  heeft  de  staat  nu  tegenover  de  rest  der  mensch- 
heid,  om  zoo  te  zeggen,  een  'mandataire'  macht. 

Een  rechtstaat  van  staten  weerspreekt  zichzelf,  daar  het 
staatsgezag  een  aan  de  individueele,  vrije  i<rachten  der 
onderdanen  ontleend  gezag  is,  en  zelf  niet  vrij  is,  zoodat, 
volgens  de  onderstelling,  de  nationale  staat  naar  de  zijde 
van  den  kosmopolitischen-  of  wereldstaat  wel,  naar  de 
zijde  der  onderdanen  niet  vrij  zoude  zijn  in  zijne  handelingen. 
Want,  dat  de  staat  een  natuurinstelling  is;  een  bestaan- 
bare kategorie,  sluit  onvoorwaardelijke  gehoorzaamheid 
jegens  of  verwaarloosbaarheid  door  hoogergestelde  mach- 
ten uit. 

Een  staat,  die  een  eeuwig  tractaat  mocht  willen  sluiten 
tot  eenigerlei  inperking  van  zijne  macht  (d.w.z.  met  de 
stellige  bedoeling,  het  na  te  komen)  zou  al  geen  staat 
meer  zijn.  En  mag  hij  ook  overwonnen  en  hoezeer  ook 
getroffen  en  geteisterd  zijn,  dan  maakt  de  vaagste  hoop  op 
krachtsherstel ,  de  puinhoopen  nog  tot  een  werkelijken  staat. 

De  meestal  aangevoerde  bezwaren  tegen  de  volstrekte  en 
verplichte  arbitrage  (arbitrage  obligatoire)  betreffen  de  .uit- 
voerende macht  van  den  kosmopolitischen  staat,  en  houden 
rekening  met  de  inrichting  van  het  kosmopolitische  politie- 
leger,^)  de  wijzen  van  tenuitvoerlegging  der  arbitrale  vonnis- 
sen  enz.  enz. 


1)  Omtrent  dit  politieleger  van  den  kosmopolitischen  staat  kan  men  al 
aanstonds  opmerken,  dat  het  een  huurleger  zou  moeten  zijn.  De  geschiedenis 
nu  heeft  geleerd,  dat  nimmer  een  huurleger  ten  slotte  het  tegen  een  geschoold 
nationaal  leger  heeft  kunnen  houden.  Men  denke  bijv.  aan  de  Punische  oor- 
logen. De  huurlegers  zijn  altijd  onbetrouwbaar  geweest.  Hetzij  wegens  gemis 
aan  samenhang  met  de  patroniseerende  natie,  hetzij  wegens  de  ontwikkeling 
van  bijzondere  tradities.  Een  voorbeeld  van  het  eerste  geval  geeft  o.  a.  de  op- 
stand van  het  Carthaagsche  huurleger  in  358  na  den  len  Punischen  oorlog 
onder  Mathon  en  Spendius  wegens  het  verraad  der  Libysche  troepen  door 
Himilco.  Verder  het  gedrag  der  onbeheerschbare  en  bandelooze  Fransche 
huurtroepen  (Tard-venus)  in  vredestijd  tot  aan  hunne  vervanging  onder  Karel 


HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  215 

Eene  punt  voor  punt  gevoerde  uiteenlegging  van  de 
onuitvoerbaarheid  dier  maatregelen  verleidt  de  voorstan- 
ders of  geloovigen  tot  het  zoeken  naar  telkens  nieuwe 
stelsels,  die  de  fouten  mogen  missen  der  vorige.  De  ondoel- 
treffendheden  kleven  echter  niet  op  zuiver  toevallige  wijze, 
als  buiten  op,  aan  het  ingediende  stelsel,  maar  vloeien 
voort  uit  de  grondaanname  van  een  kosmopolitischen 
wereldstaat. 

§  16. 

„Een  staat  kan  geen  onderdaan  zijn ,  daar  hij  een  'ge- 
modificeerde naUnirkrachV  is,  en  zichzelven  ais  doel  stelt. 
Hij  kan  geen  staatsgezag  boven  zich  dulden ,  daar  hij  geen 
anderen  staat  als  meerdere  kan  erkennen,  wijl  alle  staten 
een  gelijke  waardigheid  ontleenen  aan  eene  gelijke  verhou- 
ding jegens  de  natuur. 

Het  aanzien  van  een  geslacht  hangt  af  van  zijn  verleden 
en  is  van  negatieven  aard ,  inzooverre  het  er  alleen  prijs  op 
gesteld  heeft,  zich  van  vermenging  vrij  te  houden.  Het  aan- 
zien van  een  staat  is  gegrond  op  de  toekomst,  dus  opzijn 
wilskracht,  wilsvermogen,  levensvatbaarheid;  zijn  adel,  de 


V  (Bertrand  du  Guesclin)  door  het  corps  doorloopend  door  den  vorst  bezoldigde 
capitaines  ordonnés.  De  eerste  Sforza  en  Johanna  v.  Napels.  Francesco  Sforza 
en  Milaan.  Braccio  en  Napels.  [Zie  Macchiavelii's  „Krijgskunst",  vooral  zijne 
klachten  over  het  condottierendom  in  het  Ie  Boek]. 

Een  voorbeeld  van  het  tweede  geval  leveren  de  Zwitsersche  huurtrocpcn. 
De  reden  van  hunne  voortreffelijkheid  zoekt  Macchiavelli  hierin:  dat  zij  „in 
gehoorzaamheid  aan  de  wetten  zijn  geboren  en  opgevoed  en  bovendien  vol- 
gens regelmatige  verkiezingen  door  hunne  gemeenten  worden  uitgezocht." 
Wanneer  in  1510  Lodewijk  XII  de  op  hoogen  toon  door  de  Zwitsers  geëischte 
verhooging  hunner  soldij  weigert,  kiezen  zij  de  partij  van  paus  Julius  II  en  wreken 
zich  ten  slotte  in  den  beroemden  veldslag  bij  Novara,  1513.  „Wat  de  dwaling 
betreft,"  zoo  doet  Macchiavelli  in  het  Ie  Boek  van  zijn  Krijgskunst  door  Fabrizio 
Colonna  opmerken,  „welke  de  koning  van  Frankrijk  begaat,  door  zijn  volk 
niet  voor  den  krijg  geschikt  te  maken —  deze  is  de  cardinale  fout  van  de 
Fransche  monarchie  en  alleen  deze  nalatigheid  is  reden  van  hare  zwakte." 


216     HET  VRAAGSTUK  VAN  DEN  WERELDVREDE. 

levenskracht  en  behendigheid  van  het  ras  moet  nog  blijken , 
is  voorloopig  slechts  potentieel  en  dus  voor  alle  gelijk. 

Voor  hen,  die  de  teederheid  van  den  historischen  zin 
zoover  zouden  willen  drijven,  met  te  ontkennen,  dat  de 
menschelijke  rede  in  staat  zoude  zijn  eenige  Theodicee  (zij 
het  ook  in  negatieven  zin)  op  te  stellen,  en  voor  de  toe- 
komst eenigerlei  gebeurtenis  te  betwijfelen ,  zonder  dat  de 
beslissende  proef  (experimentum  crucis)  aan  wien  ook  ten 
dienste  staat,  zoodat  alle  gepraat  over  en  weer,  leeg  en 
onnut  schijnt,  —  wil  ik  als  voorbeeld  aanhalen  in  den  vorm 
van  een  voorzichtig  te  hanteeren  analogie :  de  verhouding 
van  den  Poolschen  adel  tot  het  staatsgezag,  gelijk  Rulhière 
haar  in  zijne  „Histoire  de  1'  anarchie  de  la  Pologne"  en 
Ferrand  in  zijn  „Les  trois  démembrements  de  la  Pologne," 
hebben  ontwikkeld. 

Tengevolge  van  de  schrikbarende  roerigheid  en  nauw- 
gezette verzelfstandiging  der  Polen ,  was  daar  de  kleinste 
stameenheid  in  een  minder  omvangrijk  gebied  dan  waar  ook 
bereikt  en  werden  de  gescheiden  belangen  van  de  onder- 
deden der  natie  met  groote  kracht  uit  elkaar  gehouden. 
Zoo  was  Polen  samengesteld  uit  een  groot  getal  souvereini- 
teiten,  en  wel  evenzoovele  als  er  edellieden  waren,  daar 
allen  gelijken  rang  hadden  en  met  hun'  aanhang  of  hunne 
lijfeigenen,  dikwerf  zeer  machtige,  staten  vormden  binnen 
den  staat.  Het  was  zoodoende  een  confederatie  van  kleine 
machtseenheden  en  gegrondvest  op  het  beginsel  van  de 
volkomen  gelijkheid  en  vrijheid  van  alle.  In  vredestijd  was 
het  opperste  gezag  slechts  schijnbaar,  en  alleen  bedreiging 
door  een  buitenlandschen  vijand  wekte  een  krachtiger  gevoel 
van  gemeenschappelijkheid  en  bewerkte  samensluiting  der 
natie.  De  rechtspraak  was  illusoir,  daar  de  koning  als  opperste 
rechter  maar  met  den  gemeenen  adelsrang,  zich  niet  boven 
de  partijen  kon  stellen  en  handhaven  en  bij  tenuitvoerlegging 


HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE.  217 

der  vonnissen  niet  op  aller  steun  kon  rekenen  —  doch 
hierbij  in  den  regel  een  gewapend  verzet  had  te  verwachten  ,  ■ 
waarbij  dan  als  regel  schijnt  gegolden  te  hebben,  dat  de 
zaak  geheel  afgeloopen  was,  zoodra  de  justitieele  veldtocht 
tegen  den  gevonnisde  drie  malen  door  diens  troepen  was 
afgeslagen. 

De  consequenties  van  dit  stelsel  traden  op,  na  het  uit- 
sterven van  de  Jagellonen ,  toen  geen  bijzondere  tradities , 
(zoo  de  traditioneele  dankbaarheid  voor  de  verovering  van 
Litthauen  door  dit  geslacht),  het  heerschende  huis  meermet 
den  adel  verbonden.  Het  opperste  rechterambt  werd  den 
vorst  ontnomen,  het  recht  om  den  adeldom  te  verleenen, 
om  oorlog  en  vrede  te  verklaren ,  het  recht  om  eenig  edel- 
man gevangen  te  nemen  (d.  i.  vóór  zijn  schuld  bewezen 
was)  —  zoodat  de  kroonpraerogatieven  in  deze  zoo  hoogst 
zonderlinge  natie,  waarmede  de  geschiedenis,  als  het  ware,  een 
waarschuwend  voorbeeld  voor  alle  andere,  heeft  willen  voort- 
brengen ,  —  verloren  gingen  of  op  eten  adel  werden  over- 
gedragen, en  het  zuiver  confederatieve  karakter  dezer 
samenleving  ten  slotte  uitgesproken  naar  voren  kwam. 

Het  belangrijkste  uitvloeisel  van  deze  staatsinrichting  was 
het  liberum  veto ,  volgens  hetwelk  geene  verandering  in  het 
staatswezen  kon  plaats  hebben,  zoodra  één  enkel  edelman 
daardoor  gedwongen  zou  kunnen  worden  tot  iets,  waartoe 
hij  zijn  vrije  toestemming  niet  wilde  geven,  —  en  dat,  na 
meermalen  door  de  hoogwaardigheidsbekleeders  van  het  rijk 
aangevochten  te  zijn ,  naar  aanleiding  van  de  bekende  weige- 
ring van  den  afgevaardigde  Sicinski  om  zijn  stem  te  geven 
voor  den  krijg  tegen  de  kozakken,  in  1652  tot  wet  verheven  is , 
volgens  de  Polen  het  unicum  et  specialissimum  jus  car- 
dinale.  Teneinde  de  vergaderingen  van  den  Rijksdag  toch 
niet  geheel  ondoeltreffend  te  maken ,  werd  de  weerbarstige 
minderheid,    indien  zij  klein  genoeg  was,  terstond  neerge- 


218  HET  VRAAGSTUK   VAN    DEN   WERELDVREDE. 

sabeld,  hetgeen  dan  ook  de  nadrukkelijkste  erkenning  van 
hun  veto  was.  Het  werd  als  een  teeken  van  bijzonderen 
vooruitgang  aangemerkt,  dat  in  het  jaar  1764  op  de  adels- 
vergaderingen  slechts  tien  edellieden  zijn  afgemaakt.  (En 
tientallen  malen  is  men  zelfs  niet  toegekomen  aan  de  feite- 
lijke opening  van  den  Rijksdag,  daar  een  veto  zich  verzet 
had  tegen  de  agenda). 

Overal,  waar  de  adel  verschillend  aanzien  genoot  naar 
gelang  van  rang  of  ouderdom  van  het  geslacht,  en  onder- 
geschikt was  aan  den  vorst,  die  èn  den  edelsten  stam  èn 
het  opperste  gezag  der  natie  heette  te  verpersoonlijken,  zijn 
dergelijke  verhoudingen  en  toestanden  al  aanstonds  onmogelijk 
geweest.  Want  —  kon  de  vorst  daar  naar  gelang  van  om- 
standigheden tot  concessies  aan  eene  afzonderlijke  partij  of 
aan  zijne  onderdanen  worden  genoopt,  dan  was  deze  ver- 
mindering van  het  gezag  tevens  een  begin  van  verval  voor 
de  macht  van  den  adel ,  van  wien  hij  het  hoofd  was  en 
tegenover  wien  hij  de  verleende  rechten  en  vrijheden  moest 
waarborgen  ^)  —  en  voor  het  volstrekte  aanzien ,  dat  ver- 
liezen moest  zelfs  met  den  schijn  van  een  vergelijk  met 
machten  van  lager  orde.  Want  de  absolute  rechtsgelijkheid 
der  +  300,000  edellieden  in  Polen  kon  alleen  zijn  afgeleid 
uit  een  bovenzinnelijk  beginsel ,  dat  een  stelsel  van  bijzon- 
dere irechten  moest  meebrengen ,  met  alle  macht  door  wet 
en  uitvoerend  gezag  bekrachtigd  en  gesteund,  en  dat  als 
het  ware  den  grond  voor  dezen  vorm  der  samenleving 'mh\e\d. 
(Hij ,  die  een  ander  verweten  had ,  zich  den  adeldom  te 
hebben  aangematigd ,  zonder  dit  te  kunnen  bewijzen ,  werd  in 


1)  De  instelling  en  erkenning  der  Communiae  in  1108  door  Lodewijk  den 
Dikke,  waardoor  hij  de  kerspelmilities  der  steden  evengoed  tot  den  heerdienst 
kon  oproepen  als  zijn  adellijke  leenmannen,  is  door  de  feudaalgezinde  tijdgc- 
nooten  ondervonden  als  eene  omwenteling  van  de  verhoudingen  tusschen  het 
oppergezag  en  den  adel.  Abbé  de  Nogent:  „La  commune,  nom  nouveau,  nom 
exécrable,  a  pour  but  d'affranchir  les  censitaires  de  tout  servage." 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  219 

Litthauen  gegeeseld  en  in  Polen  onthoofd.  Hij  die  koopman 
werd,  verloor  den  adelrang.  Aan  iemand,  die  zich  val- 
schelijk  voor  edelman  had  uitgegeven ,  werd  zijn  grondbezit 
jure  caduco  afgenomen ,  en  toegewezen  aan  hem ,  die  het 
eerst  deze  aanmatiging  had  ter  sprake  gebracht.  Zijne  ver- 
moording was  niet  strafbaar,  (v.  Zernicki-Szeliga,  Gesch. 
d.  Poln.  Ad.  p.  56).) 

Waar  allen  van  nature  gelijk  zijn,  is  overwicht  uitgesloten 
van  den  een  t.  o.  v.  den  ander,  —  waar  allen  souverein 
zijn,  zou  het  geringste  gezag  van  een  boven  allen  gestelde 
macht  de  weerspreking  zijn  van  aller  souvereiniteit.  Tijdelijk 
mogen  dezen  verbonden  worden  door  een  gemeenschappelijk 
gevaar,  —  zoodra  dit  geweken  is,  worden  de  inwendige 
grenzen  weder  getrokken  en  treedt  de  oorspronkelijke  toe- 
stand van  wederzijdsche  rechtloosheid  weder  in. 

§  17. 
Een  staat  is  niet  alleen  souverein  over  zijne  burgers  (en 
over  hen  juist  slechts  op  grond  van  hun  volstrekt  welzijn) 
maar  in  beginsel  zelfs  over  de  geheele  wereld,  aangezien 
zijn  arbeid  in  de  toekomst  ligt,  waarin  zijn  welzijn  door 
allen  en  alles  kan  worden  in  gevaar  gebracht  ^).  Niettegen- 
staande alle  schoone  verzekeringen  en  zelfs  bedoelingen 
der  regeeringen  kan  geen  staat,  waarvoor  de  toekomst  niet 
geheel  afgesloten  is,  in  koelen  bloede  afstand  doen  van 
alle  toekomstige  kansen  op  uitbreiding  der  welvaart  =^).  Dit 


1)  „Der  Geist  (und  seinc  Wirklichkeit,  der  Staat)  als  in  der  Freiheit  unend- 
lich  negative  Bezielning  auf  sich,  ist  ebenso  wesentlich  Fiirsiclisein,  das  den 
bestehènden  Unterschied  in  sich  aufgenommen  iiat  und  damit  ausschliessend 
ist."  Hegel  Pii.  des  R.  §  321. 

2)  „Wanneer  de  eene  staat  met  den  anderen  oorlog  zou  willen  voeren  en  de 
uiterste  middelen  te  werk  stellen,  om  dien  te  onderwerpen,  dan  mag  hij  dat  naar 
goed  recht  beproeven ,  aangezien  het  voor  hem  om  krijg  te  voeren ,  voldoende  is , 
dat  hij  het  wil.  Maar  omtrent  den  vrede  kan  hij  niets  vaststellen  zonder  over- 
eenstemming met  den  wil  van  den  anderen  staat."  Spinoza  Tract.  Pol.  III,  13. 


220  HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE. 

recht,  dat  gegrond  is  op  de  onbegrensdheid  der  verwach- 
tingen ,  (daar  alle  grenzen  toevallig  of  willekeurig  zijn ,  en  dus 
niet  als  wezenlijk  kunnen  worden  vermoed  of  gevoeld)  leidt 
onder  meer  van  zelf  voor  alle  statenbonden  tot  het  liberum 
veto  voor  afzonderlijke  regeeringen.  Men  kan  zelfs  opmerken, 
dat  de  onschuldige  aard  van  den  Cour  d'arbitrage ,  ingesteld 
door  de  Haagsche  Conventie  van  1899  al  hieruit  blijkt,  dat 
volgens  art.  51  in  beginsel  het  vonnis  wordt  gewezen  door 
de  meerderheid  der  stemmen  van  het  tribunaal. 

Wat  de  wetgevende  macht  van  den  kosmopolitischen 
staat  aangaat,  volgt  uit  het  voorafgaande,  dat  geen  staat 
zich  bij  voorbaat  kan  neerleggen  bij  eenige  wet,  waaraan 
hij  niet  zijn  souvereine  sanctie  heeft  gehecht.  Aan  vele  ge- 
loovigen  in  den  kosmopolitischen  vredestaat,  waaronder 
Kant,  zweeft  eene  analogie  voor  den  geest  van  den  —  tot 
heden  toe  barbaarschen  —  staat,  met  den  wilde,  die  de 
voorkeur  geeft  aan  zijne  vogelvrije  vrijheid  boven  elke 
ordening  tot  eene  samenleving.  De  overeenkomst  kan  worden 
toegegeven,  het  sprekender  onderscheid  is  dit: 'dat  de  wilde 
in  aanleg  (bijv.  inzooverre  hij  reeds  spoedig  gebruiken  en 
zeden  erkent)  niet  volstrekt  hieer  dierlijk  voorbestemd  wezen 
is,  en  den  gang  volgt  van  volmaakt  gebonden  tot  kosmo- 
logisch vrij  wezen,  terwijl  de  staat  den  omgekeerden  gang 
volgt,  aanvankelijk  op  willekeurige  en  vrije,  opzegbare 
ordening  rustende,  voortgaat  tot  eene  architectonische  en 
meer  en  meer  stelsel-  en  wetmatige  innerlijke  vastheid  en 
gebondenheid.  Naarmate  het  individu,  naar  den  vorm  ge- 
nomen, zich  ontvouwt  en  zich  ontwikkelt,  bindt  de  vorm 
en  de  ruimte  van  het  staatswezen  zich  en  wikkelt  zich  in. 

Het  regelmatig  verloop  der  samenleving  berust,  —  en  a 
fortiori  in  de  republikeinsche  inrichting  der  hedendaagsche 
beschaafde  staten  — ,  op  de  bereidheid  der  burgers  bij  voor- 
baat, om  zich  te  schikken  in  de,  wanneer  dan  ook,  uitte- 


HET  VRAAGSTUK   VAN   DEN   WERELDVREDE.  221 

vaardigen  wetten.  Zoo  wordt  ook  de  rechtspraak  mogelijk  ge- 
maakt door  den  imponderabelen  factor  van  het  door  alle  bevol- 
kingslagen heengeslopen  rechts-  en  wetsbesef,  dat  zelfs,  gelijk 
de  politieannalen  kunnen  leeren,  aan  eiken  politieagent  boven 
eiken  misdadiger  een  zeker  overwicht  geeft.  Wij  kunnen  het 
Christendom  niet  dankbaar  genoeg  zijn  voor  de  buitengemeene 
aanwakkering  en  verfijning  van  het  algemeene  zondebewustzijn. 
Doch  van  staten  maakt  men  geen  Christenen  (Christelijke 
mogendheid  is  eene  contradictio  in  adjecto),  de  staatsman 
is  spreekwoordelijk  weinig  week  van  conscientie,  en  zelfs 
Bismarck  heeft  toegegeven,  dat  de  politiek  het  karakter 
(geweten)  bederft  ^).  Geen  staat  kan  a  priori  zich  neerleg- 
gen bij  in  de  toekomst  te  nemen  wetsbesluiten ,  daar  hij  bij 
voorbeeld  nimmer  theoretisch  (doch  wel  pracüsch!)  kan  toe- 
stemmen in  een  decreet,  dat  de  ruimte  zijner  bewegingen 
verkleint,  wijl  hij  niet,  gelijk  de  individuen,  den  wor- 
tel van  het  zelfbestuur  in  zichzelf  heeft,  maar  eerst  aan 
zijne  onderdanen  ontleent.  Vandaar,  dat  een  staat  geen 
(parlementaire)  mandaten  aan  derden  kan  afgeven  voor  een 
wetgevenden  arbeid,  maar  zich  alleen  kan  binden  in  afzon- 
derlijke tractaten  van  beperkten  duur.  Toetreding  van  een 
staat  tot  een  volkerenbond  kan  slechts  huichelachtig  zijn  ^). 


(1)  Rijksdag  26  Nov.  1884. 

(2)  Het  verbond  (tusschen  staten)  blijft  zoo  lang  van  kracht,  als  de  reden 
voor  het  sluiten  van  het  verbond,  namelijk  vrees  voor  nadeel  of  hoop  op 
voordeel,  nog  aanwezig  is;  wanneer  echter  de  hoop  of  de  vrees  voor  een  van 
beide  staten  verdwenen  is,  dan  blijft  hij  zijn  oude  rechten  behouden  en  de  band, 
waarmede  de  staten  verbonden  waren,  wordt  zonder  meer  geslaakt;  en  daarom 
staat  het  lederen  staat  vrij  om  een  verdrag  te  verbreken,  wanneer  hij  het 
verkiest,  en  kan  er  niet  gezegd  worden  dat  hij  arglistig  of  trouweloos  han- 
delt, omdat  hij  zijne  belofte  verbreekt,  zoodra  de  reden  voor  vrees  of  hoop 
vervallen  is  — ,  aangezien  voor  elk  der  verbondenen  deze  voorwaarde  gelij- 
kelijk gegolden  heeft:  dat  hij,  die  het  eerst  zonder  vrees  behoefde  te  zijn, 
weder  zijn  oude  rechten  terugkrijgt  en  daarvan  naar  eigen  goedvinden  ge- 
bruik maakt,  en  verder  aangezien  niemand  zich  voor  de  toekomst  verbindt, 
tenzij  met  vooropstclling  van  de  voorheen  geldende  omstandigheden." 

Spinoza,  Tract.  Pol.  III,  14. 

Zie  ook  Macchiavelli,  de  Vorst,  c.  18. 


HET  DING  OP  ZICHZELF. 

DOOR 

G.  J.  P.  J.  BOLLAND. 


De  denkbaarheid  op  zichzelve  is  als  mogelijkheid  zonder 
meer  eene  mogelijkheid  zonder  werkelijkheid,  eene  onver- 
werkelijkte  mogelijkheid,  of  aanleg;  zoo  is  de  zaak  op 
zichzelve  of  het  ding  op  zichzelf  het  ding  in  aanleg.  Onder- 
scheid laat  zich  hier  maken,  en  onderscheid  is  er  gemaakt, 
tusschen  de  afgetrokkene  denkbaarheid  van  de  redekunde 
en  de  zakelijke  mogelijkheid  van  de  werkelijkheid.  Doch 
de  rede  is  niet  zonder  hare  werkelijkheid  en  de  werkelijk- 
heid is  niet  verlaten  van  de  rede.  De  afgetrokkene  denk- 
baarheid, de  denkbaarheid  zonder  meer  en  op  zichzelve, 
blijft  als  zoodanig  eene  denkbaarheid,  die  zich  bij  gelegen- 
heid laat  verwerkelijken  en  zal  verwerkelijken;  inzooverre 
is  zij  ook  eene  werkelijke  mogelijkheid,  eene  mogelijkheid 
van  de  zaak  en  het  ding.  En  de  zakelijke  of  werkelijke 
mogelijkheid  blijft  als  mogelijke  werkelijkheid  ook  denk- 
bare werkelijkheid  en  werkelijke  denkbaarheid,  die  dan  als 
onverwerkelijkte  denkbaarheid  of  denkbaarheid  op  zichzelve 
op  nieuw  de  denkbaarheid  van  de  zaak  of  het  ding  in 
aanleg  heeten  kan.  Het  ding  op  zichzelf  is  het  ding  in 
aanleg,  het  ding,  dat  zijne  werkelijkheid  nog  moet  ont- 
wikkelen en  openbaren. 

Inmiddels   is   het  waarneembare   ding  het  ding  voor  ons 


HET   DING   OP  ZICHZELF.  223 

en  voor,  of  in  betrekking  tot,  iets  anders;  het  doet  in  de 
werkelijkheid  mede  onder  voorbehoud  van  en  in  verband 
mèt  dat  andere;  wat  op  zichzelf  is  gesteld,  kan  niet  mede- 
doen  in  de  werkelijkheid,  die  veeleenigheid  is  van  al  wat 
binnen  verkeert  en  buiten.  Het  ding  op  zichzelf,  het  ding 
zonder  meer,  is  als  ding  van  de  werkelijkheid  een  ding 
der  onmogelijkheid;  het  is  als  ding  buiten  elk  verband  een 
ding  van  niets  en  voor  niemand  en  zoo  dan  zonder  werke- 
lijkheid of  denkbaarheid  en  bespreekbaarheid  of  waarheid. 
De  denkbaarheid  en  de  waarheid  aan  het  werkelijke  ding 
op  zichzelf  is,  dat  het  geene  denkbare  waarheid  of  werke- 
lijkheid hééft;  het  ware  en  werkelijke  is  veeleenig  en  het 
veeleenige  het  ware  en  v/erkelijke.  Veel  mag  bestaan,  ver- 
anderen en  vergaan,  wat  'onbekend  is  gebleven  aan  alle 
menschen  zelfs,  doch  de  waarheid  van  de  werkelijkheid 
wordt  in  het  ongekende  en  onbekende  geene  andere  v/aar- 
heid dan  die,  waartoe  de  werkelijkheid  zich  heeft  ontwik- 
keld in  de  zelfkennis  der  zuivere  rede;  veeleer  is  onbekend 
en  ongekend  bestaan  als  bewusteloos  bestaan  een  bestaan 
zonder  waarheid.  Valt  alleen  in  het  bewustzijn  de  veelheid 
en  de  verscheidenheid,  die  bij  gelegenheid  niet  slag  en 
zure  smaak  en  phosphorachtige  reuk  en  vonk  en  knal, 
maar  een  en  dezelfde  x  is,  of  valt  in  dat  bewustzijn  eene 
gewaande  zakelijke  eenheid,  de  eenheid  van  een  ingebeeld 
ding,  waaraan  in  de  werkelijkheid  eene  verscheidenheid  beant- 
woordt van  stoffen,  of  zoogenoemde. eigenschappen?  Maakt 
ons  gestel  en  onze  ondervinding  van  eene  enkele  x  eene 
veelheid,  of  maakt  ons  bewustzijn  van  eene  verscheiden- 
heid, van  vele  stoffen  en  deelen,  van  vele  x'en  alzoo, 
eene  gewaande  en  denkbeeldige  'ding'  genaamde  eenheid? 
De  rede  kent  de  eenheid  in  het  meervoud,  tevens  wetende, 
dat  het  meervoud  meervoud  van  en  in  enkelvoud  is.  Inge- 
val  echter   noch   enkelvoud   noch  meervoud  van  werkelijk- 


224  HET   DING   OP   ZICHZELF. 

heid  zoo  op  zichzelf  is  aan  te  nemen,  ingeval  het  denken 
der  werkelijkheid  uiteen-  en  ineendenkt  tegelijk,  zoodat  het 
bewustzijn  en  zijne  ondervinding  eenheid  in  veelheid  en 
veelheid  in  eenheid  verkeert:  wat  is  het  ding  op  zichzelf 
dan  anders  dan  spiegeling,  weerschijn  in  de  (objectieve) 
waarneembaarheid,  van  de  (subjectieve)  denkbaarheid,  die 
in  beider  v/erkelijkheid  en  waarheid  veeleenig  is?  Zietdaar 
ook  de  reden  «van  de  onbewuste  en  onnoozele  listigheid, 
waarmede  geloovers  aan  'het'  ding  op  zichzelf  tegenover 
zichzelven  en  anderen  de  vraag  ontwijken,  of  zij  gelooven 
aan  'een'  ding,  dan  wel  aan  'vele'  dingen.  Is  het  v/are 
en  werkelijke  'een'  ding  zonder  meer,  dan  is  het  géén 
ding:  onbepaalde  en  onbegrensde  of  onbeperkte  en  onein- 
dige eenheid  is  eene . . .  oneindigheid  en  geen  ding  meer. 
En  bestaat  het  ware  en  werkelijke  uit  dingen,  uit  verschei- 
denheid dus  van  hetzelfde,  dan  is  de  veeleenige  werke- 
lijkheid dier  dingen  óók  al  weer  geen  ding  zonder  meer, 
maar  veeleenigheid,  die  het  bestaan  van  ding  en  realiteit 
te  buiten  gaat. 

De  werkelijke  zelfstandigheid  of  zelfstandige  werkelijkheid 
is  als  onbewuste  natuur  zoo  weinig  ding  op  zichzelf  of 
ding  zonder  meer,  dat  zij  als  veeleenigheid  van  verander- 
lijk bestendige  en  bestendig  veranderlijke  verscheidenheid, 
als  geheel  van  deelen  en  krachtig  of  in  verschijnselen  zich 
uitend  en  verkeerend  wezen,  hetwelk  in  zijne  zelfstandig- 
heid dood  en  levend,  lijdelijk  en  bedrijvig,  afhankelijk  en 
vrij  in  eenen  is,  onontwikkeld  de  gezamelijke  denkbaar- 
heden  of  verenkelingen  van  bijzondere  algemeenheid  in- 
houdt, die  zich  stelselmatig  laten  nagaan  tot  zelfontwikkeling 
van  het  ware  in  de  idee.  De  vraag  naar  het  ding  'op 
zichzelf'  is  altoos  begrijpelijk  en  in  verband  met  de  vraag 
naar  het  ding  'voor  ons'  betrekkelijk  onvermijdelijk.  Doch 
de   afzonderlijke   en   partijdige  belangstelling  voor  het  ding 


HET   DING   OP   ZICHZELF.  225 

Op  zichzelf  is  te  begrijpen  aan  den  waan ,  dat  het  ding , 
de  zalceiijkheid ,  de  realiteit,  in  weerwil  van  vervloeiing  en 
vervluchtiging  van  waarneembare  zakelijkheden,  de  wérke- 
lijkheid moet  blijven  heeten;  het  werkelijke  en  ware  echter 
is,  niet  eene  bestaande  realiteit  of  zakelijkheid,  niet  een 
ding  op  zichzelf,  maar  veeleenigheid  van  waarneembaar- 
heid en  denkbaarheid  in  zelfbestendiging  van  zelfverkeering. 
Die  idee,  'de'  idee,  is  het  ware;  het  ware  aan  en  in  de 
vanzelve  begrensde  of  eindige  realiteit  is  in  alle  oneindig- 
heid haar  einde,  hare  opheffing  in  de  idealiteit,  in  de 
oneindige  idee  zelve.  En  de  idee  is  niet  weder  eenzijdig 
realiteit  of  zakelijkheid ,  maar  geldt  voor  alle  dingen  en  in 
alle  dingen ,  zonder  in  eenig  'ding'  op  te  gaan.  De  vraag 
naar  het  ding  op  zichzelf  blijkt  niet  verstandiger  of  houd- 
baarder dan  de  vraag  naar  ruimte  en  tijd  op  zichzelven, 
naar  het  verschijnsel  en  de  eigenschap  op  zichzelven,  naar 
de  kracht  en  het  leven  en  de  geschiedenis  op  zichzelven, 
die  tezamen  noch  binnen  noch  buiten  en  even  goed 
binnen  als  buiten  zijn.  Het  ding  op  zichzelf  bestaat,  waar 
het  punt  en  het  tijdstip  op  zichzelf  bestaan;  de  zakelijk- 
heid of  realiteit  blijft  een  bestendig  veranderlijke  factor  in 
de  natuur,  die  bewustelooze  veeleenigheid  binnen  en  buiten 
ons.  En  de  natuur,  waarin  het  ding  voorondersteld  blijft, 
om  zich  erin  te  verkeeren  en  erin  aan  zijn  einde  te  komen, 
is  met  den  geest  vergeleken  het  zielige  of  zelfs  levenlooze , 
het  onbewuste ,  dat  op  zichzelf  tot  eigene  waarheid  nog 
niet  gekomen  is;  de  natuur  is  meer  dan  een  ding  en  minder 
dan  het  ware,  —  waarin  het  denken  'mededoet'.  De  waar- 
heid en  het  ware  is  eenheid  van  denken  en  werkelijkheid, 
van  geest  en  natuur  en  in  alle  werkelijkheid  of  natuurlijk- 
heid is  de  geest  de  waarheid,  dat  natuur,  zaak,  of  ding 
'op  zichzelf'  geene  waarheid  heeft. 


15 


HET    HEROÏSCHE:    EEN    HOOFDSTUK    VAN 
HOOGERE    LEVENSLEER/) 

DOOR 

Dr.  J.  D.  BIERENS  DE  HAAN. 


I. 


Het  heroische  is  een  geestes-gesteldheid; 
en  moet  begrepen  worden  uit  liet  begrip 
van  het  (geestes-)leven.  Het  leven  is  „over- 
winning" van  het  Idee  (het  logische)  op  den 
chaos  (het  a-logische). 


Wij  komen,  al  geschiedt  het  niet  alle  dagen,  in  aan- 
raking met  de  heroische  werken ,  en  zoo  wij  ze  niet  slechts 
willen  genieten,  maar  verstaan,  is  het  noodig  een  begrip 
te  winnen  van  de  heroische  geestesgesteldheid,  uit  welke 
deze  werken  zijn  voortgebracht.  De  heroische  werken  zijn 
teekenen  en  uitingen  van  die.  Er  is  een  overeenkomst 
tusschen  al  deze  werken ,  waardoor  zij  op  een  zelfde 
geestesgesteldheid  wijzen.  Er  is  een  overeenkomst  tusschen 
het  Parthenon ,  het  Johannes-Evangelie,  den  toren  van  Giotto, 


1)  Tegenover  „zedekunde"  is  „hoogere  levensleer"  een  ethiek,  die  behalve 
moraal,  tevens  aesthetiek  en  religie-leer  omvat  en  een  nietafysika  en  logika 
veronderstelt.  » 


HET   heroïsche:    EEN   HOOFDSTUK  227 

het  boek  Job,  Spinoza's  Ethica,  de  Faust-tragedie,  en  vele 
meer.  Te'  meenen  dat  de  menschelijke  genialiteit  voor  al 
deze  aansprakelijk  is,  en  dus  het  begrip  der  genialiteit  te 
nemen  als  punt  der  overeenkomst,  ware  een  onjuiste  ver- 
klaring. Wij  zullen  in  deze  studie  het  begrip  der  genialiteit 
moeten  doorzien,  aangezien  het  tot  verwarring  aanleiding 
geeft  met  de  heroiteit,  welker  begrips-inhoud  wij  zullen 
pogen  te  verstaan.  De  heroïsche  inspiratie  is  iets  ander^ 
dan  de  geniale  inspiratie  en  wordt  op  andere  wijze  verstaan. 
Men  voorziet  dit  reeds  zoo  wij  een  heroïsche  schepping  als 
het  Johannes-Evangelie  tegenover  een  geniale  schepping  als 
de  draadlooze  telegrafie  plaatsen.  Er  is  hier  een  onderscheid 
als  tusschen  rede  en  verstand.  Daarover  later. 

Althans  is  voor  recht  begrip  der  menschelijke  kuituur- 
geschiedenis  een  inzicht  in  de  heroïsche  geestes-gesteldheicl 
onmisbaar.  Hoe  zal  men  den  hoogen  aard  der  zedelijke, 
aesthetische ,  religieuze  werken  en  ook  de  wijsbegeerte  als 
menschelijk  geestes-werk  begrijpen,  tenzij  uit  het  begrip 
der  heroiteit? 

Toch  is  deze  studie  niet  ondernomen  met  het  oog  op  de 
kultuurgeschiedenis,  maar  met  het  oog  op  de  levensleer, 
want  in  zichzelf  is  het  heroïsche  een  levensfase,  nl.  een 
houding  van  den  menschengeest  in  den  hoogsten  staat  zijner 
bewustwording. 

De  heroïsche  mensch  is  de  hoogste  openbaring  van  het 
menschelijke.  Niet  in  den  genialen  maar  in  den  heroischen 
mensch  is  het  leven  voltooid.  Het  leven  beweegt  zich  van 
den  aanvang  af  in  de  richting  van  het  heroïsche.  Uit  den 
aard  der  zaak  is  deze  algemeene  levenswet  zeer  gebrekkig 
in  de  individueele  levens  uitgedrukt,  die  komen  en  gaan 
zonder,  zooals  bij  millioenen  het  geval  is,  van  de  vol- 
tooiing iets  bespeurd  of  vermoed  te  hebben.  Maar  deze 
gevallen   zijn   niet  normaal;  doch  het  Zeldzame  is  normaal, 


228  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

terwijl  het  vaak-voorkomende  abnormaal  is.  Al  ware  er  slechts 
één  heros  in  de  geheele  wereldgeschiedenis  opgetreden,  dan 
nog  zou  hij  de  normale  mensch  zijn,  daar  het  normale  niet 
bestaat  in  de  empirische  middelmaat,  maar  in  de  levens- 
waarheid.  En  dat  er  géén  heros  zou  zijn  is  met  het  begrip 
van  het  menschelijke  zelf  in  strijd. 

Dat  de  heroïsche  geesteshouding  de  voltooiing  des  levens 
is  moet  uit  het  begrip  des  levens  verstaan;  tevens  hebben 
wij  in-  deze  uitspraak  ons  uitgangspunt  om  den  aard  van 
het  heroïsche  te  begrijpen. 

Het  leven  dan  is  in  zijn  wezenlijke  natuur  niet  vindbaar 
bij  slak  noch  olifant,  bij  varengewas  noch  zeewier,  bij  bacil 
noch  monere,  maar  bij  den  mensch  als  geestelijk  wezen. 
Het  is  niet  overbodig  dit  te  zeggen,  daar  de  biologische 
evolutie-leer  zoozeer  de  gedachte  van  onze  tijdgenooten 
heeft  ingenomen,  dat  zij  om  een  begrip  van  het  leven  vast 
te  stellen  aanstonds  terugwijken  tot  de  aanvangsvormen.  De 
biologische  evolutieleer  meent  alles  uit  de  aanvangen  te 
begrijpen;  in  waarheid  wordt  niets  uit  zijn  aanvangen  be- 
grepen ,  maar  uit  zijn  voltooiingen ,  gelijk  reeds  Aristoteles 
wist  dat  de  voleindiging  de  waarheid  eener  verschijning 
bevat.  Ja  ook  de  aanvangen  zijn  slechts  belangrijk  om  de 
voltooiing,  zooals  de  monere  niet  belangrijk  noch  zinrijk  zou 
zijn,  tenzij  wij  de  hoogere  levensvormen  erbij  dachten. 
Eerst  de  volheid  eener  verschijning  werpt  licht  over  den  zin 
dier  verschijning.  De  vraag  naar  het  wezen  wordt  niet  be- 
antwoord door  een  verwijzing  naar  het  ontstaan. 

Het  leven  dan  als  geestesleven  is  een  overwinning  van  de 
Idee  op  haar  tegendeel.  Er  zou  geen  leven,  geen  „ver- 
schijning" in  't  algemeen,  geen  ervaarbare  wereld  zijn,  zoo 
er  niet  een  oorspronkelijke  tegenstelling  ware.  De  Idee  is  het 
Princiep,  de  grond  der  verschijning;  zij  is  de  Wereldrede  of 
Geest,  het  Logische;  n»aar  deze  moet  een  tegengestelde  hebben 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  229 

waaraan  zij  zich  oplegt.  Het  princiep,  dat  zich  niet  aan  iets 
doet  gelden,  is  ondenkbaar.  De  loutere  Eenheid  als  het 
Al  gedacht,  Eleatisch  zonder  het  Niet-zijn  om  zich  aan  te 
verwerkelijken,  blijft  in  Eleatischen  doodslaap.  Zoo  is  dan 
nevens  de  Idee  het  oer-objektievc ,  de  Negativiteit,  de  on- 
geest, het  a-logische,  dat  in  den  chaos,  het  deforme,  zijn 
voorstelbaar  representant  heeft.  De  tegenstelling  van  Idee  en 
chaos  ligt  aan  elk  leven  ten  grondslag.  Het  leven  nu  is  de 
„overwinning",  d.  i.  de  aanwending  waarmee  de  Idee  den 
chaos  aanwendt  tot  haar  zelf-verwerkelijking. 

Het  a-logische  is  niet  de  wil,  gelijk  in  de  Hartman- 
niaansche  theorie.  De  „wil"  als  zoodanig  is  niet  onlogisch. 
Hij  bestaat  ook  niet  in  zichzelf  als  een  grootheid,  die  met 
het  denken  in  strijd  kan  komen.  De  Hartmanniaansche  grond- 
gedachte van  dien  in  zich  vredeloozen ,  onredelijken  en 
slechten  wil,  uit  kracht  van  welken  het  existeeren  q.  t.  een 
kwaad  zou  zijn,  schijnt  mij  een  makrokosmisch  besluit  uit 
een  onjuiste  phychologische  analyse  ^).  De  „wil"  is  in  zichzelf 
goed  noch  kwaad,  redelijk  noch  onredelijk;  maar  hij  is  de 
aktiviteit  aan  het  denken;  zoodat  zijn  waarde  ook  van  het 
deinen  afhangt  dat  hem  bepaalt:  troebel-denken  is  begeleid 
met  troebelen  wil,  die  geen  wil  heet,  maar  begeerte;  en 
zuivere  gedachte  is  met  zuiveren  wil  voorzien.  De  Aktiviteit 
is  nevenzijde  der  Idee;  maar  de  existentie  als  zoodanig  is 
noch  redelijk,  noch  onredelijk. 

Zoo  is  dan  het  alogische  niet  als  wil,  doch  slechts  als 
tegengestelde  der  Idee  bepaalbaar.  Hier  is  allereerst  gedacht 
niet  aan  een  persoonlijke  maar  aan  een  kosmische  gesteldheid, 
gelijk  ook  de  Idee  een  kosmische  gesteldheid  is:  de  Geest 
of  wereldrede.  Men  zou  het  alogische  de  wereld-onrede  kunnen 


1)  Immers  hier  wordt  voor  de  onrust  van  het  streven  het  streven  zelf  aan- 
sprakelijk gesteld  en  niet  de  troebele  bewustheid,  van  welke  dit  streven  zijn 
karakter  heeft. 


230  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

noemen;  of,  aangezien  de  Idee  het  kosmisch  Subjekt  is,  kan 
het  als  tegendeel  hiervan,  d.  i.  als  onbepaalde  Objektiviteit 
worden  aangewezen.  De  Idee  heeft  in  hare  zelfverwerkelijking 
de  onbepaalde  Objektiviteit  tegenover  zich,  waaraan  zij  zich 
verwerkelijkt.  Het  alogische  is  als  chaos  benaambaar,  zoodra 
het  in  de  bewustheid  wordt  gereflekteerd.  Het  ligt  niet  in 
den  aard  dezer  studie  om  deze  grondbegrippen  nader  te 
bepleiten;  doch  het  was  noodig  aan  te  wijzen  dat  onder 
het  leven  een  makro-kosmische  tegenstelling  ligt. 

Maar  de  tegenstelling  is  ook  mikro-kosmisch,  individueel 
persoonlijk,  gelijk  de  heroïsche  geestes-staat  zich  mikro- 
kosmisch  als  zielestaat  van  individueel-persoonlijke  menschen 
voordoet.  Elke  mensch  is  in-zich  Idee,  Princiep,  Levens-rede, 
Geest,  het  Logische:  een  mikro-kosmische  herhaling  van 
den  Makro-kosmos.  Maar  tevens  heeft  elke  mensch  deel  aan 
de  onbepaalde  Objektiviteit:  den  chaos.  Wij  worden  inden 
chaos  geboren;  ons  geestelijk  bestaan  is  aanvankelijk  een 
agglomeraat  van  bestanddeelen ,  die  niet  eenmaal  ons  eigen- 
dom kunnen  genoemd  worden,  maar  met  recht  als  overerfsels 
mogen  gelden;  hoewel  reeds  aanstonds  de  werking  der 
Idee  intreedt  is  toch  aanvankelijk  ons  inwendig  bestaan  ^een 
chaotische  verwarring,  door  onpersoonlijkheid  (geen  eigen- 
heid van  karakter)  en  door  onredelijkheid  (gemis  van  onderling 
eenheids-verband  der  karakter-bestanddeelen)  uitmuntend. 
Het  kleine  kind  is  even  chaotisch  als  de  misdadiger  en  de 
idioot;  deze  beide  zijn  kind  doch  gegroeid  in  geestes- 
omvang;  wat  bij  het  kindje  lieftallig  is,  dat  zelfde  is  bij 
den  misdadiger  verschrikkelijk;  wat  het  kind  heeft  in  kleine 
mate  is  bij  vergrooting  een  gevaar:  het  spontane,  onsamen- 
hangende, plotselinge:  het  kindje  huilt  en  lacht  opeens  en 
maakt  telkens  een  sprong  of  onverwachte  wending  van  ge- 
dachte en  wensch.  Het  is  in  dit  opzicht  het  toonbeeld  van 
den  levensaanvang  in  den  chaos. 


VAN    HOOGERE   LEVENSLEER.  231 

Kan  nu  de  chaos  nooit  geheel  overwonnen  (want  dan 
zou  de  werking  der  Idee  ten  einde  zijn),  l<an  hij  nooit  geheel 
„aangewend",  zoo  is  hij  de  blijvende  aanleiding  dat  de  Idee 
als  een  onverpoosde  scheppingsdaad,  zich  manifesteere. 

De  trapsgewijze  overwinning  der  Idee  op  den  Chaos  — 
ziedaar  wat  het  (geestes)leven  is  in  zijn  voortbeweging. 
In  de  heroïsche  geestesgesteldheid  is  deze  overwinning 
(betrekkelijk)  voltooid.  Men  denke  bij  den  term  „heroïsch" 
dus  niet  aan  sommige  figuren  der  historie,  die  wij  heroën 
noemen,  doch  veeleer  aan  een  bepaalde  hoogte  van  het 
mensch-zijn  in  't  algemeen,  gelijk  het  in  zulke  figuren  open- 
baar is.  Het  leven  beweegt  zich  in  de  richting  van  het 
heroïsche.  Ieder  mensch  is  naar  zijn  aanleg  tot  het  heroïsche 
bestemd. 


IL 

Hiërarchie    der   geestes-staten ,    als  een 
trapsgewijze,  „overwinning"  van  de  Idee  op 
,  den  Chaos.  Idealiseering  van  den  Chaos. 

In    den   hoogsten   staat  heeft  het  leven 
zijne  volheid. 

Het    heroïsche    alzoo   is   een   geesieshoogte ;  immers   het 
is   de   hoogste   gesteldheid   van  geestelijk  leven  in  bepaald 
opzicht  genomen.  Het  geestelijk  leven  doorloopt  een  ontwik- 
kelingsgang van  drie  fasen  of  staten.  Deze  drie  zijn : 
de  zinnelijke , 
de  verstandelijke, 
de  redelijke. 
Wij   zijn  eerst  zinnelijke   of  naïeve  mensch ;  worden  ver- 
volgens   verstandelijke    of   bedachtzame    mensch ,    om    ten 
laatste  te  stijgen  tot  redelijken  mensch  of  tot  den  staat  der 
wijsheid.  Het  heroïsche  ligt  in  dezen  hoogtestand. 

Spinoza   heeft  in  zijn  leer  der  kennis  deze  drieheid  aan- 


232  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

gewezen;  en  daar  volgens  hem  kennen  en  denken  (cogitatio) 
de  ware  natuur  des  geestes  zijn ,  kan  hij  als  de  groote  ver- 
kondiger dezer  drieheid  van  levensstaten  in  de  nieuwe  wijs- 
begeerte gelden.  De  zinnelijkheid  noemt  hij  imaginatie,  de 
verstandelijkheid  ratio ,  de  redelijkheid  scientia  intuitiva.  ^) 
Zinnelijkheid,  verstandelijkheid,  redelijkheid  zijn  nu  eens- 
deels fundamenteele  handelingen  van  den  kennenden  geest'''), 
die  waarneemt,  het  waargenomene  ordent  en  de  ervaarbare 
wereld  in  haar  éénheid  doorziet.  Maar  behalve  zulke  hande- 
lingen te  zijn,  zijn  ze  geestesstaten ,  of  fasen  van  geestes- 
leven ,  waar  éen  dezer  drie  handelingen  den  toon  aangeeft, 
zoo  is  de  zinnelijkheid  een  levensstaat  welks  hoogte  gelijk 
komt  met  de  zinnelijke  handeling  enz. 

In  deze  hiërarchie  der  geestesbeweging  is  de  zinnelijkheid 
de  laagtestand.  De  zinnelijke  is  de  naieve  mensch,  die  zich  aan 
de  bizonderheden  vergaapt,  zonder  ze  te  overstijgen  tot  de 
algemeenheid ;  hij  wordt  door  het  geval  geboeid ,  niet  door 
de  beteekenis  van  het  geval.  Dat  het  schip  is  vergaan,  en 
de  luchtballon  is  gerezen  en  het  weer  zoel  was  en  de  burge- 
meester is  afgetreden  vervult  zijn  aandacht;  maar  niet  de 
algemeenheid  of  regel  of  beginsel ,  of  de  noodzaak  die  zich 
in  de  gevallen  uitspreekt.  Het  bewustzijn  in  deze  fase,  weet 
zich  aan  geen  orde  gebonden  en  door  geen  beginsel  geleid ; 
gaat  op  de  toevalligheid  der  waarneming  af,  en  op  hare 
bizonderheden.  Naarmate  de  kaleidoskoop  der  indrukken  deze 
of  die  kleur  of  gedaante  ons  voorhoudt  is  de  geest  vervuld. 
Terecht  spreekt  Spinoza  hier  van  imaginatie,  omdat  de  geest 
alsnog  in  dwalende  onbepaaldheid  leeft,  en  als  te  loorgaat 
in  de  samenhanglooze  menigvuldigheid. 


1)  Ethica  II,  Pr.  40  Schol  2. 

2)  Zie  mijn  „Tot  een  fundamenteele  Logika  XX  Eeuw,  April  1906  bl,  58. 


VAN    HOOGERE    LEVENSLEER.  233 

Deze  zinnelijke  naïeve  mensch  met  zijn  regelloos  innerlijk 
nu  is  aan  den  cliaos  nauwverwant.  Wel  is  er  geen  geestes- 
staat,  waarin  niet  tevens  cle  Idee  werkzaam  ware;  maar  bij 
zoo  geringe  werkzaamheid  heeft  de  wanorde  vrij  spel  en 
verkeeren  wij  in  des  levens  laagte-stand. 

De  tweede  fase  is  de  verstandelijk/leid.  Ook  met  dezen  term 
is  niet  een  bepaalde  intellektshandeling  bedoeld ,  maar  een 
algemeene  geestesstaat ,  door  deze  gekenmerkt.  De  verstande- 
lijkheid is  niet  slechts  een  verstandsgebruik,  maar  ook  een 
gevoelsaard  en  een  manier  van  willen.  Een  verstandelijk 
mensch  gevoelt  verstandelijk.  Het  is  duidelijk  dat  hij  in  zijn 
meeningen,  geneigdheden,  voorkeur,  afkeer,  raadgevingen, 
inspanningen ,  wenschen  en  overwegingen  op  een  bepaalde 
geesteshoogte  staat  en  aan  een  bepaalde  geestes-type  be- 
antwoordt, evenals  de  zinnelijke  mensch.  Ook  is  de  verstan- 
delijkheid geen  karaktergesteldheid ,  maar  een  geesteshoogte. 

Zij  is  de  geesteshoogte  waarop  de  mensch  niet  meer  als 
naïeve,  maar  als  bedachtzame  mensch  verschijnt.  De  ver- 
standelijkheid nu  is  de  geregeldheid  van  het  zinnelijke.  De 
menigvuldigheid  der  zinlijke  indrukken  wordt  in  de  ver- 
standelijkheid op  regel  gezet.  Dit  is  een  hoogere  kuituur, 
gelijk  de  wetskultuur  der  oude^  moraliteit  een  hooger  stand- 
punt vertegenwoordigt  dan  de  vrije  hartstocht  van  den 
(denkbeeldigen)  natuurstaat.  In  Isrsaël  gold  de  regel  „oog 
om  oog  en  tand  om  tand"  als  een  regeling  van  de  oudere 
wraakname,  waarbij  aan  het  wraakgevoel  een  onbeperkte 
volmacht  was  verstrekt  (lied  van  Lamech,  Genesis  IV,  23). 

De  „regel"  is  een  onderschikking  der  zinnelijkheid  aan  het 
verstand.  In  het  algemeen  was  de  oudere  maatschappelijke 
kuituur  een  overwinning  van  het  verstand  op  de  zinnelijk- 
heid, d.  i.  een  bestrijding  der  zinnelijke  willekeur  (chaos) 
met  het  zwaard  van  den  regel. 


234  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

De  regel  is  de  algemeenheid,  en  haar  wezen  is  de  ont- 
kenning van  het  bizóndere  aan  het  bizondere.  De  abstrakte 
algemeenheid  legt  zich  aan  de  bizondere  gevallen  des  levens 
op  om  de  bizonderheid  daaruit  weg  te  leiden,  en  ze  aan 
zich  te  onderschikken.  Elke  wet  is  zoo'n  veralgemeening. 
Het  ,,Eert  uw  vader  en  uw  moeder"  gaat  niet  te  rade  met 
duizend  bizondere  gevallen,  waarin  dit  voorschrift  onuit- 
voerbaar is ;  maar  het  ontkent  aan  deze  gevallen  de  „bizonder- 
heid" en  regelt  ze  onder  het  algemeene  voorschrift. 

De  regel  is  dus  een  ontkenning  der  bizonderheid  (terwijl 
hij  voor  niet  anders  dan  voor  de  bizonderheid  geldt:  wat 
is  een  regel  die  niet  gegeven  is  voor  gevallen?).  Zoo  is  er 
een  konflikt  tusschen  verstand  en  zinnen,  en  is  de  ver- 
standelijke mensch  zich  van  een  „bekeering"  uit  zijn  zinne- 
lijkheid bewust.  De  wettelijkheid  kruisigt  de  zinnelijkheid, 
zooals  de  kloosterregel  de  spontaneiteit  van  het  mensche- 
lijke  vermoordt.  Het  einde  van  dien  is  de  Farizeeër,  neen 
de  automaat. 

Dat  nogtans  de  verstandelijkheid  een  hoogere  fase  des 
geestes  is  dan  de  zinnelijkheid,  blijke  hieruit,  dat  in  deze 
fase  het  leven  onder  het  aspekt  der  orde  verschijnt,  terwijl 
in  de  zinnelijkheid  het  leven  in  de  ordeloosheid  staat. 

De  derde  fase  of  hoogste  geestes-staat  dan  is  de  rede- 
lijkheid. 

De  redelijke  mensch  heeft  niet  den  regel,  maar  het /^/eaa/; 
waaronder  men  niet  versta:  toekomstbeeld,  maar:  centrale 
idee.  Slechts  waar  het  ideaal  als  toekomstbeeld  wordt  voor- 
gedragen is  het  hek  van  den  dam  voor  alle  holle  ontboeze- 
ming. De  zinnelijke  mensch  leeft  uit  de  chaotische  menig- 
vuldigheid, de  verstandelijke  uit  de  geregelde  menigvuldigheid, 
maar  de  redelijke  mensch  leeft  uit  het  ideaal.  Een  kleine 
toevoeging    is    hier    noodig:    het    moge    zijn    dat  ook  den 


VAN    HOOGERE   LEVENSLEER.  235 

wetgever,  dezen  steller  van  den  regel,  een  ideaal  voor- 
zweeft,  zoodat  de  regel  tot  eene  paedagogie  ten  ideaal 
wordt  —  de  wettelijk  levende  heeft  toch  in  dien  „regel" 
niets  dan  een  methode  ter  ordening  zijner  zinnelijke  spon- 
taneïteit.  Het  verstand  als  wetenschap  is  ordenaar  der 
feitenwereld  volgens  een  plan  der  algemeenheid;  zoo  doet 
ook  de  wetgever  niet  anders  dan  een  regel  van  orde  invoeren 
in  de  feiten  van  het  stamlevcn  (koop  en  verkoop,  bezit  en 
erfenis,  huwelijk  en  gezinsverhouding,  arbeid  en  vereeniging, 
verdediging  en  rechtspraak).  Hij  gaat  van  de  feiten  uit  en 
dwingt  ze  geen  ideaal  op. 

De  redelijkheid  echter  heeft  een  centrale  idee  als  uitgangs- 
punt van  denken.  Zoo  beschouwt  de  profeet  de  wereld  uit 
de  idee  van  het  Godsrijk;  de  Grieksche  tragicus  ziet  het 
leven  onder  de  gedachte  van  evenwicht  door  Noodlot;  de 
Calvinist  ziet  de  historie  als  volgend  uit  een  centrale  tegen- 
stelling van  zondenval  en  verlossing;  de  kunstenaar  waar- 
deert de  natuur  aan  een  norm  van  verdiepte  zinnelijkheid; 
de  zedelijke  hervormer  beoordeelt  den  bestaanden  staat  van 
zaken  en  verbeeldt  zich  den  nieuwen  naar  de  idee  der  vrije 
persoonlijkheid.  Ziehier  centrale  ideeën  waarmee  het  redelijk 
bewustzijn  werkt  —  al  mag  ook  deze  centrale  idee  hier  of 
daar  wat  al  te  veel  van  het  zinnelijk  beeld  bevatten:  toch 
zijn  deze  profeet  en  tragicus  en  Calvinist  en  kunstenaar  en 
hervormer  in  verschillende  maten  vertegenwoordigers  van 
den  redelijken  geestesstaat. 

Gelijk  nu  de  verstandelijkheid  den  chaos  ordent  door  den 
„regel",  zoo  idealiseert  de  redelijkheid  den  chaos  door  de 
centrale  idee.  Ordenen  is  een  voorloopige  taak,  idealiseeren 
is  een  afsluitende:  idealiseeren  is  de  verschijning  invoegen 
in  de  idee  de^  Geheels  door  middel  der  centrale  idee. 
Dit    idealiseeren    is    de    hoogste    trap    van    „overwinning", 


236  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

de    hoogste    aanwending    van    den    chaos   door   de    Idee. 

Want  de  chaos  is  het  decentrale.  Fragmcntaer,  verbrokl<eld 
en  verstrooid  is  wat  geen  centrum  heeft,  zooals  een  uit  elkaar 
gesneden  rozenstruik  welker  bloemblaadjes  en  plantbladeren 
verstrooid  liggen,  chaotisch  is  geworden  door  decentralisatie. 
Het  chaotfsche  ligt  op  alle  winden  verspreid.  Het  leven  is 
steeds  ontwoekering  aan  den  chaos  door  centralisatie,  gelijk 
reeds  de  moncre  bewijst;  en  naarmate  het  centraliseerend 
princiep  al  ruimer  om  zich  heen  grijpt,  naar  die  mate  stijgt 
de  ontwikkeling  des  levens.  Waar  de  centralisatie  voltooid 
is,  is  het  leven  voltooid,  in  het  verband  des  geheels  ge- 
voegd, en  is  de  overwinning  op  den  chaos  behaald.  Dit 
is  nu  verkregen  in  de  redelijkheid,  daar  de  redelijke  mensch 
het  Ideaal,  de  centrale  idee,-  aanlegt  aan  de  verschijning; 
zoodat  in  zijn  leven  zelf  de  verschijning  van  daaruit  wordt 
beheerscht. 

Dat  wij  waarlijk  door  de  centrale  idee  den  chaos  ideali- 
seeren  (in  verband  des  Geheels  denken)  bewijst  bijv.  de 
Calvinist  zoo  hij  met  zijn  dogmatiek  leven,  natuur  en  historie 
als  een  grootsch  geheel  aanziet.  De  wijsgeer  brengt  door 
zijn  centrale  idee  de  menigvuldigheid  der  verschijning  in 
het  begrip  des  geheels  over,  gelijk  bijv.  Spinoza  in  zijn 
Substantie-begrip  een  centraal  punt  heeft  vanwaar  hij  alle 
verschijning  wil  omvatten.  Uit  de  kracht  van  centraliteit 
wordt  het  fragmentaere  in  ons  bewustzijn  overwonnen,  en 
brengen  wij  gedachten  voort,  die  evenzeer  breed  zijn  als 
diep,  in  welke  twee  geestelijke  afmetingen  het  eeuwige 
wereldverband  wordt  gepeild.  Idealiseering  door  centralisatie. 

De  redelijkheid  nu,  hoogste  levensstaat  zijnde,  is  niet 
een  eenzijdigheid,  maar  een  volheid,  het  leven  is  daarin 
tot  volheid  gekomen,  want  de  redelijke  mensch  is  een  ge- 
heele    mensch.    Hij   is   niet    homunculus,  het  kunstprodukt 


VAN    HOOGERE   LEVENSLEER.  237 

waarbij  een  of  andere  kultiiur  boven  de  kracht  gegroeid  is, 
docii  hij  is  homo ,  de  volgroeiing  des  levens  zelf.  De  boom 
in  zijn  vruchtdraging  is  een  geheel ,  daar  hij  om  zoover  te 
komen  den  geheelen  levensweg  heeft  afgelegd ,  terwijl  de 
jonge  loot,  pas  aan  den  grond  ontschoten,  nog  slechts  in 
gedeeltelijkheid  het  boomleven  heeft  doorgemaakt.  Zoo  ook 
heeft  de  mensch  in  hoogsten  levensstaat  de  lagere  staten 
doorleefd,  en  sluit  de  redelijkheid  deze  lagere  staten  niet 
uit,  maar  sluit  ze  in:  zinnelijkheid  en  verstandelijkheid  zijn 
daarin  niet  gedood ,  maar  tot  hooger  plan  gevoerd. 

De  zinnenmensch  is  een  eenzijdige,  en  ook  de  verstande- 
lijkheid is  eenzijdigheid.  Hij ,  de  mensch  van  den  regel 
vermag  met  den  regel  de  zinnelijkheid ,  van  waar  hij  uitgaat, 
te  ontkennen  en  te  kruisigen;  hij  gebruikt  den  regel  en 
verbleekt  het  zinlijk  wereldbeeld  tot  schim,  zooals  in 
het  verstandelijk  mechanisch  wereldbeeld  de  volle  wereld- 
verschijning tot  op  één  opzicht  na  (het  mechanisme)  is 
ontkleurd.  De  mensch  der  redelijkheid  echter  wendt  de 
zinnelijkheid  aan  symbolisch,  zooals  de  kunstenaar  de  na- 
tuur aanwendt  tot  symbool  der  Idee.  De  redelijkheid  ontkent 
dus  niet  de  zinnelijkheid  of  waarnemingswereld,  maar 
aanvaardt  haar  in  een  hoogere  aanwending;  dit  is  haar 
volledigheid. 

Ook  de  verstandelijkheid  wordt  in  den  redelijken  geestes- 
staat  voortgezet.  Want  verstandelijkheid  is  de  bevrijding  uit 
de  chaotische  menigvuldigheid  der  zinnelijke  indrukken;  en 
in  voortzetting  van  den  verstandsarbeid  wordt  door  den 
redelijken  mensch  vrijelijk  en  vrijmachtig  over  de  zinnelijk- 
heid beschikt.  Wanneer  Dante  een  kosmisch  wereldbeeld 
ontwerpt  uit  de  voorstellingen  en  tafereelen  welke  onze 
zinnelijkheid  zich  kan  voorstellen ,  dan  is  hij  een  vrijmachtig 
heerscher  die  het  zinnelijke  in  dienst  der  redelijkheid  aan- 
wendt. 


238  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

Zoo  is  dus  de  redelijke  geestesstaat  niet  maar  een  nieuwe 
facette  van  het  prisma,  gelijk  ook  de  vorige  staten  waren; 
niet  maar  een  nieuwe  fase  in  vervolg  op  andere,  maar  een 
voltooiing,   waarin  het  vorige    is  opgenomen  en  verhoogd. 

Zoo  is  dan  de  redelijke  mensch ,  het  geheel ,  de  norm 
der  waarh'eid ,  fiéiQov  ndvzojv.  De  anomie  (wetloosheid)  der 
zinnelijkheid  en  heteronomie  (ondergeschiktheid  aan  den 
regel)  van  den  verstandelijken  staat,  zijn  in  zijne  autonomie 
(zichzelf  tot  norm  zijn)  overwonnen.  Hij  zelf  die  de  cen- 
trale idee  draagt,  is  centrale  mensch,  en  als  zoodanig  bij 
het  wereldcentrum  aangesloten;  uit  eigen  centrum  levend, 
leeft  hij  aan  het  Hart  der  wereld  en  wordt  uit  de  eeuwig- 
vloeiende bron  gevoed.  Hij  is  zich  van  de  eenheid  met  het 
Geheel  bewust.  Men  kan  voor  deze  levenshoogte  de  formule 

aanwenden :    èv    aviiö    xaTOixel    nav  xö  TvA^rJQcofia  rr/g  d-eórrjTog 

GcofActnxcZs ').  Hier  is  in  waarheid  het  chaotische  door  de  Idee 
aangewend  en  het  leven  voltooid. 


III. 

Het  geestes-leven  is  zoowel  kracht  als 
denking.  Drie  hoogte-staten  van  het  geestes- 
leven als  kracht.  Het  heroïsche  is  de  rede- 
lijkheid  als   kracht:   de  redelijke  houding. 

Na  deze  voorbeschouwingen  is  het  mogelijk  den  aard 
van  het  heroïsche  te  bepalen.  Het  geestesleven  is  denken, 
doch  niet  een  som  van  voorstellingen,  denkbeelden  en  be- 
grippen, doch  denk-aktie,  zich  bewijzend  in  voorstellin- 
gen enz.  Het  geestesleven  is  evenzeer  aktie  als  denken, 
evenzeer  wil  als  gedachte.  Hier  valt  alleen  te  herinneren 
dat   de  wil  geen  zelfstandige  geestelijke  faktor  is,  die  zich 


1)  Koloss.  11,  9:  daarin  verblijft  de  volheid  van  het  goddelijke  gestaltelijk. 


VAN     HOOGERE    LEVENSLEER.  239 

tegen  het  denken  kan  keeren ,  maar  de  aktiviteit  onzer 
denknatuur  zelf  en' niets  anders:  de  prioriteit  komt  toe  en 
blijft  toekomen  aan  de  denkhandeling  in  haar  drie  fasen 
van  zinnelijkheid,  verstandelijkheid,  redelijkheid.  Het  gees- 
tesleven is  in  eerste  instantie,  cogitatie;  als  een  in  ver- 
schijning gaan  der  Idee. 

Maar  het  denken  aktiviteit  aan  zich  hebbende ,  is  tevens 
werkzaamheid,  krachtdadigheid,  spannning.  Het  denken  en  de 
aktieve  kracht  zijn  twee  zijden  van  een  zelfden  aanleg.  De  Idee 
zelve  die  de  grond  is,  is  tegelijk  Daad;  en  het  denken 
in  zijn  verschillende  hoogten  is  ook  niet  de  levering  eener 
legkaart  of  mozaïekvloer  van  denkbeelden;  maar  is  kracht 
voortbewegend  in  een  richting.  Zoo  dringt  de  geest  van  de 
zinnelijkheid  tot  de  redelijkheid;  en  de  drie  geestesstaten 
zijn  met  drang  geladen. 

De  heroische  werken  zijn  explosies  dezer  opperste  ge- 
ladenheid, terwijl  er  ook  werken  zijn  op  de  hoogte  der 
zinnelijkheid  en  der  verstandelijkheid.  Doch  let  wel :  het 
wezen  van  den  drang  is  niet  de  ontlading  in  werken  ^) 
maar  de  aktiviteit  aan  het  denken,  als  in  ontladingen  naar  den 
hoogsten  geestesstaat,  de  redelijkheid,  voortdringend.  De  Idee 
verwerkelijkt  zich  aan  den  chaos:  deze  aktiviteitsbetooning 
doortrilt  het  geheele  denkleven  en  op  reinste  wijze  de  redelijk- 
heid, omdat  hier  de  Idee  tot  zichzelve  keert.  Zij  verschijnt 
als  zelfdoel  en  wordt  zich  van  haar  zelf  bewust,  nu  het 
bewustzijn  des  menschen  niet  meer  aan  de  periferie  der 
waarneembare  verschijningswereld  blijft,  maar  diep-in  in 
het  centrum  plaats  neemt,  centraal-bewust. 

Deze  spankracht  der  denking  noemen  wij :  aktieve  houding 
van  het  geestesleven  op  zijn  verschillende  hoogten.  Wij  nemen 
altijd  zekere  houding  aan,  hetzij  als  zinnelijke,  hetzij  als  ver- 


1)  verg.  Mijn  „Wijsgeerige  Studiën"  's  Gravenliage  190  :  „De  zin  der  men- 
sclielijlce  alctie"  b\.  115  vvg. 


240  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

standelijke,  hetzij  als  redelijke  geesten;  tot  deze  hoogte 
zijn  wij  voortgegroeid ,  al  is  geen  mensch  zuivere  type  van 
één  geestesstaat.  Maar  tot  een  dezer  typen  zijn  wij  bezig 
ons  te  vormen;  tot  één  dezer  „houdingen"  scheppen  wij 
ons:  want  de  denknatuur  heeft  aktieve,  vormende  kracht. 
Zooals  nu  zinnen,  verstand,  rede,  drie  hoogten  van  denk- 
leven  zijn  —  zoo  beantwoorden  hieraan  drie  staten  van 
geesteskracht;  drieërlei  levensstijl: 

brutaliteit, 

genialiteit, 

heroiteit. 

Brutaliteit  is  de  zinnelijkheid  als  kracht.  De  zinnelijke 
mensch  in  zijn,  door  geen  verstand  geregeld  en  bedwongen 
optreden,  is  de  bruut,  uit  geen  overweging  dan  volgens 
den  spontanen  inval  zijner  begeerte  handelend;  en  die,  zoo 
hij  overweegt,  slechts  op  het  middel  zint  om  zijn  begeerte 
te  doen.  Ziehier  de  naieveteit  van  het  dier  dat  liefkoost  en 
verslindt.  Voor  de  brutaliteit  bestaat  ten  eerste  geen  regel , 
ten  tweede  geen  ideaal;  zij  vertreedt  evenzeer  het  recht  als 
den  godsdienst  en  schendt  tempel  en  paleis.  Zij  kan  in 
overmoed  een  gat  snijden  door  de  aangezichten  van  Rem- 
brandts  Joodsche  bruidje  of  door  het  glimlachend  hoofd  van 
de  Joconda.  Geen  teederheid  verhindert  haar  den  bruten 
hartstocht  bot  te  vieren.  Zij  is  de  aarts-rovolutionaer  zonder 
princiep,  maar  uit  gewelddadigheid.  De  Fransche  revolutie 
heeft  deze  mensch-type  in  het  licht  der  historie  gebracht, 
zoodat  zij  uit  voldoende  dokumenten  kan  bestudeerd  worden 
—  hoewel  het  banausische  ons  overal  en  in  alle  tijden  ont- 
moet. De  brutale  is  de  schrik  der  histoire.  Naar  zijn  geestesaard 
èn  naar  de  uitkomst  zijner  werken  is  hij  de  verschrikkelijke 
zoon  van  den  chaos.  De  restanten  dezer  „brutaliteit"  zijn 
echter  door  heel  het  geestelijk  leven  waarneembaar. 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  241 

De  verstandelijkheid  als  kracht  is  de  genialiteit. 

Er  is  genialiteit  ook  bij  hen  die  niet  geniën  zijn;  want 
genie  noemen  wij  dengeen,  die  in  genialiteit  de  maat  van 
het  gewone  overtreft;  doch  hij  verschilt  slechts  numeriek 
niet  specifiek  van  anderen  op  deze  hoogte  der  kracht.  Zoo 
was  ook  de  bruut  een  uiterste  in  brutaliteit.  Het  geniale  be- 
schouwen wij  aanstonds  in  tegenstellende  uiteenzetting  met 
het  heroische. 

Heroiteit  is  de  redelijkheid  als  kracht.  Heroiteit  is  de 
redelijke  houding;  de  spankracht  en  geladenheid,  de  op- 
treding en  de  aktieve  figuur  van  den  redelijken  mensch. 
Zoo  zeer  als  rede-lijkheid  meerder  is  dan  verstandelijkhfeid, 
zoozeer  staat  heroiteit  boven  genialiteit,  zoodat  wij  in  tegen- 
spraak met  de  gewone  meening  niet  den  genialen  doch  den 
heroischen  mensch  voor  de  hoogste  openbaring  van  het  men- 
schelijk  geestesleven  houden.  Wilt  gij  „den  mensch"  zien, 
aanschouw  den  heroischen. 

De  „heros"  is  evenzeer  de  uiterste  in  de  lijn  der  heroiteit, 
als  het  „genie"  de  uiterste  is  in  de  lijn  der  genialiteit.  Zoo 
wij  deze  uitersten  in  ons  onderzoek  betrekken  is  het  toch 
niet  om  hen  te  doen ,  maar  om  deze  geestelijke  gesteldheden 
in  het  algemeen.  Het  heroische  is  een  menschelijke  geestes- 
gesteldheid, waartoe  elk  leven  den  aanleg  in  zich  heeft. 


IV. 


Het  heroische  als  zedelijke  houding  idea- 
liseert het  Lot.  Het  Lot  ais  chaos. 

Onderscheid  tusschen  heroiteit  en  genia- 
liteit: de  genialiteit  bestrijdt  den  chaos  met 
den  „regel" ;  de  heroiteit  overwint  den  chaos 
met  het  „ideaal". 


Hebben   wij   nu  het  begrip  van  het  heroische  vastgesteld 
zoo    kunnen  wij  dit  verder  toelichten  uit  beschouwing  van 

16 


242  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

de  heroische  werkzaamheid:  een  kracht  heeft  werkzaamheid 
'en  wordt  aan  haar  werkzaamheid  gekend.  De  werkzaamheid 
hier  bedoeld  is:  de  heroische  idealiseering.  Ziehier  dus  den 
aard  der  heroiteit  nader  bepaald;  zij  is  een  idealiseerende 
houding  des  geestes. 

Om  de  heroische  werken  van  gewone  te  onderscheiden 
ligt  hier  de  maatstaf.  Doch  niet  in  de  werken  welke  de 
geest  voortbrengt,  voornamelijk,  maar  in  zijn  „houding" 
zelve  ligt  de  idealiseering.  Wij  kunnen  hier  het  Parthenon, 
het  Johannesevangelie,  de  Faust-tragedie  niet  anders  dan 
als  teekenen  eener  werkzaamheid  benutten:  om  de  houding 
zelve  is  het  ons  te  doen. 

De  heroische  idealiseering,  idealiseert  het  Lot. 

Het  lot  is  de  chaos  gedacht  in  tijds-vorm.  Immers  wat  men 
onder  het  Lot  verstaat  is  niet  een  ordelijke  macht;  is  deze  be- 
doeld, dan  spreken  wij  van  wereldrede,  of  van  de  Idee  als 
drijfkracht  der  historie;  maar  het  Lot  kenmerkt  zich  door 
onberekenbaarheid  en  onredelijkheid.  Het  is  niet  tegen  het 
Lot,  maar  wel  tegen  de  rede  dat  aan  het  meesterwerk 
van  Lionardo's  schilderkunst  kort  na  zijn  voleindiging  de 
verwoesting  zichtbaar  wordt,  nóch  dat  zijn  glansrijkst  brons- 
werk  voor  zijn  eigen  oogen  wordt  vernield;  of  wanneer  door 
een  uitbarsting  van  den  vulkaan  het  rijke  leven  op  zijn 
hellingen  in  één  halven  dag  jammerlijk  vergaat,  mag  het 
Lot  hier  zijn  loop  hebben ,  doch  niet  op  aandrang  der  Idee. 
Wij  zien  in  deze  wanordelijkheden  de  permanente  en  on- 
vernietigbare aanwezigheid  van  het  chaotische,  en  begrijpen 
dat  in  natuur,  historie  en  leven  deze  faktor  zich  voldoende 
aanmeldt  om  als  existeerend  te  worden  erkend.  Reeds  Plato 
heeft  aan  de  Negativiteit  existentie  toegekend  ^),  en  zie  hier 

1)  In  de  Sofistes  258  B,  waar  de  noodzakelijkheid  wordt  bepleit  om  naast 
het  zijnde  een  daarvan  verschillende  grootheid  (het  niet-zijnde)  aan  te  nemen 
en  daaraan  bestaansrecht  toe  te  kennen. 


VAN  HOOGERE   LEVENSLEER.  243 

een  trek  in  de  Grieksche  filosofie ,  zonder  welke  men  den 
Griekschen  denkaard  niet  doorgrondt;  het  is  niet  te  veel 
gezegd,  dat  het  Grieksche  pessimisme,  zoo  kenmerkelijk 
voor  het  Helleensch  bewustzijn,  hetzelfde  is  wat  in  de 
Grieksche  filosofie  als  leer  van  de  Negativiteit  aan  het 
licht  treedt. 

Er  is  dus  in  heel  het  wereldbestaan  een  chaotisch  element. 
In  het  opzicht  van  den  levensloop  heet  dit  chaotische:  het 
Lot;  en  ieder  mensch  heeft  zijn  verhouding  daartegenover 
te  bepalen.  Het  Lot  is  de  Toevalligheid,  welke  zoowel  ten 
onzen  gunste  als  ten  ongunste  strekt,  doch  hoofdzakelijk  ten 
ongunste ;  zooals  een  speler  aan  de  roulette-tatel  wel  menig- 
maal zijn  voordeel  behaalt,  maar  bij  voortzetting  toch 
verliezen  moet.  De  gunsten  van  het  Lot  hebben  trouwens, 
als  toevalligheden,  geen  konsekwentie.  De  verhouding  nu 
welke  wij  tusschen  ons  en  het  lot  bepalen ,  de  wijze  waarop 
wij  het  lot  ontmoeten:  ziedaar  onze  levenshouding.  Wij 
staan  tegenover  den  Chaos  en  zijn  op  drie  wijzen  (laagste, 
middelbare  en  hoogste)  getuigen  der  Idee  in  onze  levens- 
voering, betuigende  onze  kracht.  De  werkzaamheid  van 
het  heroïsche  is:  idealiseering  van  het  Lot.  Wat  hieronder 
te  verstaan  is,  kan  eerst,  na  een  uiteenzetting  over  de 
werkzaamheid  van  het  geniale ,  worden  uitgelegd.  Hier  juist 
blijkt  klaarlijk  welk  verschil  tusschen  heroiteit  en  genialiteit 
bestaat. 

De  werkzaamheid  van  het  genie  is  niet  idealiseerend, 
doch  regelend.  Men  vergist  zich  licht  door  als  genie  een 
figuur  te  nemen,  die  evenzeer  door  heroiteit  uitmunt,  bijv. 
een  groot  musikus  of  schilder.  Rembrandt  is  een  geniale 
mensch ,  doch  veel  meer  nog  een  heroïsche ;  en  wat  wij  het 
meest  in  hem  vereeren  is  juist  de  heroiteit. 

Kant  geeft  van   het  genie   een   definitie  die   ons  hier  te 


244  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

stade  komt,  zoo  wij  zijn  begrip  verbreeden;  zij  luidt:  Genie 
ist  das  Talent  (Naturgabe)  welches  der  Kunst  die  Regel 
giebt  ^).  De  „schoone"  kunst  (zoo  gaat  hij  voort)  veronder- 
stelt regel,  want  zonder  dezen  heeft  geen  menschelijk 
geestesvoortbrengsel  ooit  kunst  geheeten.  Maar  deze  regel 
mag  niet  een  begrip  zijn,  volgens  welk  een  voortbrengsel 
wordt  in  één  gezet,  doch  moet  onoverdacht,  als  de  natuur 
zelf  werkzaam  zijn.  De  natuur  moet  dus  in  het  subjekt, 
den  kunstenaar  (en  wel  door  zijn  gestemdheid  en  kunst- 
aanleg) aan  de  kunst  den  regel  geven:  de  schoone  kunst 
is  alleen  mogelijk  als  produkt  van  het  genie;  want  genie 
is  het  talent  om  datgene  voort  te  brengen,  waarvoor  geen 
bepaalde  regel  geef  baar  is,  niet:  de  geschiktheid  voor  dat- 
gene, dat  naar  een  regel  kan  worden  aangeleerd.  Genie  is 
originaliteit,  en  zijn  produkten  zijn  voorbeeldig.  Het  genie 
weet  niet  hoe  het  voortbrengt,  maar  handelt  als  de  natuur, 
wanneer  het  aan  de  kunst  regel  geeft. 

Het  eerste  wat  in  deze  beschrijving  van  het  genie-begrip 
treft  is  de  vernauwing,  welke  Kant  daaraan  toebrengt  door 
het  genie  als  een  produktie-vermogen  tot  schoone  kunsten 
op  te  vatten.  Keppler  en  Galilei  zijn  echte  genieën  geweest 
en   de   uitvinding  van   de  draadlooze  telegrafie  is  evenzeer 


1)  Kritik  d.  Urtheilskraft  Erster  Theil  Erster  Abschnitt,  Zweites  Buch 
§  46;  §  47. 

Genie  ist  die  angebohrene  Qemüthsanlage  (ingenium)  durch  welche  die  Natur 
der  Kunst  die  Regel  giebt...  Eine  jede  Kunst  setzt  Regeln  voraus,  durch 
deren  Grundiegung  allererst  ein  Product,  wenn  es  künstlich  heissen  sol!,  als 
möglich  vorgesteilt  wird  ...  die  schone  kunst  (kann)  sich  selbst  nicht  die  Regel 
ausdenken,  nach  der  sie  ihr  Product  zu  Stande  bringen  soll.  Da  nun  gleich- 
wohl  ohne  vorhergehende  Regel  ein  Product  niemals  Kunst  heissen  kann, 
so  mun  die  Natur  im  Subjecte  (und  durch  die  Stimmung  und  Vermogen 
desselben)  der  Kunst  die  Regel  geben. 

Man  sieht  hieraus  dass  Genie  ein  Talent  sei,  dasjenige,  wozu  sich  keine 
bestimmte  Regel  geben  lasst,  hervor  zu  bringen...  dass  es  wie  es  sein 
Product  zu  Stande  bringe,  selbst  nicht  wissenschaftlich  anzeigen  könne, 
sondern  dass  es  als  Natur  die  Regel  gebe. 


VAN    HOOGERE   LEVENSLEER.  245 

aan  het  genie  te  danken.  De  door  Kant  gestelde  afgrenzing 
van  de  sfeer  van  het  geniale  is  dus  onaanvaardbaar.  Wat 
echter  in  de  definitie  overblijft  zijn  deze  twee  bestanddeelen : 
vooreerst  dat  het  genie  regel  geeft;  vervolgens  dat  het 
werkt  als  natuur,  d.  i.  niet  regel  volgend  maar  voortbrengend ; 
origineel.  Het  eerste  beduidt  den  inhoud  der  geniale  werk- 
zaamheid ,  het  tweede  de  werkingswijze. 

Verscheidene  definities  van  het  genie  beoogen  de  werkings- 
wijze als  het  voornaamste  daaraan.  Reeds  Chr.  Wolf  meende 
dat  het  genie  was  een  facilitas  observandi  etc.  en  dacht 
dus  aan  de  praestatie-wijze ,  meer  dan  aan  den  inhoud 
der  praestatie.  De  vergissing  ligt  hierin,  dat  men  de 
sommige  „genieën"  neemt  als  de  vertegenwoordigers  van 
de  genialiteit  en  men  niet  het  algemeene  begrip  van  genie, 
doch  veeleer  het  bizondere  begrip  dier  sommigen  bepaalt. 
In  die  sommigen  treft  zeker  hun  werkings-wijze  het  meest. 
Bilderdijk  is  een  genie  om  zijn  produktief  vermogen ,  niet 
om  zijn  produktie-inhoud;  deze  overvloed  van  arbeid  en 
dit  reageeren  op  alle  indrukken,  deze  overmaat  van  werk- 
kracht is  kenmerk  van  het  genie.  Niet  de  genialiteit  maar 
het  genie  is  aan  waanzin  verwant,  daar  deze  verwantschap 
niet  ligt  in  den  inhoud  der  werkzaamheid,  maar  in  de 
wijze  der  voortbrenging,  zooals  zij  bij  de  sommigen  haar 
overmaat  bereikt.  Het  is  zeer  mogelijk  dat  een  geniaal 
mensch  geen  genie  zij ,  daar  hij  geniaal  „den  regel"  aan  de 
verschijningswereld  aanlegt,  zonder  echter  tot  die  overmaat 
van  produktie  in  staat  te  zijn ,  waardoor  de  genieën  zijn 
gekenmerkt.  Willen  wij  het  begrip  der  heroiteit  bepalen  in 
tegenoverstelling  aan  dat  der  genialiteit,  dan  hebben  wij 
dus  tusschen  genialiteit  en  genie  te  onderscheiden,  en 
bedoelen  niet  de  spontane  werkingswijze,  maar  den  inhoud 
van  den  genialen  aanleg,  gelijk  deze  ook  in  den  aard  zijner 
voortgebrachte  werken  blijkt.  ^ 


246  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

Kants  definitie  dan  is  in  duidelijl<e  overeenstemming  met 
onze  opvatting  van  de  verstandelijkheid  als  tweeden  staat 
van  geestes-leven;  zoodat  de  wijze  waarop  wij  de  genialiteit 
bepaalden,  nl.  „de  verstandelijkheid  als  een  kracht"  van 
deze  zijde  een  sterken  steun  erlangt.  Het  volgt  echter,  zoo 
genialiteit  de  macht  is  om  de  verschijning  onder  regel  te 
stellen,  dat  zij  niet  het  scheppingsbeginsel  is  der  hoogste 
menschelijke  werken  van  wijsheid  en  kunst,  al  mocht  Kant 
zelf  hier  ook  anders  oordeelen.  Immers  deze  hoogste  werken 
zijn  niet  volgens  een  (ongeschreven  en  ondefinieerbaren , 
doch  spontaan  werkenden)  regel;  de  regel  is  in  hen  slechts 
techniek  en  arbeids-methode ;  maar  zij  zijn  uit  een  beginsel. 
De  plant  groeit  niet  uit  een  regel  maar  uit  een  kiem,  d.  i. 
uit  een  centrum,  of  Subjekt,  de  Wereldrede,  en  zoo  groeit 
ook  het  kunstwerk  uit  het  subjekt,  doch  de  regel  is  een 
objektsgesteldheid. 

De  hoogste  werken  komen  voort  uit  heroiteit,  daar  zij, 
en  niet  de  genialiteit  de  hoogste  geesteskracht  is.  Maar 
juist  in  de  hanteering  van  den  regel  blijkt  het  geniale;  en 
welke  zijn  de  werken  van  den  „regel"?  de  technische.  De 
genialiteit  regelt  de  natuur;  zij  wendt  den  regel  des  ver- 
stands  aan  om  de  natuur  te  onderwerpen  ^).  Wat  het  verstand 
ontdekt  heeft  en  voorzien  als  manier  om  de  natuur  aan  het 
begrip  te  onderwerpen ,  wordt  door  de  genialiteit  aangewend 
om  de  natuur  te  onderwerpen  aan  onze  heerschappij.  De 
natuur  is  zonder  het  verstand  (de  algemeenheid,  wet  of 
regel)   een  chaos  en  wij  hebben  de  natuur  voortdurend  als 


1)  Het  is  de  genialiteit  van  Newton  dat  hij  uit  den  val  van  'n  appel  den 
regel  verstaat  der  gravitatie  in  de  natuur;  en  van  Galilei  dat  hij  in  een 
slingerbeweging  een  komische  wet  ontdekt;  en  van  Columbus,  dat  hij  uit  de 
voorstelling  van  een  bol  de  onizeilbaarheid  der  aarde  begrijpt;  en  van  Galvani 
dat  hij  uit  de  trekkingen  van  kikkers  het  galvanisme  afleidde.  De  regel  die 
algemeen  geldt  op  te  maken  uit  het  geval  dat  zich  eens  voordoet,  en  dan  de 
natuur  onder  dien  regel  te  begrijpen,  ziedaar  genialiteit,  macht  des  verstands. 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  247 

chaos  tegenover  ons,  daar  zij  op  elk  tijdstip  een  tegenstand 
is  voor  onze  belangen  (zonder  welken  tegenstand  wij  onze 
belangen  niet  zouden  kunnen  uitvoeren).  Deze  chaos  wordt 
met  het  zwaard  van  den  regel  bestreden,  doch  nooit  over- 
wonnen. Slechts  de  heroiteit  overwint.  De  ongeschiktheid 
der  natuur  voor  de  menschelijke  vliegkunst  wordt  bestreden 
met  de  vliegmachine;  de  ongeschiktheid  onzer  lichamelijke 
natuur  tot  aflegging  van  lange  afstanden  in  korten  tijd 
wordt  bestreden  met  het  rijwiel.  De  uitvinding  van  den 
rondboog,  van  het  kruisgewelf;  de  aquadukten  van  het 
oude  Rome;  het  dijkenstelsel  in  Nederland;  de  toepassingen 
van  stoom  en  elektriciteit  —  dit  alles  is  een  regeling  van 
den  chaos,  door  aanwending  van  de  regelen  des  verstands 
ten  bate  onzer  heerschappij.  Ziehier  de  verstandelijkheid 
als  een  kracht,  de  genialiteit,  in  hare  werken  haar  natuur 
vertoonend.  Genie  is  kunnen;  het  is  de  goddelijke  vonk, 
in  zoover  als  het  menschelijk  vernuft,  in  onderscheiding 
van  het  simpele  dierenverstand,  een  goddelijke  bliksemstraal 
is,  waardoor  de  mensch  middelen  vindt  tot  zijn  meest 
onbereikbaar  geachte  doeleinden.  In  hoogste  instantie  mag 
slechts  het  heroïsche  een  goddelijke  vonk  heeten. 

Er  is  nu  ook  aan  alle  kunst  zooveel  genialiteit  als  er 
techniek  aan  is.  Een  geniaal  pianist  is  niet  de  hooge,  maar 
de  vaardige  kunstenaar;  en  daar  de  hooge  kunstenaar  eerst 
dan  de  aandacht  der  menschen  overmeestert,  wanneer  hij 
ook  een  vaardige  kunstenaar  is,  verschuift  men  licht  (doch 
ten  onrechte)  het  begrip  der  genialiteit  naar  de  hoogte  en 
Jekent  zijn  „hoogte"  zijn  genialiteit  te  zijn.  De  techniek  als 
een  vermogen  om  den  regel  aan  den  chaos  op  te  leggen 
heeft  van  ouds  de  gemoederen  met  ontzag  vervuld  en  deed 
de  werken,  welke  zij  voortbracht,  met  het  epitheton  „god- 
delijk" vereeren.  In  het  oude  Testament  geldt  Nimrod  om 
zijn    groote   jagersvaardigheid   als   een  geducht  jager  „voor 


248  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

het  aangezicht  van  Jahve".  Het  geslacht  der  reuzen  heet  er 
zonen  Gods ,  en  hetgeen  boven  de  maat  van  het  alledaagsche 
vermogen  uitsteekt  wordt  licht  als  werking  der  godheid 
bevroed.  In  Hellas  is  het  niet  anders,  en  zelfs  in  de  Per- 
uaansche  taal  wordt  een  woord  (huacha)  van  gelijke  beteekenis 
aangewend  om  het  ontzag  uit  te  drukken  voor  al  het  boven- 
matige, zelfs  voor  een  zeer  hoogen  berg  en  een  zeer  sterk 
wild  dier.  Dit  alles  beduidt  een  ontzag  voor  de  regelende 
kracht:  den  strijd  te  voeren  tegen  de  natuur,  haar  te  dwingen 
naar  menschen-inzicht,  haar  te  regelen  naar  menschelijk 
belang  —  ziehier  de  genialiteit,  voor  welke  van  ouds  de 
schare  het  verwonderde  hoofd  gebogen  hield. 

Maar  de  heroiteit  regelt  niet,  doch  idealiseert. 

Terwijl  de  genialiteit  den  chaos  bestrijdt  met  den  regel , 
vermag  de  heroiteit  den  chaos  te  overwinnen  met  het  ideaal. 


V. 

De  heroiteit  idealiseert  het  lot.  Het  lot  der  heroiteit. 

Op  een  verzinkend  wrak  een  middel  uit  te  vinden  tot 
redding  der  opvarenden  is  geniaal :  op  een  verzinkend  wrak 
de  laatste  te  blijven  en  bij  het  reddingswerk  de  andere  te 
laten  voorgaan  is  niet  geniaal  doch  heroïsch. 

Een  boek  te  schrijven,  waarin  de  verwarde  vraagstukken 
van  het  maatschappelijk  leven  hun  lijn  van  oplossing  vinden 
is  geniaal:  een  persoon  te  zijn  in  wiens  optreden  de  maat- 
schappelijke konflikten  zich  terust  leggen  is  niet  geniaal 
doch  heroisch. 

Een  procédé  te  vinden,  waardoor  de  kunstenaar  op  veel 
geschikter  wijze  dan  te  voren  in  staat  is  zijn  geestelijken 
inhoud  aan  de  stof  te  uiten ,  en  daardoor  een  hervorming 
en    nieuwe    fase    in   de  kunst  voort  te  bereiden  (gelijk  aan 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  249 

de  uitvinding  der  olieverfschilderkunst  zulke  beteekenis  wordt 
toegekend)  is  geniaal ;  doch  een  kunstwerk  te  scheppen  als 
van  Eijck's  adoratie  van  het  Lam  of  Michel  Angelo's  Six- 
tijnsche  dek,  is  niet  geniaal  doch  heroïsch. 

Een  verkregen  inzicht  zoo  overal  toe  te  passen;  zoozeer 
alle  aangebrachte  materie  te  schikken  en  te  vormen ,  dat  zij 
als  stof  voor  het  inzicht  dienstbaar  wordt,  is  geniaal;  maar 
een  inzicht  te  hebben,  waarin  de  tegenstrijdigheden  der 
ervaarbare  wereld  tot  een  harmonie  verzoend  zijn,  dit 
wederom  is  niet  geniaal  doch  heroïsch. 

Uit  gegeven  historische  feiten  en  aanwezige  omstandig- 
heden een  toekomstigen  afloop  van  gebeurtenissen  scherp- 
zinnig te  voorzien  is  geniaal ;  maar  in  welken  afloop  óok  de 
lijnen  van  het  geheel  te  bespeuren  en  de  aanwezigheid  der 
ideale  werkelijkheid  te  verstaan,  is  niet  geniaal  doch  heroïsch. 

Iemand  kan  een  'geniale  bedrieger  zijn ,  zooals  de  samen- 
steller van  het  weleer  befaamde  Oeralindabok;  of  een  geniaal 
inbreker,  en  een  geniale  spekulant;  maar  een  heroïsch  be- 
drieger is  onbestaanbaar. 

De  heroiteit  idealiseert  het  lot  (vergeestelijking),  zoodat 
het  zijn  chaotisch  karakter  verliest,  en  in  de  idee  des  Ge- 
heels plaats  heeft;  en  wel  door  centralisatie  (verg.  §  II): 
de  heroïsche  persoon  zelf  is  de  centrale  figuur,  door  welke 
het  Lot  deze  verandering  ondergaat. 

Wij  zeiden  reeds  dat  „idealiseeren"  beteekent:  invoegen 
in  het  verband  des  Geheels.  Het  half-romantisch  misverstand , 
dat  aan  dit  begrip  de  beteekenis  toekent  eener  uitwissching 
van  het  aanstootelijke ,  is  niet  geheel  onjuist,  doch  is  de 
verschuiving  van  het  ware  begrip  tot  een  onwaarheid. 
Immers  wie  in  de  onwijsgeerige  beteekenis  des  woords  van 
idealiseeren  spreekt ,  bedoelt  een  verfraaiing  der  verschijning , 
waarbij  de  harde  en  scherpe  kanten  zijn  afgeslepen  en  de 
minder    zichtbare,    maaf    beminnelijker   eigenschappen    in 


250  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

relief  treden.  Tegenover  de  maatschappelijke  beschaving  in 
haar  ontaarding  staat  het  natuurlijke  leven;  en  de  behoefte 
om  het  onrecht  en  kwaad  der  maatschappij  te  ontvlieden , 
zocht  voor  het  leven  natuurlijke  modellen  aan  te  wijzen  in 
een  eenvoudigen  stand  der  samenleving,  als  landvolk  en 
zwervers.  Zoo  bestond  neiging  om  deze  lieden  in  tegen- 
stelling te  zetten  met  de  kultuurmenschen  en  derhalve  het 
kwaad ,  in  den  kultuurmensch  aangetroffen ,  in  den  natuur- 
lijken mensch  te  ontkennen.  Dit  pasklaar  maken  naar  den 
smaak  van  onze  wenschen ,  waarbij  de  herder  tot  een  jongen 
poëet,  de  landman  tot  een  beminnelijken  weldoener  wordt 
vereenzijdigd ,  en  het  schaap  blauwe  strikjes  draagt,  is 
idealiseeren  in  de  onjuiste  aanwending  des  woords.  De 
idealiseerende  romantist  behoeft  een  onwaarheid  om  te 
vormen  een  hooger  beeld.  Hij  gaat  uit  van  zijn  wensch 
en  niet  van  het  ideaal,  de  idee  des  geheels;  hij  door- 
grondt niet,  maar  speelt  met  een  begrip.  Wat  hiervan  waar 
is,  is  de  behoefte  aan  hooger  beeld;  maar  de  manier, 
waarop  hij  aan  die  behoefte  voldoet,  is  van  alle  waarheid 
gespeend.  Slechts  in  dit  opzicht,  dat  dit  idealiseeren  een 
behoefte  aan  hooger  beeld  veronderstelt,  geeft  de  aldus 
toegepaste  term  „idealiseeren"  een  aanwijzing  tot  zuiver 
begrip.  Het  zuivere  begrip  van  „idealiseeren"  is:  invoegen 
in  de  idee  des  Geheels. 

Waarin  bestaat  het  nu  dat  het  Lot  in  het  verband  des 
Geheels  wordt  ingevoegd?  Immers  in  de  aanwending  ervan 
tot  de  konsummatie  des  levens.  De  heroische  mensch  wendt 
het  Lot  aan  tot  bereiking  van  een  geestelijk  hoogtepunt  waarin 
het  leven  zich  voltooit. 

Een  louter  passief  gedrag  laat  het  lot  over  ons  meester 
zijn,  waardoor  het  leven  zelf  tot  het  chaotische  terugkeert 
en  de  mensch  daalt  tot  de  hoogte  der  zinnelijkheid;  ge- 
zweept  door  de   indrukken   van   tegenover  hem,  en  tegen 


VAN    HOOGERE   LEVENSLEER.  251 

zichzelf  verdeeld  naarmate  van  de  veranderlijke  lotskansen 
en  wisselende  koersen  der  lotsbeschikking.  Hier  verschijnt 
de  lijder  of  passieve  figuur,  gelijk  Spinoza  hem  in  het 
derde  boek  zijner  Ethica  heeft  aangewezen  en  ontleed. 
Maar  de  „aanwending"  is  een  aktief  gedrag,  waarbij  van 
een  centrum  wordt  uitgegaan.  Evenzeer  als  de  bouwmeester 
verordent  de  steenen,  die  te  voren  onverbonden  (chaotisch) 
uit  de  rots  gehakt  lagen,  samen  te  brengen  en  tot  een 
systeem  van  orde  (gebouw),  dat  uit  één  princiep  gekon- 
strueerd  is,  samen  te  voegen;  aldus  het  chaotische  in- 
voegend in  verband  des  Geheels  —  evenzeer  is  de  heroïsche 
mensch  een  aanwender  van  het  lot,  die  de  chaotische 
gevallen  en  beschikkingen  transponeert  in  een  ideale 
orde.  De  wijze  waarop  hij  reageert  is  niet  een  verspild 
worden  door  het  geval,  maar  een  aanwending  om  het 
hoogtepunt  zijns  levens  te  bereiken,  gelijk  Socrates  de  gift- 
beker dronk,  en  gelijk  Leonidas  van  het  ondervonden  verraad 
een  der  verhevenste  oogenblikken  schiep  uit  Hellas'  historie. 
Men  ziet:  deze  aanwending  verplaatst  het  lotgeval  uit 
het  objektieve  in  de  sfeer  der  subjekts.  Niet  de  loop  des 
lots,  maar  zijn  waarde  wordt  veranderd  door  de  aanwezig- 
heid van  het  heroïsche.  Het  is  niet  meer  een  van  buiten 
aankomende  gebeurtenis,  maar  het  is  een  in  den  kring  van 
het  heroïsche  leven  bestaande  aanleiding  tot  edele  houding. 
Het  verraad  van  Ephialtes  is  niet  meer  een  chaotisch  feit 
uit  de  Grieksche  historie,  maar  is  een  aanleiding  in  het 
leven  van  Leonidas  tot  zijn  heroisch  gedrag.  De  giftbeker 
is  voor  Socrates  de  aanleiding  tot  zijn  geestelijk  hoogtepunt. 
Dit  is:  de  opname  in  het  verband  des  Geheels;  immers 
opname  in  de  orde  van  het  geestes-leven  van  een  heroischen 
mensch,  uit  welk  gezichtspunt  alsdan  het  lot  zijn  toevallig 
en  chaotisch  karakter  verliest,  daar  het  nu  niet  meer  loutere 
objektiviteit,  zinledige  toevalligheid  is,  maar  in  een  hooger 


252  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

verband  is  opgenomen,  De  wijze  waarop  deze  geestelijke 
idealiseering  volbfacht  is  door  Cliristus,  gelijk  zij  ook  op 
die  wijze  in  het  eerste  Christendom  werd  geïnterpreteerd 
(Evang.  van  Johannes  XVI,  33:  ik  heb  de  wereld  over- 
wonnen) is  lichtend  als  de  dag. 

Het  lot  wordt  geïdealiseerd  door  centralisatie.  Daar  nu 
de  heroiteit  is  de  redelijkheid  als  kracht  is  het  niet  zoozeer 
de  klaarbewuste  centrale  gedachte  als  wel  de  heroïsche 
persoonlijkheid  zelf,  die  hier  als  centrale  figuur  optreedt. 
Op  hem  loopt  het  geweld  dood ,  de  stormen  leggen  zich 
voor  hem  neer,  en  de  wilde  dieren  verlaten  hun  woesten 
aard  gelijk  voor  den  musiceerenden  Orfeus.  Door  hem 
verschuift  het  aspekt  des  lots  en  wordt  uit  andere  gezichts- 
hoek gezien;  de  gebeurlijkheden  hebben  een  centrum  ge- 
vonden en  zijn  daardoor  uit  de  zinnelijke  toevalligheid  in 
de  orde  der  eeuwigheid  overgebracht.  Zoo  wordt  de  schip- 
breuk een  bestanddeel  van  de  verheerlijking  eener  helden- 
figuur en  zoo  behoort  de  giftbeker  tot  het  leven  van  Socrates. 
In  dit  opzicht  is  de  overwinning  van  de  Idee  op  den  chaos 
verkregen :  het  lot  is  geïdealiseerd. 

Deze  zelfde  „houding"  nu  is  het,  die  wij  in  kunstenaars 
en  denkers  opmerken.  Niet  slechts  naar  den  inhoud  hunner 
werken,  maar  naar  den  aard  van  hun  geestelijk  wezen 
beoordeeld,  gelijk  dit  in  hun  werken  blijkt,  zijn  zij  ideali- 
seerders  van  het  Lot.  Een  kunstenaar  te  zijn ,  die  de  adoratie 
des  Lams  kan  schilderen  gelijk  van  Eijck,  of  de  dekschildering 
in  de  Sixtijnsche  kapel  maakt  als  Angelo;  of  de  lijnen  der 
werkelijkheid  in  hun  samenloop  en  eenheid  in  te  zien, 
zooals  het  opperste  denken  vermag  —  ziehier  een  verheffing 
der  bewustheid,  een  hoogtestand  van  geestelijk  leven, 
waarin  de  beschavingsgeschiedenis  der  menschheid  een 
konsummatie-punt  bereikt;  daarin  verklaart  het  Lot  zich 
tot   redelijkheid:  die  hoogten  geven  zin  aan  de  historie.  In 


VAN    HOOGERE   LEVENSLEER.  253 

de  heroïsche  momenten  wordt  de  historie  tot  een  helden- 
drama, terwijl  zij  in  de  onbeschaafde  volken  in  de  laagte 
van  het  chaotische  stil  blijft  staan. 

In  deze  overwinning  van  de  Idee  op  den  chaos  is  de  geest 
vrij  geworden  van  de  natuur. 

Van  uit  de  gedachte  eener  idealiseering  van  het  lot, 
wordt  nu  ook  het  lot  van  het  heroïsche  zelf  begrepen. 
Vermag  de  heroïsche  mensch  het  lot  te  idealiseeren,  dan 
kan  de  ondergang  zijn  lot  niet  zijn.  De  empirische  levens- 
loop is  geen  aanwijzing  der  ware  levenslijn;  maar  ook 
bestaat  in  de  ervaarbare  wereld  geen  wet  des  ondergangs 
van  het  heroïsche.  Alexander  de  Groote  spoedt  na  zijn 
wereldoverheersching  zich  ten  val  en  Nietzsche  wordt  krank- 
zinnig: doch  ziehier  de  ondergang  van  het  geniale.  Daar 
het  geniale  geen  volkomenheid  heeft  en  het  genie  geen 
komplete  mensch  is,  is  daarin  het  beginsel  van  ondergang 
vervat;  er  zijn  personen,  die  wel  een  heroïsche  hoogte 
bereikten,  doch  door  overwicht  van  genialiteit,  aan  de  wet 
van  het  geniale  gebonden  waren  en  ten  ondergang  bestemd, 
gelijk  Beethoven  krankzinnig  werd. 

Maar  de  mensch  als  heroïsche  beleeft  geen  ondergang. 
Socrates  is  niet  ondergegaan  en  vooral  Christus  niet.  De 
Griek  heeft  in  zijn  noodlotsbegrip  den  genialen  mensch 
voor  oogen;  het  is  de  d^Qig  (overmoed)  welke  hij  in  zijn 
held  bespeurt,  en  om  die  v^Qig  kan  de  held  niet  blijven 
leven.  Zij  is  een  overschrijden  van  de  maat.  Oedipus  over- 
schrijdt de  maat  daar  hij  het  raadsel  der  Sfinx  oplost; 
deze  oplossing  nu  was  zijn  bewijs  der  genialiteit.  Xerxes, 
Ajax,  Prometheus  zijn  allen  overtreders  van  die  wet  der 
matiging,  welke  aan  menschen  gesteld  is;  zij  zijn  overmatige 
kenners  en  daardoor  overmoedigen;  maar  dit  is  genialiteit 
en    geen    heroiteit.   Mag   dus  de   tragische  ondergang  voor 


254  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

het  Helleensch  intellekt  een  wet  des  levens  gebleken  zijn , 
dan  is  het  toch  niet  de  heroïsche  geestesstaat,  welke  in 
hun  oogen  hierdoor  werd  veroordeeld.  Maar  dat  hun  tragedie , 
gelijk  in  Oedipus  in  Kolonos  en  in  het  derde  stuk  der 
Prometheus-trilogie ,  toch  van  een  herleving  na  den  onder- 
gang wist,  is  een  bewijs  dat  zij  in  deze  helden  nog  een 
ander  element  dan  de  overmaat  ontdekten:  dat  andere,  het 
heroïsche,  konden  zij  niet  achten  als  ten  ondergang  bestemd. 
Het  lot  der  heroiteit  beweegt  in  de  richting  eener  vereeniging 
met  de  Godheid. 

De  Heroïsche  mensch  is  zelf  zijn  lot;  het  lot  gaat  uit 
van  zijn  eigen  aktiviteit,  daar  het  slechts  de  stof  aanbiedt 
welke  door  hem  wordt  vergeestelijkt.  —  Toch  blijft  in  elk 
leven  het  chaotische  als  een  onverteerbare  rest,  een  mis- 
schien zeer  ver  verschoven,  maar  niet  vernietigde  grens 
der  heroïsche  kracht. 


VI. 

De  psychische  geaardheid  van  het  hero- 
ïsche: het  willen.  ' 

De  idealiseering  der  instinkten. 

De  volledige  mensch  en  de  universeele 
houding. 

Wij  hebben  het  heroïsche  beschreven  als  een  geestelijke 
gesteldheid:  de  geest  is  Idee,  en  het  geestelijk  leven  is  een 
manifestatie  der  Idee  aan  den  chaos;  het  geestesleven  is 
dus  in  eerste  instantie  een  denken,  en  bereikt  zijn  hoogsten 
staat  in  de  redelijkheid.  Maar  de  Idee  heeft  aktiviteit  (zij 
is  tevens  Daad)  weshalve  ook  het  denken  met  aktiviteit 
begaafd  is:  de  redelijkheid  is  tevens  kracht.  De  redelijkheid 
als  kracht  is  heroiteit. 

Hebben  wij  nu  deze  kracht  beschreven  in  haar  uitwer- 
king, er  is  nog  een  aanwijzing  over  haar  psychisch  karakter 
noodig;  afgezien  van  alle  uitwerking  heeft  een  geesteskracht 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  255 

een  zekere  psychische  geaardheid  overeenkomstig  haar  hoogte 
in  het  geheele  geestesplan.  Deze  hoogte  hangt  daarvan  af 
of  zij  de  kracht  der  zinnelijkheid,  der  verstandelijkheid  , 
of  der  redelijkheid  is.  Er  zijn  drie  hoogten  van  aktiviteit: 
brutaliteit,  genialiteit,  heroiteit.  Zoo  zijn  er  drie  hoogten 
van  psychische  geaardheid  der  geestelijke  kraclii: 

het  begeeren; 

het  streven; 

het  willen. 

Brutaliteit  begeert.  Genialiteit  streeft.  Heroiteit  wil. 

Het  spreekt  vanzelf  dat  het  spraakgebruik  deze  benamingen 
door  elkaar  werpt,  en  dat  ook  het  bezinnend  denken  geen- 
zins  eenstemmig  is  over  haar  aanwendingen.  Maar  het 
hoofdbelang  is  hier  een  juiste  onderscheiding  van  de 
momenten  vast  te  stellen,  en  daarvoor  uit  het  spraakgebruik 
een  naam  te  kiezen,  welke  het  meest  gepast  schijnt.  De 
benaming  is  een  etiket,  maar  welks  beteekenis  toch  alleen 
wordt  verstaan  uit  den  wijn,  die  daardoor  geëtiketteerd 
wordt:  niet  andersom  de  wijn  uit  het  etiket.  Zoo  worde 
ook  hier  de  zaak  verstaan  en  bepaald,  en  de  benaming  niet 
uit  zichzelf,  maar  uit  deze  bepaling  begrepen.  Dat  „begeeren" 
voor  een  lageren  staat  van  aktiviteit  genomen  wordt  dan  de 
term  „willen"  is  overigens  een  vaststaande  onderscheiding. 

In  de  begeerte  overheerscht  de  negativiteit,  het  chaotische, 
daar  de  begeerte  een  reaktie  is  op  een  van  buiten  ons  eigen 
zielsgebied  aangekomen  prikkel.  De  begeerende  mensch  is 
een  ongeordende  wereld,  een  chaos.  Dit  is  de  psychische 
natuur  der  „brutaliteit". 

De  verstandelijkheid  als  kracht  begeert  niet,  maar  streeft. 

Men  kan  tegen  deze  uitspraak  niet  aanvoeren  de  des- 
organisatie van  geniale  personen  (sexueele  uitspatting, 
melancholie,  neiging  tot  zelfmoord,  zoodat  hier  de  geniali- 


256  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

teit  of  „verstandelijkheid  als  kracht"  wel  degelijk  met  een 
chaotische  begeerte  gepaard  ging.  Dit  gepaard  gaan  is  zeer 
mogelijk,  maar  de  genialiteit  bestaat  niet  daarin.  De  geni- 
aliteit streeft,  en  streven  is  regeling  der  begeerte.  Evenals 
de  verstandelijkheid  het  zinnelijk  bewustzijn  onder  regel 
stelt,  zoo  wordt  de  begeerte  onder  regel  genomen  door  de 
genialiteit.  De  geniale  aktiviteit  is  een  geregeldheid  van 
begeerte  —  in  welke  geregeldheid  de  chaotische  natuur 
van  het  begeeren  bestreden  wordt.  Want  „regel"  beteekent 
hier  de  vaste  lijn  van  motief  tot  doel. 

Napoleon's  geestes-aktiviteit  is  niet  een  heerschzucht  als 
begeerte;  want  deze  heeft  geen  verdere  strekking  dan  de 
direkte  bereikbaarheid,  en  bepaalt  zich  tot  een  opdringen 
van  eigen  voorkeur  en  besluit  aan  personen  met  welke 
men  in  aanraking  komt.  De  begeerte  werkt  onmiddelijk  en 
wenscht  dadelijke  voldoening;  de  geslachtsbegeerte  is  hier 
een  voorbeeld;  de  zucht  naar  sterken  drank,  de  begeerte  naar 
verandering  van  levensomstandigheden ,  de  zucht  om  rijk  te 
worden ,  de  haat  —  zij  alle  als  begeerte  (tenzij  door  de  verstan- 
delijkheid geregeld)  jagen  een  onmiddelijke  voldoening  na. 

Maar  in  het  streven  wordt  dit  onmiddelijke,  dat  niets 
anders  dan  het  chaotische  is ,  bestreden  en  geregeld  uit  de 
gedachte  der  orde.  Dit  is  de  vóóroefening  der  idealiseering, 
gelijk  ook  het  verstand  aan  den  chaos  regel  oplegt,  door 
klassificeering  en  wetsbegrip.  Hetgeen  nu  heerschzucht 
heette,  wordt  een  streven  naar  staatkundige  macht,  d.  i. 
naar  een  orde  van  zaken  overeenkomstig  eigen  inzicht.  Op 
deze  orde  gericht,  verbreed  tot  vastheid  van  voornemen,  met 
zedelijke  en  aesthetische  motieven  verbonden,  is  de  aard 
der  heerschzucht  zelf  veranderd ,  verbreed ,  verhoogd ,  gesteld 
onder  den  regel  der  algemeenheid  en  der  orde. 

De  kultuurgeschiedenis  geeft  deze  regeling  der  begeerte, 
van    chaotischen    toestand   tot   ordelijk  en   beraden  streven 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  257 

overal  te  zien:  zijn  niet  lionger,  dorst,  geslaclitsdrift ,  heb- 
zucht, tooizucht,  behoefte  aan  lijfsbescherming,  strijdlust, 
verkeersbehoefte  de  instinktieve  begeerten,  die  op  hooger 
plan  gebracht  en  tot  streven  geadeld,  de  beschaving  en 
historische  samenleving  hebben  geschapen? 

De  begeerte  nu  heeft  als  reaktie  een  opzicht  van  aktiviteit, 
maar  het  passieve  is  daarin  overheerschend,  daar  de  uit- 
wendige aanleiding  en  niet  het  centrum  des  eigen  wezens, 
de  chaos  en  niet  de  Idee  hier  nadruk  heeft. 

De  aktiviteits-aard  van  het  heroïsche  is  het  willen.  Men 
bedenke  echter  dat  willen  niet  „vermogen  tot  handeling"  be- 
teekent;  doch  innerlijke  aktiviteit;  want  het  handelen  of 
overgrijpen  in  de  materieele  sfeer  volgt  het  zekerst  op  de 
begeerte  en  in  mindere  noodzakelijkheid  op  het  streven; 
en  bij  het  willen  is  deze  overgrijping  het  minst  noodzakelijk. 
Het  kan  zijn  dat  de  heroïsche  wilsaard  zich  in  werken 
ontlaadt  —  maar  daartoe  moet  de  wil  zich  met  begeerte 
verbinden.  Het  willen  als  zoodanig  is  alleen  innerlijk,  het 
is  de  aanname  eener  innerlijke  houding.  Om  deze  reden 
wil  ook  Spinoza  onder  „wil"  niet  de  begeerte  verstaan,  waar- 
door ons  gemoed  zich  wendt  tot  of  afkeert  van  bepaalde  ob- 
jekten ,  maar  de  kracht,  waarmee  de  geest  waarheid  bevestigt 
en  onwaarheid  ontkent  ^).  De  waarheid  nu  is  niet  een  theore- 
tische stelling,  maar  de  wezenlijke  inhoud  onzer  natuur;  gelijk 
de  onwaarheid  de  onware  werkelijkheid  is,  d.i.  de  chaos,  het 
bloot  instinktieve.  De  wil  is  dus  de  kracht  waarmee  het  wezen- 
lijke (de  Idee)  zich  in  het  leven  verwerkelijkt  aan  het  chao- 
tische; het  heroïsche  in  het  opzicht  zijner  psychische  natuur. 


1)  Eth.  H.  Prop.  48.  Schol.  ...  me  per  voluntatem  affirmandi  et  negandi 
facultatem,  non  autem  cupiditatem  intellisere;  facultatem,  inquam,  intellipo, 
qua  mens  quid  veriim  qiiidve  faisum  sit,  affirmat  vel  negat,  et  non  cupiditatem 
qua  mens  res  appetit  vel  aversatur. 

17 


258  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk 

Terwijl  nu  in  de  begeerte  (zinnelijkheid)  de  geest  (Idee) 
in  het  objektieve ,  chaotische ,  instinktieve  als  't  ware  onder- 
duikt, en  in  het  streven  (verstandelijkheid)  zich  weer  daar- 
boven heft,  bevestigt  hij  zich  in  den  wil,  door  uitgangspunt 
te  nemen  in  zichzelf,  centraal  bewust,  autonoom,  uit  zich- 
zelf heerschend,  zelf  princiep  zijns  gedragens  zijnde.  De 
Idee  overwint  den  chaos  door  te  willen. 

Hier  zijn  de  instinkten  (die  in  de  begeerte  hun  onbewuste 
ordelooze  werking  oefenden)  geïdealiseerd.  De  chaos  wordt 
niet  ter  zijde  gesteld.  Honger,  geslachtsdrift,  strijdlust  enz. 
verdwijnen  niet  in  de  redelijkheid,  want  de  Idee  moet  stof 
hebben,  waaraan  zij  zich  oplegt,  gelijk  de  beeldhouwer 
materiaal  noodig  heeft.  In  het  hoogere  geestesleven,  mora- 
liteit, aesthese ,  religie  zijn  de  instinkten  door  idealisatie 
getransponeerd.  In  de  geestelijke  liefde  is  een  idealiseering 
van  de  geslachtsdrift,  gelijk  uit  de  middeleeuwsch-mystieke 
geschriften  en  liederen  kan  bewezen  worden.  Ook  honger, 
dorst,  behoefte  aan  bescherming  kunnen  idealistisch  ge- 
transponeerd worden  tot  moreele,  aesthetische  en  religieuse 
aandoeningen. 

Deze  idealiseering  is  mogelijk,  daar  aan  alle  geestelijke 
krachten  ook  aan  de  instinkten  een  opzicht  is  van  aktiviteit, 
en  van  dit  punt  uit  de  verheffing  tot  den  hoogtestand  der 
redelijkheid  kan  volvoerd.  De  instinkten  zijn  de  stof,  die 
eerst  tot  de  troebele  halfbewustheid  der  begeerten,  maar  in 
hoogste  instantie  tot  de  klare  bewustheid  des  willens  wordt 
overgezet. 

De  idealiseering  geschiedt  ook  hier  door  centralisatie: 
de  Idee  als  het  centrale  princiep  des  levens  brengt  het 
chaotische  in  haar  verband ,  en  idealiseert  aldus  het  instinkt 
tot  wil.  Het  willen  nu  is  hier  zedelijke  imperativiteit,  daar 
aesthetische  eros,  elders  religieuse  verheffing. 

De  heroiteit  begeert  niet,  streeft  niet,  maar  wil. 


VAN   HOOGERE   LEVENSLEER.  259 

Op  deze  hoogte  is  de  aktiviteit  volledig;  en  ook  hier 
blijkt  de  heroïsche  te  zijn  de  kompleete  mensch.  „In  hem 
woont  de  volheid  van  het  goddelijke  gestaltelijk."  Immers: 
de  mensch  uit  zijn  centrum  levend  leeft  uit  het  wereld- 
centrum:  het  centrale  is  aansluiting  bij  het  centrum  des 
Universums  zoodat  in  het  heroïsche  een  verheffing  is  tot 
eenheid  met  de  Godheid.  Deze  universaliteit  van  het  heroïsch 
karakter  werpt  de  scheidswanden  van  de  empirische  wereld- 
gesteldheid  omver. 

De  tegenstelling  der  sexen,  maatschappelijke  klassen, 
natiën,  rassen  en  tijdperken  berusten  op  verschillende  ge- 
aardheid van  de  instinkten  en  behooren  dus  tot  het  chaotische. 
Deze  onderscheiden  als  scheidswanden  te  achten ,  door  geen 
geestelijke  vlucht  overstegen ;  en  de  ras-  of  sexe-  of  nationale 
eigenschappen  als  de  verklaringsgronden  te  achten  van  de 
menschelijke  werken ,  is  een  beschouwing  welke  zich  geens- 
zins tot  de  hoogte  van  het  heroïsche  verheft.  Evenmin  als 
de  instinkten  zijn  de  sexen  of  rassen  uitwischbaar,  maar 
evenzeer  als  het  willen  het  instinktieve  overwint  (niet:  uit- 
wischt)  overtreft  in  het  heroïsche  het  universeele  het  parti- 
kulaere;  en  zijn  de  ras-  of  sexe-  of  klasse-eigenschappen 
aanleiding  tot  een  universeele  houding,  die  Germaan  en 
Israëliet,  kapitalist  en  proletarier,  man  en  vrouw  vereenigt  — 
voorzoover  zij  de  heroïsche  hoogte  hebben  bereikt.  Deze 
waarheid  is  ten  stelligste  uitgesproken  door  een  man,  wiens 
liefde  was  dat  hij  Israël  en  Hellas  verbond,  en  wiens  blik 
in  dezen  dieper  reikt  dan  van  den  Spinozahater  Houston 
Chamberlain.  Ik  doel  op  het  Paulinisch  woord  „hierin  is  niet 
Griek  of  Jood,  dienstbare  of  vrije,  Barbaar  of  Skyth."  De 
stelling  ware  misschien  te  verdedigen,  dat  de  heroïsche 
werken  der  kultuurgeschiedenis  een  synkrasie  der  raseigen- 
schappen  veronderstellen,  daar  Hellas  uit  het  Semitisch 
oosten,   de   Germaansche   kuituur  uit  het  Oude  Testament, 


260  HET  heroïsche:  een  hoofdstuk  enz. 

Israël  door  Babyion  misschien  uit  het  Indo-Germaansch 
Indie,  de  Germaan  Goethe  uit  het  Romaansch  Italië,  Dante 
uit  Germanië  een  aansporing  ontvangen  hebben,  zonder 
welke  de  hoogte  niet  zou  zijn  bereikt. 

Hoe  dit  ook  zij :  de  heroïsche  werken  spreken  een  alge- 
meen menschelijke  taal ,  door  tegengestelde  sexen ,  rassen , 
tijdperken,  klassen,  natiën  verstaanbaar.  Er  is  een  gemeen- 
schappelijke trek  in  hetTao  te  king,  het  Johannes-evangelie,  de 
Bhagavad  Gita,  Plotinus'Enneaden,  de  Sufistische  leer,Eckharts 
Predigten,  Spinoza's  Ethica  —  een  overstijging  van  het 
nationale  in  de  richting  dier  algemeen-menschelijkheid,  waarin 
de  Idee  den  chaos  overwint  en  het  instinkt  idealiseert. 

In  het  heroïsche  willen  is  ook  naar  deze  zijde  de  mensch 
niet  meer  fragment,  doch  geheel. 


VII. 

De  heroïsche  werken. 

Wij  vingen  deze  studie  aan  met  een  woord  over  de 
heroïsche  werken.  Zij  zijn  de  hoogte-punten  der  kuituur  en 
de  gedenkteekenen  van  den  menschelijken  adel.  De  geestes- 
gesteldheid, welker  begrip  wij  hebben  ontwikkeld,  is  voor- 
waarde tot  het  totstandkomen  dezer.  De  heroische  werken 
zijn  eerst  uit  het  begrip  der  heroiteit  begrijpbaar.  Dat  een 
Faust-tragedie  is  gedicht,  een  Johannes-Evangelie  geschreven 
een  Parthenon  gebouwd,  is  begrijpelijk  uit  den  heroischen 
geestes-staat.  Deze  werken  reflekteeren  de  Idee,  die  de 
levensgrond  is  en  wereldgrond,  het  Eeuwige  Centrum,  de 
Geest.  Zij  zijn  als  heroïsch  kenbaar  aan  hun  twee  afme- 
tingen: diepte  vereenigd  met  breedte. 

Zij  zijn  uitingen  van  het  heroïsch  enthousiasme. 


BOEK-BESPREKING. 


Hegei's   Encyclopadie   der  Philosophischen  Wissenschaften. 


Georg  Wilh.  Fiedr.  Hegel's  Encyclopadie  der  Philo- 
sophischen Wissenschaften,  etc,  für  den  Akademischen 
Gebraucli  heraus  gegeben  von  G.J.  P.J.  Bolland. 

Leiden,  A.  H.  Adriani.  1906. 

De  hoogste  eisch  die  aan  wetenschappelijke  vorming  gesteld 
mag  worden  is:  begrip  te  hebben  van  het  methodische  en  sys- 
tematische der  Wetenschap,  bedoeld  als  Philosophie,  als  zuivere 
algemeene  encyclopaedische  Wetenschap. 

Uit  gemis  van  dit  altijd  en  alom  lichtgevende  begrip  tasten 
de  beoefenaars  der  verschillende  wetenschappen,  ook  zelfs  de 
helderst-bewusten  onder  hen,  wanneer  zij,  tot  theoretische 
bezinning  gekomen,  naar  het  vermoede,  doch  nooit  begrepen, 
gemeenschappelijk  verband  zoeken,  dat  de  bijzondere  weten- 
schappen te  zamen  houdt,  in  het  duister.  Nadenkende  over 
beginsel  en  bedoeling  van  hun  afzonderlijk  vak  van  studie, 
begrijpen  zij  even  weinig  het  onvermijdelijke  van  de  beperkt- 
heid en  ontoereikendheid  der  afzonderlijk  gestelde  principiën, 
als  hun  de  ideële  band  ontgaat  die  de  waarheden  van  alle  weten- 
schappen verbindt. 

In  alle  verscheidenheid  van  bijzondere  wetenschappen  is  er 
één :  de  Philosophie,  die  als  de  zuivere  algemeene  wetenschaps- 


262  BOEK-BESPREKING. 

leer,  het  geestelijk  verband  der  wetenschappen  is:  vinculum 
scientiarum.  ^). 

Pythagoras  zou  de  eerste  der  Grieksche  Wijzen  geweest  zijn, 
die  uit  bescheidenheid  den  ouden  naam  van  Wijze  weigerde, 
en  zich  met  dien  van  Wijsgeer  tevreden  stelde.  Doch  de  geleerde 
van  onze  dagen  begeert  niet  eens  wijs  te  worden.  Hij  is  tevreden 
als  hij  ergens  aan  de  peripherie  van  zijn  afzonderlijke  weten- 
schap werkzaam  mag  zijn,  en  richt  zijn  geest  nooit  naar  de 
algemeene  Idee,  die  ook  uit  het  centrum  van  zijn  wetenschap 
licht  verspreidt. 

Het  lumen  naturale  der  Rede,  door  een  der  geestelijke  voor- 
gangers der  nieuwe  wetenschap,  Descartes,  in  de  denkende 
beschouwing  der  wereld  gebracht,  werpt  nog  maar  een  matten 
schijn  op  het  arbeidsveld  der  natuurgeleerden. 

De  specialiseeringen  der  bijzondere  wetenschappen,  al  meer 
uiteenwijkend  in  allerlei  richtingen,  hebben  ook  voor  het  uiter- 
lijke het  verband  eener  algemeene  wetenschap  der  Rede  schijn- 
baar verbroken.  De  beoefening  der  afzonderlijke  vakken  van 
wetenschap,  in  onbewustheid  van  het  gemeenschappelijk  beginsel 
en  doel  der  waarheid  in  een  systeem  der  Idee,  het  centrum 
waarvan  elk  peripheer  streven  moet  uitgaan,  gelijkt  op  den 
arbeid  van  mijnwerkers  in  hun  donkere  schachten:  arbeidende 
als  doelloos  voort  in  alle  richtingen,  hooren  zij  zelfs  het  kloppen 
van  elkaar  niet  meer! 

De  Philosophie  is  geen  bijzondere  wetenschap  naast  andere. 
Zij  is  van  alle  wetenschap,  in  't  bijzonder  en  in  het  algemeen, 
het  principieele,  het  ware;  of,  zooals  reeds  Plato  gezegd  heeft, 
„een  wetenschap  van^iets  anders  dan  van  haarzelve  én  van 
de  andere  wetenschappen." 

In   de   middeleeuwen  en  lateren  tijd  was  de  Philosophie  de 


1)  In  zijn  rede  pro  Archia  poeta  zeide  Cicero:  Omnes  artes  quae  ad  liu- 
manitatem  pertinent  habent  quoddam  commune  vinculum  et  quasi  cognationc 
quadam  se  continentur,"  en  in  het  derde  boek  van  zijn  werk  „de  Oratore" 
schreef  hij :  „Est  ilia  Platonis  vera  vox  omnem  doctrinam  harum  ingenuarum 
et  humanarum  artium  uno  quodam  societatis  vinculo  contineri" 

Roger  Bacon  schreef:  „Omnes  scientiae  sunt  connexae  et  mutuis  se  fovent 
auxiliis,  sicut  partes  ejusdem  totius,  quarum  quaelibat  opus  suum  peragit, 
non  solum  propter  se,  sed  et  pro  aliis."  Geciteerd  volgens  Boliand's  uitgave 
van  Hegei's  Ene.  d.  ph.  W.  pag.  XXXVI. 


BOEK-BESPREKING.  263 

dienstmaagd  der  godgeleerdheid:  ancilla  theologiae.  En  nog 
wordt  zij  aan  de  Universiteit  vernederd  tot  Assciiepoester;  of 
zij  zwerft  bekommerd  rond  als  Hagar  in  de  woestijn;  of  zij  is 
verstooten  en  verlaten  en  van  alles  beroofd  als  Hecuba,  zij, 
moeder  van  zooveel  kinderen. 

„Es  war  eine  Zeit",  zegt  Kant  in  de  voorrede  van  zijn  Rede- 
critiek,  „in  welcher  sie  die  Koningin  aller  Wisschenschaften 
genannt  wurde.  Jetzt  bringt  es  der  Modeton  des  Zeitalters  so 
mit  sich,  ihr  alle  Verachtung  zu  beweisen,  und  die  Matrone 
klagt,  verstossen  und  verlassen,  wie  Hekuba:  modo  maxima 
rerum ,  tot  generis  notisque  potens  —  nunc  trahor  exul  „inops."  — 
Ovid.  Metam. 

De  onlangs  overleden  philosoof  Eduard  von  Hartmann  schreef 
in  denzelfden  geest:  „Die  Philosophie  muss  im  Bewusstsein  der 
Vertreter  der  modernen  Wissenschaft  die  Stelle  als  Koningin 
der  Wisschenschaft,  oder  als  Wissenschaft  der  Wissenschaften, 
namlich  als  einheitliche  Totalitat  und  inneres  Band  des  mensch- 
lichen  Erkenntniss  Systems  eingeraumt  werden,"  ^) 

En  een  natuurphilosoof  van  dezen  tijd,  Ernst  Haeckel,  zegt, 
in  overeenstemming  met  de  woorden  van  Kant  en  Eduard  von 
Hartmann  en  ook  in  den  geest  van  Plato:  „Die  voraussetzungs- 
lose  und  furchtlose  Philosophie  will  durch  muthige  Enthüllung 
des  „verschleierten  Bildes  von  Saïs"  zur  vollen  Anschaung  der 
Warhheit  gelangen.  Die  wahre  Philosophie  darf  sich  in  diesem 
Sinne  mit  Stolz  und  mit  Recht  die  Königin  unter  den  Wissen- 
schaften nennen".  '^). 

Men  heeft  de  Philosophie  als  de  eerste  en  voornaamste  der 
wetenschappen,  als  Tigonr]  onttroond,  toen  de  chaos  zich  uit- 
breidde in  de  natuur-wetenschappelijke  wereld.  „Jetzt,  nachdem 
alle  Wege  vergeblich  versucht  sind",  zegt  Kant,  „herscht  Ueber- 
druss  und  ganzlicher  Indifferentism ,  die  Mutter  des  Chaos  und 
der  Nacht  in  Wissenschaften" maar,  zoo  voegt  de  Konings- 
berger wijsgeer  met  prophetische  helderziendheid  toe,  „aber 
doch  zugleich  der  Ursprung,  wenigstens  das  Vorspiel  einer 
nahen  Umschaffung  und  Aufklarung". 


1)  Moderne  Probleme.  pag.  137. 

2)  Ernst  Haeckel.  Die  Lebenswunder,  pag.  3.  Stultgart  1904. 


264  BOEK-BESPREKING. 

Na  den  nacht  en  den  chaos  breekt  de  dag  aan  van  het  alles 
verhelderend  begrip. 

Een  der  teekenen,  een  daad  vol  beteekenis,  is  de  nieuwe 
(5e)  uitgave  van  Hegel's  Encyclopaedie ,  het  geniale  en  ontzag- 
lijke ontwerp  van  het  Systeem  der  Philosophische  Wetenschap, 
waarbij  alle  wereldwijsheid  betrokken  is. 

Een  kleine  eeuw  geleden,  in  Mei  1817  verscheen  te  Heidcl- 
berg  de  eerste  uitgave,  „eine  neue-Bearbeitung  der  Philosophie 
nach  einer  Methode,  welche  wie  ich  hoffe,  als  die  einzigwahr- 
hafte,  mit  dem  Inhalt  identische,  anerkantt  werden  wird"  (Hegel, 
Vorrede).  Het  werk  verscheen  in  tweeden  druk  in  Mei  1827  te 
Berlijn,  gedeeltelijk  omgewerkt,  en  vermeerderd  niet  uitvoerige 
exoterische  opmerkingen  om  het  voor  het  alledaagsche  verstand 
begrijpelijker  te  maken.  De  3^  druk,  Berlijn  September  1830, 
werd  ook  nog  door  Hegel  verzorgd. 

In  4en  druk  verscheen  de  Encyclopaedie,  vergroot  door  toe- 
voegingen uit  dictaten,  als  VI^  en  Vlle  deel  ^)  der  „Vollstandige 
Ausgabe"  van  „Hegel's  Werke"  „durch  einen  Verein  von  Freunden 
des  Verewigten",  na  Hegel's  dood  in  1831.  De  uitgave  der 
Logica  werd  verzorgd  door  Lcopold  von  Henning,  de  Natuur- 
philosophie  door  Michelet,  de  Geestesphilosophie  door  Ludwig 
Baumann. 

En  nu  is  de  uitgave  der  Encyclopaedie  in  1906  noodig  ge- 
worden. Prof.  Bolland  laat  het  werk  voorafgaan  door  een  uit- 
voerige voorrede,  rijk  aan  belangwekkende  opmerkingen. 

De  nieuwe  verschijning  der  Encyclopaedie  is  een  allermerk- 
waardigst teeken  des  tijds.  De  tijdgeest  keert  daarbij  haar 
geestesoogen  naar  het  Eeuwige.  D.  B. 


De  ontwikkeling  der  antieke  Piiilosofie  en  religie,  in 
haren  voortgang  gesclietst,  door  Prof.  Dr.  A.  Drews,  ver- 
taald door  Dr.  A.  H.  de  Hartog.  Amersfoort  P.Dz.  Veen  1907. 

Niet  ter  inleiding  in  de  Grieksche  filosofie  is  dit  artikel  in  de 
Preussische  Jahrbücher  geschreven,   maar  ter   nabeschouwing 


1)  Waarvan  het  Vlle  deel  eigenlijk  twee  boekdeelen  vormt:  VII  1  en  VII  2. 
Men  heeft  eerst  gemeend  de  Natuur-  en  de  Geestesphilosophie  in  één  boek- 
deel te  kunnen  vereenigen,  doch  na  de  uitgave  van  het  Vlle  deel  bleek  de 
stof  te  omvangrijk. 


BOEK-BESPREKING.  265 

van  de  geschiedenis  der  Grieksciie  filosofie  in  haar  geheel.  Het 
is  hier  te  doen  om  de  grondgedachte,  die  als  een  eenheid  de 
verschillende  systemen  en  standpunten  der  filosofen  verbindt. 
Deze  grondgedachte  nu  wordt  door  den  schrijver  zoo  bepaald 
dat  het  hoogtepunt  van  het  Grieksche  denken  komt  te  liggen 
in  het  Neo-platonisme  „het  toppunt  dat  men  tot  nog  toe  ver- 
keerdelijk in  de  systemen  van  Plato  en  Aristoteles  gezocht 
heeft."  De  voorrang  dien  Plotinus  boven  Plato  hebben  zou,  is 
gelegen  in  zijn  erkenning  van  den  absoluten  geest,  terwijl 
Plato  niet  verder  dan  tot  de  objektiviteit  des  geestes,  het 
systeem  der  ideëen  doordringt. 

Bij  Plato,  meent  de  schr.  ligt  de  subjektiviteit  des  begrips 
met  de  objektiviteit  verward  dooréén ;  hoe  het  kennis-theoretisch 
begrip  tegelijk  de  waarde  van  Objektieve  idee  heeft  is  voor  Plato 
niet  aanwijsbaar,  (daar  hij  niet  van  de  Idee  zelve  maar  van  het 
denken  uitgaat). 

Het  komt  mij  voor  dat  de  schr.  in  deze  beschouwing  te  zeer 
den  rijkdom  der  Grieksche  gedachte  bepaald  naar  één  hulplijn 
welke  hij  door  de  historie  trekt.  Daar  het  hem  om  de  absolute 
idee  te  doen  is,  wil  hij  aan  deze  ook  in  de  Helleensche  filosofie 
de  opperste  waarde  toekennen,  en  vraagt  niet  of  de  totaal- 
waarde van  het  platonische  denken  misschien  grooter  is  dan 
van  het  Neo-platonisme;  maar  in  hoeverre  de  absolute  idee  is 
benaderd.  Deze  waardemeter  komt  mij  voor  de  Helleensche 
filosofie  niet  aannemelijk  voor  en  het  resultaat  der  waarde- 
bepaling: Plotinus  boven  Plato,  evenmin.  Dit  neemt  niet  weg 
dat  het  artikel,  om  zijn  vastgehouden  hoofdgedachte  en  rijkdom 
van  stof  hoogst  interessant  is,  en  inlichtend  over  het  Grieksche 
denken  en  gevoelen  vooral  in  het  Helleensche  tijdvak. 

B.  D.  H. 


INHOUD  VAN  TIJDSCHRIFTEN. 


Zeitschrift  für  Philosophie  uud  philosophischc  Kritik. 

(Dr.  L.  Busse;  Leipzig  Voigtlander). 

Bd.  129  Heft  2. 

A.  Oelzelt-Newin ,  Die  unabliangigen  Realitaten. 
W.  Schallmaier,  Auslesc  beim  Menschen. 
A.   Meinong,   Ueber   die    Stellung  der   Gegenstandstheorie   iin 
System  der  Wissenschaften  II. 

Bd.  130  Heft  1. 

A.  Meinong,  Ueber  die  Stellung  der  Gegenstandstheorie  etc.  III. 

Robert  M.  Wernaer,  Das  asthetische  Symbol. 

Karl  Groos,  Beitrage  zur  Problem  des  „Gegebenen". 

,  Archiv  für  Philosophie. 

(L.  Stein;  Berlin,  Reimer). 

I.  Abteilung  (Archiv.  für  Geschichte  der  Philosophie). 

Bd.  20  Heft  2  (N.  F.  XIII,  2). 

K.  Joel ,  Die  Auffassung  der  kynischen  Sokratik  II. 

H.  Gomperz,  Zur  Syllogistik  des  Aristoteles. 

W.  Capelle,  Zur  antiken  Theodicee. 

P.  Hadelin  Hoffmann,  La  Synthese  doctrinale  de  Roger  Bacon. 

II.  Abteilung  (Archiv  für  Systematische  Philosophie). 
Bd.  12  Heft  4. 
Graf  Keyserling,  Ein  Beitrag  zur  Kritik  des  Glaubens. 


INHOUD  VAN  TIJDSCHRIFTEN.  267 

Frischeizen-Köhler,  Ueber  d.  Grenzen  der  Naturwissenscliaftlichen 

Begriffsbildung. 
Maria  Joachimi-Dege,  Das  Wesen  des  menschlichen  Seelen- iind 

Geisteslebens  I. 
Skala,  Zum  „Kritischen  Idealismus". 

Seligmann,  Der  ökonomische  Güterwert  als  Wille  zur  Arbeit  I. 
Petronievics ,  Ueber  die  Wahrnemung  der  Tiefendimension  I. 

Vierteljahrsschrift  für    WissenschaftUche  Philosophie  and 
Soziologie.  (Paul  Barth ;  Leipzig ,  Reisland). 

31  Jahrg.  Heft  I  (Marz  1907). 

Richard  M.  Meyer,  Der  Ursprung  des  Kausilitatsbegriffes. 
Kurt  Geissler,  Das  Willensproblem. 
Georg  Wernick,  Der  Wirklichkeitsgedanke. 
Paul   Barth,   Die  Geschichte   der   Erziehung  in   soziologischer 
Beleuchtung  VI. 

Kantstudien.  (Vaihinger  und  Baueh;  Berlin  Reuther 
und  Reichard). 

Bd.  XI  Heft  3,  4. 

W.  Trost,  Kants  Teleologie. 

A.  TumarKin,   Zur   transcendentalen   Methode   der  Kantischen 

Aesthetik. 
R.  Eucken,  Ein  neues  Buch  über  Fichte. 
E.  Sünger,  Kants  Auffassung  von  der  Bibel. 
A.  Messer,  Die  Philosophie  im  Beginn  des  XX  Jahrhunderts. 
W.  Reinecke,  Eine  französische  Huldiging  an  Kant. 
I.  Zahlfleisch,  Zu  Kants  Kr.  d.  r.  Vern.  651  (Kehrbach  im  Zus. 

d.  Systems. 

Philosophisches  Jalirbuch  (Gutberlet;  Fulda,  Aktiendrukkerei). 

Bd.  XIX  Heft  4. 

Gutberlet,  Eine  Ethik  des  freien  Wollens. 

Klimke,  der  Instinkt. 

Stehle,  Die  Phantasie  und  ihre  Tatigkeit  (Schluss). 


268  INHOUD   VAN   TIJDSCHRIFTEN. 

Revue  Philosophiquc  de  la  France  et  de  VEtranger 
(Ribot;  Raris,  Alcan). 

Décembre  1906  (31  Année,  No.  12). 

A.  Naville,  La  morale  conditionelle. 

Dugas,  La  fonction  psychologique  du  rire. 

Luqiiet,  Logique  rationelle  et  psychologisme. 

Egger,  Une  illusion  visuelle. 

Richard,   Les  obscurités  de  la  notion  sociologique  de  l'histoire. 

Janvier  1907  (32  Année,  No.  1). 

J.  J.  van  Biervliet,  La  psychologie  quantitative. 

A.  Bertrand,  Esthétique  et  psychologie. 

A.  Bayet,   Sur   la  distinction  du   normal  et  de  palliologique  en 

sociologie. 
J.  Segond,  quelques  publications  récentes  sur  la  morale. 

Février  1907  (32  Année,  No.  12). 

H.  Robet,  Un  Métaphysicien  amcricain  contemporain,  S.  Royce. 
J.  J.  van  Biervliet,  La  psychologie  quantitative. 

F.  Le  Dantec,  Methodes  artificielles  et  naturelles. 

Revue  de  Philosophie  (Peillaube;  Paris,  Chevalier  et  Rivière). 
Décembre  1906  (6  Année,  No.  12). 

G.  Domet  de  Vorges,  Dieu  infini. 

A.  D.  Sertillanges,  La  Connaissauce  de  Dieu. 

N.  Vaschide  et  R.  Meunier,  La  mémoire  des  rêves  et  la  mémoire 

dans  les  rêves  II. 
A.  Veronnet,  La  matière,  les  ions,  les  électrons. 
G.  Cazals,  Une  conception  nouvelle  de  la  personnalité. 
G.  de  Pascal,  Revue  critique  de  Sociologie. 

Janvier  1907  (9  Année,  No.  1). 

J.  Grasset,  La  fonction  du  langage  et  la  localisation  descentres 

psychiques  dans  le  cerveau. 
Ch.  Boucand,  L'être  et  l'amour. 
A.  Veronnet,  La  matière,  les  ions,  les  électrons  II. 
J.  Lebreton,  L'infinité  divine  depuis  Philon  jusqu'a  Plotin. 


INHOUD   VAN   TIJDSCHRIFTEN.  269 

Mind  (Stout;  London ,  Williams  and  Norgate). 

New  Series,  No.  61. 

H.  Rutgers  Marshall,  The  time  Quality. 

H.  A.  Prichard,  A  Criticism  of  the  Psychologist's  Treatment  of 

Knowledge. 
C.  Cator,  The  Structure  of  Reality. 
R.  F.  A.  Hoernlé,  Image,  Idea  and  Meaning. 
T.   M.   Forsyth,  The  Gonception   of  the   Unknown   in  English 

Philosophy. 

Proceedings  of  the  Aristotelian  Society  (London,  Williams  & 

Norgate). 

New  Series  Vol.  VI). 

H.  Rashdall ,  Causality  and  the  principles  of  historical  evidence. 

Sh.  H.  Hodgson,  Teleology. 

G.  E.  Moore,  The  nature  and  reality  of  objects  of  perception. 

J.  Solomon,  Is  the  Conception  of  Good  undefinable? 

T.  P.  Nunn,  The  aims  and  achievements  of  scientific  method. 

F.  Tavani,  On  a  certain  aspect  of  reality  as  intelligible. 

F.  B.  Jevons,  Timelessness. 

Schiller,  Bosanquet  &  Rashdall,  Symposium,  can  logic  abstract 
from  the  psychological  conditions  of  thinking? 

G.  D.  Hicks,  Sense  presentation  and  thought. 

G.  F.  Stout,  New-Kantism  as  represented  by  Dr.  Dawes  Hicks. 
G.  D.  Hicks,  Reply  to  Dr.  Stout. 


BESCHOUWINGEN  OVER  DE  SCHOOLSCHE 

LOGICA  BIJ  HEGEL  EN  BIJ  DE 

NIEUWERE  DUITSCHE 

LOGICI. 

DOOR 

Dr.    B.  FADDEGON. 


I. 

Voornemens  over  eenige  belangrijke  plaatsen  in  Hegels 
kleine  logica  (eerste  deel  der  encyklopaedie)  te  spreken 
in  anderen  geest  dan  waarin  de  Nieuw-Hegelsche  school 
ten  onzent  dit  gewoon  is,  acht  ik  het  noodig,  een  paar 
algemeene  opmerkingen  aan  deze  detail-studie  te  doen 
voorafgaan  en  wel  over  de  beide  punten:  welke  beteekenis 
we  aan  de  Hegelsche  wijsbegeerte  hebben  toe  te  kennen, 
en  van  welken  aard  de  zoogenaamde  moeilijkheden  dezer 
leer  zijn. 

Aanstonds  tot  dit  tweede  punt  weder  terugkeerende,  wil 
ik  thans  alvast  bekennen,  dat  de  moeilijkheden  in  Hegels 
geschriften  mij  geenszins  van  zulk  een  karakter  schijnen  te 
zijn,  dat  daaruit  alleen  het  gemis  van  belangstelling,  zoo 
langen  tijd  er  door  ondervonden,  voldoende  verklaard  kan 
worden;  nog  minder  zijn  de  moeilijkheden  zoodanig,  dat 
een  overwinnen  ervan  ons  een  recht  zou  geven,  om  op- 
is 


272         BESCHOUWINGEN    OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

anderen,  die  hun  geestesarbeid  op  elders  liggende,  vaak 
geenszins  gemakkelijker  problemen  hebben  gericht,  met 
een  zekere  vergevende  meewarigheid  neer  te  zien. 

Maar  er  is  iets  van  meer  gewicht:  Hegel  te  begrijpen, 
hem  te  kunnen  volgen,  zich  in  zijn  boeken  thuis  te  gevoelen, 
wil  volstrekt  nog  niet  zeggen,  door  hem  overtuigd  te  worden. 
De  erkenning  van  Hegel  te  kunnen  leeren,  veel  van  hem 
te  kunnen  leeren,  sluit  volstrekt  niet  in,  Hegel  voor  de 
wijsbegeerte  te  verklaren;  Hegels  verdiensten  te  kunnen 
waardeeren,  staat  volstrekt  niet  daarmee  gelijk,  dat  men  de 
hoofddenkbeelden  zijner  leer,  als  bijv.  de  dialectische  ont- 
wikkeling van  zijn  categorieën-cirkel,  zou  kunnen  aanvaarden. 

Inderdaad  bestaan  er,  meen  ik,  hedendaagsche  richtingen 
van  wijsgeerig  denken,  van  welke  meer  vrucht  voor  de 
toekomst  van  ons  geestelijk  leven  mag  verwacht  worden, 
dan  van  de  Hegelsche  school.  Mogen  we  daarom  al  dank- 
baar zijn,  dat  Hegel  uit  het  stof  der  boeken  ten  onzent 
wederom  tot  een  levende  macht  en  tot  iets  meer  (ver- 
trouwen we)  dan  een  roerige  beweging  is  „opgeheven"; 
mogen  we  al  hopen,  dat  van  deze  groote  daad,  Hegel  in 
ons  land  te  doen  herleven,  althans  zooveel  blijve  bestaan, 
dat  de  studie  van  dezen  denker  een  nimmer  ontbrekend 
bestanddeel  zal  worden  van  de  wijsgeerige  studie  aan  onze 
Hoogescholen  —  geenszins  zou  ik  daaraan  zulk  een  over- 
heerschende  en  uitsluitende  plaats  verzekerd  willen  hebben, 
als  Hegelsche  redelaars  misschien  „zonder  het  te  zeggen, 
toch  zeggen,"  dat  ze  eraan  wenschen  toegekend  te  zien. 

Afgescheiden  van  de  vraag,  welke  beteekenis  de  Hegelsche 
wijsbegeerte  voor  de  wijsgeerige  vorming  in  't  algemeen 
heeft  en  welke  plaats  daarom  bijv.  hem  in  het  Hooger 
Onderwijs  dient  te  worden  ingeruimd,  zeker  is  het,  dat 
Hegel  in  een  geschiedenis  der  nieuwere  wijsbegeerte  niet 
alleen   een  breede  plaats  moet  innemen,  maar  ook  dat  zijn 


BIJ   HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      273 

geschriften  zich  zeer  wel  als  een  inleiding  tot  die  geschie- 
denis laten  gebruiken. 

Op  een  drietal  gronden  laat  deze  groote  beteekenis,  aan 
Hegel  toegekend,  zich  rechtvaardigen:  1.  zijn  stelsel  is  een 
der  laatste  groote  en  oorspronkelijke  pogingen  tot  een  alles 
omvattend  wijsgeerig  systeem,  2.  het  historisch  karakter  zijner 
leer,  3.  de  invloed,  er  door  en  op  de  latere  wijsbegeerte  en 
op  de  geestes-wetenschappen  uitgeoefend. 

Op  blz.  13  van  zijn  werk  over  Die  Grenzen  der  natur- 
wissenschaftlichen  Begrijfsbildung  (\902)  schrijft  H.  Rickert : 

„De  moed  des  wetens  is  ons  nu  eenmaal  gebroken, 
althans  de  moed  in  dien  zin,  als  Hegel  hem  bezat.  Ken- 
nis-theorie is  voor  ons  een  gewetenszaak  geworden  en  we 
willen  naar  niemand  luisteren,  die  verzuimt  zijn  gedachten 
door  haar  te  rechtvaardigen.  Misschien  zal  dit  aan  latere  — 
en  gelukkiger  —  tijden  voorkomen  als  een  teeken  van 
zwakte  1" 

Maar  als  om  den  lezer  weder  op  te  beuren ,  voegt  hij  op 
blz.  14  hieraan  toe:  „Ook  onze  weg  moet  ten  slotte  tot 
een  omvattende  levens-  en  wereldbeschouwing  leiden.  Dit 
is  een  taak,  waaraan  geen  tijd  zich  mag  onttrekken." 

Eenheid  van  levens-  en  wereldbeschouwing,  met  andere 
woorden:  systeem,  stelsel,  dit  is  ten  slotte,  wat  als  ideaal 
allen  wetenschappelijken  arbeid  moet  bezielen.  De  vraag,  aan 
welke  eischen  onze  wetenschappelijke  redeneeringen  moe- 
ten voldoen ,  een  onderzoek  naar  ons  oordeelen,  moge  onont- 
beerlijk zijn  —  het  ideaal  van  een  gesloten  stelsel  moet 
ons  even  goed  voor  den  geest  staan,  wil  alle  wetenschap- 
pelijke arbeid  niet  ijdel  worden.  Even  goed  als  in  de  ethiek 
het  plichtbesef  eenerzijds  een  punt  van  uitgang  vormt, 
maar  ze  toch  anderzijds  het  begrip  van  een  Hoogste  Goed 
tot  aanvulling  behoeft,  aldus  ook  verlangt  onze  logica  het 
Ideaal  des  Systeems. 


274        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

Zulk  een  ideaal  nu  somwijlen  naar  menschelijke  krachten 
of  liever  met  de  krachten  van  het  genie  te  zien  uitgevoerd, 
vermag  een  reeks  van  nakomers  den  noodigen  moed  te 
geven,  om  den  moeilijken  weg  verder  te  gaan.  Plato  en 
Aristoteles  zijn  in  de  oudheid  tot  zulk  een  geheel  opge- 
stegen; maar  hoeveel  belangrijker,  hoeveel  inniger  nog  tot 
onzen  geest  sprekend,  zulk  een  ideaal  wederom  te  zien 
geteekend  door  eenen,  die  en  door  omvang  van  kennis  en 
ook  door  zooveel  eeuwen  van  historische  wereld-ervaring 
boven  de  Oudheid  verheven,  slechts  door  een  betrekkelijk 
kleine  klove  van  ons,  twintigste-eeuwers ,  gescheiden 
staat ! 

Maar  behalve  het  feit,  dat  het  Hegelsche  stelsel  een  der 
laatste ,  zoo  niet  de  laatste ,  grootsche  poging  geweest  is , 
om  stormenderhand  het  ideaal  onzer  wetenschap,  Het  Stelsel, 
te  grijpen,  ook  de  wijze,  waarop  het  beproefd  werd,  en  de 
invloed,  dien  het  ondanks  alle  uiterlijke  verguizing  op  het 
Europeesche  geestesleven  is  blijven  oefenen,  maken  het  voor 
ons  gewichtig. 

Een  der  meest  in  het  oog  vallende  eigenaardigheden  van 
het  Hegelsche  stelsel  toch  is,  gelijk  meermalen  werd  opge- 
merkt, de  groote  beteekenis,  die  voor  haar  de  geschiedenis 
bezit.  Datgene  verder,  waardoor  vooral  de  historie  zich  van 
de  natuurwetenschap  onderscheidt,  is  de  omstandigheid, 
dat  naast  verklaring  hier  bovenal  beoordeeling,  appreciatie, 
op  den  voorgrond  treedt.  Dit  beoordeelende,  teleologische 
karakter  is  ook  aan  de  Hegelsche  wijsbegeerte  in  hooge 
mate  eigen.  Men  kan  zelfs  in  zeker  opzicht  den  categorieën- 
cirkel  niet  als  een  in  zich  zelf  terugkeerende  lijn  beschouwen, 
maar  als  eene  in  één  richting  voortschrijdende,  en  hem 
aldus  opvatten  als  een  opklimmende  waardeschaal.  En  of- 
schoon deze  beschouwing  van  Hegels  leer  slechts  ééne 
zijde  van  het  stelsel  is,  toch  is  het  niettemin  een  belang- 


BIJ    HEGEL    EN    BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.     275 

rijk  feit,  dat  het  een  zijde  is.  Zoo  zegt  Hegel  in  de  tweede 
alinea  van  §  159  der  Encyklopaedie: 

„Terwijl  het  begrip  de  waarheid  is  gebleken  van  zijn  en 
wezen,  welke  beide  in  't  begrip  als  in  hun  grond  zijn 
teruggekeerd,  aldus  heeft  het  zich  omgekeerd  ook  uit  het 
zijn  als  uit  zijn  grond  ontwikkeld.  De  eerste  zijde  van  deze 
voortbeweging  kan  men  beschouwen  als  een  „zich  verdiepen" 
van  het  zijn  in  zich  zelf,  waarvan  't  innerlijke  door  deze 
voortschrijding  is  onthuld;  de  tweede  zijde  is  te  beschouwen 
als  te-voorschijn-koming  van  het  meer  volkomene  uit  het 
onvolkomene." 

Nog  in  andere  opzichten  komt  het  historisch  karakter 
van  de  Hegelsche  wijsbegeerte  uit;  men  behoeft  slechts  te 
denken  aan  de  groote  beteekenis,  die  de  geschiedenis  der 
wijsbegeerte  voor  dit  stelsel  zelf  bezit.  De  beoefenaar  van 
dit  laatste  is  daardoor  telkens  genoodzaakt,  naar  vroegere 
denkers  terug  te  grijpen;  en  ook  als  zoodanig  hebben  zijn 
geschriften  ongetwijfeld  groote  waarde  voor  het  wijsgeerig 
onderwijs. 

Wat  eindelijk  Hegels  invloed  betreft  op  de  geestes- 
wetenschappen, wil  ik  in  plaats  van  de  bewijzen,  hiervoor 
gewoonlijk  aangevoerd  ^) ,  een  voorbeeld  aanhalen  uit  een 
gebied,  waarmee  ik  indertijd  door  mijn  academische  studie 
van  nabij  kennis  heb  gemaakt. 

Wie  de  geschriften  der  laatste  jaren  over  de  vergelijkende 
Indo-Europeesche  taalwetenschap  gevolgd  heeft,  zal  daar 
den  naam  Hegel  zeker  nimmer  ontmoet  hebben;  men  is 
geneigd  te  zeggen,  dat  van  wijsgeerigen  kant  alleen  Hum- 
boldt,  Herbart  en  Wundt  hier  eenigen  invloed  hebben  ge- 
oefend. En  ook  wanneer  men  de  weinige  en  hoogst  beknopte 
plaatsen ,  waar  van  taal  sprake  is ,  in  Hegels  Encyclopaedie 


1)  Vgl.  E.  Bernheim,  Lehrbuch  der  historischen  Methode,  1894,  biz.  531,  en 
W.  Wallage,  Prolegomena  to  the  study  of  Hegei's  Philosophy,  1894,  Ch.  II. 


276        BESCHOUWINGEN   OVER  DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

Opslaat,  zou  men  hier  allerminst  eenigen  invloed  verwachten. 
Bovendien  is  Hegel  in  dit  opzicht  nog  geheel  van  anderen, 
voornamelijk  van  Humboldt  afhankelijk ;  ook  in  diens  meening, 
dat  de  taai-ontwikkeling  slechts  valt  in  praehistorischen  tijd , 
terwijl  met  den  aanvang  der  beschaving  tevens  een  geleidelijk 
verval  der  taal  een  aanvang  neemt.  „Hetschijnt  (zegt  Hegel, 
Encykl.  §  459,  einde  alinea  2),  dat  de  taal  der  beschaafdste 
volkeren  de  onvolkomener  grammatica;  en  dezelfde  taal  bij 
een  onbeschaafder  toestand  van  een  volk  een  volkomener 
spraakkunst  heeft  dan  bij  een  meer  beschaafden."  Overigens 
kan  men  deze  geheele  meening  moeilijk  uitsluitend  aan 
Humboldt  en  Hegel  toekennen;  ze  is  niet  anders  dan  het 
uitvloeisel  geweest  der  gangbare  overschatting  van  de  beide 
klassieke  en  geringschatting  der  moderne  talen. 

Schijnt  het  dus  op  het  allereerste  gezicht,  dat  Hegel  op 
de  taaistudie  in  't  geheel  geen  invloed  heeft  gehad,  'zoo 
blijkt  bij  nader  toezien  toch  juist  het  omgekeerde  't  geval. 
Doordat  namelijk  de  verdienstelijke  taalgeleerde  Schleicher, 
de  dialectische  trichotomie  in  de  taalontwikkeling  heeft 
trachten  aan  te  wijzen  ^),  heeft  zich  de  invloed  van  Hegel 
ook  in  de  moderne  taalbeschouwingen  doen  gevoelen,  zoo- 
wel in  de  taai-classificaties,  die  men  in  geografische  werken 
pleegt  aan  te  treffen,  als  ook  in  de  hoofddenkbeelden  der 
Indo-Europeesche  taaivergelijking. 

Het  boek  van  Otto  Jespersen,  Progress  in  Language, 
in   1894  verschenen,  stelt  zich  ten  taak  beide  denkbeelden 


1)  Schleicher  onderscheidde  daarbij  een  „wortel-isoleerend,"  een  „aggluti- 
neerend"  en  een  „flecteerend"  stadium.  Hij  omschrijft  deze  aldus  (Sprachvgl. 
Unters.,  l,  10):  „War  das  erste  die  differenzlose  identitat  von  beziehung  und 
bedeutung,  das  reine  ansich  der  beziehung,  das  zweite  die  differenzierung  in  be- 
ziehungs-  und  bedeutungslaute  —  das  heraustreten  der  beziehung  in  ein  ge- 
sondertes,  lautliches  dasein  für  sich  —  so  ist  das  dritte  das  aufheben  jener 
differenz,  das  sich  zusammenschliessen  derselben,  die  rücitkehr  zur  einheit, 
aber  zu  einer  unendlich  höheren  einheit,  weil  sie  aus  der  differenz  erwachsen, 
diese  zu  ihrer  voraussetzung  hat  und  als  aufgehoben  in  sich  befasst." 


Bij    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.     277 

te  bestrijden,  zoowel  de  voorstelling  van  een  voortgaande 
taalontaarding  in  de  historische  periode,  als  ook  de  tricho- 
tomie  in  taai-ontwikkeling  van  wortel-isoleering  uit  door 
agglutinatie  tot  flectie.  En  ofschoon  men  gewis  meer  en 
meer  zal  inzien,  dat  de  drieledige  taai-classificatie  voorbarig 
is  geweest  en  men  hier  langs  empirischen  weg  verder 
moet  komen,  evenals  op  het  gebied  der  descriptieve  natuur- 
wetenschappen, zoo  is  het  anderzijds  toch  de  vraag,  als 
men  bijv.  let  op  de  uitingen  van  B.  Delbrück,  Grundfragen 
der  Sprachforscliung,  1904,  blz.  113  vgg.,  of  men  in  de 
Indo-Europeesche  linguistiek  het  denkbeeld  dezer  drie 
stadiën  zal  opgeven. 

In  zijn  Prolegomena  to  the  stady  of  Hegel's  Philosophy 
heeft  W.  Wallage  reeds  als  allereerste  hoofdstuk  gekozen: 
Why  Hegel  is  hard  to  understand.  En  hij  geeft  daar  een 
verklaring  van,  die  alle  schuld  van  Hegel  af  en  op  den 
beoefenaar  wentelt. 

Ik  twijfel  er  aan,  of  Wallace's  verklaring  juist  is  en  of 
de  „uncertain  latitude  of  meaning"  door  hem  aan  de  taal 
en  de  uitdrukkingswijze  van  den  lezer  toegeschreven,  niet 
met  evenveel  recht  aan  Hegel  kon  verweten  worden.  En  in 
verband  daarmee  vraag  ik  me  af,  of  Wallace  niet  al  te  ver- 
goelijkend Hegel  beoordeelt,  wanneer  hij  (op  blz.  11  noot) 
opmerkt,  dat  hij  het  „al  te  prozaïsch"  zou  vinden  te  willen 
[  ontkennen,  dat  onder  de  oppervlakte  van  het  woordspel 
zich  een  diepere  gedachte  telkens  verbergt. 

In  plaats  van  Hegels  moeilijkheid  uitsluitend  of  voor- 
namelijk te  wijten  aan  een  geestes-traagheid  zijner  lezers, 
zou  ik  het  feit,  dat  Hegel  zoolang  vergeten  kon  worden, 
liever  toeschrijven  aan  het  zich  verbrokkelende  en  in  bizon- 
derheden  zich  verliezende  denken  der  negentiende  eeuw. 
Met  andere  woorden,  niet  de  noodige  geesteskracht,  maar 


278       BESCHOUWINGEN   OVER    DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

de  vereischte  belangstelling  en  sympathie  ontbrak  den  geesten. 
Gemis  aan  belangstelling  had  noodwendig  gemis  aan  begrip 
ten  gevolge;  de  algemeene  afkeer  van  wijsgeerige  bespiegeling 
bracht  van  zelf  mede  onverschilligheid  en  minachting  voor 
hem,  in  wien  dit  streven  naar  eenheid  van  denken  het 
sterkst  had  geleefd;  leidde  er  van  zelf  toe  dat,  hetgeen  zwak 
en  vergankelijk  bij  hem  was,  in  den  breede  werd  uitgemeten. 

Eerst  wanneer  deze  noodige  ontvankelijkheid  van  den 
geest  is  gevonden,  lossen  de  technische  moeilijkheden  van 
Hegels  werken  zich  voor  den  geduldigen  en  doorzettenden 
lezer  gestadig  op.  Het  groote  aantal  termini,  die  hij  in 
bepaalden,  eigen  zin  heeft  geijkt,  termen  als  Dasein, 
Existenz,  Wirklichkeit,  Begriff ;  concret,  abstract ;  unrnittelbar, 
bemittelt,  unmittelbar  geworden;  aufgehoben;  negative 
Beziehung  auf  sich;  enz.  houden  op,  dan  langer  verbijs- 
terend te  werken.  De  vaak  gecompliceerde  bouw  der 
zinnen,  het  schoolsche  en  formuleachtige  der  uitdrukking, 
kunnen  voor  een  lezer,  die  er  niet  tegen  op  ziet,  hier  en 
daar  een  moeilijke  passage  voor  zich  te  vertolken  of  in 
eigen  woorden  te  omschrijven,  zeker  geen  onoverkomelijke 
hinderpalen  vormen. 

Behalve  de  taal  en  de  vorm ,  biedt  echter  ook  de  gedachte- 
gang vaak  moeilijkheden  aan  van  zulk  een  aard,  dat  ze, 
naar  het  mij  voorkomt,  niet  aan  den  lezer,  maar  inderdaad 
den  schrijver  moeten  geweten  worden. 

Ofschoon  de  dialectische  gedachtegang,  als  aan  ééne  zijde 
het  karakter  eener  opklimmende  ontwikkelingsleer  ver- 
toonende ,  tal  van  problemen  voor  ons  heeft  gesteld  en  er 
zelf  een  voorloopig  antwoord  op  heeft  gegeven ,  zoo  is 
het  toch  de  vraag,  of  we  dien  dialectischen  denkgang, 
in  de  eigenlijke  beteekenis,  die  we  er  naar  de  strekking 
van  Hegels  systeem  aan  dienen  toe  te  kennen,  kunnen 
laten  gelden. 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE  NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      279 

Zelfs  al  konden  we  aan  den  geheelen  dialectischen  cate- 
gorieën-cirkel met  zijn  voortgang  door  thesis,  antithesis  en 
synthesis  iets  meer  dan  een  louter  antiquarische  waarde 
toekennen  —  zelfs  dan  nog  voelen  we  in  de  uiteenzetting 
van  dezen  trichotomischen  voortgang  zoo  vaak  vAllekeur, 
stroefheid  en  inconsequentie,  dat  we  weliswaar  den  draad 
niet  kwijtraken ,  maar  toch  allerminst  ons  overtuigd  gevoelen. 
En  sterker  nog  wordt  dit  gevoel  van  willekeur,  wanneer 
we,  leerlingen  en  volgelingen  van  Hegel  naast  het  origineel 
leggende,  telkens  nieuwe  verschuivingen  en  wijzigingen 
zien  aangebracht  en  aldra  na  eenige  oefening  ons  zelf 
eveneens  tot  zulke  veranderingen  in  staat  gevoelen. 

Wanneer  dit  stelsel  inderdaad  in  de  rede  ligt  (zoo  dringt 
het  zich  aan  mij  op),  dan  behoorde  het  een  karakter  van 
innerlijke  symmetrie  en  harmonie  ook  volkomen  te  bezitten, 
ja  zelfs  in  het  aantal  der  onderverdeelingen  zouden  we 
wenschen,  dat  op  het  gebied  der  logica  ook  orde  bestond. 

We  zien  nu,  dat  in  Hegels  kleine  Logica^)  (Encykl. 
§  83)  de  drie  hoofdafdeelingen  der  logica  met  de  Romeinsche 
cijfers  I,  II,  III,  zijn  aangeduid;  de  onderverdeeling  dezer 
drie  deelen  wordt  vervolgens  aangegeven  met  de  hoofd- 
letters A,B,C',  de  daarop  volgende  verdeelingen  meta,  6,  c; 
de  daarop  volgende  met  a,  p,  y. 

In  de  wezensleer  (II)  vinden  we  verder  volgens  Hegels 
eigen  aanduidingen  de  volgende  verdeeling: 

A.  Das  Wesen  als  Grund  der  Existenz. 
a.  Die  reinen  Reflexionsbestimmungen. 

a.  Identitat  —  ^.  Unterschied  —  y.  Grund. 
h.  Existenz. 
c.  Das  Ding. 


1)  Om  den  gedachtegang  van  mijn  opstel  niet  te  ingewikkeld  te  maken, 
moet  ik  (tot  mijn  spijt)  mij  hier,  evenals  elders,  onthouden  van  een  ver- 
gelijking met  Hegels  groote  logica  en  uiteenzettingen  zijner  volgelingen. 


280        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

a.  Eigenschaften  —  /?.  Materien  —  y.  Materie  und  Form. 

B.  Die  Erscheinung. 

a.  Die  Weit  der  Ersclieinung. 

b.  Inlialt  und  Form. 

c.  Das  Verlialtniss. 

a.  Das  Ganze  und  die  Tiieile  —  /?.  die  Kraft 
und  ihre  Aüsserung  —  y.  das  Innere  und  das 
Aüssere. 

C.  Die  Wirlclichi^eit. 

a.  Möglichi<eit  —  /?.  Zufalligkeit  —  y.  Notii- 
wendiglceit. 

a.  Substantialitats-Verlialtniss. 

b.  Kausalitats-Verhaltniss. 

c.  Die  Wechselwirlcung. 

Tegen  deze  geiieele  categorieën-classificatie  laten  zich 
uit  een  oogpunt  van  symmetrie  verscheidene  bezwaren  in 
't  midden  brengen.  Vooreerst  zou  men  de  onderverdeeling 
van  „C.  die  Wirklichkeit"  aldus  wenschen: 

a.  Möglichkeit. 

b.  Zufalligkeit. 

c.  Nothwendigkeit. 

a.  Substantialitats-Verhaltniss  —  /?.  Kausalitats-Ver- 
haltniss —  y.  Die  Wechselwirkung, 
waarbij  dus  deze  drie  laatste  categorieën  als  onderverdeeling 
van  de  noodzakelijks-categorie  voorkomen.  Maar  behalve  dat 
men  zich  verwondert,  waarom  Hegel  zelf  zulk  een  rang- 
schikking niet  door  de  keuze  zijner  letters  heeft  aangeduid, 
blijft  men  in  dit  aldus  verkregen  schema  de  vergeefsche 
poging  voelen,  om  de  6  laatste  categorieën  van  Kants 
twaalfledige  tafel  in  't  eene  ledige  vakje  „C.  Wirklichkeit" 
onder  dak  te  brengen.  De  categorie  „noodzakelijkheid"  ver- 
krijgt bij  deze  wijziging,  uit  een  oogpunt  van  symmetrie, 
een  onevenredige  zwaarte  tegenover  de  beide  voorafgaande. 


BIJ   HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      281 

Soortgelijke  bezwaren  doen  zich  ook  tegen  de  rest  van 
het  schema  gelden.  De  categorie  „die  Welt  der  Erscheinung" 
is  weinig  anders  dan  een  vak-vulling.  De  categorie  Aa  „die 
reinen  Reflexionsbestimmungen"  geeft  aanleiding  tot  een 
«,  /?,  7;  eveneens  Ac  „das  Ding."  Waarom  blijft  Ab  „die 
Existenz"  zoo  eenzaam  staan?  En  waarom  keert  ze  dan 
later  weer  als  hoofd-categorie  B  „die  Erscheinung"  terug, 
zoodat  het  tusschengeplaatste  „Ding"  een  ware  sta-in-den- 
weg  wordt?  Waarom  komt  „Materie  und  Form"  Ac 7  later 
nog  eens  als  „Inhalt  und  Form"  terug?  ^) 

Als  een  ander  voorbeeld  van  inconsequentie  of  althans 
van  wantrouwen  wekkende  rekbaarheid  noem  ik  Encykl. 
§  85.  „De  logische  categorieën  in  't  algemeen  kunnen  als 
definities  van  het  Absolute,  als  de  metaphysische  definities 
Gods,  worden  beschouwd;  meer  bizonder  slechts  de  eerste 
eenvoudige  categorie  eener  sfeer,  en  dan  de  derde,  daar 
deze  den  terugkeer  uit  de  differentie  tot  de  eenvoudige  be- 
trekking-op-zichzelf  uitmaakt".  Hiermee  is  te  vergelijken 
§  87,  waar  de  „tweede  definitie  van  't  Absolute"  wordt  gege- 
ven, „dat  het  het  Niets  is."  Het  niets  is  echter  een  tweede 
categorie  eener  sfeer,  nam.  categorie  ,<?  van  sfeer  I.  A.  a. 
En  verder  §  194,  waar  de  definitie  gegeven  wordt  „het 
Absolute  is  het  object" ,  ofschoon  het  object  of  't  objectieve 
begrip   weer  een   categorie  is  van  tweeden  aanleg  (III  B). 

Van  meer  belang  echter  is  de  stroefheid,  waarmee  de 
Kantsche  oordeelsclassificatie  van  4X3  oordeelsvormen 
onder   den    trichotomischen   vorm    is    ingedeeld  ^).    In   den 

1)  H.  LoTZE,  Geschichte  der  deutschen  Philosophie  seit  Kant,  Diktate  aus 
den  Vorlesungen,  1894,  Iaat  zich  in  dezer  voege  over  de  wezensleer  uit:  „Es 
ist  nicht  zu  leugnen,  das  Hegel  ganz  besonders  in  dieseni  Buch  dieselben 
Gedanken  in  vielfach  verschiednen  Formen  wiederholt  und  selbst  manche 
irrige  Ansichten,  die  bloss  in  der  Geschichte  der  Philosophie  entstanden  sind, 
als  notwendige  Glieder  der  dialektischen  Entwicklung  des  Absoluten  be- 
handelt." 

2)  We  komen  hierop  in  't  vervolg  van  't  opstel  nog  terug. 


282        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

Zusatz  van  §  171  merkt  Hegel  namelijk  op,  dat  de  oor- 
deelsvormen  in  hun  ontwikkeling  wederom  denzelfden  voort- 
gang moeten  vertoonen,  als  die  door  de  hoofdrubrieken 
zijn  (qualiteit) ,  wezen  (reflectie)  en  begrip  wordt  aangeduid. 
Maar,  wordt  door  hem  opgemerkt,  in  de  wezensieer  is  de 
„spiegeling"  typisch ,  derhalve  krijgen  we  van  de  wezens- 
oordeelen  een  dubbel  drietal,  het  drietal  der  reflectieoor- 
deelen  (d.  w.  z.  oordeelen  met  praedicaten,  die  een  betrek- 
king aanduiden  als  nuttig,  zwaar,  enz.,  en  vervallende  in 
't  singuliere,  het  bizondere  en  het  algemeene  oordeel)  en  de 
zoogenaamde  noodzakelij kheidsoordeelen  (categorisch  oordeel 
enz.,  uitdrukkende  een  betrekking  tusschen  genera  en  species). 
De  lezer  had  zeker  wel  recht  te  vernemen,  waarin  deze 
spiegeling  tusschen  de  reflectieoordeelen  en  de  noodzake- 
lijkheids-oordeelen  bestaat! 

De  laatste  opmerkingen  hebben  me  reeds  aan  de  grenzen 
van  't  bizondere  onderwerp  mijner  studie  gebracht:  Hegels 
behandeling  der  traditioneele  logica  en  wel  inzonderheid 
zijn  bespreking  van  de  denkwetten,  van  't  oordeel  en  de 
sluitrede. 

Ofschoon  de  vooruitgang  der  wetenschappen  in  de  19e 
eeuw  vooral  op  het  gebied  der  bizondere  wetenschappen, 
met  name  op  dat  van  de  natuurstudie  plaats  greep,  noch- 
tans heeft  er  in  de  onderdeden  der  wijsbegeerte  niet  ge- 
heel en  al  stilstand  geheerscht;  en  ook  in  de  behandeling 
der  logica  valt  vooruitgang  waar  te  nemen.  Vooreerst  gaf 
de  ontwikkeling  der  natuurwetenschap  zelf  aanleiding  tot 
een  onderzoek  harer  methode,  een  vak  van  studie,  dat  men 
somwijlen  met  den  naam  inductieve  logica  pleegt  aan  te 
duiden.  Doch  ook  aan  de  schoollogica  was  het  niet  langer 
gegund  in  de  oude  gedaante  voort  te  bestaan.  De  ontwik- 
keling  greep    hier  in  tweeërlei  richting  plaats.  Deels  zocht 


BIJ    HEGEL    EN   BIJ   DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      283 

men  op  het  voorbeeld  van  Hamilton  de  geheele  syllogis- 
tiek  terug  te  brengen  tot  een  rekenen  met  begripsomvan- 
gen ;  het  oordeel  werd  daarbij ,  op  de  wijze  van  een  alge- 
braïsche vergelijking,  beschouwd  als  een  gelijkstelling  van 
aequipollente  begrippen,  hetgeen  bereikt  werd  door  ook  het 
praedicaatsbegrip  te  quantificeeren ;  de  sluitrede  werd  daarbij 
beschouwd  (als  bij  de  oplossing  van  meerdere  algebraïsche 
vergelijkingen)  als  de  „eliminatie"  van  een  gemeenschap- 
pelijken  derden  term,  waardoor  de  beide  overige  termen 
met  elkander  in  verband  worden  gebracht  en  hun  omvangs- 
verhouding  wordt  vastgesteld.  Ofschoon  zich  niet  laat  ont- 
kennen, dat  het  syllogistisch  redeneeren  in  zulk  een  alge- 
braïsch formuleschrift  kan  worden  omgezet,  zoo  blijkt  deze 
richting  toch  overigens  niets  dan  een  zinledig  en  overbodig 
geknutsel  te  zijn. 

Behalve  de  richting  van  Hamilton  laat  zich  in  de  nieuwere 
logica  ook  de  teleologische  van  Lotze  en  Sigwart  onder- 
scheiden. Daar  Sigwart  in  tijd  de  jongere  is  en  zijn  uiteen- 
zettingen vaak  de  voorkeur  verdienen,  zal  ik  mij  in  het 
volgende  hoofdzakelijk  tot  een  tegenstelling  tusschen  Hegel 
en  Sigwart  bepalen  en  trachten,  daarbij  gronden  te  geven  voor 
mijn  meening,  dat  een  Nieuw-Hegelsch  stelsel,  dat  op  de 
hoogte  van  zijn  tijd  wil  zijn,  inderdaad  een  dieper  ingrijpende 
omwerking  van  het  oorspronkelijke  diende  te  geven,  dan 
vele  Nieuw-Hegelianen  zich  bewust  schijnen  te  zijn. 


II. 


Drie  onderwerpen  uit  de  traditioneele  logica  heb  ik  ter 
bespreking  uitgekozen :  de  leer  der  denkwetten,  van  't  oor- 
deel en  der  sluitrede.  Zooals  uit  het  volgende  blijken  zal, 
hangen  deze  onderwerpen  zoodanig  samen,  dat  men  eener- 
zijds   in   de  schoolsche  behandeling  der  logica  de  denkwet 


284       BESCHOUWINGEN   OVER   DE  SCHOOLSCHE   LOGICA 

der  identiteit  als  grondslag  heeft  willen  beschouwen  van 
't  oordeel,  terwijl  anderzijds  de  denkwet  van  den  toereikenden 
grond  inderdaad  de  basis  van  het  syllogisme  uitmaakt. 
De  bespreking  dezer  drie  punten  kan  daardoor  een  samen- 
hangend geheel  vormen.  Daarentegen  heb  ik  de  leer  van 
het  begrip  onvermeld  gelaten,  daar  deze  voor  een  ver- 
gelijking tusschen  Hegel  en  Sigwart  geen  voldoende  aan- 
knoopingspunten  bood. 

De  beschouwingen  van  Hegel  nu,  waarmee  we  ons  zullen 
bezighouden,  komen  voor  op  twee  verschillende  plaatsen 
in  zijn  Encyklopaedie.  De  leer  der  denkwetten  wordt  be- 
sproken in  de  eerste  onderafdeeling  der  eerste  afdeeling 
van  de  Wezensleer  (II  A  a);  de  leer  van  oordeel  en 
syllogisme  in  de  tweede  en  derde  onderafdeeling  van  de 
eerste  afdeeling  der  Begripsleer  (III  A  6  en  c). 

Verder  moet  opgemerkt  worden,  dat  de  denkwetten  en 
ook  oordeel  en  sluitrede  bij  Hegel  meer  als  ontologische 
beginselen  dan  als  grondregels  van  het  bewuste  denken 
zijn  te  beschouwen.  (Vgl.  o.  a.  Encykl.  §  162  alinea  2, 
§  166  Zusatz  laatste  helft).  Toch  behoeft  deze  omstan- 
digheid ons  niet  te  verontrusten;  immers  al  bevinden  zich 
Hegels  beschouwingen  over  denkwet,  oordeel  en  sluitrede 
nog  op  het  gebied  der  logica,  als  in  een  „schimmenrijk," 
waar  zich  natuur  en  geest  nog  niet  hebben  gediffferenti- 
eerd,  in  een  gebied  dus  van  onzienlijke  en  onvoorstel- 
bare abstracties,  nochtans  hebben  ze  wel  degelijk  even 
goed  —  al  is  het  dan  ook  voor  ééne  zijde  —  betrekking 
op  het  (bewuste)  denken.  En  even  zeker  is  het,  dat 
Hegels  beschouwingen  in  hooge  mate  afhankelijk  geweest 
zijn  van  de  behandeling  der  schoollogica,  zooals  hij  die 
bij  zijn  tijdgenooten  vond.  Met  name  is  Kants 'classificatie 
der  oordeelen  en  de  daarop  gebaseerde  categorieënleer 
voor   den    opbouw   van    Hegels    geheele   logica  en  vooral 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.     285 

voor  zijn  behandeling  van  het  oordeel  van  groote  beteekenis 
geweest. 

Zooals  reeds  gezegd,  maakt  de  behandeling  van  de 
denkwetten  den  eersten  sector  der  Wezensleer  uit.  Het  is 
daarom  noodig,  beknopt  aan  te  duiden,  wat  Hegel  onder 
wezen  verstaat.  Trachtende  mij  verstaanbaar  te  maken  ook 
voor  hen,  die  nog  niet  zulk  een  bedrevenheid  in  Hegelsche 
terminologie  bezitten,  als  de  lezer  boven,  in  een  noot,  den 
linguïst  Schleicher  aan  den  dag  kon  zien  leggen,  moet  ik 
me  hierbij  met  mijn  eigen  woorden  en  omschrijvingen 
behelpen.  Toch  komt  me  deze  handelwijze,  ondanks  haar 
gevaren,  verkieslijk  voor  boven  een  vertaling  van  losse 
citaten. 

'k  Zou  dan  in  eigen  uitdrukkingswijze  het  Wezen  aldus 
willen  omschrijven,  dat  deze  categorie  uitdrukt,  hoe  de 
menschelijke  wetenschap  er  noodwendig  toe  komen  moet, 
om  achter  de  onmiddellijke  waarneembaarheden  een  waarlijk 
Wezen  te  zoeken,  dat  er  den  grond  van  vormt.  Dit  Wezen 
nu,  dit  dviois  élvai,  ZOO  kunnen  we  verder  redeneeren  of 
dialectiseeren ,  moet  in  de  allereerste  plaats  hierdoor  ge- 
kenmerkt worden,  dat  het  met  zich  zelf  identiek  blijft. 
Dit  geeft  alvast  de  categorie  der  Identiteit.  Maar  alleen 
geloovende  in  een  identiek  wezen,  zouden  we  niet  tot  een 
begrip  kunnen  komen  van  de  wereld  der  verschijnselen, 
daar  moet  iets  verschillends  zijn  van  dit  identieke  wezen; 
dat  identieke  wezen  moet,  al  identiek  blijvende,  zich 
tevens  differentieeren.  Aldus  is  de  categorie  Identiteit  over- 
gegaan in  de  categorie  Verschil.  Maar  deze  categorieën 
Identiteit  en  Verschil  zijn  achteraf  beschouwd  van  dien 
aard,  dat  de  een  de  ander  vooronderstelt;  dat  de  een 
slechts  dank  zij  de  andere  gedefinieerd  en  begrepen  kan 
worden:  ze  reflecteeren  zich  in  elkander. 

Doch  nu  —  we  volgen  de  groepeering  der  kleine  Logica  — 


286     BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

doet  zich  de  vraag  voor:  welke  is  de  synthesis  van  Iden- 
titeit en  Verschil?  Het  antwoord  luidt:  de  categorie  Grond. 
Nemen  we  bijv.  een  regenbui,  ^)  die  uit  de  wolken  neerstort. 
Eerst  zien  we  boven  ons  de  donkere,  dreigende  wolken, 
dan  onder  onze  voeten  de  vuile,  drabbige  straten.  En  toch 
zijn  beide  toestanden  één  en  hetzelfde  water,  dat  zich 
eerst  op  een  hoogte  van  vele  torens  boven  de  aarde  bevond 
en  dan  zich  onder  onze  voeten  over  den  bodem  heeft  uit- 
gebreid. Er  is  identiteit:  hetzelfde  water;  er  is  verschil: 
eerst  dampvormig,  nu  vloeibaar,  eerst  boven,  nu  beneden. 
We  hebben  hier  één  voorbeeld  van  hetgeen  we  zooal 
onder  Grond  kunnen  verstaan;  ook  aan  een  daad  of  aan 
een  betoog  hadden  we  een  voorbeeld  kunnen  ontleenen. 

Van  de  drie  categorieën  identiteit,  verschil  en  grond 
wordt  de  tweede  door  Hegel  weder  onderverdeeld  in  l.het 
onmiddellijk  onderscheid:  het  verschil,  waarbij  zich  aan- 
sluiten gelijkheid  en  ongelijkheid,  2.  positiviteit  en  nega- 
tiviteit. 

De  bespreking  der  denkwetten  nu  geschiedt  als  volgt. 

Onder  het  hoofd  „«  Identitat"  §  115  alinea  4  het  prin- 
cipium  identitatis : 

„De  categorieën  (Bestimmungen)  van  het  wezen,  als 
'wezenlijke'  praediceeringen  (Bestimmungen)  beschouwd, 
worden  dan  praedicaten  van  een  voorondersteld  subject, 
dat  —  daar  de  praediceeringen  wezenlijk  zijn  —  'alles'  moet 
zijn.  De  stellingen,  die  daardoor  ontstaan,  zijn  tot  'alge- 
meene  denkwetten'  verklaard. 

„De  stelling  der  identiteit  luidt  hiernaar :  alles  is  met  zich 
identisch;  A  =^  A;  en  negatief:  A  kan  niet  tegelijk  A  en 
niet  A  zijn. 

„Deze    stelling    (Satz),    verre    van    een   ware    denkwet 


1)  Hegel  geeft  dit  voorbeeld  eigenlijk  in  ander  verband. 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI      287 

(redewet)  te  zijn,  is  niets  dan  de  wet  van  het  abstracte 
verstand.  De  vorm  van  den  zin  (Satz),  waarin  de  stelling 
is  uitgedrukt,  is  reeds  met  zich  zelf  in  tegenspraak,  daar 
een  zin  ook  een  onderscheid  tusschen  subject  en  praedicaat 
doet  verwachten,  terwijl  deze  stelling  of  zin  niet  volbrengt, 
wat  zijn  vorm  verlangt. 

„Verder  wordt  deze  stelling  ook  door  de  volgende  zoo- 
genaamde denkwetten  opgeheven,  die  het  tegendeel  van 
deze  wet  tot  wetten  maken." 

Onder  het  hoofd  „/?.  Unterschied,  1.  unmittelbarer  Unter- 
schied  [oder]  Verschiedenheit"  §  117  alinea  3  het  principium 
indiscernibilium :  ^) 

„Het  verschil  is  eveneens  in  een  stelling  omgezet,  in  deze: 
dat  alles  verschillend  is,  of  dat  er  geen  twee  dingen  zijn, 
die  elkander  volkomen  gelijk  zijn. 

„Hier  wordt  aan  alles  het  tegengestelde  praedicaat  ge- 
geven van  hetgeen  in  de  eerste  stelling  der  identiteit  was 
gepraediceerd.  Derhalve  hier  wordt  een  wet  gegeven,  die 
met  de  eerste  wet  strijdt. 

„Toch  zou,  inzooverre  het  verschil  slechts  een  uiterlijke 
vergelijking  geldt,  iets,  op  zich  zelf  genomen,  slechts  met 
zich  identisch  zijn,  en  zoo  deze  tweede  stelling  met  de 
eerste  niet  tegenstrijdig  zijn.  Dan  echter  komt  het  verschil 
aan  het  iets  of  het  alles  niet  toe;  het  maakt  geen  wezenlijke 
bizonderheid  (Bestimmung)  van  het  subject  uit;  deze  geheele 
tweede  stelling  kan  aldus  in  het  geheel  niet  volgehouden 
worden." 


1)  W.  Wallach  geeft  hier  de  volgende  noot:  The  principle  of  individuationor 
indiscernibility  is:  'If  two  individuais  were  perfectly  alike  and  equal  and,  in 
a  word,  indistinguishable  by  themselves,  there  would  be  no  principle  of  in- 
dividiiation' :  (Leibniz,  ed.  Erdm.  p.  277).  Poser  deux  choses  indiscernables 
est  poser  la  même  chosc  sous  deux  noms  (p.  756).  Principium  individuationis 
idem  est  quod  absolutae  specificationis  qua  res  ita  sit  determinata,  ut  ab 
aliis  omnibus  distingui  possit. 

19 


288        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

Onder  het  hoofd  „/?.  Unterschied ,  2.  Unterschied  an 
sich  [oder]  das  Positive  und  das  Negative,"  §  119  alinea  2 
het  principium  tertii  exclusi: 

„Het  wezenlijke  onderscheid  (Unterschied  an  sich)  levert 
de  stelling  op:  alles  is  wezenlijk  onderscheiden,  —  of  zoo- 
als  ze  ook  uitgedrukt  is:  van  twee  tegengestelde  praedicaten 
komt  aan  iets  slechts  het  eene  toe,  en  een  derde  is  niet 
mogelijk. 

„Deze  stelling  der  tegenstelling  of  oppositie  (Gegensatz) 
spreekt  uitdrukkelijk  de  stelling  der  identiteit  tegen,  daar 
volgens  de  eene  stelling  iets  slechts  betrekking  op  zich  is, 
volgens  de  andere  iets  echter  een  tegengesteldheid,  een 
betrekking  op  zijn  anderheid  is.  ^)  Het  is  de  eigenaardige 
gedachteloosheid  der  abstractie,  om  twee  zulke  weerspre- 
kende stellingen  als  wetten  naast  elkaar  te  plaatsen,  zonder 
ze  ook  maar  te  vergelijken." 

Onder  hetzelfde  hoofd,  §  119  alinea  4,  het  principium 
contradictionis  : 

„Terwijl  vergeten  wordt,  dat  identiteit  en  tegengesteldheid 
(oppositie)  zelf  tegenstrijdig  zijn,  wordt  de  stelling  der 
tegenstelling  (principium  tertii  exclusi)  ook  genomen  als 
stelling  der  identiteit,  in  den  vorm  der  tegengesteldheid, 
en  een  begrip,  waaraan  geen  van  twee  contradictorische 
kenmerken  of  beide  toekomen,  voor  logisch  valsch  ver- 
klaard, als  bijv.  een  vierkante  cirkel." 

Onder  het  hoofd  „y  der  Grund"  §  121  alinea  2,  het 
principium  rationis  sufficientis. 

„De  stelling  van  den  grond  luidt:  alles  heeft  een  toe- 
reikenden grond,  d.  w.  z.  noch  de  praediceering  van  iets 
als    identisch    met   zich,    noch    als   verschillend,    noch   als 


1)  Het  Duitsch  spreekt  hier  van  „sein  anderes,"  hetgeen  dus  iets  meer  wil 
zeggen  dan  „ein  anderes."  Het  enkele  verschil  kent  slechts  een  aliud-aliud; 
de  tegenstelling  een  alterum-alterum. 


BIJ    HEGEL    EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      289 

enkel  positief  of  enlcel  negatief,  is  de  ware  wezenlijkheid 
van  iets.  Maar  daarin  is  deze  gelegen,  dat  het  zijn  Zijn 
heeft  in  wat  anders,  hetwelk,  als  het  identische-met-zich 
van  dat  iets,  er  het  wezen  van  is." 

Van  de  boven  opgenoemde  denkwetten  zou  volgens  de 
traditioneele  logica  het  principium  identitatis  het  wezen  van 
't  oordeel  uitdrukken.  En  niet  alleen  bij  Hamilton,  maar  ook 
bij  Lotze  ligt  deze  beschouwing  ten  grondslag. 

Lotze's  meeningen  hierover  zal  ik  weergeven  naar  zijn 
Grundzüge  der  Logik  und  Encyklopaedie  der  Philosophie, 
Diktate  aus  den  Vorlesungen,  1902.  Om  zijn  beknoptheid 
is  dit  werkje  voor  mijn  doel  geriefelijker,  daar  het  er  mij 
niet  om  te  doen  is,  Lotze's  denkbeelden  volledig  te  doen 
kennen,  dan  wel  om  te  betoogen,  dat  de  opvatting  van 
het  oordeel  als  een  identificatie,  als  A  =  A,  onjuist  is  en 
terecht  door  Sigwart  is  gecorrigeerd. 

Onder  den  titel  „System  der  Urteilsformen"  geeft  Lotze 
een  classificatie  van  de  oordeelen,  die  in  uitvoering  ten 
zeerste  verschillend,  toch  in  de  hoofdgedachte  blijkbaar  van 
Hegel  afhankelijk  is.  Ook  deze  classificatie  immers  bedoelt 
een  schaal  van  steeds  hooger-waardige  oordeelsvormen  te 
geven. 

In  §  24  dan  van  het  aangehaalde  boekje  noemt  Lotze  als 
den  eenvoudigsten  oordeelsvorm  den  onpersoonlijken.  —  „De 
naaste  stap  voorwaarts  (zegt  hij  in  §  25)  moet  daarin  be- 
staan, dat  de  hier  slechts  aangeduide  splitsing  van  den 
voorgestelden  inhoud  in  S  en  P  door  aanneming  van  een 
bizonder,  met  het  praedicaat  verschillend  subjectsbegrip, 
tot  uitvoering  komt.  Dit  leidt  tot  het  zoogenoemde  catego- 
rische oordeel  'S  is  P',  waarin  P  zoo  maar  en  zonder 
verdere  rechtvaardiging  van  S  wordt  gepraediceerd  {xairjyoQei- 
tai,  Arist.).    De   alleen  gebruikelijke  rechtvaardiging  dezer 


290        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

verbinding,  dat  ze  namelijk  naar  het  voorbeeld  der  ver- 
houding tusschen  ding  en  eigenschap ,  substantie  en  acci- 
dentie  geschieden  zou  (Kant),  is  niet  voldoende,  daar 
metaphysisch  deze  verhouding  zelf  geen  duidelijke  waarheid, 
maar  een  probleem  is ... .  §  26.  Bij  gelegenheid  dezer 
moeilijkheid  komt  als  grond  hiervan  de  eerste  algemeene 
denkwet  tot  bewustzijn :  de  wet  der  identiteit  en  der  tegen- 
strijdigheid (principium  identitatis  et  contradictionis).  Haar 
eenvoudigste,  logische  uitdrukking  is  deze:  het  is  volstrekt 
ongeoorloofd,  in  een  categorisch  oordeel  van  den  vorm 
'S  is  P'  twee  verschillende  begrippen  S  en  P,  welke 
zij  ook  mogen  zijn,  als  subject  en  praedicaat  zoo  maar  met 
elkander  te  verbinden.  Veeleer  kunnen  altijd  slechts  de  twee 
stellingen  gelden:  'S  is  S'  en  'P  is  P',  nooit  echter  'S  is  P' 
of  'P  is  S'.  —  De  gebruikelijke  vorm  der  stelling:  'A  =  A' 
(principium  identitatis)  en  de  negatieve  'A  niet  =  non-A' 
(principium  contradictionis)  drukken  beide  deze  eenvoudige 
waarheid  uit,  dat  ieder  denkbare  inhoud  zich  zelf  gelijken 
verschillend  van  lederen  anderen  is ... .  §  27.  Kort  uitge- 
drukt wil  dus  het  principe  der  identiteit  zeggen:  'alle 
categorische  oordeelen  van  den  vorm  'S  is  P'  zijn  valsch 
en  ongerechtigd'.  Daar  nu  zulke  oordeelen  nochtans  zeer 
veelvuldig  voorkomen  en  wij  van  hun  geoorloofd  zijn  geheel 
en  al  overtuigd  zijn,  zoo  kan  hun  fout  slechts  daarin 
bestaan,  dat  ze  een  juiste  meening  formeel  onvolkomen  uit- 
drukken. En  er  moet  een  interpretatie  voor  bestaan,  waar- 
door ze  tegenover  het  beginsel  der  identiteit  worden  ge- 
rechtvaardigd. . .  §  28.  De  oplossing  dezer  moeilijkheid  ligt 
nu  vooreerst  daarin,  dat  alle  categorische  oordeelen  naar 
beteekenis  en  bedoeling  identische  oordeelen  zijn,  doch 
deze  beteekenis  formeel  onvolledig  uitdrukken,  doordat  ze 
nu  eens  van  het  ware  subject,  dan  weer  van  het  ware 
praedicaat  slechts  enkele  deelen  vermelden.  Bijv.  'het  goud 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      291 

is  geel'  beteekent  (zooals  in  het  Latijn  het  neutrum  van 
het  adjectief  iaat  zien)  zooveel  als  'goud  is  geel  goud' . . . 
De  zin:  'sommige  menschen  zijn  zwart,'  is  in  het  Duitsch 
minder  duidelijk.  Het  Latijnsche  'Nonnulli  homines  sunt 
nigri',  laat  zien,  dat  in  het  praedicaat  'homines'  aan  te 
vullen  is.  Nu  schijnen  'nonnulli  homines'  en  'nigri  homines' 
weliswaar  nog  twee  verschillende  begrippen.  Maar  men 
meent  toch  niet,  dat  het  maar  willekeurig  zou  zijn,  welke 
'eenige'  menschen  men  neemt  en  dat  voorzoover  ze  'eenige' 
zijn,  zij  ook  zwart  zouden  zijn,  maar  men  verstaat  geheel 
bepaalde  'eenige,'  nam.  de  negers.  Derhalve  zijn  S  en  P  geheel 
identisch,  wat  den  inhoud  betreft,  en  slechts  verschillend 
aangeduid,  den  eenen  keer  (S)  als  deel  van  een  algemeen 
begrip,  in  P  als  gekarakteriseerd  door  zijn  eigenschappen." 
Het  is  in  deze  uiteenzetting  mij  allerminst  duidelijk, 
waarom  we  in  het  oordeel  „goud  is  geel"  er  een  bezwaar 
tegen  moeten  hebben ,  geel  als  eigenschap  aan  het  goud 
toe  te  kennen  (t.  a.  p.  §  25)  en  hoe  dat  bezwaar  daaren- 
tegen zou  vervallen,  waar  deze  toekenning,  alleen  in  den 
grammatischen  vorm  van  den  zin ,  van  een  praedicaat  tot 
een  attributieve  bepaling  is  geworden. 

Aan  SiGWART  geeft  de  bespreking  van  het  principium 
identitatis  aanleiding  tot  de  onderscheiding  van  vele  beginselen 
in  plaats  van  dit  eene;  eenerzijds  van  het  ontologische 
principium ,  dat  zich  met  Hegels  (wezens-)  categorie  der 
identiteit  vrijwel  dekt,  anderzijds  tot  de  (logische)  prin- 
cipiën  van  de  „constantie  der  voorstellingen,"  van  de 
„overeenstemming,"  enz. 

Ook  hier  wensch  ik  wederom  eerst  in  eigen  woorden 
een  inleiding  te  geven,  om  daarna  eenige  citaten,  die  een 
nauwkeuriger  formuleering  bevatten ,  te  laten  volgen. 

Ziet   men,   (om   een    veel  gebruikt  voorbeeld  te  nemen), 


292        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

dat  een  rechte  stok,  voor  een  gedeelte  in  't  water  gedompeld, 
door  de  wateroppervlakte  „gebroken"  wordt,  dan  voelt  ons 
verstand  in  den  aanvang  zich  daarover  verwonderd.  Als 
we  dien  stok  betasten,  blijkt  hij  recht  te  zijn  en  zelfs  al 
gebruikten  we  onze  tastgewaarwordingen  niet,  het  is  onge- 
loofelijk,  dat  de  harde  stok  door  't  licht  bewegelijke  water 
in  zulk  een  oogwenk  gebroken  werd,  terwijl  er  zelfs  geen 
krak  gehoord  wordt.  De  stok,  zeggen  we  verder,  kan  niet 
tegelijk  recht  en  krom  zijn.  En  zoo  in  het  algemeen,  indien 
een  ding  eigenschappen,  waarvan  we  op  een  of  andere 
wijze  volstrekt  zeker  zijn ,  dat  ze  niet  kunnen  samengaan , 
nochtans  in  onze  waarneming  bezit,  dan  moet  er  mis- 
leiding, dan  moet  er  schijn  in  het  spel  zijn.  Deze  over- 
tuiging wordt  door  't  principium  identitatis  aangeduid. 

Zooals  ook  Hegel  te  verstaan  geeft,  door  de  bespreking 
van  dit  principe  in  de  afdeeling  van  het  Wezen  te  geven, 
hangt  het  ten  nauwste  samen  met  een  onderscheiding  als 
die  van  schijn  en  wezen,  van  wezen  en  verschijning. 

Nog  door  een  ander  voorbeeld  kan  dit  blijken :  ontmoeten 
we  na  jaren  scheidens  een  oud  vriend,  dan  zullen  we 
hem ,  hoeveel  er  ook  in  hem  moge  veranderd  zijn ,  toch 
voor  denzelfden  persoon  houden.  Al  die  veranderingen 
zijn  onwezenlijk,  vergeleken  met  het  feit,  dat  hij 
„dezelfde"  is. 

De  gedachte ,  dat  ieder  ding  is ,  wat  het  is,  of  in  het  prin- 
cipium contradictionis  (als  Hegel  het  noemt,  §  119 alinea 4) 
uitgedrukt,  dat  een  ding  geen  tegenstrijdige  eigenschappen 
kan  bezitten ,  schijnt  in  eenige  zeer  fundamenteele  begrippen 
te  worden  weersproken.  Reeds  Zeno  van  Elea  betoogde, 
dat  een  vliegende  pijl  zich  in  rust  moet  bevinden.  En 
sinds  Kant  ons  de  moeilijkheid  van  het  begrip  verandering, 
of  liever  van  de  daarmee  samenhangende  moeilijkheden 
van    de   oneindig-deelbare    en    oneindig-uitgestrekte  ruimte 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      293 

en  tijd  door  zijn  antinomieën  weer  heeft  ingeprent,  zullen 
we  dit  niet  spoedig  weder  vergeten. 

Nog  tot  een  andere  opmerking  geeft  het  (ontologische) 
principium  identitatis  aanleiding.  Het  hangt  namelijk, 
waarop  ook  Hegel  ons  opmerkzaam  maakt,  ten  innigste 
samen  met  Leibniz'  principium  indiscernibilium.  Een  ding 
voor  identiek  met  zich  zelf  te  houden,  zou  geen  zin  hebben, 
indien  ook  niet  gold,  dat  alle  dingen,  twee  aan  twee  ge- 
nomen, van  elkaar  verschillen,  al  zou  dit  zelfs  alleen  zijn 
in  plaatselijke  en  temporede  betrekkingen. 

Mij  tot  deze  aanteekeningen  over  het  principium  iden- 
titatis beperkende,  kom  ik  thans  tot  de  overige  principiën, 
door  Sigwart  onderscheiden. 

Zooals  we  ook  bij  Lotze  gezien  hebben ,  heeft  men  vaak 
het  principium  identitatis  willen  uitleggen  als  een  beginsel, 
dat  het  wezen  van  't  oordeel  uitdrukt.  Dit  leidde  echter  tot 
niets  anders  dan  gewrongen  verklaringen  van  't  oordeel. 
In  plaats  van  den  traditioneelen  term  „identiteit"  kiest 
Sigwart  als  logischen  term  dien  van  „overeenkomst." 

De  bespreking  van  dit  beginsel  der  overeenkomst  heeft 
in  Sigwart's  Logica  plaats,  na  de  behandeling  van  het 
„eenvoudige  oordeel,"  (gedefinieerd  Logik^,  I,  blz.  66).  Dit 
eenvoudige  oordeel  wordt  door  hem  onderscheiden  in  het 
meedeelende  (erzahlende)  en  het  verklarende  oordeel.  Het 
eerste  omvat  o.  a.  het  benoemingsoordeel ,  waardoor  aan 
een  zaak  haar  naam  wordt  toegekend  —  „dit  is  rood," 
„dat  is  een  wagen"  —  en  het  eigenschaps-,  werkings-  en 
betrekkingsoordeél. 

Reeds  aan  het  benoemingsoordeel  kan  ons  duidelijk 
worden,  wat  Sigwart  onder  zijn  principe  van  overeenstemming 
verstaat.  Daar  het  nam.  het  doel  van  alle  menschelijk 
denken  moet  zijn,  te  komen  tot  noodwendige  en  alge- 
meengeldige    oordeelen,    zal    dit    slechts    bereikt    kunnen 


294       BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

worden ,  wanneer  bij  het  tot  stand  komen  der  benoemings- 
oordeelen  alreeds  bestaat:  vooreerst  overeenkomst  met  het 
taalgebruik;  verder  overeenstemming  in  de  wijze  van  waar- 
neming (deze  moet  op  normale  wijze  door  de  zintuigen 
geschieden);  dan  overeenkomst  van  de  individueele,  waarge- 
nomen zaak  met  de  algemeene  voorstelling,  door  de  taal 
aangeduid.  Dit  alles  is  slechts  mogelijk,  indien  er  in  den 
menschelijken  geest  ook  een  constantie  van  voorstellingen 
bestaat,  zoodat  we  een  voorstelling  van  nu  voor  dezelfde 
kunnen  houden  als  een  voorstelling  van  vroeger. 

Drie  citaten  wil  ik  thans,  ter  nadere  praeciseering  van 
't  voorgaande,  aan  Sigwart  ontleenen,  en  wel  1.  over 
hetgeen  ik  het  ontologische  principium  identitatis  heb 
genoemd,  2.  over  het  principe  van  overeenstemming  bij 
benoemingsoordeelen,  3.  over  zijn  bestrijding  van  het  zoo- 
genaamde principium  identitatis,  als  uitdrukkende  het  wezen 
van  het  oordeel. 

Het  eerste  citaat  luidt  als  volgt: 

t.  a.  p.  blz.  112  vg.  „Het  oordeel:  dit  is  Socrates,  wil 
zeggen:  de  tegenwoordige  persoon  is  met  het  bepaalde,  van 
vroeger  bekende  individu,  dat  Socrates  wordt  genoemd,  realiter 
identisch;  en  de  bewering  is  hier  derhalve  op  de  objectieve 
geldigheid  dezer  identiteit  gericht,  daar  ze  begeleid  is  van 
het  bewustzijn  der  noodzakelijkheid,  om  de  beide  voor- 
stellingen op  een  en  hetzelfde  ding  te  doen  slaan  . . .  Evenwel 
om  deze  noodzakelijkheid,  (twee  voorstellingen  op  één 
enkel  reëel  ding  te  betrekken),  te  bewijzen,  is  de  wet  der 
overeenstemming  tusschen  onze  voorstellingen  niet  vol- 
doende . . . ;  hier  komen  veeleer  onderstellingen  over  de  natuur 
van  het  zijnde  en  over  de  kenteekenen  van  reëele  identiteit 
in  het  spel,  welke  met  de  functie  van  'toordeelen  zelf  nog 
niet  gegeven  zijn.  Zooals  de  onderstelling,  dat  op  bepaalde 
gebieden  alle  individuen  zich  stellig  laten  onderscheiden  en 


BIJ    HEGEL   EN    BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      295 

er  geen  twee  zoo  gelijke  voorwerpen  te  vinden  zijn,  dat 
we  ze  bij  nauwl<euriger  beschouwing  zouden  kunnen  ver- 
wisselen —  daarop  berust  bijv.  de  overtuiging  van  de 
identiteit  der  ons  bekende  personen . . .  Met  betrekking  tot 
de  uitwendige  dingen  echter  zijn  het  ten  slotte  ruimtelijke 
betrekkingen  en  de  grondstelling  der  ondoordringbaarheid , 
waardoor  wij  hun  identiteit  vaststellen." 

Het  tweede  citaat  luidt: 

t.  a.  p.  blz.  105.  „Blijven  wij  bij  de  eenvoudigste,  de 
enkele  benoeniingsoordeelen  staan,  zooals  ze . . .  de  on- 
middellijke coïncidentie  van  beelden  uitspreken,  zoo  is 
(onder  vooronderstelling  van  juistheid  in  de  uitdrukking) 
voor  de  juistheid  van  zulk  een  oordeel  ...  noodig,  dat  ten 
eerste  aanschouwing  en  voorstelling  elkaar  dekken,  wat 
een  enkel  innerlijke  verhouding  is;  en  verder,  dat  het  sub- 
jectieve aanschouwingsbeeld,  dat  een  afbeelding  wil  zijn 
van  het  objectieve  ding,  hieraan  werkelijk  beantwoordt, 
d.  w.  z.  dat  hetzelfde  subjectieve  beeld  voorhanden  is,  dat 
volgens  de  algemeene  wetten  onzer  zinnelijke  aanschouwing 
bij  een  ieder  door  hetzelfde  voorwerp  moet  worden  op- 
gewekt. Het  oordeel,  „dat  is  sneeuw"  is  objectief  geldig, 
wanneer  het  geziene  zich  dekt  met  de  voorstelling,  die 
door  allen  met  sneeuw  wordt  benoemd,  en  wanneer  het 
door  een  normaal  oog  duidelijk  wordt  gezien." 

Het  derde  citaat  luidt: 

t.  a.  p.  bl.  110  vg.  „Evenwel,  dit  principe  [van  de  con- 
stantie  der  voorstellingen  en  dat  men  desnoods  een  principe 
van  identiteit  zou  kunnen  noemen],  kan  niet  tevens  de 
vereeniging  van  subject  en  praedicaat  in  het  oordeelen 
willen  rechtvaardigen.  Want  oordeelen,  die  slechts  de  iden- 
titeit van  een  denk-object  met  zich  zelf  zouden  uitspreken, 
zijn  volslagen  leeg;  dat  een  kring  een  kring  en  deze  hand 
deze  hand   is,  valt  niemand   in,  nog  eens  uitdrukkelijk  te 


296        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

beweren;  en  zinnen,  die  oogenschijnlijk  aan  den  vorm  'A 
is  A'  beantwoorden,  meenen  inderdaad  met  het  subjects- 
en  het  praedicaatswoord  iets  verschiilends.  „Kinderen  zijn 
kinderen"  duidt  in  het  subjectswoord  den  kinderlijken  leef- 
tijd, in  het  praedicaatswoord  de  overige,  daarmee  verbonden 
eigenschappen  aan. . .  „Zoo  bijv.  kan  men  ook  bij  de 
eenvoudige  benoemingsoordeelen  niet  van  een  strenge  lo- 
gische identiteit  spreken  tusschen  hetgeen  bij  het  subjects- 
en  bij  het  praedicaatswoord  wordt  voorgesteld.  Oordeel  ik 
over  iets  enkels,  iets  individueels,  zoo  is  de  praedicaats- 
voorstelling  in  den  regel  een  onbepaaldere;  zij  put  de 
geheele  bizonderheid  van  het  subject  niet  uit;  men  kan 
slechts  van  een  overeenkomst,  een  overeenstemming,  tusschen 
beide  spreken;  wat  ik  bij  het  praedicaatswoord  denk,  vind 
ik  in  mijn  subjectsvoorstelling  terug;  het  enkele  gelijkt  op 
het  algemeene,  dat  in  mijn  voorstelling  is." 

Komen  we  thans  voor  de  eerste  denkwet  tot  een  ver- 
gelijking tusschen  Hegel  en  Sigwart,  dan  kunnen  we  het 
aldus  formuleeren:  de  uiteenzettingen  van  Sigwart  grenzen, 
voorzooverre  't  het  ontologische  principium  identitatis  geldt, 
nauw  aan  Hegels  beschouwingen;  alleen  opmerkingen  van 
den  laatste,  als,  dat  het  principium  identitatis,  in  een  zin 
uitgedrukt,  A  is  A,  in  strijd  is  met  de  eischen  van  den  zin 
en  daardoor  zich  zelf  weerlegt,  als  ook,  dat  het  principium 
identitatis  en  het  principium  indiscernibilium,  „alles  is  iden- 
tiek met  zich  zelf"  en  „alles  is  verschillend"  met  elkaar 
tegenstrijdig  zijn,  worden  bij  Sigwart  begrijpelijkerwijze  niet 
vermeld.  —  Anderzijds  waarschuwt  Sigwart  er  ons  terecht 
voor,  in  de  verstands-logica  (om  ons  van  dezen  Hegelschen 
term  te  bedienen)  het  oordeel  te  willen  uitleggen  als  een 
identificatie  van  subject  en  praedicaat. 

Ten  aanzien  van  de  principiën  der  contradictie,  der 
dubbele   ontkenning   als   bevestiging,    van    het  uitgesloten 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      297 

derde,  zien  we  bij  Sigwart  wederom  dezelfde  i<enmeri<ende 
behandeling  als  bij  het  principe  der  overeenstemming.  Ook 
hier  het  streven,  deze  principiën  in  zuiver  logischen  vorm 
te  formuleeren  en  er  den  „logischen  zin"  van  vast  te  stellen. 
Als  zoodanig  dan,  omschrijft  hij  ze,  als  gezamenlijk  het 
wezen  der  ontkenning  uitdrukkend.  Voor  verdere  bizonder- 
heden  moge  hier  een  verwijzing  naar  het  werk  zelve 
volstaan. 

Terwijl  bij  Hegel  het  principium  raüonis  sufficientis  ge- 
defineerd  wordt:  alles  heeft  zijn  grond,  vinden  wij  bij 
Sigwart  scheiding  gemaakt  tusschen  het  ontologische  en 
het  logische  principe.  De  plaats  daarover  luidt: 

t.  a.  p.  blz.  252.  „De  zoogenaamde  wet  van  den  grond 
is  in  haar  oorspronkelijke  formuleering  bij  Leibniz  geen 
logische  wet,  maar  een  metaphysisch  axioma,  dat  slechts 
op  een  gedeelte  onzer  oordeelen  betrekking  heeft. 

„Voorzoover  ieder  oordeel  de  stelligheid  van  zijn  geldig- 
heid veronderstelt,  kan  de  stelling  worden  uitgesproken: 
er  worde  geen  oordeel  geveld  zonder  een  psychologischen 
grond  zijner  stelligheid;  —  en  inzooverre  het  slechts  ge- 
rechtigd is,  wanneer  het  logisch  noodzakelijk  is,  beweert 
ieder  oordeel  een  logischen  grond  te  bezitten,  die  het  voor 
ieder  denkende  noodzakelijk  maakt.  Het  doet  daarmede 
echter  nog  slechts  een  aanspraak  gelden,  terwijl  het  goed 
recht  deze  aanspraak  te  onderzoeken,  juist  datgene  is, 
wat  de  taak  vormt  der  logica. 

„Het  wezen  der  noodzakelijkheid  in  het  denken  wordt 
uitgedrukt  door  de  stelling:  'dat  met  den  grond  het  gevolg 
noodwendig  gesteld,  met  het  gevolg  de  grond  noodwendig 
is  opgeheven'.  Deze  stelling  van  grond  en  gevolg  beant- 
woordt aan  het  principe  der  contradictie  als  een  fundamen- 
teele  functiewet  van  ons  denken." 

Zooals  we  later  zullen  zien ,  steunt  het  syllogisme  op  deze 


298        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

wet,  en  wel  in  zijn  eerste  figuur  op  deze  wet  in  haar  posi- 
tieven vorm ,  in  zijn  tweede  figuur  op  dezelfde  wet  in  haar 
negatieve  formuleering. 


III. 


Heeft  Hegels  behandeling  der  zoogenaamde  denkwetten 
ons  al  meer  aanleiding  tot  uitbreiding  en  toelichting  dan 
tot  scherpe  tegenspraak  gegeven,  anders  staat  het  met  zijn 
classificatie  der  oordeelen.  Deze  steunt  op  Kants  oordeels- 
groepeering  en  ofschoon  ze  hierin  belangrijke  wijzigingen 
heeft  aangebracht  en  er  bovenal  een  dialectisch  verband  in 
heeft  willen  leggen,  blijkt  ze  toch  even  onhoudbaar  als 
deze  te  zijn. 

In  de  bespreking  der  oordeelsclassificatie  zullen  we  dit- 
maal bij  Sigwart  ^)  aanvangen ,  om  op  zijn  beschouwingen 
onze  kritiek  op  Kants  en  Hegels  tafels  te  baseeren. 

De  classificatie  der  oordeelsvormen  dan  is,  volgens  Sig- 
wart —  zoo  men  hier  van  een  classificatie  wil  blijven 
spreken  —  niet  een  onderverdeeling  van  de  oordeelen  in 
een  aantal  gecoördineerde  klassen.  Maar  hetgeen  men  hier 
als  een  classificatie  geeft,  is  veeleer  een  schets  der  wijze, 
waarop  het  menschelijk  denken  tot  noodwendige  oordeelen 
tracht  te  komen. 

In  vele  gevallen  nam.  komt  men  eerst  tot  een  noodwendig 
oordeel  of  beslissing,  nadat  men  van  een  eerste  stadium 
van  enkel  gissing  (mogelijkheid,  vraag)  uit,  door  meer  of 
minder  tusschenstadiën  is  voortgeschreden. 

Het  resultaat  van  een  twijfeling  kan  bij  nader  onderzoek 
zijn:    of    onmiddellijke  verwerping;  of  bevestiging;  of  bijv. 


1)  Ook  hier  zij  men  er  op  bedacht,  dat  mijn  uiteenzetting  een  zeer  beknopte 
en  tevens  vrije  weergave  is  van  de  strekking  van  Sigwart's  betoog. 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      299 

het  inzicht,  dat  de  aanvanlcelijk  opgeworpen  mogelijkheid 
zelf  afhankelijk  is,  noodzakelijk  gevolg  is  van  een  andere 
mogelijkheid;  of  bijv.  het  inzicht,  dat  de  opgeworpen  moge- 
heid ééne  is  van  een  beperkt  aantal  mogelijkheden. 

Door  de  eerste  beantwoording,  het  ontkennend  oordeel, 
wordt  verder  onderzoek  overbodig  gemaakt.  Hierdoor  is  dit 
resultaat  evenwel  geenszins  waardeloos  en  kan  ons  bij  latere 
oordeelvellingen  nog  steeds  van  dienst  zijn. 

Door  de  beide  laatste  beantwoordingen,  het  hypothetische 
en  het  disjunctieve  oordeel ,  worden  middelen  aan  de  hand 
gedaan ,  waarmee  men  misschien  eenmaal  tot  een  beslissend 
antwoord  op  de  oorspronkelijke  vraag  kan  geraken. 

SiGWART,  Logik,^  I,  blz.  313.  „Daarmee  is  het  gebillijkt, 
het  ontkennende,  hypothetische,  disjunctieve  oordeel  afzon- 
derlijk te  beschouwen ,  niet  alsof  ze  bizondere  soorten  van 
het  oordeel  daarom  waren,  omdat  in  hen  de  eigenlijke 
oordeelsfunctie  zich  op  een  verschillende  wijze  voltrok, 
maar  omdat  zij  oordeelen  over  hypothesen  zijn  en  hiervan 
de  logische  waarde  en  beteekenis  aangeven." 

Behalve  deze  beteekenis  van  het  hypothetisch  oordeel  als 
een  probleem-verschuiving,  waardoor  we  in  plaats  van  de 
oorspronkelijke  vraag  een  andere  stellen,  welker  beant- 
woording gemakkelijker  valt,  kan  dit  oordeel  nog  een  andere 
strekking  bezitten,  en  wel  als  „natuurwet." 

„De  kennis  (t.  a.  p.  blz.  266),  dat  iets  uit  uitwendige 
noodzakelijkheid  zoo  is,  als  het  is,  zoo  geschiedt,  als  het 
geschiedt,  is  altijd  uit  twee  elementen  samengesteld:  de 
algemeene  wet  en  het  bepaalde  gegeven,  waarop  deze  wet 
van  toepassing  is.  Het  is  noodzakelijk,  dat  de  planeten  zich 
in  ellipsen  om  de  zon  bewegen :  deze  kennis  rust  eenerzijds 
op  de  kennis  der  algemeene  principiën  van  de  mechanica  en 
anderzijds  op  de  kennis  van  de  feitelijke  massa  der  zon  en  der 
planeten ,  van  haar  afstanden  en  van  de  verhouding  tusschen 


300        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

tangentieele  snelheid  en  aantrekking;  een  andere  verhouding 
zou  andere  banen  met  zich  meebrengen.  Dit  zuiver  feitelijke 
element  vermogen  v^e  nooit  te  verwijderen,  en  daarom  laat 
zich  de  kennis  der  noodzakelijkheid  als  zoodanig  alleen  in 
hypothetische  formules  uitdrukken,  die  zeggen,  dat,  wanneer 
dit  of  dat  gebeuren  mocht,  iets  anders  noodzakelijk  daaruit 
volgen  zal." 

Deze  tweede  beteekenis  van  het  hypothetisch  oordeel, 
als  natuurwet,  gaat  terug  op  Sigwart's  verdeeling  van  de 
oordeelen  in  mededeelende  (erzahlende)  en  verklarende; 
een  verdeeling,  die  zelf  wederom  één  is  met  de  antithesis, 
in  den  laatsten  tijd  zoo  vaak  tusschen  natuurwetenschap 
en  geschiedenis  getrokken. 

Het  mededeelende  oordeel  is  een  oordeel  over  enkelheden 
(individuen),  en  daar  deze  in  den  tijd  voorkomen,  kunnen 
zulke  mededeelende  oordeelen  slechts  met  het  oog  op  een 
bepaalden  tijd  gelden.  Het  verklarende  oordeel  is  in  zijn 
objectieve  geldigheid  daarentegen  van  den  tijd  onafhankelijk, 
(t.  a.  p.  §  15  en  16). 

In  tegenstelling  met  de  natuurwetenschap  is  het  doel  der 
historie  niet  in  het  vaststellen  van  natuurwetten  gelegen; 
maar  de  enkele  feiten  bekleeden  hier  bovenal  een  voorname 
plaats,  ofschoon  ze  ook  hier  tot  „geheelheden,"  tot  feiten- 
reeksen  en  feiten-groepen,  tot  ontwikkelingen,  tot  stroomingen 
en  richtingen,  tot  toestanden  moeten  verbonden  worden. 
De  feiten-historie,  de  histoire-personne,  vindt  eerst  in  de 
histoire-tendance  haar  voltooiing.  Toch  is  in  ieder  geval 
de  vaststelling  van  het  enkele  feit  in  de  geschiedvorsching 
een  hoofdzaak  en  het  (categorische)  existentie-oordeel  kan 
men  daar  als  min  of  meer  afsluitend  beschouwen. 

Deze  tegenstelling  nu  tusschen  het  meedeelende  (histo- 
rische) en  het  verklarende  oordeel  is  ook  voor  de  bespreking 
van  wat  men  in  de  schoollogica  de  quantiteit  der  oordeelen 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      301 

pleegt  te  noemen,  van  belang.  Terwijl  nam.  naar  een  his- 
torische beschouwing  een  pluraal  oordeel  een  afsluitend 
resultaat  kan  zijn,  zal  in  de  natuurwetenschappelijke  be- 
schouwingswijze het  plurale  oordeel  de  beteekenis  van  een 
bizonder  of  particulier  oordeel  krijgen. 

t.  a.  p.  blz.  225.  „Wanneer  oordeelen  van  den  vorm  'een 
A  is  B',  of  'eenige  A  zijn  B',  mededeelende,  op  empirischen 
bodem  ontstane  oordeelen  zijn,  zoo  schijnt  hun  geen  andere 
beteekenis  toe  te  komen,  dan  een  bepaald  praedicaat  van 
een  of  meer  subjecten  uit  te  spreken,  die  slechts  niet  af- 
zonderlijk genoemd,  maar  onbepaald  door  een  onbepaald 
woord  zijn  aangeduid;  de  plurale  oordeelen  schijnen  geen 
andere  rol  te  kunnen  spelen  dan  een  reeks  van  enkel- 
oordeelen,  daar  op  de  aantalsvermelding  geen  nadruk  is 
gelegd. 

„En  toch  is  in  het  oordeel  'eenige  menschen  verwisselen 
rood  en  groen'  nog  iets  anders  aangeduid,  dan  in  het 
copulatieve  oordeel :  Hans  en  Pieter  en  Paul  verwisselen 
rood  en  groen.  Doordat  Hans  en  Pieter  en  Paul  als  'eenige 
menschen'  worden  aangeduid ,  gaat  weliswaar  de  indivi- 
dueele  bepaaldheid  van  't  oordeel  verloren;  maar  door  de 
aanduiding  met  den  algemeenen  naam  worden  ze  tot  de 
totaliteit  der  menschen  in  een  betrekking  gedacht,  die  tot 
verdere  vergelijking  aanspoort 

„De  traditie  leert  nu,  dat  het  particuliere  oordeel  het 
algemeene  oordeel  niet  bedoelt  uit  te  sluiteïi.  'Eenige  A 
zijn  B'  heeft  niet  de  beteekenis,  dat  niet  alle  A  B  zijn. . . 
Deze  eigenaardigheid  wijst  er  op, . . .  dat  het  plurale  oor- 
deel evenzeer  op  den  weg  naar  een  algemeen  oordeel  kan 
liggen,  als  ook  dat  het  zich  hiertegen  als  uitzondering 
vermag  af  te  sluiten."  (Voor  een  voorbeeld,  zie  Sigwart, 
t.  a.  p.  blz.  226). 

Evenals   deze  beteekenis  van   het   plurale  of  particuliere 


302        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

oordeel  als  voorbereiding  tot  het  algemeene,  ligt  eveneens 
in  de  lijn  der  natuurwetenschappelijke  beschouwingswijze 
de  waarde  van  het  empirisch-algemeene  oordeel  als  aan- 
loop tot  het  noodwendig-algemeene  oordeel. 

t.  a.  p.  blz.  220.  „De  [schoolsche]  logica  pleegt  in  't 
geheel  niet  te  onderscheiden  tusschen  de  oordeelen,  die 
slechts  op  het  begrip,  d.  w.  z.  op  de  beteekenis  van  het 
subjectswoord,  steunen,  en,  deze  [beteekenis]  verklarende, 
bij  voorbaat  aan  ieder  ding,  dat  met  het  subjectswoord 
benoemd  wordt  en  derhalve  deel  uitmaakt  'van  den  om- 
vang van  't  begrip',  een  praedicaat  toekennen,  —  en  die 
oordeelen,  welke  van  alle  bekende,  om  gelijke  eigenschappen 
onder  dezelfde  benaming  vallende  dingen  een  praedicaat 
uitspreken. 

„Zoodoende  verbergt  deze  schoollogica  het  belangrijkste, 
nam.  den  overgang  uit  een  empirisch-algemeen  tot  een 
noodwendig-algemeen  oordeel,  de  begrips-  en  oordeels- 
vorming uit  de  ervaring.  'Alle  planeten  bewegen  zich  van 
West  naar  Oost  om  de  zon'  is  allereerst  een  empirisch- 
algemeen  oordeel;  wie  het  voor  1781  uitsprak,  verstond 
onder  alle  planeten  alle  zes;  wie  het  deed  tusschen  1781 
en  1801,  rekende  Uranus  mede  en  verstond  er  alle  zeven 
onder ...  en  heden  verstaat  men  er  alle  400  onder  of 
hoevele  het  ondertusschen  geworden  zijn  —  altijd  echter 
alle  bekende,  waarbij  een  voor  een  de  voortgaande  be- 
weging in  de  baan  is  geconstateerd.  De  stelling  zegt:  alle 
lichamen  in  het  heelal,  die  ik  planeten  noem,  hebben  de 
gemeenschappelijke  richting  van  West  naar  Oost;  ik  ken 
geen  uitzondering.  Had  ik  nu  echter,  bijv.  op  grond  der 
hypothese  van  Kant-Laplace,  de  noodzakelijkheid  ingezien, 
dat  alle  vaste  lichamen  in  het  heelal,  die  om  onze  zon 
zich  wentelen  in  constante  banen,  dezelfde  richting  van 
beweging  moeten  hebben, . . .  dan  zou  ik  de  beweging  van 


BIJ    HEGEL    EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      303 

het  Westen  naar  het  Oosten  moeten  opnemen  in  de  be- 
teekenis  van  het  woord  planeet. . .  Dan  zou  mijn  oordeel : 
'alle  planeten  bewegen  zich  van  't  Westen  naar  't  Oosten' 
een  analytisch  oordeel  zijn,  (in  de  Kantsche  terminologie), 
en  daarom  ook  voor  de  ongetelden,  eerst  later  of  zelfs 
nooit  te  ontdekken,  moeten  gelden;  het  zou  luiden:  wat 
een  planeet  genoemd  worden  kan,  beweegt  zich  van  't 
Westen  naar  't  Oosten;  en  daaruit  volgt,  w^t  zich  achter- 
waarts beweegt,  zou  geen  planeet  zijn." 

Ofschoon  bovenstaande  besprekingen  van  het  ontken- 
nende, hypothetische  en  disjunctieve,  van  het  plurale, 
empirisch-algemeene  en  noodwendig-algemeene  oordeel 
uiterst  beknopt  zijn,  stellen  ze  ons  reeds  tot  de  volgende 
opmerkingen  over  Kants  oordeel-tabel  in  staat: 

1°.  Kants  tafel  geeft  geea  aanleiding  tot  de  hoogst  belang- 
rijke scheiding  van  het  empirisch-algemeene  en  't  nood- 
wendig-algemeene oordeel.  (Bij  Hegel  kan  dit  onderscheid 
beter  tot  zijn  recht  komen,  doordat  hij  aan  den  term 
'categorisch  oordeel'  een  andere  beteekenis  hecht  dan  Kant, 
Encykl.  §  175  Zus.  en  §  176  met  Zusatz.). 

2".  Aan  de  bevestiging  en  ontkenning  van  het  oordeel  is 
geheel  noodeloos  het  „oneindige  oordeel"  toegevoegd;  dit 
is  inderdaad  niets  anders  dan  een  (grammatisch  zonder- 
linge) omschrijving  van  het  ontkennende  oordeel. 

3".  „De  gewoonte  der  nieuwere  logica  —  aldus  Sigwart, 
Logik,  I.  blz.  283  —  om  de  oordeelen  naar  het  gezichts- 
punt der  zoogenoemde  relatie  te  verdeelen  in  categorische 
(A  is  B,  A  is  niet  B),  hypothetische  (indien  A  is,  is  B)  en 
disjunctieve  (A  is  of  B  of  C),  is  noch  oorspronkelijk,  noch 
laat  ze  zich  als  een  afdoende  indeeling  der  oordeelsvormen 
op  eenige  wijze  rechtvaardigen.  Let  men  op  de  strekking 
der  bewering,  zoo  zijn  categorische  en  hypothetische,  hypo- 

20 


304        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

thetische  en  disjunctieve  oordeelen  vaak  slechts  grammatisch 
verschillende  uitdrukkingen  van  dezelfde  gedachte ;  houdt 
men  zich  aan  de  grammatische  uitdrukking,  zoo  kunnen 
hypothetische  en  disjunctieve  oordeelsvormen  reeds  daarom 
geen  gecoördineerde  soorten  van  den  oordeelsvorm  in  't 
algemeen  zijn,  daar  ze  den  categorischen  oordeelsvorm  in 
zich  bevatten;  legt  men  nadruk  op  dit  laatste  gezichts- 
punt en  stelt  men  tegenover  de  eenvoudige  oordeelen  de 
samengestelde,  die  zich  grammatisch  als  zoodanig  voordoen, 
dan  staan  naast  het  hypothetische  en  disjunctieve  oordeel 
nog  een  aantal  zinverbindingen,  waarvan  men  niet' inziet, 
met  welk  recht  de  logica  ze  uitsluit." 

Maar  behalve  het  bezwaar,  dat  deze  verdeeling  der  oor- 
deelen in  categorische,  hypothetische  en  disjunctieve  aan 
een  oppervlakkige  en  onvolledig-grammatische  beschouwing 
is  ontleend ,  kunnen  we  er  bovendien  tegen  aanvoeren,  dat 
de  fundamenteele  verdeeling  der  oordeelen  in  mededeelende 
en  verklarende,  en  de  opvatting  van  het  hypothetische  en 
disjunctieve  als  voorbereidende  oordeelen  en  van  het  hypo- 
thetische als  afsluitend  natuurwetenschappelijk  en  van  het 
(categorische)  existentie-oordeel  als  afsluitend  historisch 
oordeel,  daarin  niet  tot  haar  recht  komen. 

4".  Ten  aanzien  van  een  oordeel  kunnen  we  of  zeker  of 
in  twijfel  zijn.  In  't  eerste  geval  wordt  dit  door  een  (asser- 
torisch)  oordeel  uitgedrukt;  in  het  tweede  geval  heeft  er 
nog  geen  oordeelen  plaats;  met  eenige  rekbaarheid  in  den 
term  zou  men  van  een  problematisch  oordeel  kunnen  spreken. 
Het  kan  gebeuren,  dat  we  aan  een  vroeger  uitgesproken 
oordeel  beginnen  te  twijfelen  en  de  gronden,  ervoor  aan- 
gevoerd, onvoldoende  achten.  Ons  assertorisch  oordeel , 
vroeger  uitgesproken,  wordt  daarmee  opgeschort;  blijkt 
het  nu,  dat  onze  vroegere  gronden  wel  toereikend  waren 
of  door  andere,  afdoende  gronden  kunnen  vervangen  worden, 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.    305 

dan  keeren  we  tot  ons  vroeger  assertorisch  oordeel  terug. 
Zulk  een  aarzeling  kan  zich  wellicht  herhalen.  Het  is  even- 
wel onjuist,  voor  dit  proces  drie  nieuwe  oordeelssoorten 
onder  de  namen  assertorisch,  problematisch  en  apodictisch 
in  te  voeren. 

Met  de  oordeelstafel  van  Kant  valt  ook  die  van  Hegel, 
die  daarop  geheel  en  al  is  gebaseerd.  Bovendien  is  het 
4X3  van  Kant  op  hoogst  gekunstelde  wijze  in  het  drie- 
slagsstelsel van  Hegel  ondergebracht.  Aan  de  uiteenzetting 
zijner  classificatie  moeten  we  een  paar  opmerkingen  vooraf 
doen  gaan. 

Vooreerst  heeft  Hegel  de  drie  categorieën  der  qualiteit 
vooraf  doen  gaan  aan  die  der  quantiteit,  door  hem  om  later 
te  noemen  redenen  reflectie-oordeelen  genoemd.  Hij  heeft 
deze  oordeelsschaal  nam.  ook  dienstbaar  weten  te  maken 
aan  een  classificatie  van  de  praedicaten ,  een  classificatie , 
die  evenwel  meer  aangeduid  dan  uitgewerkt  is.  Opmerkelijk 
is  het  daarbij ,  dat  beoordeelingen  als  goed  en  schooh 
op  ééne  lijn  worden  gesteld  met  oordeelen  over  juist  en 
waar,  hetgeen  in  een  logica,  in  den  zin  van  Sigwart,  na- 
tuurlijk geheel  onmogelijk  zou  zijn. 

Verder  spelen  in  deze  oordeelsclassificatie,  zooals  trouwens 
in  de  geheele  Hegelsche  begripsleer,  de  termen  algemeen, 
bizonder  en  enkel  een  groote  rol.  Ja,  men  zou  zelfs  de 
geheele  leer  van  het  begrip ,  en  vooral  die  van  't  subjectieve 
begrip,  kunnen  omschrijven,  als  de  uiteenspinning  en  ont- 
wikkeling, hoe  deze  algemeenheid,  bizonderheid  en  enkel- 
heid onderling  en  te  zamen  ééne  „drie-eenheid"  vormen. 
Reeds  in  den  aanvang,  in  de  §§  16Ö,  161  en  163 
wordt  dit  aangeduid;  aan  het  einde  der  leer  van  het  sub- 
jectieve begrip  in  §  192  wordt  dit  wederom  uitdrukkelijk 
herhaald. 


306        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

§  160.  „Het  begrip  is...  totaliteit,  terwijl  ieder  der 
momenten  het  geheel  is,  hetwelk  het  begrip  is,  en  als 
ongescheiden  eenheid  hiermede  gesteld  is." 

§  163.  „Het  begrip  als  zoodanig  bevat  de  momenten  der 
algemeenheid,...  der  bizonderheid  . . .  en  der  enkelheid." 

§  192.  „De  sluitrede  is  achtereenvolgens  genomen  naar  de 
verschillen,  welke  ze  in  zich  bevat,  en  het  algemeene  resultaat 
van  dit  haar  verloop  is,  dat  zich  daarin  afspeelt  het  zich- 
opheffen  van  deze  verschillen  en  van  het  buiten-zich-zijn 
des  begrips.  En  wel  is  1^  ieder  der  momenten  gebleken  zelf 
de  totaliteit  der  momenten,  derhalve  de  geheele  sluitrede, 
te  zijn ;  derhalve  zijn  ze  uitteraard  (an  sich)  identisch . . ." 

Met  weglating  van  de  verduidelijkingen ,  hoe  de  over- 
gangen van  den  eenen  oordeelsvorm  in  den  anderen  plaats 
vinden,  kunnen  we  nu  de  volgende  tafel  samenstellen: 

Inleiding.  Het  oordeel  in  't  algemeen.  §  166.  „Het 
abstracte  oordeel  is  de  stelling:  het  enkele  is  het  alge- 
meene" (E-A). 

I.  't  Qualitatieve  oordeel.  §  172.  „Het  praedicaat 
is  een  onmiddellijke,  derhalve  zinnelijke  qualiteit." 

a.  positief  {bevestigend)  oordeel.  „Het  enkele  is  het 
bizondere"  (E-B),  bijv.  de  roos  is  rood. 

b.  negatief  {ontkennend)  oordeel.  „Het  enkele  is  niet  het 
bizondere,"  bijv.  de  roos  is  niet  rood. 

c.  identisch  oordeel  en  oneindig  oordeel.  „Het  enkele  is 
niet  het  algemeene.  Het  enkele  is  het  enkele"  (E-E),  bijv. 
de  leeuw  is  de  leeuw.  „Het  enkele  is  niet  het  enkele",  bijv. 
de  leeuw  is  geen  tafel. 

II.  't  Reflectie-oordeel.  §  174.  ,,In  de  existentie^)  is 


1)  Bij  deze  uitdrukking  existentie  denke  men  eraan,  lo  dat  in  de  „ex"-sistente 
(„uif'vloeiende,  „onf'staande,  piiaenomenale)  wereld  alles  in  onderlinge  ver- 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.     307 

het  subject  niet  meer  onmiddellijk  qualitatief,  maar  in  ver- 
houding en  samenhang  met  iets  anders,  met  een  uitwendige 
wereld.  De  algemeenheid  [van  het  praedicaat]  heeft  daardoor 
de  strekking  dezer  relativiteit  ontvangen,  (bijv.  nuttig,  ge- 
vaarlijk; zwaarte,  zuurheid,  —  dan  neiging,  enz.)" 

a.  't  singuliere  oordeel.  §  175.  „Het  enkele,  als  't  enkele, 
is  het  algemeene."  (E-A) 

b.  't  bizondere  oordeel.  „Het  enkele  is  in  zich  verdeeld, 
ten  deele  heeft  het  betrekking  op  zich,  ten  deele  op  wat 
anders.  Eenigen  zijn  het  algemeene." 

c.  't  algemeene  oordeel.  „Het  algemeene  is  het  algemeene." 
(A-A) 

III.  't  Noodzakelij kheids-oordeel.  §  177. 

a.  categorisch:  „de  species  (Art)  is  het  genus  (Gattung)." 
(B-A) 

b.  hypothetisch:  „indien  S  (de  species)  is,  dan  is  G  ('t genus)". 

c.  disjunctie/:  „het  genus  is  de  totaliteit  der  species."  (A-B) 

IV.  't  Begrips-oordeel.  §  178.  „Het  oordeel  des  be- 
grips  heeft  het  begrip,  de  totaliteit  in  eenvoudigen  vorm, 
tot  zijn  inhoud,  het  algemeene  met  zijn  volledige  bepaald- 
heid. Het  subject  is  vooreerst  iets  enkels,  dat  tot  praedicaat 
heeft  de  reflectie  van  zijn  bizonder  bestaan  op  zijn  alge- 
meene natuur  —  de  overeenstemming  of  niet-overeenstemming 
dezer  beide  opzichten  (Bestimmungen) :  goed,  waar,  juist,  enz." 

a.  assertorisch.  (Dit  soort  van  oordeelen  wordt  door  Hegel 
in  verband  gebracht  met  de  „onmiddellijkheidsleer"  of  het 
„geloof"  van  Jacobi). 

b.  problematisch. 

c.  apodictisch,  bijv.  „Dit  —  onmiddellijke  enkelheid,  — 
huis,   —   soort  —  van  dien  en  dien  aard,  —  bizonderheid 


houding  is  gesteld;  2o  dat  de  uitdrukking  existentie  bij  Hegel  voorkomt  in 
de  Wezensleer,  waaraan  de  hier  besproken  soort  van  oordeelen  beantwoordt, 
zooals  de  qualitatieve  oordeelen  terugwijzen  op  de  zijnsleer. 


308        BESCHOUWINGEN   OVER    DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

—  is  goed  of  slecht."  „Alle  dingen  zijn  een  soort  (hun  bestem- 
ming en  doel)  in  een  enkele  werkelijkheid  van  een  bizondere 
geaardheid.  (E-B-A).  Aldus  vormt  het  apodictische  oordeel 
den  overgang  tot  de  sluitrede  en  is  zoodoende  de  sluitrede." 

Van  de  opmerkingen,  door  Hegel  aan  deze  oordeels- 
classificatie toegevoegd,  lijkt  mij  eene  alwel  zeer  belangrijk, 
omdat  men  bij  een  interpretatie  zijner  geschriften  haar 
bovenal  in  het  oog  moet  houden.  Ze  geldt  het  gebruik  van 
den  term  'waar'  in  tegenstelling  met  dien  van  'juist'. 

In  de  tweede  alinea  van  §  172  schrijft  Hegel: 

„Het  is  een  der  gewichtigste  logische  vooroordeelen ,  dat 
zulke  qualificeerende  zinnen,  als:  „deze  roos  is  rood"  of 
„is  niet  rood"  waarheid  zouden  kunnen  bevatten.  „Juist" 
kunnen  ze  zijn,  d.  w.  z.  in  den  beperkten  kring  der  waar- 
neming, van  het  eindige  voorstellen  en  denken;  dit  hangt 
van  den  inhoud  af,  die  eveneens  een  eindige,  voor-zich- 
onware  is.  Maar  de  waarheid  berust  slechts  op  den  vorm, 
d.  w.  z.  op  het  gestelde  begrip  en  de  hieraan  beantwoor- 
dende realiteit;  zulk  een  waarheid  echter  is  in  hetqualita- 
tieve  oordeel  niet  voorhanden." 

In  den  Zusatz  voegt  hij  daaraan  toe: 

„'Juistheid'  en  'waarheid'  worden  in  het  dagelijksche 
leven  zeer  vaak  als  gelijkbeteekenend  beschouwd,  en  over- 
eenkomstig wordt  dikwijls  van  de  waarheid  van  een  inhoud 
gesproken,  waar  het  slechts  om  de  enkele  juistheid  gaat; 
deze  betreft  in  't  algemeen  slechts  de  formeele  overeen- 
stemming onzer  voorstelling  met  haar  inhoud,  hoe  deze 
inhoud  ook  geaard  moge  zijn.  Daarentegen  bestaat  de 
waarheid  in  de  overeenstemming  van  het  voorwerp  met 
zich  zelf,  d.  w.  z.  met  zijn  begrip.  Het  mag  weliswaar 
'juist'  zijn,  dat  iemand  ziek  is  of  gestolen  heeft;  zulk  een 
inhoud  is  echter  niet  'waar',  want  een  ziek  lichaam  is  niet 
in  overeenstemming  met  het  begrip  van  het  leven  en  even- 


BIJ    HEGEL   EN    BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      309 

ZOO  is  de  diefstal  een  handeling,  die  met  het  begrip  van 
'menschelijk'  handelen  niet  overeenstemt.  Aan  deze  voor- 
beelden is  te  zien,  dat  een  onmiddelijk  oordeel,  waarin 
van  een  onmiddelijke  enkelheid  een  abstracte  qualiteit 
wordt  gepraediceerd,  hoe  juist  het  ook  moge  zijn,  toch 
geen  waarheid  kan  bevatten,  daar  subject  en  praedicaat 
hierin  niet  in  de  verhouding  van  realiteit  en  begrip  tot 
elkaar  staan. . . ,  Anders  staat  het  met  het  oordeel  van  het 
begrip.  Wanneer  we  zeggen:  „deze  handeling  is  goed", 
zoo  is  dit  een  oordeel  van  't  begrip  en  men  bemerkt 
dadelijk,  dat  hier  tusschen  subject  en  praedicaat  niet  dit 
losse  en  uiterlijke  verband  bestaat  als  in  het  onmiddel- 
lijke oordeel.  Terwijl  hierbij  het  praedicaat  in  de  een  of 
andere  abstracte  qualiteit  bestaat,  die  aan  't  subject  kan 
toekomen  of  niet,  is  daarentegen  in  't  oordeel  van  't  begrip 
het  praedicaat  als  't  ware  de  ziel  van  't  subject,  waardoor 
dit,  als  't  lijf  van  deze  ziel,  door  en  door  is  bepaald." 

Niet  alleen  blijkt  uit  deze  plaats  het  teleologische,  appre- 
ciatieve  karakter,  dat  voor  de  Hegelsche  wijsbegeerte  zoo 
kenmerkend  is,  maar  bovenal  opmerkelijk  is  de  wijze, 
waarop  de  normen  van  het  practische  bewustzijn,  zich 
uitdrukkende  in  praedicaten  als  slecht  en  goed,  door  die 
van  't  logische  bewustzijn  worden  heengemengd  en  er  voor 
in  de  plaats  gesteld. 

IV. 

Het  syllogisme,  ^)  dat  we  nu  willen  bespreken ,  wordt 
bij  Hegel  weder  onder  drie  hoofden  behandeld,  1.  de  quali- 


1)  Alleen  over  de  behandeling  van  het  syllogisme  bij  Hegel  en  Sigwart 
zal  ik  in  het  volgende  spreken.  Voor  hun  beider  beschouwingen  over  zijn 
waarde  of  onwaarde  in  het  denken  en  zijn  beteekenis  in  het  Aristotelische 
systeem  moet  ik  verwijzen  naar  Hegel,  Encykl.  §  20  Zus.,  §  183  Zus.,  §  187, 
2e  alinea,  en  naar  Sigwart,  Logik^,  I.  §  55. 


310        BESCHOUWINGEN   OVER    DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

tatieve  sluitrede,  2.  de  reflectie-sluitrede,  o.  a.  inductie-  en 
analogie-besluit  bevattend,  3.  de  noodzakelijkheids-sluitrede, 
d.  w.  z.  categorische,  hypothetische  en  disjunctieve  sluitrede. 

De  door  Hegel  qualitatief  genoemde  sluitrede  zal  ons 
voornamelijk  bezighouden.  Hegel  bespreekt  hier  zeer  be- 
knopt de  drie  Aristotelische  figuren,  waarbij  de  volgorde 
van  de  tweede  en  derde  figuur  wordt  verwisseld. 

Voor  de  eerste  figuur  geeft  hij  de  formule:  E-B-A, 
„een  subject  is  als  iets  enkels  [E]  door  een  qualiteit  [een 
bizonderheid,  B]  met  een  algemeene  [A]  bepaaldheid  ver- 
bonden of  tezamen-'gesloten'." 

Voor  de  tweede  figuur  wordt  de  formule  A-E-B,  voor 
de  derde  B-A-E  gegeven. 

Waarom  hierin  achtereenvolgens  voor  den  terminus  me- 
dius  de  letters  B,  E  en  A  zijn  gekozen,  is  nog  te  doorzien. 
In  de  eerste  Aristotelische  figuur  is  de  middelterm  —  indien 
vergelijking  van  begripsomvangen  mogelijk  is  —  in  omvang 
instaande  tusschen  het  subject  van  den  minor  en  het 
praedicaat  van  den  major,  en  we  begrijpen,  ook  al  billijken 
we  't  niet,  hoe  hiervoor  de  naarrl  bizonderheid,  de  letter  B, 
kon  gebruikt  worden. 

In  de  3^  Aristotelische  (2e  Hegelsche)  figuur  is  de  ter- 
minus medius  in  beide  praemissen  subject  en  dus  —  wanneer 
vergelijking  van  begripsomvangen  mogelijk  is  —  van 
kleiner  omvang  dan  beide  praedicaten;  de  terminus  medius 
wordt  daarom  aangeduid  met  E ;  om  soortgelijke  reden  is 
in  de  derde  figuur  de  terminus  medius  met  A  aangeduid. 

Waarom  echter  in  de  tweede  figuur  de  beide  uitersten 
in  de .  volgorde  A-B ;  in  de  derde  figuur  in  de  volgorde 
B-E  ik  genomen,  is  geenszins  duidelijk.  We  moeten  wel 
aannemen,  dat  de  keuze  dezer  volgorde  geheel  toevallig 
en  wiltekeurig  is,  temeer  daar  bij  de  verdere  bespreking 
van   het  syllogisme,  zoowel  bij  de  reflectie-sluitrede  als  bij 


BIJ    HEGEL    EN    BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.      311 

de  noodzakelijkheids-sluitrede,  de  aandacht  uitsluitend  be- 
paald wordt  bij  den  terminus  medius. 

Zoo  wordt  in  liet  reflectie-oordeel  de  „enkelheid",  die 
in  de  tweede  figuur  den  terminus  medius  uitmaakt,  achter- 
eenvolgens in  drieërlei  phase  beschouwd,  1.  als  alle  enkel- 
heden  (individuen),  waaraan  een  bizonderheid  toekomt, 
E^,  2.  als  de  volledige  reeks  van  enkelheden  als  zoodanig, 
E^,  3.  als  een  enkelheid,  in  den  zin  van  haar  wezenlijke 
algemeenheid,  d.  w.  z.  in  den  zin  van  haar  soort  of  wezen- 
lijke bepaaldheid,  E^. 

Evenzoo  wordt  bij  het  syllogisme  der  noodzakelijkheid 
de  terminus  medius  van  de  derde  Hegelsche  figuur,  nam.  de 
algemeenheid,  in  drieërlei  phase  beschouwd,  als  A'',  A^  en  A*. 

Terwijl  we  aldus  in  de  Hegelsche  oordeelsleer  met 
„identiek"-stellingen  te  doen  hadden,  als  E-A,  E-B,  enz. 
zien  we  in  de  leer  van  't  syllogisme  deze  identiek-stellingen 
„bemiddeld"  door  het  derde  „begripsmoment"  als  terminus 
medius.  Door  vervolgens  de  beide  laatste  vormen  van  den 
terminus  medius,  E  en  A,  onder  drie  phasen  te  bezien, 
wordt  aldus  de  volkomen  „drieëenigheid"  ontwikkeld  der 
drie  begripsmomenten.  Aldus  heeft  Hegel  in  zijn  oordeels- 
en  sluitrede-leer  —  in  tegenstelling  met  het  traditioneele 
geknutsel  van  Felapton,  Darii  en  hoe  het  verder  moge 
heeten  —  een  gedachte-ontwikkeling  trachten  te  geven,  in 
nauwen  samenhang  met  den  kern  van  zijn  geheele  systeem; 
in  dit  denkbeeld  van  de  totaliteit  der  drie  begripsmomenten 
toch  ligt  zoowel  het  hoofddogma  der  Christelijke  leer, 
alsook  de  hoofdgedachte  der  Hegelsche  wijsbegeerte  opge- 
sloten: de  dialectische  methode,  de  waarmaking  en  bemidde- 
ling van  het  onmiddellijke  door  middel  van  zich  zelf. 

Gaan  we  thans  van  Hegels  leer  der  sluitrede  tot  Sigwart 
over,   dan   zien  we   ook  bij  dezen  gedachten,  heel  wat  be- 


312        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE   LOGICA 

langrijker  dan  men  in  de  traditioneele  behandeling  pleegt 
aan  te  treffen;  maar  anderzijds  heeft  zijn  behandeling  toch 
een  veel  bescheidener  beteekenis,  dan  Hegel  aan  de  zijne 
heeft  willen  geven.  Evenals  bij  de  oordeels-classificatie 
vinden  we  ook  hier  de  opvatting  van  de  logica  als  teleo- 
logische wetenschap,  en  de  vraagstelling  zouden  we  kunnen 
formuleeren :  welke  waarde  bezitten  de  drie  Aristotelische 
figuren  voor  het  menschelijk  denken,  als  strevende  van 
twijfel  en  vraag  tot  zekere  en  algemeen-geldige  beslissingen 
te  geraken. 

Daarbij  wordt  dan  allereerst  —  hierin  was  Lotze  voor- 
afgegaan —  gewezen  op  het  groote  verschil  tusschen  de 
twee  eerste  Aristotelische  figuren  eenerzijds  en  de  derde 
figuur.  Door  de  toepassing  der  laatste  immers,  waarbij  de 
praemissen  een  gemeenschappelijk  subject  bezitten,  vermag 
men  slechts  tot  de  mogelijkheid  van  samengaan  van  eigen- 
schappen besluiten,  ze  leidt  slechts  tot  een  problematisch 
oordeel,  dat  misschien  door  latere  onderzoekingen  in  een 
categorisch  oordeel  vermag  te  worden  omgezet. 

De  beide  eerste  figuren  hangen  beide  ten  nauwste  samen 
met  het  principe  van  den  grond,  de  eerste  figuur  met  dit 
principe  in  zijn  positieve,  de  tweede  met  dit  principe  in 
zijn  negatieve  formuleering. 

In  het  kort  zij  aangegeven ,  hoe  deze  herleiding  geschiedt. 
De  vier  modi  der  eerste  figuur  zijn : 

1.  Alle  M  is  P  2.  Geen  M  is  P 

Alle  S  is  M  Alle  S  is  M 


dus: 

Alle  S 

is 

P 

3. 

Alle  M 

is 

P 

Eenige 

S 

is 

M 

dus: 

;  Geen 

S 

is 

P 

4. 

Geen 

M 

is 

P 

Eenig 

e  S 

is 

;  M 

dus:  Eenige  S  is  P      dus:  Eenige  S  is  niet  P 
Daar  het  voor  den  aard  van  het  concludeeren  onverschillig  is, 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.     313 

van  welke  quantiteit  het  subject  is  van  den  minor,  kunnen 
de  vier  bovenstaande  figuren  tot  twee  herleid  worden. 
1.  Alle  M  is  P.  2.  Geen  M  is  P 

Alle  S,  eenige  S,  één  Sis M    Alle  S,  eenige  S,   één  S  is  M 

Alle  S,  eenige  S,  één  S  is  P    Alle  S,  eenige  S,  één  S  is  niet  P 

Brengen  we  deze  beide  vormen  terug  op  den  regel ,  vol- 
gens welken  geconcludeerd  wordt,  dan  luidt  deze  voor  de 
eerste  figuur: 

Indien  iets  B  is,  dan  is  A  (1^    en  3^    modus). 

Indien  iets  B  is,  dan  is  niet  X  (2^  en  4^  modus). 

Als  minor  komt  voor: 

bepaalde  subjecten  C  zijn  B. 

Derhalve:  ze  zijn  A,  ze  zijn  niet  X. 

De  vier  modi  der  tweede  figuur  laten  zich  herleiden 
tot  de  twee  volgende  vormen: 

1.  Geen  P  is  M  2.  Alle  P  is  M 

Alle.S,  eenige  S,  één  S  is  M    Alle  S,  eenige  S,  één  S  is  niet  M 

Alle  S,  eenige  S,  één  S  is  niet  P    Alle  S,  eenige  S,  één  S  is  niet  P. 

Nu  moeten  voor  deze  figuur  de  twee  zelfde  regels  als 
voor  de  eerste  figuur  gelden,  daar  deze  beide  regels  de 
eenige  mogelijke  conclusie  uit  eenvoudige  begripsver- 
houdingen uitdrukken.  Alleen  wordt  thans  besloten  uit  het 
niet  intreden  van  het  gevolg,  dat  ook  de  grond  niet  geldt. 

Wanneer  iets  B  is,  is  het  A. 

Nu  is  C  (alle  C,  eenige  C)  niet  A, 

derhalve  ook  niet  B. 

Wanneer  iets  B  is,  is  het  niet  X. 

Nu  is  C  (alle  C,  eenige  C)  X, 

derhalve  niet  B. 

SiGWART,  Logik  I.  blz.  466.  „De  samenhang  zoowel  als 
het  onderscheid  van  de  eerste  en  tweede  figuur  is  derhalve 
daaruit   duidelijk,    dat   in    de   eerste  uit  de  geldigheid  van 


314        BESCHOUWINGEN   OVER   DE   SCHOOLSCHE    LOGICA 

den  grond  besloten  wordt  tot  de  geldigheid  van  een  (be- 
vestigend of  ontkennend)  gevolg,  in  de  tweede  uit  de  on- 
geldigheid van  het  (bevestigende  of  ontkennende)  gevolg  tot 
de  ongeldigheid  van  den  grond."  ^) 

Trachten  we  thans  onze  vergelijking  van  Hegel  en  Sig- 
wart  kortelijk  te  formuleeren,  dan  kunnen  we  zeggen:  bij 
den  laatste  zien  we  steeds,  zoowel  bij  de  bespreking  der 
denkwetten  als  van  oordeel  en  sluitrede,  de  vraag  gesteld: 
van  welke  beteekenis  zijn  ze  alle  voor  de  bereiking  van 
dit  ééne  doel:  het  verwerven  van  noodwendige,  algemeen- 
geldige  kennis.  Bij  Hegel  worden  de  grondbegrippen  der 
logica,  zooals  hij  die  bij  tijdgenooten  vond  uiteengezet,  uit 
deze  wetenschap  uitgelicht,  evenals  de  grondbegrippen  der 
wiskunde  en  der  andere  wetenschappen,  en  in  de  trichoto- 
mische  classificatie  gerangschikt.  Deze  classificatie  heeft 
daarbij  een  tweeledig  karakter:  eenerzijds  wil  ze  een  betoog 
zijn;  door  haar  regelmatige  orde  van  voortgang  wil  ze  den 
lezer  de  overtuiging  geven,  dat  de  in  haar  gerangschikte 
grondbegrippen  noodwendig  zijn,  in  de  rede  liggen;  ander- 
zijds is  deze  classificatie  een  opklimmende  appreciatieschaal, 
waarin  bij  verderen  voortgang  tot  geestes-  en  historie- 
philosofie  toe  een  rijpe  levens-  en  wereld-ervaring  zich 
heeft  kunnen  nederleggen. 

Op  één  punt  meen  ik  mij  nog  te  moeten  verantwoorden. 
In  't  voorgaande  heb  ik  Hegel  en  Sigwart  tegenover  elkander 
gesteld.  Geenszins  heb  ik  daarmede  een  waarde-vergelijking 
dezer  beide  personen  bedoeld.  Wanneer  ik  Sigwart  noemde, 
dan  bedoel  ik  daarmee  een  geestes-strooming,  een  richting 
van  wijsbegeerte,  waarvan  Sigwart  een  der  voormannen  is 


1)  Over  den   aard  van  het  concludeeren  in  de  derde  figuur,  zie  Sigwart, 
Logik  I  §  54,  7. 


BIJ    HEGEL   EN   BIJ    DE   NIEUWERE   DUITSCHE   LOGICI.     315 

geweest  en  waaraan  zich  ook  namen  van  tijdgenooten  als 
Rickert,  Münsterberg,  Windelband  laten  verbinden.  Zoo 
ook,  wanneer  ik  in  het  voorgaande  mijn  keuze  bepaald 
heb  tot  eenige  plaatsen  in  Hegels  kleine  logica,  dan  heb 
ik  dit  slechts  gedaan,  om  noodwendige  redenen  van  zelf- 
beperking. Ik  heb  alleen  richting  tegenover  richting  willen 
stellen. 

De  tegenstelling  tusschen  die  beide  richtingen  gaat  verder 
dan  in  het  voorgaande  opstel  kon  worden  aangeduid.  On- 
getwijfeld heeft  de  Hegelsche  school  dit  groote  voordeel, 
dat  zij  niet  alleen  beloven,  maar  ook  geven  kan;  dat  ze 
een  geheel  bezit,  hetwelk  men,  met  hoeveel  wijzigingen 
dan  ook,  verkondigen  en  prediken  kan.  —  Sigwart  en  wie 
aan  zijn  zijde  staan,  hebben  inderdaad  weinig  meer  dan 
een  belofte,  een  program,  gereed;  evenwel  hebben  ze  ons 
in  de  uitvoering  reeds  menig  goed  voorbeeld  gegeven. 
Doch  ook  al  vermogen  zij  ons  bij  lange  na  niet  een  „een- 
heid van  levens-  en  wereldbeschouwing"  over  te  reiken  en 
al  spannen  zij  zich  nog  in,  met  alle  krachten,  om  over  de 
gronden  van  ons  denken  en  voelen  tot  helderheid  te  komen, 
liever  aanvaard  ik  hun  geleide,  dan  mij  toe  te  vertrouwen 
aan  de  gewrongen,  grillige,  kunstmatige,  zich  zelf  ontrouwe 
dialectiek  der  Hegelsche  school. 

„De  moed  des  wetens  is  ons  gebroken;  kennistheorie, 
kritische  bezinning,  is  ons  tot  een  gewetenszaak  geworden." 


OVER  SPINOZA  EN  DEN  GODSDIENST 

DOOR 

Dr  W.  MEIJER. 


Elmer  Ellsworth  Powell,  A.  M.,  Ph.  D.  heeft  ons  een  boek 
over  Spinoza  and  Religion  gegeven ,  een  uitwerking  van  een 
vroeger  geschrift  over  Spinoza's  Gottesbegriff. 

Het  is  duidelijk  dat  de  schrijver  lang  met  Spinoza  ver- 
keerd heeft,  immers  zijn  wijze  van  werken  is  met  Spinoza's 
denkwijze  (methode)  volkomen  in  overeenstemming.  Voor 
alles  tracht  hij  zich  rekenschap  te  geven  van  den  inhoud 
der  begrippen  waarmede  hij  zich  bezig  houdt  (zie  blz.  221 
en  222)  en  slaat  daardoor  al  terstond  den  eenigen  goeden 
weg  in  om  zich  duidelijk  en  verstaanbaar  te  maken. 

Velen,  zegt  hij  zeer  terecht,  stellen  aan  begripsbepalingen 
te  hooge  eischen;  zij  wenschen  daarin  alles  te  zien  uitge- 
drukt wat  er  bij  mogelijkheid  in  een  begrip  te  vinden  is. 
Door  dezen  overdreven  eisch  maken  zij  bij  voorbaat  elke 
poging  om  hun  doel  te  bereiken,  ijdel  en  vruchteloos. 

Stelt  men  zich  daarentegen  alleen  de  vraag  hoe  het  onder- 
havige begrip  van  andere  begrippen  zuiver  te  onderscheiden 
is,   dan    is   een   goede   doeltreffende   begripsbepaling  even 


OVER  SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST.  317 

bereikbaar  als  gewenscht  en  onmisbaar.  „Religion"  nu,  zegt 
hij,  „heeft  een  leerstellig,  een  gemoedelijk,  en  een  werk- 
dadig karakter";  godsdienst  is:  (lees:  het  begrip  godsdienst 
omvat)  „de  gemoedsaandoeningen  en  handelingen  gewekt 
„en  veroorzaakt  door  het  geloof  in  een  of  meerdere  per- 
„soonlijke  machten  van  hoogeren  rang,  waarmede  de  mensch 
„wordt  verondersteld  in  betrekking  te  staan."  ^) 

Dit  sluit,  zegt  Powell,  zoowel  het  Fetichisme  als  het 
Christendom  in  en  kan  dus  zijns  inziens  als  voldoende 
omschrijving  worden  aangemerkt,  terwijl  hij  daarbij  in  't 
bijzonder  onze  aandacht  vestigt  op  de  woorden  hooger  onper- 
soonlijk om  aan  den  eenen  kant  zuiver  menschelijke  betrekkin- 
gen uit  te  sluiten,  en  atheïstische  of  ongoddelijke,  zooals  onze 
verhouding  tot  natuurverschijnselen,  aan  den  anderen  kant. 

Inderdaad  is  deze  beschrijving  ook  o.  i.  volledig.  Een  leer- 
stellige overtuiging  alleen;  een  onbestemd,  op  geen  bepaald 
voorwerp  gericht  gevoel;  een  geloofsdaad  zonder  eenig 
redelijk  begrip  kunnen  den  naam  van  godsdienst  niet  ver- 
dienen. Met  opzet  zeg  ik  hier  godsdienst  en  niet  religie, 
het  barbaarsche  woord  waardoor  men  in  den  laatsten  tijd 
gewoon  is  het  woord  godsdienst  te  vervangen.  Dit  vervangen 
is  een  bedenkelijk  teeken  en  bewijst  in  de  meeste  gevallen 
dat  de  zaak  door  een  woord  aangeduid,  zijn  juiste  beteekenis 
voor  ons  verloren  heeft,  zooals  dit  ook  hier  het  geval  is, 
waar  men  het  onmiskenbaar  verlies  van  echte  vroomheid 
door  een  min  of  meer  verward  denkbeeld  voor  zich  zelf  en  voor 
anderen  tracht  te  bemantelen.  Het  woord  godsdienst  heeft 
in  onze  taal  altijd  aan  de  door  Powell  gestelde  eischen  be- 
antwoord. Als  men  vraagt  tot  welken  godsdienst  iemand 
behoort  of  spreekt  over  de  wereldgodsdiensten,  dan  bedoelt 


1)  „Religion  is  the  emotions  and  activities  determined  by  belief  in  a  higlier 
personal  power  or  in  higher  personal  powers,  with  whom  man  is  assumed  lo 
sustain  relations." 


318  OVER   SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST. 

men  het  geloof  of  de  leer  omtrent  een  hooger  wezen  van 
persoonlijken  aard;  als  men  spreekt  van  een  godsdienstig 
mensch  dan  bedoelt  men  een  mensch  die  zich  met  zulk 
een  hooger  wezen  verbonden  gevoelt;  terwijl  eindelijk  het 
woord  godsdienst  door  zijn  samenstelling  zelve  reeds  aan- 
geeft dat  daarin  handelingen  of  daden  voorondersteld  worden, 
die  van  welken  aard  ook,  uit  vrees  voor,  ten  gevalle  of  op 
gezag  van,  of  wel  uit  liefde  tot  zulk  een  hooger  wezen 
worden  verricht. 

Evenals  de  meeste  feiten  in  's  menschen  zieleleven  is  ook 
de  godsdienst,  die  wel  een  der  meest  verheffende  gemoeds- 
stemmingen genoemd  mag  worden,  noch  zuiver  verstandelijk, 
noch  zuiver  gemoedelijk,  noch  wilsdaad  alleen;  maar  dit 
alles  te  zamen.  Wat  men  gelooft  omtrent  een  persoonlijk 
God  brengt  ons  gemoed  in  beweging  en  wat  ons  gemoed 
in  beweging  brengt,  uit  zich  in  daden.  Het  geloof  zonder 
de  werken  is  dood  en  een  waarachtig  geloof  zonder  toewij- 
ding of  liefde  is  niet  denkbaar.  Dat  is  het  wat  men  vroom- 
heid noemt.  Een  persoonlijke  verhouding  tusschen  God  en 
mensch  schijnt  hierbij  inderdaad  onmisbaar. 

Wat  is  echter  persoonlijkheid?  Powell  antwoordt  hierop: 
zelfbewustzijn,  en  ongetwijfeld  is  dit  antwoord  juist,  edoch 
nog  onvoldoende. 

Een  omschrijving  kan  ook  te  weinig  zeggen  en  dat  is 
hier  het  geval.  Wel  zullen  de  meesten  zich  met  dat  woord 
tevreden  stellen,  toch  zegt  het  niet  genoeg.  Het  zelfbewustzijn 
is  ons  allen  van  kindsbeen  af  bekend  en  waar  we  aan  gewoon 
zijn,  zegt  Spinoza,  dat  meenen  we  allicht  goed  te  begrijpen,  daar- 
van vragen  we  geen  verklaring.  En  toch  behoort  het  niet  tot  die 
allereenvoudigste  begrippen  waarbij  ons  verstand  gedwongen 
is  stil  te  staan,  begrippen  die  men  als  de  atomen  onzer 
gedachtenwereld  zou  kunnen  beschouwen.  Het  begrip  zelf- 
bewustzijn of  persoonlijkheid  namelijk,  is  nog  te  ontleden  in 


OVER   SPINOZA  EN   DEN   GODSDIENST.  319 

twee   andere  begrippen,  die  van  zelfstandigheid  en  onder- 
scheiding; onafhankelijkheid  (autonomie)  en  tegenoverstelling. 

Zulk  een  persoonlijkheid  nu  schrijven  de  meeste  menschen 
eerst  zich  zelven  en  hun  medemenschen  en  daarna  der 
Godheid  in  buitengewone  mate  (eminenter)  toe. 

In  de  Oudheid  kende  men  geen  Godheid  zonder  gods- 
beeld, wij  zeggen  thans  „afgodsbeeld".  De  Romeinen  namen 
ten  slotte  al  die  Goden  gastvrij  in  hun  Pantheon  op.  Toen 
zij  echter  den  Joodschen  godsdienst  en  de  Joodsche  secte 
der  Christenen  leerden  kennen  en  ontwaarden  dat  bij  hen 
geen  godenbeelden  te  vinden  waren ,  noemden  ze  deze 
menschen  eenvoudig  goddeloozen.  Een  godheid  zonder 
beeld  was  iets  ondenkbaars  voor  hen.  En  hoe  sterk  die 
gedachtenkoppeling  (associatio  idearum)  altijd  is  geweest, 
blijkt  ons  duidelijk  uit  het  bekende  feit  dat  de  menigte  in 
later  tijd  zelfs  in  den  Christelijken  godsdienst  met  geweld 
weer  den  beeldendienst  heeft  ingevoerd. 

Bij  de  hooger  ontwikkelden  onder  de  Christenheid  werd 
die  dienst  evenwel  geheel  en  al  verlaten  en  ernst  gemaakt 
met  het  oude  voorschrift  uit  Exodus:  gij  zult  u  geen  ge- 
sneden beeld  maken  van  hetgeen  in  den  hemel  is,  enz. 

Ondertusschen  bleef  ook  bij  laatstgenoemden  het  denk- 
beeld  (de  idee)  der  persoonlijkheid  Gods,  anders  gezegd 
de  persoonsverbeelding  (hypostase)  van  God  streng  gehand- 
haafd, en  welke  wijzigingen  de  Christelijke  Godsvoorstelling 
ook  in  den  loop  der  tijden  moge  hebben  aangenomen,  het 
denkbeeld  der  persoonlijkheid  bleek  in  dien  godsdienst 
onafscheidelijk  van  het  denkbeeld  van  God  (idea  Dei)  te 
zijn.  Wie  derhalve  in  later  tijden  de  persoonlijkheid  Gods 
loochende,  werd  onherroepelijk  voor  een  godloochenaar 
verklaard. 

In  anderen  vorm  herhaalde  zich  hier  het  feit  uit  den 
Romeinschen   keizertijd.   De  grofzinnelijke  afbeelding,  zelfs 

21 


320  OVER   SPINOZA  EN   DEN   GODSDIENST. 

onder  de  hoogst  veredelde  menschelijke  gestalten  der 
Grieksche  Goden  was  als  bewijs  van  een  minderwaardig 
standpunt  verworpen ,  de  verbeelding  evenwel  van  God  als 
geestelijke  persoonlijkheid,  naar  de  gelijkenis  van  den 
mensch,  bleef  het  merkteeken,  de  proefsteen,  diegodsdien- 
stigen  van  ongodsdienstigen  onderscheidde. 

Kant  omschreef  die  Religion  als  de  erkenning  van  al 
onze  plichten  als  goddelijke  geboden,  en  handhaafde  door 
deze  uitspraak,  evenals  Powell  in  zijn  bepaling,  het  persoonlijke 
beginsel  als  voor  den  godsdienst  onmisbaar.  De  godsdienstige 
mensch  zoekt  steun  en  bescherming  te  midden  van  de  rampen 
en  nooden  des  levens :  hij  vindt  die  in  zijn  geloof  aan  een  Voor- 
zienigheid tot  wie  hij  zich  ten  allen  tijde  in  den  gebede  wenden 
kan.  Een  godsdienstige  verhouding  tot  het  Onbekende,  de 
Wereld,  de  Zwaartekracht,  de  Kunst,  de  Menschheid,  kort- 
om het  onpersoonlijke,  is  een  ondenkbare  verhouding. 

Tot  zoover  over  godsdienst  in  het  algemeen. 

De  vraag  die  Powell  zich  vervolgens  stelt  is  deze :  in  hoever 
nu  ook   Spinoza's  leer  godsdienstig  mag  worden  genoemd. 

En  wel  bestaat  er  reden  voor  zulk  een  vraag.  Als  men 
Schleiermacher  vol  geestdrift  en  bewondering  hoort  gewagen 
van  Spinoza  als  den  man  in  wiens  leven  het  Absolute  begin 
en  einde  was,  wien  de  hooge  Wereldgeest  doordrong,  die 
vol  was  van  den  Heiligen  Geest;  —  als  men  bij  Tennyson 
leest  over  Spinoza  als  den  God-intoxicated  man,  den  man 
die  „dronken  was  van  God";  —  en  dan  bij  van  Vloten 
den  wijsgeer  hoort  prijzen  als  den  atheist  bij  uitnemendheid, 
wien  men  alleen  verwijten  kan  dat  hij  den  naam  „God" 
nog  behouden  heeft,  dan  is  er  reden  voor  de  vraag:  wat 
hebben  we  daarvan  te  denken?  Allereerst,  hoe  is  zulk  een 
tegenstrijdige  opvatting  mogelijk? 

Voor  dit  laatste  geeft  Powell  twee  verschillende  redenen.  Zijn 


OVER   SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST.  321 

vrienden,  zegt  hij,  durven  Spinoza  geen  atheist  noemen, 
al  houden  ze  hem  ook  daarvoor,  omdat  veelal  doordien 
naam  de  smet  van  zedeloosheid  iemand  wordt  aangewreven, 
en  Spinoza  zelf  heeft  tot  dit  verschil  van  opvatting  door 
dubbelzinnigheid  van  uitdrukking  en  gedrag,  soms  zelfs 
door  verdraaiing  zijner  gedachten  ten  aanzien  van  dit  punt, 
aanleiding  gegeven. 

Onder  anderen  zou  dat  blijken  uit  zijn  levensgeschiedenis. 
Hier  toont  Powell  echter  volstrekt  niet  op  de  hoogte  te  zijn.  Als 
Spinoza  wiens  hoofdstudie  van  kindsbeen  tot  zijn  laatste 
levensdagen  het  O.  T.  geweest  is,  en  die  te  midden  van 
oprecht  vrome,  niet,  zooals  Powell  zegt,  vervelend  orthodoxe 
Christenen  zijn  leven  sleet,  zich  des  Zondags  ter  kerk  begaf 
om  Ds.  Cordes,  een  bekwaam  predikant  der  Ev.  Luthersche 
gemeente  te  gaan  hooren,  dan  kunnen  wij  daarin  niets 
anders  zien  dan  de  handelwijze  van  een  denker,  die,  steeds 
met  eigen  gedachten  bezig,  gaarne  de  gelegenheid  aan- 
grijpt, om  over  een  onderwerp  dat  hem  boeit  ook  anderer 
meening  eens  te  vernemen.  Powell  beschouwt  dit  als  laakbare 
tegemoetkoming  en  aanpassing  aan  de  zeden  des  volks. 
Wie  onzen  landaard  evenwel  kent,  weet  dat  te  dier  tijde 
niemand  zelfs  verwacht,  veel  min  geeischt  zal  hebben  dat 
een  Jood  zich  ter  kerke  begaf. 

En  als  Spinoza  te  Rijnsburg  de  taak  heeft  op  zich  genomen 
een  leerling  in  de  wijsbegeerte  van  Descartes  te  onderrichten, 
dan  neemt  hij  zich  zorgvuldig  in  acht  dien  jongen  man  zijn 
eigen  beginselen  mede  te  deelen,  hetgeen  in  dien  tijd  en 
onder  die  omstandigheden  even  trouweloos  als  gevaarlijk  zou 
geweest  zijn.  Dat  hij  zelf  met  de  Cartesiaansche  beginselen  ge- 
broken had,  heeft  hij  in  de  Voorrede  van  zijn  boek  over  Cartesius 
opzettelijk  ter  algemeene  kennisse  laten  brengen  en  dat  hij 
zijn  eigen  gevoelen  aan  Casearius  niet  mededeelde  was 
behalve   zijn   plicht,   daarenboven  geraden  met  het  oog  op 


322  OVER   SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST. 

het  karakter  van  dien  jongeling,  wien  het  als  zoovelen ,  niet 
aan  nieuwsgierigheid,  wel  aan  weetgierigheid  ontbrak.  Ook  in 
dezen  kan  Spinoza's  gedrag  in  geen  enkel  opzicht  ten  kwade 
worden  geduid.  Powell  evenwel  maakt  er  hem  een  verwijt  van. 

Maar  al  moge  Powell  dan  ook  minder  juist  Spinoza's 
leven  begrepen  hebben,  met  ernst  heeft  hij  zich  aan  de 
studie  van  diens  wereldbeschouwing  gewijd.  Aan  de  hand 
der  Ethica,  begint  hij  met  een  uiteenzetting  van  Spino- 
za's Godsbegrip.  Achtereenvolgens  behandelt  hij ,  evenals 
in  zijn  eerste  Duitsche  boek,  de  Begripsbepaling  der  Sub- 
stantie, de  bijkomstige  en  de  wezenskenmerken  van  het 
Bestendige  (de  formeele  en  de  reëele  Attributen  van  de 
Substantie) ,  de  verhouding  van  God  tot  de  wereld,  de  beide 
ons  bekende  wezenskenmerken  van  uitbreiding  en  denking 
en  eindelijk  de  verhouding  van  Spinoza's  Godsbegrip  tot 
het  godsdienstig  bewustzijn. 

Powell  is,  volgens  zijn  eigen  verklaring,  er  niet  in  geslaagd 
de  logica  in  Spinoza's  stelsel  te  vinden.  Hij  meent  dat  de 
wijsgeer  zich  telkens  en  wel  op  hoofdpunten  weerspreekt.  Het 
is  hier  niet  de  plaats  dit  uitvoerig  uiteen  te  zetten  en  te 
weerleggen,  het  zij  ons  slechts  veroorloofd  te  wijzen  op  een 
hoofdoorzaak  dezer  dwaling,  een  feit  dat  ook  bij  andere 
schrijvers  nog  te  dikwerf  voorkomt:  onjuiste  waardeering 
namelijk  van  „de  Korte  Verhandeling"  en  de  „Cartesiaan- 
sche    Beginselen"  van  Spinoza. 

Behalve  de  natuurkundige  opstellen  en  de  Hebreeuwsche 
Grammatica,  werken  die  uitteraard  buiten  wijsgeerige  be- 
schouwing vallen,  heeft  ondergeteekende  alle  werken  van 
Spinoza  vertaald,  doch  met  opzet  de  Principia  Philosophiae 
Cartesianae  en  de  Cogitata  Metaphysica  onvertaald  gelaten, 
omdat  de  wijsgeer  zelf  uitdrukkelijk  heeft  verklaard  dat 
hierin  zijne  eigene  gevoelens  niet  waren  uitgedrukt.  Toch 
worden  door  velen ,  ook  door  Powell ,  nog  steeds  gezegden 


OVER   SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST.  323 

uit  dat  boek  ter  bewijsvoering  aangeliaald.  Men  heeft  daartoe 
geen  recht.  —  In  de  tweede  plaats  wordt  de  Korte  Ver- 
handeling niet  met  de  noodige  voorzichtigheid  benut.  Hoe 
onschatbaar  deze  is,  zij  is  moeielijk  te  verstaan.  Zie  ik 
goed,  dan  is  daarin  het  eerste  ruigontwerp  van  Spinoza's 
leer  uiteengezet,  eenerzijds  dus  nog  zeer  onzuiver  en  met 
vele  Cartesiaansche  denkbeelden  vermengd,  al  valt  daarin 
aan  den  anderen  kant  voor  den  Spinozakenner  veel  belang- 
rijks te  ontdekken,  wat  voornamelijk  in  den  vorm  van  Noten 
of  Aanteekeningen  blijkbaar  in  lateren  tijd  aan  die  verhan- 
deling is  toegevoegd.  Bovendien  is  de  gewone  verhaaltrant, 
in  dit  werk  gevolgd,  een  kostbaar  middel  ter  verklaring  van 
hetgeen  door  den  omslachtigen  betoogtrant  der  Ethica  dik- 
werf verborgen  blijft.  Zulk  een  boek  is  ongetwijfeld  met  voor- 
deel, doch  tevens  slechts  met  veel  beleid  te  gebruiken  bij  de 
studie  van  een  wereldleer  als  die  van  Spinoza. 

Zien  we  nu  op  de  einduitkomst  van  Powells  betoog,  dan 
blijkt  daaruit  dat  naar  diens  meening,  door  Spinoza  aan  God 
verstand  en  wil  ontzegd  wordt,  althans  in  dien  zin  waarin 
wij  deze  beide  geestvermogens  aan  den  mensch  toekennen; 
dat  daardoor  de  persoonlijkheid  Gods  vervalt,  en  Spinoza's 
stelsel  dus  eerstens  voor  ongodsdienstig;  ten  tweede  voor 
Atheïstisch  Monisme  moet  gehouden  worden. 

Dit  besluit  is  in  vele  opzichten  juist,  in  een  enkel  on- 
juist. 

Het  grootsche  van  Spinoza's  wereldopvatting  is  ongetwijfeld 
daarin  gelegen  dat  hij  aan  het  hoogste  wat  men  zich  denken 
kan,  niet  als  de  meeste  anderen  een  menschelijk  karakter 
heeft  gegeven,  maar  er  in  geslaagd  is  daaraan  alle  ver- 
menschelijking  te  ontnemen. 

Bovenal  is  uit  zijn  Godsbegrip  alle  persoonsverbeelding 
verwijderd,  en  daarmede  dan  ook  een  einde  gemaakt  aan 
elke  persoonlijke  verhouding  van  den  mensch  tot  God.  Van 


324  OVER   SPINOZA   EN  DEN   GODSDIENST. 

offers  en  gebeden  kan  voor  den  Spinozist  geen  sprake  zijn. 

Wie  PowelI's  definitie  van  godsdienst  aanvaardt  en  dus 
noch  het  onbestemde  afhankelijksheidsgevoel,  noch  als 
Hegel  b.v,  „de  kennis  van  den  eindigen  menschengeest  van 
zijn  eigen  aard  als  volstrekten  of  volmaakten  geest,"  ^)  gods- 
dienst wil  noemen;  kan  aan  Spinoza's  denkbeelden  geen 
godsdienstig  karakter  toeschrijven. 

Als  Kant  van  den  godsdienst  zegt,  dat  deze  bestaat  in 
het  erkennen  van  onze  plichten  als  Goddelijke  geboden, 
dan  strookt  dit  geheel  met  Spinoza's  meening,  die  evenzeer 
Oud-Testamentisch  den  godsdienst  opvat  als  gehoorzaam- 
heid aan  Gods  bevelen;  zonde  als  verzet  tegen  den  Godde- 
lijken  wil. 

In  de  24ste  Aanteekening  echter  op  het  Godgeleerd-Staat- 
kundig Vertoog  (welke  Aanteekeningen  door  mij  voor  het 
eerst  met  gebruikmaking  van  alle  voorhandene  teksten  zijn 
uitgegeven  bij  S.  L.  van  Looy,  Keizersgracht  198,  Amsterdam) 
verklaart  Spinoza  dat,  zoodra  wij  de  reden  van  de  Godde- 
lijke voorschriften  en  geboden  leeren  verstaan,  de  gehoor- 
zaamheid ophoudt  om  plaats  te  maken  voor  liefde,  die  uit 
de  ware  kennis  even  zeker  ontstaat  als  het  licht  uit  de  zon. 
Door  de  Rede  geleid,  zegt  hij,  kunnen  we  derhalve  God 
wèl  liefhebben ,  maar  niét  dienen. 

Om  misverstand  te  voorkomen  voegen  wé  hier  terstond 
bij,  dat  volgens  de  Ethica,  de  liefde  tot  God  onmogelijk 
wederliefde  van  God  tot  den  mensch  kan  verwachten,  en 
ook  daardoor  dus  elke  persoonlijke  verhouding  is  uitgesloten. 

Voegt  men  hu  nog  hierbij ,  dat  Spinoza  begrippen  als : 
wonderen,  openbaring,  zonde,  voorzienigheid  en  onsterfe- 
lijkheid, voor  onaannemelijk,  met  zichzelf  in  strijd,  dus 
onbestaanbaar  hield,  dan  kan  men  zich,  dunkt  mij,  zeer  goed 


1)  Das  Bewusstsein  von  der  Gemeinschaft  des  Endlichen  und  Unendllchen. 


OVER   SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST.  325 

vereenigen  met  de  uitspraak  van  Powell  dat  Spinoza's 
stelsel  ongodsdienstig  moet  worden  genoemd. 

Hierin  ligt  volstrekt  niet  opgesloten  dat  Spinoza  deswege 
den  godsdienst  minachtte.  Te  zeer  was  hij  Jood  om  niet  in 
te  zien  welk  een  hooge  levensernst  zich  in  den  godsdienst 
der  menschen  openbaart  en  nadrukkelijk  heeft  hij  verklaard 
dat  deze  buiten  den  godsdienst  voor  de  menigte  niet  te  vin- 
den is;  een  waarheid  die  ons  door  de  geschiedenis  onzer 
dagen  op  bizonder  duidelijke  wijze  wordt  bevestigd.  —  Het 
hoog  en  laag  gemeen  ^)  is  zonder  godsdienst  niet  in  staat 
een  menschwaardig  bestaan  te  leiden. 

Wat  niet  wegneemt  dat  voor  diegenen  wien  het  gelukt 
de  ware  wijsbegeerte  te  doorschouwen  en  zich  bewust  te 
worden  van  hun  levenseenheid  met  de  geheele  natuur,  de 
erkenning  dezer  „eeuwige  waarheid"  alle  godsdienstig  ge- 
loof, gevoel  en  handeling  vervangt,  aangezien  alsdan  alle 
verbeelding  (imaginatio),  ook  de  persoonsverbeelding  Gods, 
heeft  plaats  te  maken  voor  dat  hoogere  inzicht,  dat  Spinoza 
scientia  intuitiva  of  geestelijke  aanschouwing  heeft  genoemd, 
die  ons  leert  alles  wat  werkelijk  is  als  volmaakt  te  be- 
schouwen en  onze  eigen  persoonlijkheid  als  een  wanbegrip, 
aangezien  de  natuur  der  Substantie  —  een  der  deelen  van  dat 
begrip,  als  wij  boven  zagen  —  niet  tot  den  mensch  behoort. 

In  één  opzicht  echter  is  de  slotsom  van  Powell's  over- 
peinzing —  overigens  een  eerbiedwaardig  gedachtenwerk  — 
af  te  keuren.  Hij  noemt  Spinoza's  stelsel :  Goddelooze  Aleen- 
heidsleer^).  Dit  schijnt  mij  niet  juist.  Powell  zelf  onder- 
scheidt een  metaphysische  of  wijsgeerige  ^^n  een  religieuse 
of  godsdienstige  Godsbeschouwing,  er  volgt  dus  geenszins 
nadat   of   omdat   men   Spinoza's  stelsel  als  ongodsdienstig 


1)  „Gemeen"  hier  te  verstaan  in  de  oud-HolIandsche  beteekenis. 

2)  Atheistic  Monism. 


326  OVER   SPINOZA   EN    DEN   GODSDIENST. 

heeft  gekenmerkt,  —  hetgeen  in  vroeger  dagen  gebrand- 
merkt of  gedoodverwd  zou  moeten  heeten,  —  dit  stelsel  tege- 
lijkertijd atheïstisch  te  noemen. 

Godsdienst  en  wijsbegeerte  beschouwen  hetzelfde  onder- 
werp. Ze  zoeken  beide  naar  de  eerste  beginselen,  naar  de 
verklaring  van  het  geheel  der  dingen.  Als  zoodanig  zijn  ze 
nauw  verwant.  Zij  zoeken  naar  het  hoogste  wat  de  mensch 
zich  denken  kan.  Hooren  we  het  vroom  gebed  waarin 
Anselmus  Gods  bestaan  tracht  te  bewijzen  dan  klinkt  ons 
als  praemisse  of  grondstelling  tegen:  „God  is  het  hoogste 
dat  men  denken  kan"  ^) ;  en  slaan  wij  Vondel  op  in  zijn 
Engelenrei ,  „Wie  is  het  die  zoo  hoog  gezeten  enz."  eirfdi- 
gende  met  de  woorden :  „Dat  's  God",  dan  is  het  of  we  de 
definitie  der  Substantie  uit  het  eerste  Boek  der  Ethica  lezen 
of  wel  die  naar  de  omschrijving  van  Descartes. 

Grondzakelijk  zijn  de  dichter,  de  vrome  en  de  wijsgeer 
het  eens.  Maar  terwijl  de  laatste  zich  voortdurend  door  de 
Rede  leiden  laat,  laten  zijn  beide  metgezellen  zich  al  spoedig 
door  de  inblazingen  (inspiraties)  der  verbeelding  op  allerlei 
bijpaden  verleiden,  en  dientengevolge  scheiden  zich  hunne 
wegen  voor  goed,  zooals  door  Spinoza  in  zijn  Godgeleerd- 
Staatkundig  vertoog  op  zulk  een  uitmuntende  wijze  is 
uiteengezet. 

Aanvankelijk  echter  bewegen  zij  zich  op  hetzelfde  gebied, 
stemmen  hun  definities  bijna  woordelijk  overeen,  en  moet 
dus  het  voorwerp  daarvan  met  denzelfden  naam  worden 
genoemd.  Spinoza  komt  dan  ook  in  het  Aanhangsel  van 
de  Korte  Verhajydeling ,  na  zijn  kort  overzicht  der  Natuur 
als  zoodanig,  tot  deze  slotsom  dat  zij  in  alle  opzichten 
overeenkomt  met  het  wezen  van  den  alleen  heerlijken  en 
gezegenden  God.  Hier  gebruikt  hij  nog  de  algemeen  in  de  kerk 


1)  Deus  est  quo  majus  cogitari  nequit. 


OVER   SPINOZA   EN   DEN   GODSDIENST.  327 

aangenomen  zegswijze  (formule,)  maar  toch  blijkt  ook  uit  zijn 
Ethica  allerduidelijkst,  dat  hij  onder  de  woorden  Deus  en 
Natura  hetzelfde  verstond. 

Welke  eigennamen  ook  aan  het  hoogste  Wezen  gegeven 
zijn:  Osiris,  Zeus,  Jupiter,  Wodan  of  Jehovah,  de  geslachts- 
naam „god"  „&£óg"  of  „deus"  is  hun  allen  gemeen,  en  der- 
halve had  Spinoza  volkomen  het  recht  niet  alleen,  maar 
was  hij  ook  verplicht  zijn  ens  absolute  infinitum,  het  vol- 
strekt oneindige  wezen,  God  te  noemen  (Def.  6,  Dl.  I  der 
Ethica).  De  zoogenaamd  formeele  eigenschappen:  die  van 
oneindigheid,  eeuwigheid  en  alomtegenwoordigheid  had 
zijn  .God  met  alle  andere  gemeen ;  in  werkelijke  of  wezens- 
kenmerken verschilde  hij  daarvan.  Wie  dan  ook  Spinoza 
doorgrond  heeft,  en  diens  wijsbegeerte  als  de  ware  erkent, 
kan  niet  toegeven  dat  Spinoza  ooit  een  atheist  zou  mogen 
genoemd  worden. 

Atheist  is  die  van  het  hoogste  dat  men  zich  denken  kan, 
verklaart  niets  te  weten ,  of  wel  al  wat  eeuwig  en  oneindig 
is  ontkent,  niet  hij,  wiens  geheele  leven  heeft  bestaan  in 
de  studie  van  het  Bestendige,  dat  eeuwig,  eenig  en  alom- 
vattend is. 

Spinoza's  redelijk  inzicht  in  de  natuur  der  dingen  sluit  allen 
godsdienst  uit,  maar  is  juist  daarom  de  ware  wijsbegeerte. 

Zulk   een  wijsbegeerte   echter  kan  nooit  atheïstisch  zijn. 

Zoowel  Schleiermacher  als  van  Vloten  hebben  dezen  grond- 
trek  van  Spinoza's  stelsel  miskend;  Prof.  Gunning  schijnt 
dit  begrepen  te  hebben. 

Een  godsdienst  zonder  God,  een  „athei?;tische  nuance" 
van  den  godsdienst,  zooals  men  vroeger  zeide,  is  ondenk- 
baar en  dus  onbestaanbaar;  een  inzicht  in  fiet  wezen  van 
God  zonder  godsdienst  is  een  historisch  feit,  neergelegd 
in  de  Ethica  van  Benedictus  Despinoza. 


HET  IK  EN  T  PSYCHISCH  MONISME 

DOOR 

G.  HEYMANS. 
Dr.  J.  A.  Dèr  Mouw,  Kritische  Studies,  Leiden  s.a. 


Wanneer  in  het  laatste  jaar  niet  al  mijn  tijd  in  beslag 
was  genomen  door  dringende  werkzaamheden,  dan  zou  ik 
zeker  niet  zoo  lang  hebben  gewacht  met  het  beantwoorden 
der  bezwaren,  die  door  Dr.  Dèr  Mouw  in  zijn  jongste  ge- 
schrift tegen  mijne  „Einführung  in  die  Metaphysik"  zijn  in 
het  midden  gebracht.  En  dit  om  verschillende  redenen. 
Vooreerst  omdat  ik  met  volle  overtuiging  verklaren  kan, 
onder  de  verschillende  bestrijdingen,  die  mijn  boek  in 
binnen-  en  buitenland  heeft  uitgelokt,  er  geene  te  hebben 
gevonden,  niet  slechts  zoo  geestig  en  scherpzinnig,  maar 
ook  zoo  zakelijk  en  zaakrijk  als  deze.  Maar  vervolgens  ook, 
omdat  juist  deze  bestrijding,  beter  dan  eenige  andere,  mij 
gelegenheid  geeft  om  nog  eens  toe  te  lichten  en  te  illu- 
streeren  mijne  opvatting  der  metaphysica  als  ervarings- 
wetenschap, en  de  gevolgen,  waartoe  deze  opvatting  moet 
leiden  bij  de^,  behandeling  van  metaphysische  problemen. 
Want  de  verschilpunten  tusschen  den  heer  Dèr  Mouw  en 
mij  laten  zich  ten  slotte  voor  het  allergrootste  deel  terug- 
brengen tot  de  beide  vragen:  of  de  empirische  methode 
moet  worden  toegepast,  en  welke  eischen  zij  stelt. 


HET   IK   EN   't   psychisch   MONISME.  329 

Wat  de  eerste  vraag  betreft,  is  er,  voorzoover  ik  zien 
kan ,  geen  strijd :  de  heer  Dèr  Mouw  volgt  mij  op  het  door 
mij  gekozen  empirisch  terrein,  en  laat  nergens  blijken,  dat 
hij  een  ander  veld  van  onderzoek  zou  hebben  gev^enscht. 
Niet  met  polemische  bedoeling  derhalve,  maar  uitsluitend 
tot  betere  informatie  van  den  lezer,  wil  ik  mijne  terreinkeus 
nog  met  een  enkel  woord  toelichten.  Ik  bedoel  dan  met  de 
empirische  methode  eenvoudig  die  methode,  die  in  de  bij- 
zondere ervaringswetenschappen,  speciaal  in  de  natuur- 
wetenschap ,  sedert  eenige  eeuwen  algemeen  wordt  toegepast ; 
en  ik  heb  in  mijn  boek  getracht  de  vraag  te  beantwoorden, 
hoever  wij  met  die  methode  kunnen  komen,  wanneer  wij 
haar  niet,  zooals  in  die  bijzondere  wetenschappen  geschiedt, 
op  de  gegevens  van  een  bepaald  gebied,  maar  wanneer 
wij  haar  op  alle  thans  beschikbare  gegevens  aanwenden. 
Door  het  stellen  van  deze  vraag  heb  ik  geenszins  geprae- 
judicieerd  over  de  andere:  of  deze  methode  de  eenige  is, 
die  tot  uitbreiding  onzer  kennis  van  de  werkelijkheid  kan 
leiden.  Ik  geloof  inderdaad,  dat  dit  zoo  is,  en  dat  alle 
andere  methoden,  die  men  vroeger  of  later  voor  haar  in 
de  plaats  heeft  willen  stellen,  bij  nader  onderzoek  blijken 
onbewuste ,  en  daarom  meestal  gebrekkige  toepassingen  van 
de  empirische  methode  zelve  te  zijn;  ik  ben  ook  bereid 
om,  desgewenscht ,  deze  meening  nader  te  motiveeren;  maar 
ik  kan  ze  hier  zonder  bezwaar  ongemotiveerd  laten.  Want 
men  moge  over  die  andere  methoden  oordeelen  zooals  men 
wil,  in  elk  geval  heeft  de  empirische  methode,  die  tot  dus- 
ver overal,  waar  zij  op  beperkt  terrein  werd  toegepast, 
klaarheid,  orde  en  samenhang  heeft  gebracht,  er  recht  op, 
ten  einde  toe  te  worden  doorgevoerd.  Men  bedenke  ook, 
dat  van  die  andere  methoden  tot  dusver  geene  zich  anders 
dan  binnen  enge  grenzen  van  ruimte  en  tijd  heeft  kunnen 
handhaven,  terwijl  de  empirische,  overal  waar  zij  eenmaal 


330  HET   IK   EN    't   psychisch   MONISME. 

hare  intrede  heeft  gedaan ,  eene  voortgezette ,  niet  meer  ge- 
stuite uitbreiding  van  kennis  en  inzicht  heeft  mogelijk  ge- 
maakt. Redenen  genoeg,  naar  het  mij  voorkomt,  om  be- 
langstelling te  wettigen  voor  de  vraag,  wat  er  voor  den 
dag  komt,  wanneer  die  empirische  methode,  met  dezelfde 
zorgvuldigheid  als  binnen  de  bijzondere  wetenschappen 
gebruikelijk  is,  op  het  geheele  veld  der  ervaring  wordt 
toegepast. 

Wordt  nu  dit,  zooals  ik  vermoed  dat  het  geval  is,  door 
Dr.  Dèr  Mouw  toegegeven,  dan  blijft  de  vraag  over,  in 
hoever  ik  bij  mijn  onderzoek  aan  de  eischen  der  empirische 
methode  heb  te  kort  gedaan. 

De  bezwaren  van  den  heer  Dèr  Mouw  richten  zich  in 
hoofdzaak,  direct  of  indirect,  tegen  de  geringe  plaats,  die 
ik  in  mijne  beschouwingen  voor  het  Ikbegrip  heb  ingeruimd. 
„Het  Ik  komt  niet  tot  zijn  recht"  (bl.  1);  „het  psychisch 
monisme  kan  geen  rekenschap  geven  van  het  Ik,  dat  toch 
de  helft  is  van  een  ieders  wereld"  (bl.  89);  „we  moeten 
rekenschap  geven  van  het  Ik,  wanneer  we  een  wereld- 
beschouwing willen  hebben.  Het  begrip  Ik  en  het  begrip 
buitenwereld,  als  partieele  oorzaak  van /n///2  „waarnemingen" 
genoemde  bewustzijnsinhouden  of  -bepaaldheden,  zitten 
aan  elkaar  vast  als  de  twee  helften  van  mijn  begrip: 
Wereld,  en  wie  de  representatieve  waarde  onderzoekt  van 
het  tweede,  d.  i.  wie  onderzoekt  in  welk  stelsel  van 
begrippen  het  begrip:  buitenwereld  moet  uiteenvallen,  om 
een  bewustzijnspendant  te  kunnen  zijn  van  de  niet-bewuste 
Werkelijkheid,  die  moet  evengoed  onderzoeken  of  er  nu 
misschien  ook  aan  het  begrip  Ik  iets  beantwoordt,  dat  op 
de  een  of  andere  manier  aan  het  Ik-begrip  ten  grondslag 
ligt"  (bl.  10). 

Het  komt  mij  voor,  dat  in  deze  plaatsen  de  verhouding 
tusschen  de  begrippen  Ik  en  buitenwereld  niet  geheel  juist 


HET   IK   EN   't   psychisch   MONISME.  331 

is  weergegeven.  De  twee  helften  van  ieders  wereld  zijn 
niet  Ik  en  buitenwereld,  maar  eigen  bewustzijn  en  buiten- 
wereld; daarvan  is  het  eerste  onmiddellijk  gegeven,  de 
tweede  een  noodzakelijke  aanvulling  van  het  gegevene  op 
grond  van  het  causaliteitsbeginsel.  Het  Ik  (wanneer  daar- 
mede althans  iets  anders  wordt  bedoeld  dan  het  eigen 
bewustzijn)  is  niet  onmiddellijk  gegeven;  en  evenmin  is 
duidelijk  in  te  zien  dat  zijn  bestaan  door  het  causaliteits- 
beginsel zou  worden  gepostuleerd.  Wij  mogen  dus  met 
zekerheid  zeggen:  wanneer  het  causaliteitsbeginsel  geldt, 
dan  moet  er  behalve  hel  gegeven  bewustzijn  nog  iets  anders 
bestaan ,  dat  ik  buitenwereld  noem ;  maar  wij  mogen  niet 
zeggen  (althans  ik  zie  niet  in  dat  wij  mogen  zeggen) :  wan- 
neer het  causaliteitsbeginsel  geldt,  dan  moet  er  nog  een 
derde  bestaan,  dat  als  Ik  zal  worden  aangeduid.  On- 
getwijfeld eischt  de  wettelijke  samenhang  der  bewustzijns- 
processen  een  reëelen  grond ;  maar  hetzelfde  geldt  ook 
van  den  wettelijken  samenhang  der  buitenwereldsprocessen , 
en  men  zou ,  door  dien  eersten  grond  het  Ik  te  noemen , 
zonder  reden  een  beslissing  nemen  over  zijne  zelfstandig- 
heid en  afgeslotenheid  tegenover  den  tweeden.  Het  komt 
mij  derhalve  geraden  voor,  deze  beide  zaken:  het  opsporen 
van  feitelijke  en  wettelijke  verhoudingen  in  bewustzijn  en 
buitenwereld  eenerzijds,  en  het  nadenken  over  de  gronden 
dier  wettelijkheid  aan  den  anderen  kant,  voorloopig  ge- 
scheiden te  houden,  opdat  niet  de  inzichten,  die  over  de 
eerste  te  verkrijgen  zi}n,  worden  verduisterd  en  vervaagd 
door  de  onzekerheid  der  tweede.  Zoo  stelt  de  natuurweten- 
schap hare  wetten  vast  en  breidt  het  gebied  hunner  geldig- 
heid hypothetisch  uit  ver  buiten  de  grenzen  der  directe 
ervaring,  ook  wanneer  zij  op  de  vraag,  waarom  die  wetten 
gelden,  nog  geenerlei  bevredigend  antwoord  vermag  te 
geven. 


332  HET   IK   EN   't   psychisch   MONISME. 

Ik  vrees  zeer,  dat  de  heer  Dèr  Mouw  zich  hiermede  niet 
zal  laten  afschepen.  Door  mij  zelf,  zoo  voert  hij  mij  te 
gemoet,  worden  telkens  uitdrukkingen  gebruikt  als  „ik 
weet",  „ik  neem  aan",  „mijn  denken"  enz,;  in  woorden 
als  „dit",  „nu",  „hier",  gelijk  ook  in  de  „volzinwoorden" 
van  Hoogvliet,  ligt  het  Ikbegrip  opgesloten;  voor  het  naïeve 
realisme  staat  tegenover  de  stoffelijke  wereld  het  die  stoffe- 
lijke wereld  waarnemend  Ik:  een  begrip,  dat  zulk  een 
belangrijke  rol  in  het  denken  speelt,  mag  niet  van  het 
onderzoek  worden  buitengesloten  (bl.  2 — 7).  —  Ik  zou 
hierop  willen  antwoorden ,  dat  ik  dit  begrip ,  waar  het  zich 
in  voldoend  scherpe  omlijning  vertoont  om  althans  eenigs- 
zins  herkenbaar  te  zijn,  ook  niet  van  het  onderzoek  buiten- 
gesloten heb:  aan  de  toetsing  der  zielshypothese  van  het 
dualistische  realisme  heb  ik  in  mijn  boek  verscheidene 
paragraphen  gewijd.  Maar  wat  het  Ikbegrip  van  het  dage- 
lijksch  leven  betreft,  ik  vrees  werkelijk,  dat  wij  daaraan  te 
veel  eer  bewijzen ,  wanneer  wij  er  een  hoogere  wijsheid 
achter  zoeken.  Men  zegt:  „ik  weet",  „ik  neem  aan",  maar 
ook  „ik  sta",  „ik  lig";  „mijn  denken",  maar  ook  „mijn 
longen",  „mijn  neus";  zou  achter  dit  „ik"  en  „mijn"  wel 
meer  zitten  dan  het  complex  van  werkelijkheden,  dat  voor 
het  individueel  bewustzijn,  deels  als  zijn  gegeven  inhouden, 
anderdeels  als  een  daarmede  eng  en  duurzaam  verbonden 
stuk  buitenwereld,  bijzondere  waarde  bezit?  Ik  geef  gaarne 
toe,  dat  wij  met  het  stellen  van  deze  vraag  niet  van  de 
zaak  af  zijn;  in  het  bijzonder  zal  in  de  kennistheorie 
nader  te  onderzoeken  zijn,  of,  blijkens  de  ervaring  van  het 
denken,  met  een  of  ander  Ikbegrip  synthetisch-apriorische 
oordeelen  samenhangen;  maar  in  de  metaphysica,  waar 
toch  de  begrippen  van  het  dagelijksch  leven  slechts  heuris- 
tische waarde  kunnen  bezitten  als  aanwijzers  van  problemen 
of  hypothesen,  behoeven  wij  ons,  naar  het  mij  voorkomt, 


HET   IK   EN    't   psychisch    MONISME.  333 

door  dit  begrip,  juister  gezegd   door  deze   collectiefvoor- 
stelling ^),  niet  in  ons  onderzoek  te  laten  ophouden. 

Dat  dit  zoo  is,  kan  nog  op  eene  andere  wijze  in  het 
licht  worden  gesteld.  Alle  overwegingen  namelijk,  die  voor 
de  onderstelling  van  een  Ik,  van  een  substantieelen  geest 
enz.  plegen  te  worden  aangevoerd,  kunnen  bij  de  behande- 
ling van  het  individueele  bewustzijn  veilig  ter  zijde  worden 
gesteld,  om  eerst  weer  in  het  oog  gevat  te  worden  als  het 
Wereldbewustzijn  aan  de  orde  komt.  Wanneer  b.  v.  voor 
bewustzijnsprocessen  in  het  algemeen  substantieele  dragers, 
voor  een  tot  eenheid  verbonden  complex  van  bewustzijns- 
processen een  enkelvoudige  geest  als  drager  wordt  gepos- 
tuleerd enz.,  dan  is  daarmede  het  bewustzijnsgebied ,  dat 
door  een  enkelen  zoodanigen  drager  kan  worden  omspannen , 
nog  geheel  onbepaald  gelaten.  Vermag  dus  het  psychisch 
monisme  aan  de  hand  der  feiten  waarschijnlijk  te  maken ,  dat 
de  verhouding  tusschen  de  verschillende  bestanddeelen  van 
een  individueel  bewustzijn  alleen  schijnbaar  principieel, 
inderdaad  echter  bloot  gradueel  verschilt  van  die  tusschen 
de  verschillende  individueele  bewustzijnen ,  dan  zal,  door 
het  aannemen  van  een  Wereldgeest  of  Wereld-Ik,  nog  even- 
goed aan  die  postulaten  voldaan  kunnen  worden,  als  bij 
andere  uitkomsten  door  het  aannemen  van  individueele 
geesten  of  ikheden  had  kunnen  geschieden.  In  geen  geval 
mag  dus  tegen  het  psychisch  monisme  worden  aangevoerd, 
dat  het  de  enkele  voorstellingen  en  aandoeningen  als  zelf- 
standige dingen   in   de*  lucht  laat  zweven,  en  daardoor  de 


1)  De  heer  Dèr  Mouw  heeft  bezwaar  tegen  mijne  definitie  van  begrippen 
als  voorstellingen  met  scherp  bepaalden  inhoud  (bl.  11—13);  tot  verduide- 
lijking moge  dienen,  dat  ik  met  „scherp  bepaald"  niets  anders  bedoelde  dan 
„bestaande  uit  een  bepaald  aantal  preciese  kenmerken",  waardoor  duister- 
heid (onmogelijkheid  om  zich  van  die  kenmerken  rekenschap  te  geven)  niet 
per  se  wordt  uitgesloten:  men  denke  b.  v.  aan  de  getalbegrippen,  die  wij  als 
kinderen  niet  door  definities,  maar  door  het  gebruik  hebben  leeren  kennen. 


334  HET   IK   EN   't    psychisch   MONISME. 

gegeven  eenheid  van  het  individueel  bewustzijn  onverklaar- 
baar maakt:  het  kan  de  instinctieve  behoefte  aan  een 
substantieelen  achtergrond  voor  't  psychische  gebeuren  al 
of  niet  laten  gelden ,  zonder  dat  hierdoor  in  zijne  empirische 
generalisaties  ook  maar  't  allerminste  behoeft  te  worden 
veranderd. 

Nu  meent  evenwel  de  heer  Dèr  Mouw  te  kunnen  aan- 
toonen,  dat  de  hypothese  van  individueele  geesten  reeds 
daarom  door  mij  niet  mag  worden  ter  zijde  gesteld,  omdat 
zij  in  verscheidene  door  mij  geconstateerde  feiten  of  aan- 
vaarde opvattingen  onmiddellijk  ligt  opgesloten:  zoo  in  de 
erkenning  der  bewegingsgewaarwordingen  als  willekeurig 
voortgebracht,  in  het  aannemen  van  duurzame  individueele 
temperaments-  en  karaktereigenschappen,  en  in  de  onder- 
stelling van  een  niet-onmiddellijk  vervloeien  van  het  indivi- 
dueele in  het  omvattende  bewustzijn,  terwijl  toch, 'naar mijn 
kritikus  meent,  met  het  wegvallen  van  den  „producent  der 
bewegingsgewaarwordingen"  de  ruimtelijkheid,  en  daarmede 
ongeveer  de  geheele  bewustzijnsinhoud  zou  verdwijnen 
(bl.  26,  92).  Wat  het  eerste  en  het  laatste  punt  betreft, 
is  naar  ik  meen  de  moeilijkheid  met  enkele  woorden  op  te 
lossen :  door  te  zeggen  „wij  brengen  willekeurig  bewegings- 
gewaarwordingen voort",  heb  ik  geenszins  hypothetische 
geesten  of  ikheden  willen  invoeren,  maar  alleen  het  nuchtere 
ervaringsfeit  constateeren ,  dat  het  optreden  van  bewegings- 
gewaarwordingen in  het  bewustzijn  regelmatig  volgt  op 
bewustzijnsinhouden  van  die  soort,  die  wij  wilsimpulsen 
plegen  te  noemen;  en  de  ruimtevoorstelling  kan  na  het 
wegvallen  van  die  bewegingsgewaarwordingen  even  goed 
nog  blijven  bestaan  als  b.v.  kleur-  of  geluidsvoorstellingen 
na  verkregen  blindheid  of  doofheid.  Ernstiger  is  het  tweede 
punt:  door  de  aanwijzing  hiervan  heeft  de  heer  Dèr  Mouw 
inderdaad  den  vinger  gelegd  op  eene  der  vele  en  belangrijke 


HET   IK   EN  't   psychisch    MONISME.  335 

lacunes,  die  in  het  verklaringsvermogen  van  het  psychisch 
monisme  nog  overblijven.  Maar  laat  ik  er  dadelijk  mogen 
bijvoegen:  het  is  eene  lacune,  waarover  zich  het  psychisch 
monisme  als  stuk  empirische  wetenschap  niet  behoeft  te 
schamen.  Het  is  nu  eenmaal  een  onomstootelijk  feit:  de 
intellectueele ,  emotioneele,  moreele  reactiewijzen  van  ver- 
schillende individuen  vertoonen  diepgaande  en  in  hooge 
mate  duurzame  verschillen ;  er  bestaan  m.  a.  w.  verstandige 
en  domme,  aandoenlijke  en  niet-aandoenlijke,  zelfopofferende 
en  zelfzuchtige  menschen,  en  in  groote  lijnen  blijven  de 
meesten  ten  aanzien  van  deze  eigenschappen  zich  hun 
heele  leven  gelijk.  Voor  deze  constante  reactiewijze  moet 
een  grond  bestaan ,  dien  wij  voorloopig  door  woorden  als 
aanleg,  temperament,  karakter  aanduiden,  en  waarvan  wij 
mogen  aannemen,  dat  hij  in  de  aangeboren  hersenorganisatie 
(evenals  de  enkele  bewustzijnsprocessen  in  de  verschillende 
hersenverschijnselen)  tot  zinnelijke  verschijning  komt;  op 
gelijke  wijze  als  de  constante  reactiewijze  van  andere 
stukken  werkelijkheid  zich  in  de  bijzondere  samenstelling 
der  natuurobjecten,  als  hoedanig  zij  waargenomen  worden, 
openbaart.  Ligt  nu,  gelijk  de  heer  Dèr  Mouw  wil,  in  het 
erkennen  van  zulk  een  grond  een  bezwaar  tegen  de  door 
andere  overwegingen  waarschijnlijk  gemaakte  opvatting  van 
het  individu  als  een  integreerend  en  alleen  voorbijgaand 
afgescheiden  bestanddeel  van  een  meeromvattend  bewustzijn  ? 
Een  antwoord  op  deze  vraag  zullen  wij,  daar  aard  en 
werkingswijze  der  te  onderstellen  gronden  geheel  in  het 
duister  liggen ,  weer  niet  anders  kunnen  verkrijgen  dan  door 
te  zoeken  naar  verwante,  ons  toegankelijke  feiten.  Deze  zijn 
schaarsch,  maar  zij  ontbreken  toch  niet  geheel.  Vooreerst 
komt  in  aanmerking  het  feit  der  erfelijkheid :  de  individueele 
aanleg  van  ouders  en  voorouders  wordt  teruggevonden  bij 
de  nakomelingen ;  hij  strekt  zich  dus  in  elk  geval  uit  buiten 

22 


336  HET   IK   EN   't   psychisch   MONISME. 

de  sfeer  van  het  individu,  en  in  laatste  instantie  vermoedelijk 
tot  al  zijne  voorouders  met  al  hunne  nakomelingen,  dat  wil 
zeggen  tot  de  geheele  menschheid  en  het  geheele  aardeleven. 
Vervolgens  het  andere  feit  van  de  „splitsing  en  de  wisseling 
der  ikheden":  het  duidelijkst  uitgesproken  in  de  uiterste 
gevallen,  die  wij  pathologisch  noemen,  maar  ook  binnen 
de  grenzen  der  gezondheidsbreedte,  en  ten  slotte  bij  elk 
individu  in  meerdere  of  mindere  mate,  laten  zich  conflicten 
en  wisselingen  in  de  reactiewijze  constateeren,  die  hare 
eenheid  doorbreken ,  en  somtijds  geheel  schijnen  op  te  heffen. 
Wanneer  nu,  zooals  ik  geloof,  uit  deze  feiten  blijkt,  dat  het 
karakter  in  den  ruimsten  zin  van  het  woord  constant  kan 
blijven  buiten  — ,  en  wisselen  binnen  de  grenzen  van  het 
individueele  bestaan,  dan  ontbreekt  m.  i.  een  voldoende 
grond,  om  het  afhankelijk  te  stellen  van  een  individueelen 
geest.  Soortgelijke  opmerkingen  gelden  ten  aanzien  van  een 
verdere  grief  van  Dr.  Dèr  Mouw  tegen  het  psychisch  mo- 
nisme: deze  n.1.,  dat  het  „de  afgeslotenheid  van  de  vele 
bewustzijnen ,  die  even  zooveel  werelden  zijn,  onverklaard 
laat"  (bl.  89).  Ik  geef  volmondig  toe,  dat  dit  zoo  is,  en 
ik  betreur  het  niet  minder  dan  mijn  kritikus;  maar  ook  hier 
zou  ik  willen  vragen:  komt  het  niet  telkens  voor,  en  is  het 
niet  volkomen  in  den  haak,  dat  wij  feitelijke  verhoudingen 
als  zoodanig  erkennen,  en  dan  ook  buiten  de  grenzen  van 
het  gegevene  onderstellen,  zonder  nog  in  staat  te  zijn  ze 
te  verklaren,  zonder  zelfs  nog  in  te  zien,  in  welke  richting 
die  verklaring  gezocht  zou  moeten  worden?  Het  gegeven 
momentane  bewustzijn  (het  kleine  beetje,  dat  u  of  mij  op 
dit  oogenblik  „voor  den  geest  staat")  is  feitelijk  een  voorbl]- 
gaande  afzondering  uit  een  veel  grooter  complex,  dat  al 
onze  herinneringen,  alles  wat  wij  „weten"  zonder  er  op  't 
oogenblik  aan  te  denken,  omvat;  het  is  er  evenwel  nauw 
mede  verbonden,  en  kan  elk  oogenblik  met  bestanddeelen 


HET  IK   EN   't   psychisch   MONISME.  337 

ervan  samenvloeien.  In  sommige  gevallen  wordt  deze  band 
zwakker:  er  vormen  zich  „sejuncties",  complexen  van  voor- 
stellingen en  aandoeningen,  die  zich  betrekkelijk  onafhankelijk 
van  elkander  hebben  ontwikkeld,  en  zich  moeilijk  meer 
vereenigen;  en  deze  sejunctie  gaat  weer  geleidelijk  over  in 
de  „verdubbeling  der  persoonlijkheid",  waarbij  alle  weder- 
keerige  afhankelijkheid  en  alle  mogelijkheid  van  versmelting 
opgeheven  schijnt.  Ligt  het  nu,  wanneer  wij  deze  feiten 
overwegen,  niet  voor  de  hand,  om  ook  de  afgeslotenheid 
van  wat  wij  individueele  bewustzijnen  plegen  te  noemen, 
op  te  vatten  niet  als  iets  essentieels,  maar  als  iets  betrekkelijk 
toevalligs,  dat  alleen  op  het  ontbreken  van  directe  wissel- 
werking berust?  —  om,  met  andere  woorden,  die  indivi- 
dueele bewustzijnen  te  beschouwen  als  sejuncties  binnen 
een  hooger  bewustzijn?  Vraagt  nu  de  heer  Dèr  Mouw: 
„hoe  moeten  we  het  verklaren,  dat  de  voorstellingen,  ge- 
voelens enz.  in  het  wereldbewustzijn  zich  om  bepaalde 
middelpunten  groepeeren?  gaat  de  aantrekking,  of  hoe  men 
het  wil  noemen,  van  al  aanwezige  centra  uit,  of  ontstaan 
de  centra  doordat  de  voorstellingen  enz.  bijeenkomen?" 
(bl.  94)  —  dan  kan  ik  wel  antwoorden:  vermoedelijk  vindt 
de  groepeering  plaats  om  centra ,  die  in  het  geërfde  complex 
van  lichaamsgewaarwordingen  en  misschien  nog  heel  wat 
meer  gegeven  zijn;  maar  liever  antwoord  ik  niet,  bepaal 
mij  tot  een  beroep  op  de  bovengenoemde  en  andere  in  de- 
zelfde richting  wijzende  feiten,  en  wacht  verder  op  het 
licht,  dat  de  toekomst  zal  ontsteken.  En  dit  met  de  volle 
overtuiging,  niet  anders  te  handelen,  dan  in  empirische 
wetenschappen  overal  te  handelen  gewettigd  en  gebruikelijk  is. 
Evenwel,  mijn  recht  om  deze  geresigneerde  houding  aan 
te  nemen  zou  uit  den  aard  der  zaak  onmiddellijk  vervallen, 
wanneer  reeds  thans  de  gevraagde  verklaring  kon  worden 
gegeven  of  benaderd;  en  zoo  heb  ik  dan  met  verschuldigde 


338  HET  IK   EN   't   psychisch  MONISME. 

■ 

belangstelling  kennis  genomen  van  den  mij  door  den  heer 
Dèr  Mouw  (bl.  97  vgg.)  gegeven  raad,  om  ter  wille  van 
die  verklaring  in  het  psychisch  monisme  op  te  nemen  de 
philosophie  van  Hartmann.  Ik  wil  er  graag  nog  eens  over 
denken;  maar  voorloopig  ben  ik  inderdaad  geneigd,  zooals 
de  heer  Dèr  Mouw  reeds  onderstelt  dat  ik  zal  zijn,  om  „in 
dien  onbewusten  wil  met  die  onbewuste  voorstelling .... 
heel  gewaagde  en  in  de  lucht  hangende  gedachten  te  zien" 
(bl.  89):  anders  gezegd  hypothesen,  die,  door  de  veelheid 
der  onbekende  elementen  die  er  in  voorkomen,  zich  aan 
elke  directe  of  indirecte  verificatie  onttrekken.  Volgens  een 
ouden  en  beproefden  regel  uit  de  methodologie  moet  een 
hypothese,  om  in  aanmerking  te  komen,  betrekking  hebben 
óf  op  oorzaken  die  volgens  bekende  wetten,  óf  op  wetten 
volgens  welke  bekende  oorzaken  werken;  zijn  daarentegen 
èn  de  bijzondere  oorzaken  èn  de  algemeene  wetten,  waar- 
mede zij  opereert,  hypothetisch,  dan  is  zij  waardeloos: 
immers  men  zou  van  elke  oorzaak  kunnen  aantoonen,  dat 
zij  elke  werking  kan  voortbrengen,  wanneer  men  de  wetten 
harer  werkingswijze  er  vrijelijk  bij  mocht  construeeren.  Zoo 
nu  schijnt  het  mij  toe,  hier  gesteld  te  zijn:  de  ingevoerde 
oorzaak  (het  Wereldwezen)  is  hypothetisch;  de  werkings- 
wijze dier  oorzaak  (het  voortbrengen  van  afgesloten  bewust- 
zijnen  en  ikvoorstellingen)  is  evenzeer  hypothetisch;  wij 
kunnen  dus  de  mogelijkheid,  dat  het  zoo  toegaat,  niet  ont- 
kennen, maar  wij  missen  alle  gegevens,  om  tusschen  deze 
en  honderd  andere  even  mogelijke  verklaringen  een  keus 
te  doen.  —  Wanneer  ik  nu  bedenk,  dat  de  aangewezen  metho- 
dische fout  in  de  geschiedenis  der  wijsbegeerte  alles  be- 
halve op  zichzelve  staat;  dat  het  veeleer  is  de  fout  der 
philosophen,  en  de  hoofdoorzaak  van  het  gemis  aan  conti- 
nuïteit, dat  de  ontwikkeling  der  philosophie  kenmerkt;  dat 
eindelijk,  wanneer  er  in  mijn  boek  iets  eigens  is,  dit  zeker 


HET   IK   EN   't   psychisch   MONISME.  339 

is  geweest  het  constante ,  haast  pijnlijke  streven  om  die  fout 
te  vermijden,  —  dan  kan  ik  mij  moeilijk  voorstellen  hoe 
iemand,  die  mij  over  't  geheel  zoo  goed  heeft  begrepen 
als  de  heer  Dèr  Mouw,  ook  maar  een  oogeublik  heeft  kunnen 
gelooven ,  dat  ik  voor  deze  aanvulling  van  mijne  denkbeelden 
te  vinden  zou  zijn. 

Maar,  meent  de  heer  Dèr  Mouw,  langs  methodisch- 
empirischen  weg  zal  de  gezochte  verklaring  van  het  feit 
der  individuatie  nooit  gevonden  kunnen  worden:  „de  vol- 
ledigste analyse  van  den  bewustzijnsinhoud  kan,  dunkt 
mij ,  nooit  het  juist  niet  analytisch  zijn ,  het  gesloten-geheel- 
zijn van  mijn  bewustzijns  inhoud  begrijpelijk  maken"  (bl. 
90).  Ik  zou  zeggen:  wanneer  het  zoo  is,  dan  hebben  wij 
er  ons  in  te  schikken.  Nergens  staat  geschreven ,  dat  wij 
overal  tot  de  diepste  gronden  der  verschijnselen  zullen 
kunnen  doordringen,  en  geen  kennis  is  beter  dan  schijn- 
kennis.  Maar  is  het  werkelijk  zoo,  en  wordt  door  den  heer 
Dèr  Mouw,  als  hij  beweert  dat  het  zoo  is,  niet  gemeten 
met  tweeërlei  maat?  De  analyse  kan  toch,  zou  ik  zeggen, 
in  elk  geval  de  empirische  voorwaarden  der  synthese  aan  het 
licht  brengen;  en  daarmede  zou,  vooreerst,  reeds  meer 
werkelijk  inzicht  zijn  gegeven  dan  eene  formule  als  die  van 
Hartmann  ooit  kan  verschaffen,  en,  vervolgens,  de  onmis- 
bare voorwaarde  zijn  geschapen  voor  het  vinden  en  toetsen 
eener  dieper  reikende  hypothetische  verklaring.  Men  stelle 
zich  slechts  voor,  dat  de  psychische  ondergrond  der  natuur- 
verschijnselen opengelegd,  de  ontwikkeling  van  sejuncties 
in  het  individueel  bewustzijn  stap  voor  stap  vervolgd,  en 
de  ontwikkeling  der  individualiteiten  als  daarmede  even- 
wijdig loopend  herkend  ware  (en  niets  van  dat  alles  ligt 
in  beginsel  buiten  het  bereik  der  empirische  methode),  — 
zou  dan  van  het  feit  der  individuatie  niet  heel  wat  meer 
zijn  begrepen  dan  wanneer  men  ons  mededeelt,  dat  het 


340  HET   IK   EN    't   psychisch    MONISME. 

Wereldwezen  de  individueele  wereldbeelden  schept  of  bouwt, 
en  dat  deze  scheppende  of  verbindende  functie  het  bewust- 
zijnstranscendente  correlaat  is  van  de  Ikvoorstelling  (bl. 
97)?  Ongetwijfeld  zou  een  volledig  begrijpen  (d.  w.  z.  een 
inzicht  in  de  logische  noodzakelijkheid)  van  de  individuatie 
ook  daarmede  nog  niet  bereikt  zijn;  maar  meent  men 
misschien  een  inzicht  te  hebben  in  de  noodzakelijkheid, 
waarmede  het  Wereldwezen  functioneert?  En  hoeveel  zou 
er,  wanneer  men  dezen  eisch  van  volledig  begrijpen  wilde 
stellen,  van  onze  geheele  wetenschap  overblijven? 

Ik  meen  hiermede  de  voornaamste  bezwaren  van  Dr. 
Dèr  Mouw  te  hebben  besproken ;  ten  aanzien  van  de  overige 
nog  slechts  een  enkel  woord.  Ik  geef  toe,  dat  het  denk- 
beeld eener  „Wereldbewustzijnsruimte"  met  secundair  karak- 
ter volkomen  in  mijn  gedachtengang  past  (bl.  38);  ook, 
dat  volgens  dien  gedachtengang  ruimte-  en  tijdsvoorstel- 
ling niet  op  één  plan  liggen,  in  zoover  de  eerste  de 
tweede  reeds  onderstelt  (bl.  25  vgg.),  waardoor  evenwel 
eene  gemeenschappelijke  verklaring  voor  den  inhoud  onzer 
apriorische  kennis  van  beide,  daar  deze  alleen  op  formeele 
eigenaardigheden  berust  (Ges.  *u.  El.  243)  niet  wordt  uit- 
gesloten. Op  de  vraag:  „hoe  hangen  het  begrip  en  zijn 
bewustzijnstranscendent  correlaat  samen,  als  er  geen  oor- 
zakelijkheid tusschen  bestaat?"  (bl.  19)  antwoord  ik:  er 
bestaat  tusschen  hen  wel  degelijk  eene  indirecte  oorzake- 
lijkheid, door  tusschenkomst  n.1.  van  de  gewaarwordingen 
of  andere  bewustzijnsgegevens ,  waarvan  onze  begrippen 
oorzakelijk  afhangen,  en  die  wij  oorzakelijk  verklaren  door 
correlaten  van  die  begrippen  in  de  buitenwereld  aan  te 
nemen;  waardoor  niet  wordt  uitgesloten,  dat  wij  van  den 
oorsprong  van  sommige  dier  begrippeu  (zooals  van  het 
causaliteitsbegrip)  ons  geene  volledige  rekenschap  vermogen 


HET  IK   EN   't   psychisch   MONISME.  341 

te  geven ,  en  dus  hier  alleen  naar  analogie  een  oorzake- 
lijken  samenhang  met  de  bewustzijnstranscendente  werke- 
lijkheid kunnen  vermoeden.  De  bezwaren  van  den  heer 
Dèr  Mouw  tegen  't  exceptioneel  karakter  der  bewegings- 
gewaarwordigen  (geen  reacties  op  prikkels  van  buiten, 
maar  eigen  voortbrengsel:  bl.  29)  kan  ik  slechts  beant- 
woorden met  de  opmerking,  dat  zoowel  het  voorkomen 
van  die  bewegingsgewaarwordingen  als  hunne  afhankelijk- 
heid van  voorafgaande  wilsbesluiten  nu  eenmaal  in  de 
ervaring  gegeven  zijn;  zijne  verbazing  over  de  omstandig- 
heid, „dat  het  Wereldwezen  in  zijn  individueeringen  voort- 
durend gewaarwordingen  produceert,  die  het  daarna  door 
andere  psychische  processen,  die  ook  tot  zijn  inhoud  hooren, 
inhibeert"  (ib.),  met  eene  verwijzing  naar  analoge  ver- 
houdingen binnen  't  individueel  bewustzijn  (psychische 
remming) ,  en  met  een  beroep  op  de  onbetwistbare  teleo- 
logische waarde  dezer  processen.  „Dat  in  de  vele  waar- 
nemingswereldbeelden de  localisaties,  voorzoover  we  kunnen 
nagaan,  zoo  zuiver  overeenstemmen"  (bl.  27),  onderstelt 
zeker  „een  analogon  (van)  de  bewustzijnsruimte  in  de 
Wereldwerkelijkheid"  (ib.),  maar  toch  in  geen  anderen  zin, 
als  ook  de  overeenstemming  tusschen  de  toonwaarnemingen 
van  verschillende  individuen  een  analogon  van  het  toon- 
schema  in  de  wereldwerkelijkheid  onderstelt:  een  feit,  dat  wij 
reeds  door  de  physische  geluidsleer  verleerd  hebben  als 
onverklaarbaar  te  beschouwen.  En  eindelijk:  wat  aangaat 
de  kwestie  van  den  oorsprong  van  het  naieve  realisme 
(bl.  104—138),  onderstel  ik  zeker  niet,  dat  bij  den  Veluw- 
schen  boerenjongen  de  begrippen  bewustzijn  en  bewustzijns- 
inhoud  aanwezig  zijn  (bl.  115),  maar  alleen,  dat  hem 
allerlei  ervaringen  onmiddellijk  gegeven  zijn,  die  wij  als 
zijn  bewustzijnsinhoud  qualificeeren,  en  dat  hij  op  grond 
van   de   causaliteitsbehoefte   daar  andere  dingen  bij  onder- 


342  HET   IK   EN   't   psychisch    MONISME. 

stelt,  die  wij  weer  zijn  buitenwereld  noemen.  Dat  er  voor 
het  naieve  standpunt  bij  de  waarneming  „geen  sprake  (is) 
van  eenig-e  oorzakelijke  inwerking,  die  verder  gaat  dan  de 
oorzakelijke  werking  van  iemand,  die  me  iets  aanreikt" 
(bl.  127),  geef  ik  volgaarne  toe:  juist  zoo  ongeveer  heb  ik 
de  zaak  in  mijne  schets  van  het  naieve  realisme  (Met.  43) 
voorgesteld.  Dat  evenwel  practisch  onoverwinnelijke  over- 
tuigingen als  die  van  het  bestaan  eener  buitenwereld  niet 
door  onbewuste  (maar  in  het  oneindige  herhaalde!)  denk- 
processen zouden  kunnen  zijn  tot  stand  gekomen  (bl.  126) , 
is  moeilijk  vol  te  houden  tegenover  ervaringen,  die  wij 
dagelijks  bij  theoretisch  weinig  ontwikkelde,  maar  in  het 
leven  geschoolde  menschen  kunnen  opdoen;  en  dat  de 
oudste  grieksche  philosophen  de  omzetting  van  hun  grond- 
stof in  qualitatief  verschillende  ervaringsstoffen  niet  als 
zinsbedrog,  maar  als  een  natuurwetenschappelijk  probleem 
zouden  hebben  beschouwd  (bl.  134 — 136),  acht  ik  met  't 
oog  op  hunne  telkens  herhaalde  uitvallen  tegen  de  zintuigen 
als  „slechte  getuigen"  en  dgl.  weinig  waarschijnlijk.  Maar 
er  is  geen  reden,  over  deze  punten  ons  al  te  warm  te 
maken.  Immers  ten  slotte  is  de  vraag,  waarop  het  voor 
den  opbouw  eener  wereldhypothese  aankomt,  niet  deze: 
hoe  een  Veluwsche  boerenjongen  of  hoe  de  oude  grieksche 
philosophen  hebben  gedacht,  maar  hoe  wij,  ieder  voor 
zich,  volgens  streng  wetenschappelijke  bewijsmethoden 
tot  de  erkenning  van  het  bestaan  en  de  eigenschappen 
eener  buitenwereld  kunnen  komen.  En  op  deze  vraag  zal, 
men  moge  over  die  andere  denken  zooals  men  wil,  toch 
m.  i.  altijd  weer  geantwoord  moeten  worden:  door  toepas- 
sing van  het  causaliteitsbeginsel  op  de  gegeven  verschijnselen. 


DE  OVERGANG  VAN  „GOTHIEK" 

TOT  „RENAISSANCE"  EN  VAN  REALISME 

TOT  IDEALISME 

DOOR 

A.  PIT. 


In  het  „Vierteljahrschrift  für  wissenschaftliche  Philoso- 
phie",  verscheen,  in  1896,  van  de  hand  van  Fr.  Carstanjen, 
een  merkwaardig  artikel:  „Entwicklungsfactoren  der  nieder- 
„landischen  Frührenaissance.  Ein  Versuch  zur  Psychologie 
„des  künstlerischen  Schaffens",  waarin  opnieuw  het  vraag- 
stuk wordt  behandeld,  hetwelk  de  omwenteling  in  het 
aesthetisch  produceeren  bij  het  begin  der  \6^^  eeuw  mede- 
brengt. 

Terecht  merkte  de  schrijver  op,  dat  de  factoren  tijdgeest 
en  volkskarakter,  bij  het  vormen  van  den  kunstenaar  een 
rol  mogen  spelen,  maar,  dat  ook  de  individueele  eigen- 
schappen, welke  niet  uit  den  tijdgeest  verklaard  kunnen 
worden,  niet  verwaarloosd  mogen  blijven.  De  van  buiten 
komende  invloeden  gaan  door  het  filter  der  persoonlijke 
waarneming.  Niet  alleen  met  maatschappelijke  maar  ook 
met  zielkundige  factoren  hebben  wij  te  maken. 

In  tegenstelling  met  Schnaase,  Burckhardt,  Taine  kiest 
Carstanjen  de  psychologische  methode  van  onderzoek  om 
tot  zijn  doel  te  geraken. 


344  DE  OVERGANG  VAN  „GOTHIEK"  TOT  „RENAISSANCE" 

Elke  wijziging  in  kunstsmaal<,  elke  verandering  in  kunst- 
voortbrenging  wordt,  zegt  Carstanjen,  voorafgegaan  door  een 
gevoel  van  verveling,  van  onlust,  van  ontevredenheid  met 
het  bestaande.  Als  tweede  moment  merkt  hij  dan  op  een 
„Lust  zum  Aendern"  of  „Lust  zur  Aenderung."  Gevolg  hiervan 
een  „Suchen  nach  der  Anderslösung",  welk  zoeken  eindelijk 
bekroond  wordt  door  een  „Finden  der  Neulösung".  Door 
deze  vondst  is  de  lust  hersteld,  men  geniet  van  de  zich 
baanbrekende  gedachten  en  heel  een  wedergeboren  kunst 
komt  tot  bloei. 

Voornamelijk  aan  de  hand  der  miniaturen  welke  ons  de 
middeneeuwsche  geschriften  te  zien  geven,  toont  de  schrijver 
op  zeer  vernuftige  wijze  aan ,  dat  het  aanbrengen  van  bij- 
zonderheden in  de  nabootsende  teekening,  welke  fijnere 
uitwerking  dikwijls  slechts  het  gevolg  is  van  een  gewijzigde 
techniek,  van  het  gebruik  van  een  ander  penseel,  als  het 
ware  door  terugslag  een  juistere  kennis  der  voorwerpen  in 
de  natuur  veroorzaakt. 

Terwijl  de  oppervlakkige  beoordeelaar  licht  geneigd  is 
een  fijn  uitgewerkte  kop  voor  een  portret  aan  te  zien 
en  dan  van  realisme  te  spreken,  en  daarentegen  bij  een 
glad  geteekend  gezicht  eer  aan  idealisme  wordt  gedacht, 
wijst  hij  er  op ,  dat  bij  tallooze  miniaturen  dat  zoogenaamde 
realisme  alleen  hierin  bestaat,  dat  de  kunstenaar  lette  op 
gelaatsrimpels  enz.,  terwijl  hij  die  elders  achterwege  liet. 

Inderdaad  zijn  deze  opmerkingen  niet  onjuist.  Men  zoude 
kunnen  zeggen ,  dat  meestentijds  de  miniaturen  in  de  midden- 
eeuwsche geschriften  als  niet  veel  meer  dan  hieroglyphen 
zijn  te  beschouwen  ter  verduidelijking  van  de  letterteekens 
in  den  tekst  en,  aangezien  de  groote  schilderkunst  on- 
tegenzeglijk uit  de  kunst  der  miniaturen  is  voortgekomen, 
zijn  de  oorzaken  van  stijlverandering  bij  beide  kunsten 
dezelfde. 


EN  VAN   REALISME  TOT  IDEALISME.  345 

De  zoogenaamde  bezieling  van  het  genie,  zoo  ongeveer 
Carstanjen ,  was  slechts  een  onmiddellijk  gevolg  van  een 
meer  ontwikkeld  technisch  kunnen.  En,  eindigende  met  het 
werk  van  Jan  van  Eyck,  betoogt  hij,  dat  indien  alle  vooraf- 
gaande kunstwerken  tot  ons  waren  gekomen ,  het  zou  blij- 
ken dat  van  het  spontane,  het  geniale,  het  raadselachtige 
van  Van  Eycks  kunst  niets  zou  overblijven. 

„Ich  betrachte  also  das  Künstlerische  als  Endresultat 
eines  ursprünglich  handwerksmassigen  Schaffens"  enz. 

Gelijk  gezegd ,  deze  manier  om  de  middeneeuwsche  kunst 
te  beoordeelen,  bevat  veel  goeds.  In  de  productiewijze  van 
de  middeneeuwen  zoowel  wat  beeldhouwkunst  als  schilder- 
kunst betreft,  speelt  het  werktuigelijk  kunstvaardige  een  groote 
rol;  maar  dat  op  deze  wijze  iets  meer  bereikt  had  kunnen 
worden  dan  een  voortbrenging  van  steeds  getrouwer  na- 
tuurnabootsingen in  slechte  oneindigheid  zou  nader  over- 
wogen moeten  worden.  Zoo  dringt  zich  al  dadelijk  de 
vraag  op  waarom  een  van  der  Weyden,  een  Bouts,  een 
Memling,  die  in  kunstvaardigheid  toch  niet  bij  Jan  van  Eyck 
ten  achter  stonden,  zooveel  minderwaardige  kunstwerken 
maakten.  Dat  na  het  geniale  werk  van  een  buitengewoon 
kunstenaar  het  peil  der  kunst  meestal  plotseling  daalt,  is 
dit  niet  reeds  een  aanwijzing  voor  de  meening,  dat  het 
ontstaan  van  dat  geniale  werk  even  zoo  plotseling  is  geweest, 
en  dat,  indien  wij  niet  kunnen  aantoonen  de  werken 
welke  Van  Eycks  genie  verklaren,  die  werken  er  ook  niet 
geweest  zijn? 

Ik  weet  niet  of  Carstanjen  het  beroemde  Turijnsche 
handschrift  gekend  heeft:  „Les  tres  belles  heures  dejean  de 
France,  duc  de  Berry"  (in  photographie  uitgegeven  te 
Parijs  in  1902)  dat  dan  nog  het  dichtst  staat  bij  van 
Eijcks  kunst;  zeker  is  het,  dat  deze  wonderfraaie  miniaturen, 
waaruit  toch   reeds  zooveel  gevoel  voor  het  landschap  en 


346  DE  OVERGANG  van  „gothiek"  tot  „renaissance" 

het  figuurlijke  spreekt,  verre  achter  staan  bij  van  Eijcks 
minste  werken  en  dit  niet  in  eigenschappen  van  coloriet- 
of  nabootsingskracht,  maar  in  datgeen  wat  een  kunstwerk 
tot  iets  altijd  blijvend  schoons  maakt. 

En,  om  bij  van  Eijck  zelf  te  blijven,  waarom  toont  hij 
zich  ongelijk  in  zijn  scheppingen?  Moet  dat  alleen  aan 
een  betere  of  minder  goede  luim  worden  geweten,  waar- 
door hij  handiger  of  minder  handig  werkte,  of  moeten  wij 
hier  denken  aan  de,  bij  alle  vaagheid,  toch  zoo  juiste 
atelier-uitdrukking,  dat  hij  de  natuur  nu  eens  „mooi  aan- 
zag", dan  weer  „bot"  tegenover  de  natuur  stond?  En  wat 
wil  dat  zeggen? 

Nog  iets.  Van  Eycks  wezenlijke  grootheid  moet  juist  niet 
gezocht  worden  in  hetgeen  hij  dan  zoo  bijzonder  trouw 
heet  na  te  beelden.  Zijn  koppen ,  portretten ,  hoe  knap  die 
ook  zijn  mogen,  hebben  toch  nog  iets  kleinzieligs;  zij  missen 
het  breed  karakteristieke  van  het  Italiaansche  15^  eeuw- 
sche  portret.  Veeleer  munt  hij  uit  in  het  gewaarworden  en 
in  het  weergeven  van  het  atmosferische ,  hij ,  die  voor  het 
eerst  geeft  eene  synthetische  compositie. 

In  de  geschiedenis  der  beeldhouwkunst  herhalen  zich 
dezelfde  verschijnselen.  Ook  de  beeldhouwers  in  de  midden- 
eeuwen verbeterden  steeds  hun  techniek,  letten  steeds  meer 
op  onderdeden,  kwamen  er  zelfs  toe  iets  te  maken  wat 
men  een  portret  zoude  kunnen  noemen,  maar  het  samen- 
werken van  kopuitdrukking  en  lichaamshouding  en  gebaren, 
de  vonk  die  van  het  steenen  beeld  het  levende  kunstwerk 
maakte,  kwam  niet  uit  hen.  Even  plotseling  als  Hubert  en 
Jan  van  Eijck  kwam  Klaas  Sluter  en  evenmin  als  de  op- 
volgers van  van  Eijck  den  meester  konden  evenaren,  wisten 
de  leerlingen   van   Sluter  de  kunst  op  zijn  peil  te  houden. 

Niets  anders  ging  het,  wat  den  opbloei  van  de  nieuwe 
kunst  aangaat,  in  Italië.  Wanneer  de  zienswijze  van  Cars- 


EN   VAN   REALISME  TOT   IDEALISME.  347 

tanjen  gelijk  heeft,  dan  waren  voorzeker  de  Italiaansche 
beeldhouwers,  door  den  steun  der  Romeinsche  voorbeel- 
den ,  in  bijzonder  gunstige  omstandigheden.  Reeds  in  de 
dertiende  eeuw  zien  wij  de  technische  onkunde  met  vrucht 
en  verbazingwekkende  snelheid  geschoold  worden  in  het 
vrij  copieeren  van  oude  motieven.  De  werken  van  Giovanni 
Pisano  voldoen  beter  aan  onze  moderne  aesthetische  behoeften 
dan  het  beste  wat  er  ooit  te  Chartres  of  Reims  werd  gebei- 
teld, en  toch  zoude  ook  uit  de  Pisaansche  school  nooit  de 
kunst  haar  wedergeboorte  beleefd  hebben,  zonder  het  groote 
gebeuren  van  een  persoonlijke  scheppingsdaad. 

In  Italië  echter  zal  de  nieuwe  aesthetische  idee  zich  rijker 
en  volhardender  toonen. 

In  de  12^,  13^  en  14^  eeuw  was  de  kunst  symbo- 
lisch, gelijk  de  opvatting  van  de  natuur  symbolisch  was. 
„L'étude  des  choses  prises  en  elles-mêmes" ,  schrijft  Emile 
Male  in  zijn  „Art  religieux  du  XIII^  siècle  en  France", 
„n'avait  alors  aucun  sens  pour  les  hommes  de  pensee. 
„Comment  eüt-il  pu  en  être  autrement,  puisque  Ie  monde 
„était  congu  comme  un  discours  du  Verbe,  dont  chaque 
„être  était  une  parole?  Discerner  lés  vérités  éternelles  que 
„Dieu  a  voulu  faire  exprimer  a  chaque  chose,  retrouver  en 
„toute  créature  une  ombre  du  drame  de  la  chute  et  de  la 
„rédemption,  telle  était  alors  la  t^che  du  savant  qui  obser- 
„vait  la  nature.  Roger  Bacon,  l'esprit  Ie  plus  scientifique 
„du  Xllle  siècle,  après  avoir  décrit  les  sept  enveloppes 
„de  Toeil,  conclut  que  Dieu  a  voulu  imprimer  en  nous 
„l'image  des  sept  dons  du  Saint-Esprit." 

In  de  middeneeuwsche  kunstwerken  vinden  wij  de  ver- 
zakelijking van  voorstellingen  welke  de  mensch  zich  van 
de  dingen  in  de  natuur  maakte ,  als  symbolen  der  goddelijke 
bedoelingen.  Schilderingen  en  beelden  vertelden,  buiten  en 
binnen    de  muren  van  Gods  huis,  de  natuur  die  van  God 


348   DE   OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT    „RENAISSANCE" 

getuigt,  en  zij  leerden  dat  door  teekenen,  die  ook  voor 
ongeletterden  verstaanbaar  waren,  door  teekenen  die  dan 
min  of  meer  de  vormen  dier  dingen  nabootsten,  als  uitge- 
werkte hieroglyphen.  De  vier  boeken  van  het  Speculum 
majus  van  een  Vincent  van  Beauvais:  de  spiegel  van  de 
natuur,  de  spiegel  van  de  wetenschap,  de  spiegel  van  de 
moraal  en  de  spiegel  van  de  geschiedenis,  verklaren  ons  de 
beelden-reeks  aan  de  Gothische  kathedralen. 

De  middeneeuwen  vertoonen  een  vaste  iconographie 
waardoor  de  aesthetische  idee  werd  beperkt.  Binnen  die 
grenzen  was  haar  leven  een  zelfvervorming  zonder  eigenlijke 
ontwikkeling.  Het  kwam  hoogstens  tot  getrouwe  nabootsing 
van  uiterlijkheden,  van  voorwerpen,  planten  en  dieren, van 
menschelijke  gelaatstrekken  en  gebaren.  De  betrekkelijk 
weinige  monumenten  van  ongewijde  kunst  welke  tot  ons  zijn 
gekomen,  waaronder  dan  de  graftombe  het  belangrijkste  is, 
bewijzen  dat  de  kunstenaar,  zelfs  wanneer  hij  de  trekken 
van  een  bepaald  persoon  had  weer  te  geven,  zich  uit  de 
conventie  nog  niet  wist  te  bevrijden.  De  veertiende  eeuwsche 
grafbeelden  van  Jan  den  Goede,  Karel  V  en  Karel  VI  te 
St.  Denis,  het  merkwaardige  grafmonument  van  Enrico 
Scrovegno,  te  Padua,  of  dat  van  Hendrik  VII,  in  het 
Campo  Santo  te  Pisa,  door  Tino  di  Camaino  geven  toch 
nog  altijd  versteende  gezichten  te  zien;  wij  blijven  daar 
altijd  nog  in  de  eerste  plaats  het  materiaal  voelen. 

Het  fijn  geteekende  landschap  in  menig  getijboek  trekt 
ons  door  de  aardige  figuurtjes,  de  aardige  bloempjes  en 
vogeltjes  en  kleurtjes.  Het  doet  mooi  en  maakt  een  onont- 
beerlijk deel  uit  van  de  geschreven  bladzijde  omdat  het 
zelf  een  soort  schrift  is.  Maar  eene  stemming  van  „buiten 
zijn",  waartoe  de  evenredige  samenwerking  van  alle  fac- 
toren van  een  landschap  ons  opwekt,  ondervinden  wij  nooit 
bij  zoo'n  verluchte  bladzijde. 


EN   VAN   REALISME  TOT   IDEALISME.  349 

Beeldhouwkunst  en  schilderkunst  in  kerk  en  in  boek, 
altijd  min  of  meer  als  versiering  gedacht,  hebben  het  karakter 
van  een  dienende  kunst. 

De  aesthetische  idee  leeft,  maar  van  vrije  ontwikkeling 
is  nog  geen  sprake.  In  zekere  matheid  van  beweging  merken 
wij,  gedurende  de  12de,  13'^^  en  M^^e  eeuw,  de  slingeringen 
van  verschillende  stijlen  en  scholen  op.  De  krachtige  aanloop 
waarmede  de  beeldhouwers  te  Chartres,  St.  Denis,  Parijs, 
iets  later  in  Arles  en  St.  Gilles  een  jonge  kunst  beginnen, 
welke  weliswaar  veel  aan  de  Byzantijnsche  vormen  had  te 
danken,  maar  dan  toch  ook  van  directe  studie  naarde  natuur 
getuigde  en  een  zoo  schoone  toekomst  beloofde ,  kwam  in  de 
13<^^  eeuw  neer  op  de  schepping  der  rustige,  harmonische, 
bevallige,  volgens  een  vasten  regel  beheerschte  vormen, 
welke  wij  voornamelijk  in  Parijs,  Amiens  en  Reims  kunnen 
bewonderen.  Het  scheen  dat  het  laatste  woord  gesproken 
was,  dat  voor  altijd  de  algemeen  geldende  formule  voor 
het  schoone  was  gevonden.  Met  de  Fransché  bouwkunst 
werd  ook  de  Fransché  beeldhouwkunst  over  de  oostelijke 
grenzen  in  zegepraal  binnen  gebracht  en  de  Duitsche  kunst, 
de  mooie  deftige  Saksische  school,  met  haar  vermenschelijkt 
Byzantinisme,  zag  zich  verdrongen  en  vrijwel  verstikt.  Van 
de  heerlijke  beelden  te  Hildesheim  en  te  Halberstadt  scheen 
het  mooi  afgekeken,  de  nieuwe  Fransché  mode  werd  ge- 
volgd. Slechts  een  groote  zestig  jaren  hadden  dus  de  Duitsche 
kunstenaars  noodig  gehad,  om,  uit  volslagen  barbaarschheid, 
het  te  brengen  tot  het  vervaardigen  van  meesterwerken  welke 
aan  rustige,  klassieke  schoonheid  doen  denken,  alleen  ge- 
steund door  eenige  kleine  Byzantijnsche  bas-reliefs  in  ivoor. 
Toch  bleek  er  geen  leven  van  uit  te  gaan.  Na  een  bloeitijd 
van  een  kleine  eeuw  zou  ook  de  Fransché  school  op  niets 
uitloopen,  of  erger  nog,  op  een  platte  conventie-kunst 
welke   ons   thans   door    het   karikaturale   doet   lachen.   Na 


350  DE   OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT    „RENAISSANCE" 

,  1380  ongeveer,  komt  er  dan  een  verjonging  uit  het  Noor- 
den, hoofdzakelijk  Vlaamsche  beeldhouwers  en  schilders 
blazen  de  Fransche  kunst  nieuw  leven  in  door  ernstige 
studie  naar  de  natuur.  Een  soort  van  naturalisme  kwam 
op,  waaruit  het  genie  van  Van  Eyck  en  Sluter  den  vonk 
zou  slaan,  maar  dat  vóór  dien  tijd  in  wezen  niet  ver- 
schilde van  de  beste  werken  uit  het  begintijdperk  van  de 
12de  eeuw. 

In  Italië  soortgelijke  golvingen  van  korten  bloei  en  van 
verval,  vernieuwingen  van  stijl,  verfrisschingen  door  on- 
middelijke  navolging  van  natuur-vormen,  maar  geen  onop- 
houdelijk stijgende  lijn. 

De  taak  van  den  Italiaanschen  beeldhouwer  werd  in  niet 
geringe  mate  vergemakkelijkt  door  de  menigte  van  antieke 
overblijfselen,  waardoor  hij  omringd  was.  Wanneer  in  de 
2^^  helft  der  13^^^  eeuw  Nicola  Pisano  optreedt  te  Pisa, 
waar  wij  het  vroegst  gedateerde  werk  van  zijn  hand  be- 
zitten (Preekstoel  in  het  Baptisterium  van  1260),  dan  inspi- 
reert hij  zich  op  oud-Romeinsche  sarkophagen.  Wel  is  zijn 
kennis  van  het  menschelijk  figuur  door  onmiddellijke  studie 
niet  te  miskennen,  maar  hij  is  er  nog  ver  van  af  de  antieke 
motieven  behoorlijk  te  kunnen  verwerken  tot  iets  eigens. 
Ofschoon  zijn  figuren  zich  veel  vrijer  bewegen  dan  bij  de 
Fransche  gothieken  het  geval  was ,  ontbreekt  nog  volkomen 
de  rythmische  samenwerking  van  de  geledingen. 

In  vergelijking  met  zijn  vader  is  Giovanni  Pisano  een 
waar  genie.  Bij  al  het  overdrevene  van  zijne  houdingen 
moet  toch  zoozeer  het  vurig  zoeken  naar  vrije  beweging, 
bewonderd  worden,  dat  de  beoordeelaar  van  onze  dagen 
meestal  moeite  heeft  zich  niet  te  laten  meeslepen  en  dan 
te  vergeten,  dat  achter  gelukkige  vondsten  niet  altijd  zui- 
vere bedoelingen  zijn  te  vinden.  Voor  een  enkel  van  zijn 
figuren   geeft  men   zich  gewonnen,  om  dan  bij  de  compo- 


EN   VAN   REALISME  TOT  IDEALISME.  351 

sities  weer  aan  de  voornaamste  levensbron  van  zijn  kunst 
herinnerd  te  worden:  slechte  Romeinsche  bas-reliefs.  Zijn 
beste  stui<l<en,  waarin  wij  het  meest  de  toelcomstige  weder- 
geboorte gevoelen,  sommige  onderdeelen  van  het  preek- 
gestoelte  te  Pistoja  en  het  portretbeeld  van  Enrico  Scro- 
vegno  waarvan  hij,  zoo  het  dan  misschien  door  een  leerling 
is  uitgevoerd,  toch  het  geestelijk  vaderschap  kan  opeischen, 
vragen,  als  het  ware,  nog  maar  een  laatste  krachtsinspan- 
ning om  tot  de  getrouwe  afspiegeling  te  komen  van  samen- 
vattend voelen  des  kunstenaars.  Maar  het  mocht  nog  niet 
gebeuren. 

Arnolfo  di  Gambio  aan  wien  tegenwoordig  o.a.  het  bekende 
bronzen  Petrusbeeld  in  St.  Pieter  te  Rome  wordt  toe- 
geschreven ,  brengt  het  niet  verder  dan  tot  een  vrij  slaafsche 
navolging  der  antieken,  of  tot  een  hoogst  middelmatige 
gothiek.  Tino  di  Camaino,  één  geslacht  later  dan  Giovanni 
Pisano,  beproeft  weer  het  portret.  In  het  Campo  Santo  te 
Pisa  bevindt  zich  de  graftombe  van  Hendrik  VII.  De  kop 
is  merkwaardig,  boeit  door  eene  zekere ,  nog  niet  gekende , 
vrije  en  sobere  behandeling  van  de  gezichtsplannen,  waarbij 
wij  glimlachend  denken  aan  het  fraaie  borstbeeld  van  Isotta 
da  Rimini,  een  paar  passen  verder  in  het  Campo  Santo 
tentoongesteld,  borstbeeld,  dat,  met  niet  meer  middelen,  toch 
zoo  trilt  van  leven.  Want  hier  staan  wij  voor  het  geheimzinnig 
gebeuren.  Waarom  leeft  het  eene  kunstwerk  en  waarom  blijft 
het  andere,  bij  al  het  verdienstelijk  en  aandoenlijk  pogen, 
toch  dood?  Het  komt  mij  voor  dat  de  „Neulösung"  en 
„Anderslösung"  van  Carstanjen  dit  vraagstuk  niet  oplossen. 

De  man  die  meer  dan  een  eeuw  de  Italiaansche  schilder- 
kunst beheerschte,  Giotto  (1267—1337),  wist,  wat  zijn 
onmiddellijke  voorgangers,  Cimabue,  te  Florence  en  Ducio, 
te  Siena,  nog  niet  gekund  hadden,  zijn  kunst  uit  het  By- 
zantijnsche  hieratisme  te  bevrijden.   Er  zal   moeilijk  in  de 

23 


352   DE  OVERGANG  VAN    „GOTHIEK"   TOT   „RENAISSANCE" 

kunstgeschiedenis  een  tweede  voorbeeld  te  vinden  zijn  van 
een  zoo  groote  overwinning  op  de  traditie.  Op  éénmaal 
was  ook  het  hoogtepunt  bereikt.  Vergelijkt  men  Giotto 
met  een  Nicola  en  Giovanni  Pisano,  dan  stelt  hij  ze  on- 
getwijfeld in  de  schaduw.  Noord-Europa  kan  niemand  naast 
hem  stellen.  Met  ongeloofelijke  zekerheid  en  ingetogenheid 
weet  hij  passende  uitdrukkingsvolle  gebaren  te  beheerschen. 
Zijn  kleur  is  van  een  rijpheid  en  harmonie,  zooals  die 
toen  nog  nooit  vertoond  was.  Zijn  draperie  is  grootsch 
en  volkomen  juist  meegaand  met  de  eenvoudige  bewe- 
gingen. Maar  vooral  zijn  compositie  heeft  reeds  iets  dat 
men  eerst  bij  een  Jan  van  Eijck  terug  zal-  vinden  en  dat 
zelfs  zijn  beste  leerlingen  nooit  vermochten  te  begrijpen.  — 
Ik  bedoel  het  geconcentreerde.  Hier  inderdaad  vinden  wij 
voor  het  eerst  een  trek  welke  getuigt  van  een  synthetisch 
kijken,  een  trek  waaraan  wij  den  dageraad  van  een  nieuwe 
kunst  herkennen.  Hij  heeft  echter  blijkbaar  geen  behoefte 
gevoeld  verder  te  gaan.  De  tijden  vroegen  dat  ook  nog  niet 
van  hem.  Ook  van  hem  verlangde  men  slechts,  dat  hij  op 
de  wanden  der  kerken  met  het  penseel  de  bijbelsche  ver- 
halen, de  heiligen-legenden^  zoo  duidelijk  en  sprekend 
mogelijk  voor  de  ongeletterden  vertelde.  Zijn  kinderlijkheid 
in  het  aanzien  der  dingen  was  nog  volkomen.  Het  atmosfe- 
rische van  de  omgeving ,  het  levende  van  de  figuren  boezemde 
ook  hem  nog  geen  belang  in  en  de  eigenschappen  van 
rythme,  vormen  en  gebaren,  bekoorlijkheid  van  kleur,  zou 
hij  met  zich  in  het  graf  nemen.  Geen  zijner  leerlingen 
komt  hem  ook  maar  in  de  verte  bij.  En  zoo  zou  zijn  invloed 
betrekkelijk  onvruchtbaar  blijven. 

Het  is  wel  merkwaardig,  dat  het,  in  Italië  zoowel  als 
in  Noord-Europa,  de  beeldhouwers  zijn  die  vóór  gingen  in 
het  nieuwe  leven:  Klaas  Sluter  komt  vóór  van  Eyck;  della 
Quercia,    Ghiberti,  Donatello  gaan  aan  Massaccio,  Andrea 


EN  VAN  REALISME  TOT  IDEALISME.  353 

del  Castagno,  Philippo  Lippi  vooraf  en  het  oudere  geslacht 
met  Gentile  da  Fabriano  en  Pisanello  toonden  zich  voor- 
namelijk leerlingen  van  goudsmeden  en  beeldhouwers,  waar- 
^  door  hun  eigenlijke  talenten  voor  de  schilderkunst  wel  wat 
op  den  achtergrond  treden. 

Waar  ik  mij  ten  doel  stelde  het  moment  van  overgang 
van  gothiek  tot  renaissance  waar  te  nemen,  zal  ik  dus  wel 
doen  naar  de  beeldhouwers  terug  te  gaan  en  even  nog  op 
die  werken  te  wijzen  welke  onmiddelijk  aan  de  wederge- 
boorte der  kunst  voorafgaan.  Ik  bedoel  de  professorengraven 
te  Bologna. 

Aan  het  einde  der  \4^^  eeuw  vinden  wij  te  Bologna  met 
de  gebroeders  delle  Massegne  verschillende  andere  Veneti- 
aansche  beeldhouwers  die  voornamelijk  aan  de  hoofdkerk, 
San  Petronio,  monumentale  werken  hebben  nagelaten  welke 
ons  treffen  door  een  ongedwongen  forschheid  van  stijl.  Vol- 
komen gothisch  en  conventioneel  in  de  draperie,  geven  zij 
echter  aan  hun  koppen  een  kracht  van  uitdrukking  welke  zelfs 
voor  het  leelijke  niet  terugdeinst.  En  als  zich  aanpassend  aan 
die  beeldhouwwerken  zijn  de  grafmonumenten  van  professoren 
te  beschouwen,  waarvan  de  beste  in  het  Museo  Civico  be- 
waard worden.  Het  fraaiste  is  ongetwijfeld  dat  van  Barto- 
lomeo  di  Saliceto ,  vervaardigd  door  een  navolger  der  delle 
Massegne,  Adrea  da  Fiesole,  in  1412.  Een  tegen  den  muur 
op  consoles  geplaatste  sarkophaag  vertoont,  op  het  deksel, 
het  liggende  beeld  van  den  afgestorvene  en,  aan  de  voor- 
zijde, een  relief  waarop  de  leeraar  in  zittende  houding  te 
midden  van  zijn  leerlingen  is  afgebeeld.  Zoo  had  de  beeld- 
houwer gelegenheid  zijn  vaardigheid  te  toonen-  in  het  com- 
poseeren  van  een  groep  figuurtjes  en  hun  het  gewenschte 
stille  gebarenspel  en  de  gelaatsuitdrukking  van  een  pro- 
fessor te  midden  van  luisterenden  bij  te  brengen.  Nu 
zien  wij,  om  maar  één  ding  te  noemen,  de  gothische  kun- 


354  DE  OVERGANG  VAN    „GOTHIEK"   TOT   „RENAISSANCE*' 

stenaar  in  het  euvel  vervallen  al  de  knapen-leerlingen  als 
broertjes  op  elkaar  te  laten  gelijken ,  doordat  bijv.  de  oogen 
alle  volgens  een  vast  systeem  gemaakt  zijn ;  ook  de  monden, 
ofschoon  sommige  gesloten  andere  open  zijn,  zijn  van  één. 
snit.  Het  was  hem  dan  ook  niet  te  doen  individuen  weer 
te  geven,  maar  alleen  om  een  leeraar  voor  zijn  klas  te 
laten  zien. 

Hoe  anders  het  vroegste  werk  van  den  eersten  renais- 
sancist, een  werk  dat  hoogstens  een  paar  jaar  later  is 
ontstaan,  misschien  ook  gelijktijdig,  vervaardigd  door 
Jacopo  della  Quercia! 

In  't  Rijksmuseum,  te  Amsterdam,  bevindt  zich  de  nage- 
noeg levensgroote  buste  in  stucco  van  een  jonge  vrouw. 
Door  de  vele  overblijfselen  der  oude  polychromie  worden 
wij  gemakkelijk  in  staat  gesteld  het  wel  wat  beschadigde 
kunstwerk,  zooals  het  er  oorspronkelijk  moet  hebben  uit- 
gezien, voor  onze  verbeelding  terug  te  brengen. 

Het  haar,  van  een  warm  bruine  kleur,  dekte  het  fijn  ge- 
welfde voorhoofd,  zachte,  lichtbruine  oogen  beglansden  het 
teer  schoone  gezicht,  waarin  de  mooi  gevormde  roode  lippen 
het  gezonde  rosé  der  wangen  overstemden.  Het  eenigszins 
droomerig  droefgeestige  van  dit  jonkvrouwelijk  kopje  roept 
de  Grieksche  schoonheid  van  zekere  Tanagrafiguurtjes  in 
de  herinnering  en  het  verwondert  ons  ook  niet,  dat  vorige 
bezitters  er  een  madonnakop  van  gemaakt  hebben,  zooals 
uit  de  sporen  van  een  latere  blauwe  verfstof  op  den  mantel, 
en  uit  het  ijzer,  dat  achter  het  hoofd  den  stralenkrans  vast- 
hield, duidelijk  blijkt.  In  dit  borstbeeld  hebben  wij  dejustitia 
van  de  bekende  Fonte  Gaja,  te  Siena,  te  herkennen.  De 
trekken  van  de  zeer  verweerde  marmeren  figuur  zijn  in  dit 
stucco  voor  ons  bewaard  gebleven. 

En  wat  voor  ons  nog  meer  beteekent,  het  borstbeeld  is  als 
een  schets,  een  ontwerp  van  den  kunstenaar  te  beschouwen 


EN  VAN   REALISME  TOT  IDEALISME.  355 

waaruit  voor  ons  onmiddellijk  zijn  bedoeling  spreekt.  Jacopo 
della  Quercia  heeft  blijkbaar  een  jonge  vrouw  of  een  meisje 
uit  zijn  omgeving  laten  poseeren  ten  einde  een  uitgewerkt 
model  voor  zijn  marmeren  Justitia-figuur  te  maken. 

Zoo  ontstonden  de  onbeduidende  kleine  draperie  over 
den  linker  schouder  en  het  hemd,  naief-weg  glad  gelaten, 
zonder  eenig  zoeken  naar  verfraaiende  plooien,  zoo  ontstond 
de  zachte,  eenigszins  zoete  uitdrukking,  te  zwak  vooreene 
Justitia,  welke  onderdeden  Quercia  bij  het  marmeren  beeld 
alle  zou  wijzigen.  Maar  wordt  ons,  juist  door  het  feit, 
dat  de  beeldhouwer  zich  allereerst  door  zijn  model  heeft 
laten  bezielen,  zonder  te  letten  op  de  eischen  der  alle- 
gorische figuur  welke  hem  besteld  was,  niet  iets  van  het 
intieme  doen-en-laten  van  den  kunstenaar  geopenbaard? 
Zien  wij  hier  niet  iets  gebeuren  dat  wij  vroeger,  in  de  gothiek, 
nooit  durfden  vermoeden:  —  het  gepast  zinnelijke  beeld 
dat  hij  van  een  vrouw  behield,  heeft  de  beeldhouwer  weten 
te  veruitwendigen  tot  een  kunstwerk. 

In  het  ongeveer  gelijktijdig  ontstane  grafmonument  van 
Ilaria  Caretto,  te  Lucca,  gevoelt  men,  tengevolge  der  eischen 
van  ingetogenheid  der  grafkunst  nog  zekere  schuchter- 
heid, maar  voor  deze  stucco  buste  dringt  het  zich  aan  ons 
op,  dat  Quercia  geheel  en  al  de  toekomstige  allegorische 
figuur  vergeet  en  zich  alleen  geeft  aan  het  vrouwelijke  schoon 
dat  hij  dan  begrijpt  en  verwerkt  tot  een  zelfstandige  schepping. 

Zoo  vinden  wij  in  de  Middeneeuwsche  kunst,  die  een 
dienende  Kunst  is,  de  aesthetische  idee  in  aanleg,  schuil- 
gaande achter  het  symbool.  In  dit  tijdperk  zijn  de  kunst- 
werken aanvankelijk  slechts  teekenen  waardoor  godsdienstige 
gedachten  kenbaar  worden  gemaakt,  langzamerhand  zien 
wij   ze  vormen  aannemen  die  als  zoodanig  reeds  behagen. 

In  de  12de,  13de  en  14de  eeuw  wordt  het  hoogste  bereikt 


356   DE  OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT    „RENAISSANCE" 

wat  de  midden-eeuwen  vermogen  te  geven.  Wat  toen  ge- 
wrocht werd,  was  verkregen  door  een  geduldig  uitwerlcen 
van  de  dingen  in  de  natuur.  De  Vlaamsch-Fransche  school 
in  het  Noorden ,  de  laatste  uitloopers  der  Pisaansche  school 
in  Italië  brachten  het  hierin  het  verst.  En  al  zoude  en  kon 
het  daarbij  niet  blijven ,  ontegenzeglijk  was  een  vruchtbare 
bodem  ontstaan.  Door  voortdurende  zelfonderscheiding  had 
de  kunstenaar  zich  ontwikkeld.  „Toutes  les  écoles  dégé- 
„nèrent  et  tombent  par  l'oubli  de  l'imitation  exacte  et 
„l'abandon  du  modèle  vivant",  zegt  Taine  ergens  in  zijn 
„Philosophie  de  l'art"  en  ofschoon  hij  zich  geen  rekenschap 
geeft,  dat  ook  de  studie  alleen  der  natuur  nog  geen  ware 
kunst  vermag  te  geven,  juist  is  het  dat  die  studie  bij 
alle  kunstontwikkeling  voorondersteld  moet  blijven.  De  per- 
soonlijkheid van  den  kunstenaar  moet  voortdurend  gevoed 
en  in  stand  gehouden  worden  door  zelfonderscheiding  aan  het 
hem  omringende.  Bij  elke  „Neulösung",  om  weer  eens  met 
Carstanjen  te  spreken,  hoe  kinderachtig,  hoe  aanvankelijk  ook, 
heeft  een  nieuwe  studie  der  natuur  plaats.  Om  het  teeken, 
het  hiëroglief  te  veranderen ,  moet  weer  even  de  natuur 
worden  aangekeken.  Toegerust  met  een  schat  van  detail- 
kennis, met  volmaakt  technisch  kunnen,  zal  eindelijk  de 
kunstenaar  zijn  gesynthetiseerde  waarneming  tot  voorstelling 
verwezenlijken,  waarin  alle  veranderlijkheden  en  wisselval- 
ligheden van  onderdeelen  opgeheven  worden  tot  bestendigde 
eenheid  van  vorm. 

Het  beeld  dat  de  geest  zich  aldus  gevormd  heeft,  als 
begrip  van  het  geziene,  is,  als  zoodanig,  nog  maar  een 
eenzijdigheid,  die  als  levend  begrip  de  bestemming  (drang) 
heeft  van  zich  ielf  het  andere  te  stellen,  zich  te  veruit- 
wendigen.  Als  begrip  is  het  een  bloote  ontkenning  die  haar 
bevestiging  zoekt,  in  het  andere  van  haarzelf.  Het  aesthe- 
tische  begrip,  als  subjectivatie  van  den  geest,  objectiveert 


EN   VAN   REALISME  TOT   IDEALISME.  357 

zich  in  het  andere  van  zich  zelf,  dat  wil  zeggen,  in  het 
voortgebrachte  kunstwerk. 

De  levende  aesthetische  voorstelling  veruitwendigt  en 
verzakelijkt  zich  door  de,  bij  herhaling,  zich  getrouw 
blijvende  herinnering,  waarin  de  oorspronkelijke  verhouding 
van  subject  tot  object  (van  waarnemer  tot  het  waarge- 
nomene)  bewaard  blijft.  Zoo  verschijnt  in  het  kunstwerk 
in  waarheid  de  aesthetische  idee,  gedragen  door  den  kunste- 
naar die  inderdaad  dan  ook  scheppend  kunstenaar  is. 

In  de  middeneeuwsche  kunst  hebben  wij  na  te  gaan 
het  zoeken  van  den  geest  naar  eigen  concrete  waarheid. 
Tegelijk  met  het  vinden  van  meer  volmaakte  vormen  en 
van  het  synthetiseeren  daarvan  komt  de  geest  tot  eigen 
begrip.  Het  symbool  van  het  goddelijke  wordt  doorzien 
als  eigen  geestes-product,  als  het  andere  zelf  van  den 
geest.  De  mensch  kreeg  macht  over  het  symbool ,  herkende 
zich  zelf  in  het  symbool,  kwam  er  vrij  tegenover  te  staan. 
Het  raadsel  van  de  middeneeuwsche  sphinx  werd  door  den 
kunstenaar  van  de  renaissance  doordacht  en  opgelost. 

De  sluimerende  aesthetische  idee  heeft  zich  uit  het  syrti- 
bolische  door  eigen  begrip  gewekt.  De  zelfbewuste  idee 
stelt  nu  in  deze  phase  haar  ideaal:  het  realistische  kunst- 
werk. 

De  mensch  heeft  gevoeld,  dat  het  goddelijke  niet  buiten 
hem  en  tegenover  hem  staat,  maar  in  hem  schuilt,  dat  hij 
het  goddelijke  mee  is  en,  dat  hij  in  zoover  oók  vermag 
te  scheppen.  Het  realistische  kunstwerk,  dat  wil  zeggen 
het  kunstwerk  waarvan  de  uiterlijke  vormen  en  bestand- 
deelen  hem  uit  phasen  van  onbewustheid  waren  eigen 
geworden  en  die  voorondersteld  blijven,  is  zijne  daad- 
werkelijke schepping. 

Wij  zien,  dat  de  overgang  van  de  symbolische  tot  de 
realistische   of  plastische  kunst  niet  geleidelijk  is,   zooals 


358   DE   OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT    „RENAISSANCE" 

wijdde  verbeteringen  in  de  symbolische  phase  der  midden- 
eeuwen zich  geieideiijl<  zagen  ontwikkelen ,  maar  plotseling. 

In  de  geschiedenis  der  beeldende  kunsten  beleven  wi] 
telkenmale  de  bewustwording  als  moment  bij  elke  schep- 
pingsdaad van  een  kunstenaar.  Want  wel  is  het  't  voort- 
durend streven  van  den  mensch  één  te  worden  met  het 
andere  van  zich  zelf,  met  de  natuur,  en  daarin  zijn  vrijheid 
te  vinden,  maar  van  den  anderen  kant  vooronderstelt  zulks 
ook  weer  de  tweespalt  tusschen  mensch  en  natuur,  waarom 
de  verzoening  slechts  moment  blijft. 

De  gothische  kunst  leert  ons  de  aandoeningen  kennen 
welke  de  mensch  in  alle  aanvankelijkheid  en  voorloopig- 
heid,  door  het  filter  der  godsdienstigheid  heen,  van  de 
hem  omringende  natuur  ontving.  In  de  IS^e  eeuw  zagen 
wij  die  aandoening  zich  tot  een  gevoel  verinnerlijken  en 
de  aesthetische  idee  zich  afspiegelen  in  het  realistische 
kunstwerk  der  renaissance. 

Hoe  de  aesthetische  idee  op  en  voor  zich  zelf  werkzaam 
zal  worden,  om  zich  ten  slotte  te  verkeeren,  zullen  wij 
thans  nagaan. 

De  renaissancekunst  van  het  IS'^*^  eeuwsche  Italië  is 
eene  Christelijke  kunst.  Het  is  een  kunst  die  getuigt  van 
de  verzoening  tusschen  mensch  en  natuur,  van  het  ver- 
gemeenzaam'de  goddelijke.  Het  is  een  kunst  die  getuigt  van 
vrede  des  gemoeds,  van  verinnerlijkt  religieus  gevoel.  Het 
is  de  kunst  gewijd  aan  het  portret  en  aan  de  godmensche- 
lijke  Madonna  en  het  Christuskind. 

Wij  zagen  reeds  Jacopo  della  Quercia  voor  zijne  figuren 
der  Deugden,  te  Siena,  meisjes  uit  zijne  omgeving  laten 
poseeren  en  in  zijne  liefde  voor  zijn  model  portretten  maken 
in  den  meest  hedendaagschen  zin  van  het  woord.  In  Florence 
werkte   Donatello   met  niet  minder  vuur,  de  natuur  bestu- 


EN   VAN   REALISME  TOT   IDEALISME.  359 

deerende,  om  uit  het  gothische  symbolisme  vrij  te  komen; 
ook  hij  kwam  onvermijdelijk  tot  het  portret.  Zijn  profeten 
aan  de  campanile  zijn  bekende  Florentijnen,  aan  wier  ka- 
raktervolle trekken  hij  vooral  niets  veranderde  om  ze  regel- 
matiger of  zachter  te  doen  schijnen.  Het  zijn  grimmige  lieden 
die  ontzag  inboezemen  en  niets  meer  gemeen  hebben  met 
de  koude  middeneeuwsche  voorstellingen.  Toen  hij  een 
Christusbeeld  voltooid  had,  moest  hij  van  Brunelesco  het 
verwijt  hooren,  dat  hij  aan  zijn  god  de  gedaante  van  een 
boer  had  gegeven  en,  inderdaad,  dat  eerste  kruisbeeld  van 
Donatello  is  van  een  realisme  zooals  wij  het  nooit  meer 
zullen  ontmoeten.  Brunelesco  heeft  ook  een  kruisbeeld  gemaakt, 
waarvan  Donatello  de  voortreffelijkheid  erkende,  het  zelfs 
boven  zijn  eigen  beeld  stelde.  Maar  wij  die  thans  nog 
beide  kunstwerken  kunnen  vergelijken  (Donatello's  beeld 
hangt  in  Santa  Croce  en  Brunelesco's  in  Santa  Maria  No- 
vella)  geven  zonder  aarzelen  aan  het  eerste  de  voorkeur. 
Het  gevoel  van  bewondering  dat  den  realist  aangreep  voor 
het  beeld  van  zijn  mededinger  moet  hem  uit  zijn  jeugd  zijn 
overgebleven ,  uit  zijn  gothische  opvoeding.  Hij  zou  er  zich 
dan  ook  niet  door  van  zijn  weg  laten  brengen.  Wij  zien  in  zijn 
Christus  de  wel  bestudeerde  vormen  van  den  krachtigen  man 
die  de  geestkracht  heeft  kunnen  hebben  een  bovenmensche- 
lijken  strijd  te  strijden;  het  gelaat  heeft  niet  den  pijnlijk 
lijdenden  trek,  maar  een  uitdrukking  van  berusting  waarop 
nog  „het  is  volbracht"  te  lezen  staat.  Het  hooge  voorhoofd, 
waarop  geen  doornenkroon  drukt,  is  dat  van  den  triumfee- 
renden  denker.  Al  mag  hier  nog  niet  aan  idealisme  gedacht 
worden ,  het  is  toch  een  realisme  dat  naar  het  hoogere  wijst, 
een  overbrugging  van  de  klove  die  tusschen  het  goddelijke 
en  het  menschelijke  had  bestaan. 

Nog  edeler  zou  Donatello,  geleid  door  eenzelfde  godsdienstig 
gevoel,  in  zijn  scheppingen  van  de  maagd  Maria  worden.  Van 


360   DE   OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT    „RENAISSANCE" 

alle  Madonna-voorstellingen  getuigt  het  marmeren  relief  dat 
hij,  tusschen  1420  en  1425,  voor  de  Casa  Pazzi  maakte 
(thans  in  het  Berlijnsche  museum)  van  de  meeste  innigheid 
tusschen  moeder  en  kind ,  van  de  meest  teedere  beduchtheid 
voor  het  gebaarde  goddelijke  wezen.  Er  moet  heel  wat  in 
het  gemoed  van  den  kunstenaar  gebeurd  zijn,  om  zóó  de 
Moedermaagd  te  zien.  Hoever  staat  deze  schepping  niet 
verwijderd  van  de  veertiende-eeuwsche  Italiaansche  Hemel- 
koningin, of  van  het  verburgerlijkte  Noord-Europeesche 
Maria-beeld!  Hooge  ernst  en  innige  liefde,  getemperd  door 
droefgeestigheid  bij  de  Moeder,  overgegeven  speelschheid  en 
sluimerend  bewustzijn  van  de  fragische  toekomst  bij  het 
Kind.  Donatello  is  de  eerste  die  het  kind  begrijpt,  die  niet 
alleen  de  lichaamsvormen,  maar  ook  de  uitdrukking  van 
het  kind  geeft.  Het  gedrochtelijke  oude-mannetjesachtige 
van  het  middeneeuwsche  kind  is  overwonnen.  Voor  de 
middeneeuwen,  die  onder  het  teeken  van  de  potentialiteit 
leefden,  was  van  alle  menschelijke  natuurlijkheden  het  kin- 
derlijke het  allervreemdst.  Eerst  de  realist  Donatello  kreeg 
er  heerschappij  over.  Zeer  zeker  heeft  de  kleine  genius  van 
den  Romeinschen  sarkofaag  hem  den  weg  gewezen,  maar 
welk  een  nieuw  leven  weet  hij  niet  aan  het  oude  doode 
versteende  motief  te  geven!  Het  kind  wordt  hem  een 
lust;  geen  gebaar,  geen  houding  ontgaat  hem;  het  kind 
brengt  in  al  zijn  composities  de  bloem  der  naïveteit.  Op 
het  welbekende  monument  in  Santa  Croce  beluisteren  twee 
kindergroepjes,  in  onschuldige  vroolijkheid  van  af  de  kroon- 
lijst de  plechtige  gebeurtenis  van  de  Annunciatie.  Men  zou 
meenen  de  kleine  broertjes  te  zien  van  de  bevallige,  schuchtere 
Maagd  die  nog  kinderlijk  verwonderd  zich  tot  den  hemel- 
schen  boodschapper  wendt. 

Maagd  en  kind,  Donatello  heeft,  in  alle  menschelijkheid , 
er   het   goddelijke  van   begrepen,  en  dat  ook  aan  anderen 


EN   VAN   REALISME  TOT   IDEALISME.  361 

geopenbaard.  Jacopo  della  Quercia  was  het  brein  waarin 
het  'eerst  de  bewustwording  plaats  had ,  waarin  wederom  na 
eeuwen  sluimerens,  de  aesthetische  idee  tot  begrip  kwam;  dat 
kan  niet  genoeg  gezegd  worden.  Uit  Donatello  kwam  de 
geheele  quattrocentoplastiek.  Noch  Luca  della  Robbia,  noch 
Verrocchio  zijn  te  denken  buiten  hem ,  en  Michel  Angelo 
voelde  in  hem  een  voorlooper. 

Intusschen  ging  Luca  della  Robbia  een  stap  verder.  Toen 
hij  de  opdracht  voor  een  orgelbalustrade  in  den  dom  te 
Florence  had  gekregen,  en  hij  daar  een  zingend  engelen- 
koor op  beitelde,  brak  hij  met  de  overlevering  die  aan  engelen 
vleugelen  dacht,  overlevering  waar  Donatello  zich  nog  aan  had 
gehouden.  Door  bovenmenschelijk  schoone  vormen  en  ge- 
laatsuitdrukking trachtte  hij  bij  den  toeschouwer  de  ge- 
dachte aan  een  bovenaardsch  wezen  op  te  roepen.  In 
hoever  hij  hierin  geslaagd  is  laat  ik  daar;  zijn  pogen  zegt 
genoeg.  Hij  wilde  boven  het  waargenomene  uitgaan,  uit 
eigen  idee  een  ideaal  scheppen  en  zien  wij  hem,  als  eenige 
zakelijke  tegemoetkoming  aan  de  voorstelling,  nog  wolkjes 
onder  de  voeten  zijner  engelen  aanbrengen ,  dan  bewijst  dit 
een  onvermogen  zich  geheel  los  te  maken  van  de  behoefte 
aan  het  attribuut,  het  in  den  letterlijken  zin  van  't  woord 
hieroglyphische  teeken  van  de  middeneeuwen. 

In  Verrocchio's  kunst  eindelijk  zien  wij  den  realist  het 
hoogste  bereiken  dat  hij  als  zoodanig  bereiken  kan.  Zijn 
portretten,  bij  alle  soberheid  toch  zoo  doorgevoerd  in  het 
teruggeven  van  het  karakteristieke,  hebben  het  bezielde  van  het 
kras  individueele  en  voor  zijn  bronzen  David,  in  het  nationale 
museum  te  Florence,  zijn  wij,  zonder  terughoudendheid,  bereid 
te  gelooven ,  dat  de  jeugdige  held,  welken  de  kunstenaar  in  zijn 
verbeelding  gezien  heeft  ook  werkelijk  zoo  geweest  is.  Ver- 
rocchio is  er  verre  van  het  ideale  type  van  den  held  te  scheppen, 
maar  de  moedige,  jonge  Florentijn  dien  hij  ons  te  zien  geeft, 


362  DE  OVERGANG  VAN  „GOTHIEK"  TOT  „RENAISSANCE" 

is  er  een  van  wien  wij  verwachten ,  dat  hij  het  onmogelijlce 
aandurft.  Zijn  meesterstul<:,  de  groep  van  Christus  en  Thomas, 
aan  Orsanmichele,  te  Florence,  is  tevens  het  voimaal<tste 
werlc  van  de  quattrocento-plastiek.  De  herrezen  Heiland, 
den  twijfelaar  het  geloof  gevend,  is,  bij  al  het  wezenlijk 
menschelijke,  toch  zoo  grootsch,  dat  elk  ontvankelijk  ge- 
moed, bij  het  genieten  van  deze  natuurlijke  schoonheid, 
ook  geestelijk  ontroerd  zal  worden.  De  tijdgenoot  heeft 
lang  zijn  Christustype  als  hét  type  aanvaard.  Zelfs  Michel- 
Angelo  vermocht  het  niet  te  overtreffen;  waardoor  wij 
misschien  tot  de  overtuiging  hebben  te  komen,  dat  de 
ideale  mensch,  als  de  goddelijke  mensch,  evenmin  als  de 
godheid  zelve,  door  de  kunst  is  af  te  beelden.  De  vleesch- 
wording  der  idee  kan,  bij  verkeering,  gedacht  worden, 
maar  door  eene  verzakelijking  ontzinkt  aan  dit  zuiver  gees- 
telijke onmiddelijk  de  verhevenheid  welke  haar  wezen  is. 
Michel-Angelo  schijnt  dit  dan  ook  begrepen  te  hebben. 

Gaan  wij  thans  na  hoe  de  schilders  in  die  dagen  van 
bewustwording  zich  tot  de  natuur  verhieMen. 

Was  het  mijn  doel  hier  een  volledig  geschiedkundig  beeld  te 
geven,  dan  zou  dit  het  oogenblik  zijn  nader  in  te  gaan  op 
de  beteekenis  der  gebroeders  van  Eijck  wier  invloed, 
vooral  op  de  technische  ontwikkeling  der  Italiaansche  kun- 
stenaars ,  niet  gering  is  geweest.  Maar  waar  het  mij  te  doen 
is  de  ontwikkeling  in  het  kunstleven  te  bespreken,  ge- 
loof ik  te  kunnen  volstaan  met  hetgeen  ik  in  het  eerste 
gedeelte  van  dit  opstel  over  de  van  Eijcken  heb  gezegd  en 
mij-  bij  de  Italiaansche  kunst  te  houden  welke,  gelijktijdig 
met  de  Vlaamsche,  ons  de  bedoelde  evolutie  laat  zien. 

Te  Florence,  in  het  eerste  vierde  deel  van  de  IS'^^eeuw, 
hebben  eenige  schilders  van  een  zelfde  bewuste  vrijheid 
tegenover  de  natuur  blijk  gegeven,  als  de  reeds  besproken 
beeldhouwers. 


EN   VAN   REALISME   TOT   IDEALISME.  363 

In  den  dom  van  Florence,  rechts  en  links  van  den  ingang 
kunnen  wij  de  twee  condottiere-portretten  van  Nicolo  Tolen- 
tino,  door  Andrea  del  Castagno  en  van  John  Hawkwood, 
door  Paolo  Ucello  bewonderen,  welke,  nevens  de  getrouwe 
portretteering  van  de  koppen,  een  samengaan  in  beweging 
van  ruiter  en  paard  vertoonen  waardoor  bewezen  wordt, 
dat  hier  de  pijnlijk  getrouwe  detailleering  van  de  midden- 
eeuwsche  teekening  voorgoed  te  boven  is  gekomen,  dat 
in  deze  synthetische  schilderingen  het  eigen  door  herin- 
nering gevormde  beeld  zijn  afschijnsel  vindt. 

Masaccio  toonde,  niet  minder  dan  de  van  Eijcken,  het 
vermogen  zich  de  voorwerpen  in  de  ruimte  te  denken,  en 
over  niet  minder  technische  vaardigheid  te  beschikken  om 
die  denk-beelden  op  een  muurvlak  te  schilderen.  En  bezit 
hij  een  minder  diep  gevoel  voor  het  atmospherische  dan 
zijn  noordelijke  kunstbroeders,  zijn  opmerkingsvermogen 
van  beweging  is  oneindig  veel  sterker.  Vergelijken  wij  maar 
eens  den  Adam  en  Eva  van  het  Gentsche  altaar,  waar  wij 
zoo  voortdurend  aan  vermoeide  poseerende  modellen  herin- 
nerd worden,  met  de  beroemde  verdrijving  uit  het  paradijs 
in  de  Brancacci-kapel  te  Florence,  dan  voelen  wij  bij  de 
eerste  voorstelling  wel  reeds  de  heerschappij  over  vorm 
en  kleur,  maar  nog  geen  zweem  van  die  hoogere  vrijheid, 
welke  naar  een  verhevener  kunst  wijst.  Dit  is  inderdaad 
wat  de  Italiaansche  realisten  al  dadelijk  voor  hebben  boven 
de  Noordelijke,  wat  ook  een  Jacopo  della  Quercia  en  een 
Donatello  boven  een  Klaas  Sluter  verheft.  Bij  hun  eerste 
bewustwording,  na  hun  eerste  kennismaking  met  de  reali- 
teit, toonen  zij  onmiddelijk  gevoel  voor  het  hoogere  te 
hebben;  hun  werken  bevatten  de  belofte  van  een  idealistische 
kunst. 

Want  men  vergete  niet,  bij  de  realistische  kunst  kan 
het  niet  blijven.   De  realistische  kunstenaar  vond  zich  zelf 


364  DE  OVERGANG  VAN   „GOTHIEK"   TOT   „RENAISSANCE" 

in  de  natuur  terug,  wat  dan  toch  zeggen  wil,  dat  in  zijn 
kunst  een  klove,  een  scheiding  tusschen  den  ziener  en 
het  geziene  voorondersteld  blijft.  Bij  elke  ontmoeting  zal 
de  moeitevolle  zich  eigenmaking  van  het  object  nog  wéér 
moeten  bevochten  worden.  De  aanleiding  tot  het  kunstwerk 
is  altijd  nog  de  verrassing  ondervonden  voor  wat  wij  aan- 
vankelijk buiten  ons  wanen.  Bij  het  zich  terugvinden  van 
den  geest  in  de  natuur,  bleef  die  natuur  voorondersteld  als 
het  andere  van  den  geest.  De  éénheid  en  daarmede  de 
hoogere  vrijheid  des  geestes  als  eene  door  zich  zelf  be- 
paaldheid was  nog  niet  gevonden.  Wij  staan  in  het  realis- 
tische tijdvak  van  de  Renaissance  voor  eene  oogenblikke- 
lijke  vrijheid,  welke  het  spook  der  vervreemding  nog  altijd 
voor  zich  heeft.  Bij  het  realistische  kunstwerk  blijft  de 
natuur  onmiddelijk  bepalend  moment. 

De  aesthetische  idee  kwam  tot  begrip  en  stelde  zich  in 
de  zakelijkheid  van  het  kunstwerk.  De  idee  had  zich  in 
den  kunstenaar  vereindigd  en  deze  vereindiging  stond  tegen- 
over haar,  uit  den  aard  harer  wording,  zij  had  haar  grond 
in  de  zakelijkheid  van  de  natuur.  Eerst  wanneer  het 
gebrek  dezer  eindigheid  was  opgeheven,  zou  het  kunst- 
product de  zuivere  afspiegeling  worden  van  de  idee,  van 
de  ware  idee,  welke  de  eenheid  is  van  het  menschelijke  en 
het  goddelijke,  van  het  eindige  en  het  oneindige.  Dit  zien 
wij  eerst  gebeuren,  wanneer  de  subjectiviteit  van  den  kun- 
stenaar zich  als  totaliteit  heeft  begrepen,  zich  tot  object 
heeft  gemaakt,  vóór  zich  zelf  is  komen  te  staan.  Wanneer 
de  ervaring  volkomen  gerijpt  is,  wanneer  de  kunstenaar 
de  vormen  en  kleuren  in  de  natuur  tot  volkomen  eigendom 
heeft  gemaakt,  wanneer  zijn  geheugen  vervuld  is,  zal  op 
dien  eigen  grond  de  idee  als  het  schoone  verschijnen  en 
rijpen   en   zich  verwezenlijken. 

Zooals    gezegd,    de    Italiaansche   realist   streeft   dadelijk 


EN   VAN   REALISME  TOT   IDEALISME.  365 

boven  het  alledaagsche  uit  te  komen,  al  is  het  waar,  dat 
hij  in  den  vormenschat  van  lang  vervlogen  tijden  nieuwe 
bevrediging  zoekt.  Botticelli,  zullen  velen  nog  als  het  type 
aanmerken  van  den  artist  der  renaissance.  Maar  ons  is  het 
duidelijk,  dat  het  idealisme  van  een  Botticelli  slechts  een 
schijnidealisme  is,  dat  van  het  realisme  alleen  afwijkt  in 
zooverre  het  niet  op  direkte  waarneming  van  de  natuur, 
maar  op  studie  van  het  werk  van  anderen  (de  antieken)  is 
gegrond.  De  aesthetische  idee,  die,  onder  andere  benaming, 
de  levensidee  zelve  is,  gaat  voort  door  altijd  het  beleefde 
in  een  vorigen  toestand  over  te  nemen  en  te  blijven  voor- 
onderstellen. In  Botticelli's  werk  vinden  wij  het  realisme 
slechts  verkeerd  in  conventionalisme.  Wij  hebben  het  stre- 
ven ervan  te  onthouden,  maar  kunnen  er  slechts  van  genie- 
ten als  van  zeldzame  droombeelden  van  een  verfijnden 
enkele. 

Van  veel  wijdere  strekking  is  de  kunst  van  een  Leonardo 
da  Vinci. 

Da  Vinci's  kunst  vat  het  aesthetische  leven  van  zijn  tijd 
samen.  Hij  beheerscht  de  realiteit  en  zoekt  er  met  voorkeur 
het  belangwekkende  van.  Het  mooie  en  het  leelijke,  het 
ernstige  en  het  belachelijke  trekken  hem  gelijkelijk  aan.  Zijn 
wetenschappelijke  aanleg  verheft  hem  nu  en  dan  zelfs  boven 
het  kunstzinnige.  Hij  is  de  humorist  die  aan  het  einde  der 
15<^2  eeuw  het  realisme  beheerscht,  maar  tot  idealisme  in 
den  eigenlijken  zin  van  het  woord  brengt  hij  het  niet. 

Het  zou  hier  de  plaats  zijn  over  Raphael  te  spreken, 
wiens  persoonlijkheid  zoowel  kunstminnaars  als  kunsthistorici 
in  buitengewone  mate  geboeid  heeft.  Hij  dankt  die  belang- 
stelling aan  de  zuiverheid  van  zijn  techniek,  aan  het  over- 
wogene  van  zijn  compositie,  aan  zijn  zuiver  gevoel  voor 
licht  en  ruimte.  De  kunst  van  een  Perugino,  zijn  leermeester, 
bracht   hij    tot  volmaaktheid.  Maar  hij  is  gestorven  op  een 


366   DE   OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT   „RENAISSANCE" 

leeftijd  waarin  voor  de  mensclien  van  beteelcenis  meestal 
een  ontwikkeling  begint,  waarop  de  persoonlijkheid  naar 
grootere  beloften  begint  te  wijzen.  Zijn  werk  is  het  voort- 
brengsel van  een  vroeg  rijp,  hoogst  bekwaam  schilder  die 
voortreffelijke  voorgangers  had  en  geen  strijd  gekend  heeft. 
Waar  wij  ontwikkeling  en  strijd  willen  doordenken,  kunnen 
wij  hem  buiten  bespreking  laten. 

Wij  haasten  ons  te  komen  tot  den  man,  in  wien  de  aesthe- 
tische  idee  hoogtij  viert,  tot  Michel  Angelo. 

Michel  Angelo's  denken,  in  nog  sterkere  mate  dan  zijn 
groote  realistische  voorgangers ,  was  doortrokken  van  gods- 
dienstige gevoelens,  terwijl  de  tijd  het  meebracht,  dat  hij  vrijer 
dan  zij  tegenover  de  kerkelijke  leerstellingen  kwam  te  staan 
en  hij  in  den  levenskamp  den  steun  van  de  kerk  moest 
missen.  In  zijn  jeugd,  toen  hij  in  den  uitgelezen  kring  van 
vernuftige  lieden,  vrienden  en  beschermelingen  der  Medici, 
verkeerde,  bestudeerde  hij  Plato  en  was  tegelijkertijd  een 
hartstochtelijk  toehoorder  bij  de  prediking  van  den  zuiveraar 
des  geloofs,  Savonarola.  Hij  heeft  op  rijpen  leeftijd  de  ver- 
ontwaardiging gekend  over  de  bandeloosheid  van  het  pause- 
lijke hof.  Zijn  ouderdom  werd  bestraald  door  de  mystische 
liefde  voor  Vittoria  Colonna  en  hij  genoot  toen  van  de 
hoog-geestelijke  gesprekken  met  mannen  die  het  alleen  aan 
de  onaantastbaarheid  van  hunne  plaats  in  de  maatschappij 
te  danken  hadden ,  dat  zij  door  de  inquisitie  niet  verontrust 
werden.  Zoo  kon  zijn  geschoolde  geest  het  tegenwicht  vormen 
voor  zijn  onstuimig  temperament.  De  sonnetten  waarin  hij 
gewoon  was  zijne  gedachten  neer  te  leggen,  geven  ons  het 
beeld  van  zijn  levensstrijd,  van  zijn  bijna  ziekelijk  ontvan- 
kelijk gemoed,  van  het  zich  geven  aan  anderen  en  het  zich 
weer  terugtrekken  in  geestelijke  afsluiting  en  verinnerlijking. 

Waar  de  mensch  op  den  kunstenaar  werkt,  wordt  bij 
Michel    Angelo    het   ondervondene   onmiddeiijk   door   zijn 


EN  VAN   REALISME  TOT  IDEALISME.  367 

godsdienstig  gevoel  opgeheven  tot  het  ideëele.  Zoo  spoedig 
hij  de  leerjaren  achter  zich  heeft  en  meester  is  van  zijn 
techniek,  zien  wij  hem,  in  den  tijd  dat  hij  schijnbaar  al 
zijn  aandacht  aan  de  studie  der  antieken  wijdt,  zijn  mar- 
meren Pietè  scheppen  (St.  Pieter  te  Rome),  de  meest  ver- 
hevene voorstelling  van  de  treurende  moedermaagd  die  er 
ooit  gemaakt  is. 

Onberispelijk  in  de  uitvoering,  zoowel  van  het  naakte  als 
van  het  gedrapeerde  figuur,  zooals  dat  van  een  gestudeerd 
ontleedkundige,  als  Michel  Angelo  was  te  verwachten,  treft  ons 
de  groep  door  het  ongewoon  indrukwekkende  van  de  nog  zoo 
jeugdige  Moedermaagd,  tegenover  het  betrekkelijk  kleine, 
lamentabele  lijk  van  den  Zoon.  Condivi ,  de  vriend  en  eerste 
biograaf  van  den  beeldhouwer,  vertelt  ons,  hoe  Michel 
Angelo  hem  de  uitlegging  had  gegeven,  dat  de  kuische 
vrouw  langer  de  schoonheid  harer  vormen  bewaart  dan  de 
vrouw  overgegeven  aan  zinnelijke  lusten;  hoeveel  te  meer 
moest  dit  dan  niet  het  geval  zijn  bij  de  vrouw ,  die  nimmer 
de  zinnelijkheid  gekend  had.  Zij  moest  altijd  in  de  reinheid 
en  in  de  kracht  van  de  jeugd  worden  voorgesteld.  De  zoon 
daarentegen,  die  de  zonden  van  de  menschheid  op  zich 
had  genomen,  was  bij  het  scheiden  uit  dit  leven  oud  van 
lichaam. 

Ook  zonder  het  verhaal  van  Condivi  te  kennen  treft  ons 
bij  het  aanschouwen  van  de  Piëta  de  krachtige  jeugd  van 
de  Maagd  en  zijn  wij  geneigd  er  de  idee  in  te  vinden  van 
de  eeuwig  jong  blijvende  natuur,  barende  het  vleeschge- 
worden  goddelijke  in  het  verenkelde,  den  mensch.  En  al 
moge  Michel  Angelo  het  zich  zoo  niet  geformuleerd  hebben, 
de  zelfde  idee  heeft  zich  toch  in  zijn  beeldhouwwerk  ver- 
zakelijkt. 

Een  niet  minder  diepe  gedachte  lezen  wij  in  de  voor- 
stelling van  de  schepping  van  Adam  aan  de  zoldering  der 

24 


368  DE   OVERGANG   VAN    „GOTHIEK"   TOT   „RENAISSANCE" 

Sixtijnsche  kapel.  Ligt  er  niet  in  de  overgegevenheid  van 
dat  gespierde  lichaam,  in  de  matheid  van  dien  blik,  iets 
van  de  loomheid  der  aan  zich  zelve  overgelatene  natuur, 
de  melancholie  van  door  den  geest  verlaten  te  worden, 
het  drukkende  voorgevoel  van  den  komenden  strijd,  eer 
natuur  en  geest  wederom  verzoend  zouden  worden?  Voor- 
zeker deze  kunstenaar,  die  oneindig  meer  dan  een  van  zijn 
voorgangers  in  de  geheimenissen  van  de  materieele  lichame- 
lijkheid was  doorgedrongen  en  ook  nooit  verzuimt  de 
vormenpracht  van  zijn  figuren  te  laten  spreken,  heeft  toch 
de  meest  immaterieele  kunst  geleverd  welke  zich  ooit  in 
dienst  van  de  Christelijke  kerk  heeft  gesteld.  Aan  het  uit- 
wendige van  den  eeredienst,  zooals  die  in  de  gothiek  en  de 
vroeg-renaissance  werd  verricht,  heeft  hij  nooit  geofferd; 
hij  had  daar  zelfs  een  hekel  aan.  Zijn  werken  zijn  daaren- 
tegen doordrongen  van  de  éénheid  der  Christelijke  idee, 
van  een  mystiek ,  welke  door  zijn  tijdgenooten  niet  begrepen 
werd  en ,  laat  ons  het  zeggen ,  misschien  eerst  door  de 
kritiek  van  den  laatsten  tijd  werd  ingezien. 

Men  kent  de  verontwaardiging  der  tijdgenooten  toen 
eindelijk  het  „laatste  oordeel"  in  de  Sixtijnsche  kapel  te 
zien  kwam.  Die  toornende  Christus,  voor  wien  de  Moeder- 
Maagd  zelfs  bang  schijnt  te  zijn,  aan  wien  de  martelaren, 
als  om  hem  tot  gestrengheid  aan  te  sporen,  hun  martel- 
werktuigen toonen,  was  te  schrikwekkend  zelfs  voor  die 
tijden  van  twijfelzucht. 

Een  brief  van  Vittoria  Colonna  aan  Michel-Angelo  geeft 
ons  den  sleutel  tot  het  geheim  van  des  kunstenaars  ge- 
dachten. Voor  hem  was  de  Christus  van  de  verzoening 
eerst  gekomen,  de  Zoon,  in  naam  des  Vaders  vrede  bren- 
gende voor  zondaren.  Ten  tweeden  male  komende,  zal  hij 
alleen  zijn  majesteit,  zijn  gerechtigheid,  zijn  macht  toonen. 
Michel-Angelo  was  met  vertwijfeling  vervuld  door  het  ver- 


EN  VAN   REALISME  TOT  IDEALISME.  369 

derf  van  zijn  tijd.  Hij  oordeelde  dat  de  liefderijke  Christus 
vergeefs  onder  de  menschen  geleefd  had;  men  had  zijne 
liefde  versmaad ,  er  was  nu  ook  geen  heil  meer  te  wachten , 
alleen  straf  en  eeuwige  verdoemenis. 

In  zijn  ongewijde  werken  scheen  hij  nog  onbegrijpelijker; 
de  uitleggingen  die  hij  er  zelf  aan  zijn  tijdgenooten  van 
gaf,  en  welke  ons  soms  als  lage  vleierij  toeschijnen,  moeten 
beschouwd  worden  als  ironische  uitingen  van  iemand  die 
rustig  aan  het  werk  gelaten  wil  worden  en  die  zijn  publiek 
te  laag  schat  om  in  zijn  gedachten  te  kunnen  komen.  Zeer 
wel  mogelijk  speelden  hem  verscheidene  denkbeelden  door 
het  hoofd  bij  het  scheppen  van  zijne  allegorische  figuren. 
Hij  is  zijn  geheele  leven  lang  gebukt  gegaan  onder  de  veel- 
heid van  aandoeningen  en  van  hartstochten,  waarvan  hij 
voelde  maar  al  te  zeer  slaaf  te  zijn;  zijn  gansche  leven  is 
een  strijd  geweest  tusschen  zijn  driften,  zijn  angsten  en 
zijne  geestelijkheid,  tusschen  zijn  godsdienstig  mysticisme 
en  zijne  wijsgeerige  overdenkingen. 

De  twee  slaven,  thans  in  het  Louvre  te  Parijs,  oorspron- 
kelijk bestemd  voor  het  praalgraf  van  Paus Julius  II,  drukken 
voor  ons  de  levensmoeheid  uit  en  de  oproerigheid  tegen 
het  noodlot,  maar  wie  zal  zeggen  wat  de  beeldhouwer 
zelf  er  eigenlijk  in  gezien  heeft? 

Over  de  grafbeelden  der  Medicikapel  te  Florence  zijn 
de  grootste  dwaasheden  gezegd  en  geschreven;  thans  komt 
als  de  meest  aannemelijke  verklaring  voor  die,  welke  het 
laatst  Steinmann  in  zijn  werk:  „Das  Geheimnis  der  Medi- 
ci-graber"  gegeven  heeft.  Wat  men  als  de  verpersoonlijking  van 
den  dag,  den  nacht,  den  avond  en  den  morgen  beschouwde, 
zou  met  meer  waarschijnlijkheid  eene  verpersoonlijking  van  de 
vier  temperamenten  zijn:  het  cholerische,  het  sanguinische, 
het  phlegmatische  en  het  melancholische.  De  levensidee 
zelve  wilde  Michel-Angelo  in  zijn  kunst  geven,  de  levens- 


370  DE  OVERGANG  VAN   „GOTHIEK"   TOT   „RENAISSANCE" 

idee,  die  voor  hem  één  was  met  de  aesthetische  idee: 

Come  dal  foco  '1  cald'  esser'  diviso, 
Non  puo,  dal  bell'  ettern'  ogni  mie  stima, 
Ch'exalta,  ond'  elia  vien',  chi  piu  '1  somiglia. 

Sonnet  92;  edit:  Frey. 

De  man  die  vol  van  de  godsdienstigheid  en  de  wijsheid 
van  zijn  tijd  was,  zal  zelf  niet  altijd  geweten  hebben  wat  hij 
wilde  in  zijn  kunst;  hij  wilde  de  schoonheid  die  niet  deze 
of  gene  gedachte  in  het  bijzonder  uitdrukte,  hij  wilde 
de  schoonheid  waarin  de  veeleenigheid  van  de  idee  scheen. 
Als  kunstenaar  heeft  hij  zich  in  de  schilderkunst,  welke  van 
alle  beeldende  kunsten  het  meest  de  gedachte  benadert, 
dan  ook  het  minst  in  zijn  element  gevoeld;  aan  de  beeld- 
houwkunst, waarbij  hij  voor  goed  afzag  van  de  polychromie, 
heeft  hij  de  voorkeur  gegeven.  Voor  hem  stond  het  onge- 
polychromeerde  beeld  verder  van  de  realiteit  dan  het  schil- 
derij, ook  dan  het  bas-relief,  dat  hij  na  zijn  leerlingtijd 
nagenoeg  nooit  meer  beoefend  heeft. 

En  bij  het  stijgen  der  jaren,  toen  Michel  Angelo  meer 
en  meer  zich  vergeestelijkte  en,  kunstenaar  blijvende,  toch 
de  categorie  van  de  kunst  wilde  overschrijden,  werd  hem 
ook  het  beeld  een  nog  te  sterke  band  met  de  natuurlijkheid 
en  bepaalde  hij  zich  tot  de  beoefening  der  bouwkunst  in 
den  dienst  van  het  goddelijke. 

Wij  denken  ons  aan  de  bouwkunst,  de  beeldhouwkunst 
en  de  schilderkunst,  in  de  verhouding  van  potentialiteit, 
realiteit  en  idealiteit,  opklimmende  graden  van  geestelijkheid 
en  van  ingewikkeldheid  in  de  openbaring  der  aesthetische 
idee.  Historizeerend,  merken  wij  ook  op,  dat,  in  de  verschil- 
lende tijdperken  van  beschaving,  de  bouwkunst  zich  het  eerst, 
vervolgens  de  beeldhouwkunst  en  de  schilderkunst  zich  het 
laatst  heeft  ontwikkeld ,  en  nu  is  het  voorzeker  merkwaardig 


EN  VAN  REALISME  TOT  IDEALISME.  371 

dat  de  persoon  in  wien  de  aesthetische  idee  in  de  hoogste 
mate  werkzaam  is  geweest,  zich  slechts  door  nood  ge- 
dwongen in  de  schilderlcunst  heeft  bewogen,  in  het  marmeren 
beeld  zijn  schoonste  gedachten  heeft  gegeven  en  eindelijk, 
toen  hij  neiging  had  tot  eene  hoogere  categorie  over  te  gaan, 
zich  aan  de  bouwkunst  wijdde.  Zoo  keerde  de  mensch,  in 
zijn  streven  naar  zuiverder  geestelijkheid,  in  zijn  verlangen 
de  categorie  der  kunst  te  overschrijden,  naar  haar  vorm  van 
onontwikkeldheid  terug.  De  zich  verkeerende  aesthetische 
idee  zocht  zich  eerst  nog  te  spiegelen  in  plastische  vormen, 
zoo  veel  mogelijk  vrij  van  gelijkenis  met  zakelijkheden,  maar 
daarna  in  laatsten  aanleg,  in  de  wiskundige  vragen,  welke 
de  bouw  van  het  koepelgewelf  meebrengt. 

Ne  pinger,  ne  scolpir  fie  piu  che  quieti 

L'anima,  volta  a  quell'amor  divino 
C'aperse  a  prender  noi  'n  croce  Ie  braccia. 

(Edit.  Frey.  Sonnet  147). 
De   aesthetische  idee  verkeerde  zich   in  Michel  Angelo; 
het   duurt   lang   eer    wederom   een   idealistisch  kunstwerk 
voortgebracht  wordt. 


BOEKBESPREKING. 


H.  van  Treslong,  Civitas.  Een  inleiding  tot  de  philo- 
sophie  der  gemeenschap  II  Dln.  (Rotterdam  1906). 

Aan  het  einde  van  zijn  droomgezicht  verrees  voor  Johannes 
den  Ziener,  bijgenaamd  den  Theoloog,  —  nadat  de  eerste 
hemel  en  de  eerste  aarde  vaaren  voorbijgegaan  —  een  nieuwe 
stad...,  de  heilige  stad,  met  muren  van  jaspis,  met  poorten 
van  paarlen ,  met  straten  van  goud ,  niet  door  zon  of  maan  ver- 
Ucht  maar  door  de  heerlijl<heid  Gods.  Augustinus  beschreef  het 
koningrijk  der  hemelen  als  de  Civitas  Dei;  en  zoo  heeft  ontel- 
bare malen  het  begrip  „Staat"  dienst  gedaan  als  zinnebeeld 
voor  een  verheven  voorstelling  van  menschelijk  samenleven. 

De  Heer  H.  van  Treslong  nu  heeft  de  Gemeenschap  (Societas) 
waarvan  die  Staat  (Civitas)  steeds  het  geijkte  zinnebeeld  is  ge- 
weest, zich  voorgesteld  als  de  oorzaak  en  de  voorwaarde  van 
de  hoogste  geestontwikkeling,  en  die  gemeenschap  zelve, 
„Civitas"  genoemd.  Hij  heeft  daardoor  eerstens  een  fout  ge- 
maakt tegen  den  welstand,  door  een  boek  dat  in 't  Nederlandsch 
geschreven  is  met  een  opschrift  uit  den  vreemde  op  te  smukken ; 
een  eerzame  Germaansche  te  tooien  met  een  Romaansche  kap; 
maar  tevens,  zooals  het  daarbij  meestal  gaat,  het  verkeerde 
woord  gekozen.  Civitas  zonder  meer  beteekent  de  burgerlijke 
gemeenschap  en  wat  de  Heer  van  Treslong  bedoelt,  gaat  ver 
daarboven  uit. 

Dit  boek  is  een  wonderboek.  Het  eerste  deel,  genaamd  de 
wetten  van  het  gemeenschapsleven  is  eigenlijk  meer  en  hoofdzake- 
lijk een  beschrijving  van  de  ontwikkeling  der  gemeenschap  van 
uit  de  schemering  der  zelfbewustheid,  een  zielkundige  wordings- 
leer, terugkeerende  zelfs  tot  voorhistorische  tijden,  —  avant  Ia 


BOEKBESPREKING.  373 

naissance  du  monde  zou  Racine  zeggen,  —  gedragen  door  de 
thans  alom  en  door  een  ieder  als  gangbaar  erkende  (katholieke) 
ontwikkelingsleer. 

Uit  het  natuurleven,  uit  de  natuurdrift  ontwikkelt  zich  ge- 
voel, gewaarwording,  wil,  en  deze  wil,  eerst  individueel,  ver- 
vloeit later  in  een  groepenwil  en  den  gemeenschapswil,  de 
wereldmacht  waaruit  dan  ten  slotte  onze  geheele  beschaving  te 
verklaren  is.  Le  milieu! 

Het  Darwinisme  wordt,  al  is  het  dan  ook  niet  in  al  zijn  bij- 
zonderheden toch  gereedelijk  aanvaard ,  inzooverre  de  bestaans- 
strijd  als  verklaring  wordt  aangenomen  van  de  vooronderstelde 
ontwikkeling;  de  zoogenaamde  variabiliteit  wordt  echter  niet 
voldoende  geacht  en  daarom  more  majorum  aangenomen  dat 
de  natuur  nu  en  dan  sprongen  maakt  om  daardoor  het  ontstaan 
van  nieuwe  soorten  te  verklaren. 

„De  menschenrasse/z  zijn  waarschijnlijk  voortgekomen  uit  de 
mutatie  van  eene  moedersoort".  Die  rassen  hielden  zich  eerst 
standvastig  bijeen ,  maar  ook  daarin  komt  ten  slotte  verandering 
en  wel  door  de  geestelijke  heerschappij.  De  „intellectueele" 
leider  treedt  op  den  voorgrond  en  zoo  ontstaat  eindelijk  onze 
samenleving. 

Deze  laatste  echter  als  gegrond  op  de  idee  van  het  „privaat 
eigendom"  (zoo  staat  er)  „den  eenigen  verderver  van  den 
menschengeest"  kan  geen  stand  houden  en  zal  onherroepelijk 
moeten  plaats  maken  voor  eene  geheele  andere  gemeenschap, 
het  rijk  der  vrijheid,  het  rijk  der  eenige  ware  liefde,  het  koningrijk 
Gods  (Civitas  Dei). 


Het  tweede  deel  heet,  wonderlijk  genoeg,  de  metaphysica  der 
gemeenschap.  De  geleerde  schrijver  bedoelt  met  metaphysica 
een  samenvatting  van  de  uitkomsten  aller  wetenschappen  tot 
een  algemeene  wijsbegeerte,  In  hoeverre  deze  nu,  wat  men  toch 
zou  veronderstellen,  verschilt  van  hetgeen  de  schrijver  in  zijn 
hoofdtitel  philosophie  noemt,  heb  ik  niet  vermogen  te  ontdekken. 
Moest  ook  hier  volstrekt  een  vreemde  vlag  geheschen  worden 
dan  zou  m.  i.  het  woord  apocalypse  verkieselijker  geweest  zijn. 

Eerst  wordt  beschreven  de  ellende  der  „illusies"  waaraan  de 
menschengeest  zich  overgeeft;  dan  de  banden  waarmede  de  ge- 


374  BOEKBESPREKING. 

meenschap  dien  menschengeest  kluistert:  de  idealen,  het  geloof, 
en  de  Rechte  und  Gesetze  die  zich  onwillekeurig  vastzetten  in 
de  gemeenschap  en  daarin,  zooals  Goethe  zegt,  voortwoekeren 
als  erfelijke  ziekten. 

Schoonheid,  deugd,  ja  zelfs  de  denkwetten  worden  uit  de 
gemeenschap  als  vormen  van  geestesleven  verklaard,  maar  met 
nadruk  alle  rationalisme  veroordeeld  dat  als  dogma  of  stelsel 
op  grond  van  de  katholiciteit  der  oordeelen  zich  zou  willen 
vermeten  een  afgeronde  wereldbeschouwing  in  begrippen  vast 
te  leggen.  Daartegenover  dreigt  nu  wel  van  den  anderen  kant  het 
schrikbeeld  van  het  Solipsisme.  Doch  ook  dit  wordt  door  den 
schrijver  met  beslistheid  als  ongerechtvaardigd  en  ongegrond 
afgewezen. 

Het  gevoelsleven  moet  wezen  de  drijfkracht  der  gemeenschap, 
doch  niet  het  gevoelsleven  van  den  enkeling,  maar  van  dèn 
mensch  als  „de  gesynthetiseerde  eenheid  van  menschelijk  leven 
op  aarde".  Die  mensch ,  eigenlijk  „de  ziel  der  Aarde"  leert  alle 
individualiteit  verloochenen,  leeft  geheel  het  aardleven  mee, 
ja  tracht  zich  zelfs  daarboven  te  verheffen  en  zoodoende  te 
komen  tot  een  samenleving  met  het  Heelal.  Het  is  de  verschij- 
ning van  den  Aardgeest  die  zich  eindelijk  volkomen  aan  ons 
heeft  geopenbaard. 

De  godstempel  is  verrezen  en  geworden  tot  een  „van  liefde 
en  van  licht  stralende  stad". 

Maar  is  zoo  eenmaal  het  hoogtepunt  der  ontwikkeling  op 
onze  planeet  bereikt,  dan  zal,  evenals  al  het  bijzondere  dat  wij 
als  sterfelijk  moeten  erkennen,  ook  dit  ideale  leven  te  gronde 
gaauv  om  weldra  op  andere  wereldplekken  weder  te  ontkiemen 
en  heerlijker  nog  op  te  bloeien. 


Den  rijkdom  van  gedachten  in  dit  boek  opgesloten  en  het 
dichterlijke,  men  kan  bijna  zeggen  het  profetische  dat  hier  als 
een  lichte  maar  doorzichtige  sluier  over  elke  uitdrukking  en 
eiken  gedachtengroep  ligt  uitgespreid,  dat  alles  in  een  aankon- 
diging ook  slechts  bij  benadering  aan  te  geven ,  schijnt  onmogelijk. 
Het  zij  slechts  vermeld. 

Dit  boek  had  in  versmaat  geschreven  kunnen  worden,  deze 
„Inleiding"    zou    een    „Voorzang"    kunnen    worden   genoemd. 


BOEKBESPREKING.  375 

De  Heer  van  Treslong  heeft  velen  en  veel  te  denken  gegeven 
en  een  meesterstuk  geleverd  op  het  gebied  dat  ik  voor  mij  in 
stilte  altijd  gewoon  ben  als  de  romantische  wijsbegeerte  te  be- 
schouwen, de  tweelingzuster  der  moderne  biologie. 

Het  einde  van  dit  merkwaardige  boek  is  een  verklarende 
woordenlijst. 

Er  is  een  tijd  geweest  en  is  nog  dat  men  zich  zeer  weinig 
om  omschrijving  van  begrippen  bekommerde.  Zulk  een  verzuim 
wreekt  zich  natuurlijk  het  meest  op  een  gebied  dat  zich  hoofd- 
zakelijk om  begrippen  beweegt:  geen  wonder  dat  aldaar  een 
Babylonische  spraakverwarring  is  ontstaan.  Niet  alleen  in  over- 
drachtelijken,  ook  in  letterlijken  zin.  Gemakshalve  toch  nam 
men  alle  bijzondere  begrippen  nauwelijks  en  in  hun  vreemde 
kleedij  van  de  groote  denkers  over.  Ook  onze  schrijver  heeft 
dit  voorbeeld  gevolgd  en  zoodoende  zijn  de  meeste  zijner  be- 
grippen in  een  zeker  Koeterwaalsch  dat  voor  Latijn  doorgaat 
gekleed,  waardoor  de  lezing  en  het  begrip  van  zijn  boek  niet 
weinig  geschaad  is.  Zelf  heeft  hij  dit  gevoeld  en  daarom  aan 
het   einde   een   verklaring    dier  bastaardwoorden  gegeven. 

Wij  danken  hem  daarvoor  maar  zijn  slechts  ten  halve  voldaan. 

Wij  hopen  veeleer  dat  hij  zich  ten  heele  bekeeren  zal  en  in 
den  vervolge  öf  Nederlandsch  öf  Engelsch  óf  Latijn  zal  gaan 
schrijven  —  immers  de  wijsbegeerte  heeft  geen  vaderland  en 
dus  ook  geen  eigen  taal,  —  maar  altijd  in  ééne  taal  tegelijk 
en  niet  in  alle,  gedachtig  aan  hetgeen  daarover  op  den  eersten 
Pinksterdag  en  later  nog  door  Paulus  in  zijne  brieven  aan  de 
Corinthiërs  is  gezegd.  Dan  eerst  zal  zijn  gedachtengang  ook 
voor  de  groote  menigte  toegankelijk  worden  en  hij  zelf  niet 
meer  zooals  nu  telkenmaal  onnoodig  in  zijn  woorden  verstrikt 
geraken  of  struikelen  op  zijn  pad.  Tot  proef  zou  ik  hem  willen 
aanraden  eens  een  paar  woorden  als  „milieu"  en  „motivatie" 
overal  in  den  tekst  door  hun  HoUandsche  uitdrukking  te  vervan- 
gen. Het  zal  iemand  die  zoo  gemakkelijk  als  deze  schrijver  met 
onze  taal  weet  om  te  gaan  en  waar  het  pas  geeft  nieuwe 
woorden  zelfs  geestig  weet  te  verdichten,  met  eenigen  goeden 
wil  niet  lastig  vallen  in  dit  opzicht  een  groote  verbetering  aan 
te  brengen  door  ongewenschte  uitlanders  over  de  grenzen 
te  zetten.  M. 


376  BOEKBESPREKING. 

Dr.  Harald  Höffding,  Lehrbuch  der  Gescliichte  der  neueren 
Philosophie.  (Leipzig.  Reisland  1907). 

Höffding's  opvatting  van  hetgeen  een  leerboek  van  de  geschie- 
denis der  wijsbegeerte  moet  inhouden,  is  anders  dan  de  opvat- 
ting van  bijv.  Falciienberg's  bekend  boek.  Voor  H.  is  de  geschie- 
denis der  wijsbegeerte  een  gedeelte  van  de  geschiedenis  der 
kuituur,  voor  F.  een  geschiedenis  van  het  denken.  Ziehier  zoowel 
hetgeen  H's  boek  voor-  als  wat  het  tegen  heeft.  Hier  wordt  niet 
een  geschiedenis  der  systemen  gegeven,  waarbij  stuk  voor  stuk 
de  denkers  hun  behandeling  verkrijgen ,  maar  bewegingen  worden 
gekarakteriseerd.  Voor  een  leerboek  heeft  dit  groote  aantrekke- 
lijkheid; een  minder  omvangrijke  behandeling  is  mogelijk  zonder 
dat  de  schrijver  oppervlakkig  wordt.  Het  boek  van  H.  is  dan 
ook  veel  minder  vol  en  minder  schoolmatig  en  de  geheele  behan- 
deling is  lichter  en  enkelvoudiger  dan  die  van  Falckenberg's 
boek.  Het  komt  er  hoofdzakelijk  op  aan  de  grondgedachten 
eener  filosofie  aan  te  wijzen  als  teekenen  van  de  stroomingen 
des  tijds. 

Het  werk  van  H.  is  in  negen  boeken  verdeeld.  Uit  de  titels 
van  het  eerste  boek  blijkt  al  aanstonds  de  behandeling.  Hier 
wordt  „die  Philosophie  der  Renaissance"  besproken  (niet  gelijk 
bij  F.  van  Nic.  Cusanus  uitgegaan)  in  drie  Hoofdstukken:  „die 
Entdeckung  des  natürlichen  Menschen";  „das  neue  Weltbiid"; 
„die  neue  Wissenschaft".  In  het  zesde  boek  („die  Philosophie 
der  Romantik")  wordt  de  Duitsche  spekulatie  behandeld,  over- 
eenkomstig den  aard  van  het  boek  zeer  in  't  kort,  terwijl  ook 
het  wijsgeerig  gedachtenleven  der  laatste  tijden  (Positivismus; 
neue  Bearbeitungen  des  Daseinsproblems  auf  realistischer  Grund- 
lage;  neue  Bearbeitungen  der  Probleme  der  Erkenntnis  und  der 
Wertung)  een  al  te  samengedrongen  bespreking  ontvangt.  Het 
blijkt  dat  de  methode  der  geschiedschrijving  van  de  filosofie  als 
geschiedenis  der  kuituur,  slechts  ten  deele  aan  de  wijsbegeerte 
recht  doet.  Maar  voor  een  boek  dat  kort  wil  zijn  en  noch  opper- 
vlakkig noch  schematisch  zal  uitvallen,  is  zij  misschien  de 
eenig-mogelijke. B.  de  H. 

C.  S.  Adama  van  Scheltema.  Levende  Steden:  Amster- 
dam, een  wijsgeerig  leerdicht.  Uitgaaf  van  W.  L.  &  J. 
Brusse,  Rotterdam. 
In  dit  gedicht  wordt  de  uitspraak  bevestigd,  dat  de  literaere 


BOEKBESPREKING.  377 

beweging,  die  in  '80  ontstond,  richting  heeft  genomen  naar  het 
beschouwelijke.  Het  woord  is  hier  niet  slechts  beeldend ,  hoewel 
het  aan  beeldend  vermogen  niets  heeft  ingeboet.  Er  is  in  de 
beschouwelijke  eindstrofen  der  zangen  het  geluid  eener  kalmte 
waarin  de  gedachte  de  zinlijkheid  heeft  oveewonnen. 

Wijsgeerig  noemt  zich  dit  leerdicht,  niet  omdat  het  de  dich- 
terlijke vertolking  van  een  wijsgeerig  stelsel  geeft,  maar  om  de 
kontemplatieve  wending  welke  in  elk  der  zangen,  waaruit  dit 
gedicht  bestaat,  genomen  wordt.  De  gedachte  welke  de  tafereelen 
van  „Amsterdam"  verbindt  is:  dat  een  dichter,  die  met  zichzelf 
in  onrust  kwam,  in  een  leven  met  het  geheel  voor  oogen  zijn 
evenwicht  hervindt.  B.  d.  H. 


Dr.  C.  J.  Wijnaendts  Francken,  David  Hume  (Haarlem 
Tjeenk  Willink  &  Zoon). 

Hume  volgt,  zooals  we  dat  van  een  rechtgeaard  ervarings- 
wijsgeer mogen  verv^^achten ,  een  „miscellaneouswayof  reasoning". 

Deze  denkwijze  (methode),  hoe  gemakkelijk  ook  voor  den 
schrijver,  is  niet  weinig  geschikt  om  hem  zelf  en  anderen  het 
spoor  bijster  te  maken. 

Meestal  kenmerkt  zij  den  ongeschoolden  denker,  hetgeen 
Hume  dan  ook  inderdaad  was. 

Nu  is  het  zeer  moeielijk  zich  van  den  gedachtengang  van 
zulk  een  denker  behoorlijk  rekenschap  te  geven ;  nog  moeielijker 
daarvan  „reeckeninghe  te  doen". 

Dr.  Wijnaendts  Francken  heeft  dit  beproefd  en  is  er  voor- 
zoover wij  oordeelen  kunnen  niet  onverdienstelijk  in  geslaagd. 
Hij  had  zich  voorgenomen  's  mans  denkbeelden  volkomen  zakelijk 
(objectief)  den  lezer  mede  te  deelen,  zijn  eigen  meening  daar- 
over verzwijgende. 

En  ofschoon  hij  zich  nu  niet  altijd  volkomen  streng  aan  dezen 
opzet  gehouden  heeft,  is  hij  er  in  geslaagd  onder  enkele  los- 
of  niet  samenhangende  opschriften  de  hoofddenkbeelden  van 
onzen  schrijver  samen  te  vatten.  De  stijl  is  los  en  vlot,  zooals 
wij  dat  van  dezen  letterkundige  gewoon  zijn ;  ons  schijnt  Hume's 
beeld  in  dit  boek  met  zorg  te  zijn  geschetst. 

De  slotsom  waartoe  wij  komen  na  Hume's  bespiegelingen  te 
hebben  gelezen,   is   die   waartoe  elke  twijfelaar  ons  leidt:  de 


378  BOEKBESPREKING. 

denker  is  het  met  zichzelf  niet  eens,  sibi  non  constat.  GevaarHjk 
zijn  zulke  overdenkingen  dan  ook  niet,  daar  het  onsamenhan- 
gende daarvan  den  lezer  aanstonds  in  het  oog  springt.  Het  boek 
zal  overigens  zijnen  weg  gemakkelijk  vinden,  daar  het  nauw 
verwant  is  met  den  geest  van  onzen  tijd. 

Francken  kenschetst  Hume  als  den  vader  van  het  „positivistisch 
agnosticisme".  M. 


VEREENIGINGEN  VOOR  WIJSBEGEERTE. 


Aan  welke  behoeften  moeten  Vereenigingen  voor  Wijsbegeerte 
voldoen? 

Welke  is  haar  reden  van  bestaan? 

Deze  beide  vragen  willen  we  trachten  te  beantwoorden. 

Als  algemeen  erkende  waarheden  mogen  wel  vooropgesteld 
worden  dat  de  mensch  denkt  en  in  zich  voelt  den  drang  om 
zijn  bestaan  te  handhaven,  een  natuurdrift  eigen  aan  al  wat 
leeft.  Uit  deze  twee  beginselen  volgt  van  zelf  dat  elk  mensch 
die  mondig  of  zich  bewust  wordt,  er  over  nadenkt  hoe  hij  zijn 
bestaan  op  de  beste  wijze  zal  hebben  in  te  richten,  m.  a.  w. 
een  modus  vivendi  voor  zich  zelven  zoekt. 

Zulk  een  levensrichting  nu  is  de  levenswijsheid  die  allen 
zich  als  denkende  menschen  hebben  eigen  te  maken,  wil  men 
niet  met  eiken  wind  van  leering  stroomeloos  rondzwalken  op 
de  levenszee  als  schepen  zonder  roer  of  zeilen  op  het  kompas 
van  den  eersten  welken  men  ontmoet,  die  zoo  dikwerf  achteraf 
blijkt  juist  niet  altijd  de  beste  te  zijn. 

Zulk  een  levenswijsheid  of  Ethica,  door  Coornhert:  Wellevens- 
conste  geheeten ,  is  een  behoefte  voor  elkeen.  Meer  dan  eenige 
andere  kunst  of  wetenschap  komt  het  voor  ons  op  die  conste 
aan  en  steeds  blijft  nog  als  waar  erkend,  dat  qui  proficit  in 
artibus  sed  deficit  in  moribus  plus  deficit  quam  proficit. 

Nu  was  de  levensbeschouwing  der  volkeren  van  Europa  tot 
op  het  einde  der  18de  eeuw  vrij  wel  eenvormig  en  algemeen 
(catjjoliek).    Zij   hing  te  zamen,  ten  nauwste  zamen  met  het 


380  VEREENIGINGEN   VOOR   WIJSBEGEERTE. 

Christelijk  geloof  dat  onze  geheele  maatschappij  had  door- 
drongen, evenals  de  samenleving  van  het  Oosten  door  het 
Mohammedanisme,  die  van  Azië  door  het  Boeddhisme  be- 
heerscht  werd. 

Na  1800  is  daarin  evenwel  groote  verandering  gekomen.  Toen 
zijn  velen  van  de  leer  der  vaderen  afgeweken,  omdat  de  daar- 
mee onafscheidelijk  samenhangende  levensbeschouwing  hun  niet 
meer  voldeed;  anderen  trachten  zoo  goed  en  zoo  kwaad  als 
het  ging  de  oude  leer  met  de  nieuwere  denkbeelden  te  verzoe- 
nen; een  derde  groep  eindelijk  predikte  volstrekte  onzijdigheid 
en  meende  het  wel  zonder  beginselen  te  kunnen  stellen,  door 
hen  meestal  smalend  dogmata  genoemd. 

De  laatst  gemelde  groep  kreeg  aanvankelijk  de  leiding  in 
handen.  Deze  richting,  in  Holland  de  „vrijzinnige"  genoemd, 
kende  aan  iedere  meening  „als  zoodanig"  gelijke  waarde  toe, 
liet  ieder  denken  zooals  hij  verkoos,  en  voerde  langs  dezen 
weg  tot  een  grenzenlooze  laatdunkendheid,  zelfgenoegzaamheid 
en  bandeloosheid  op  het  gebied  der  gedachte  zoowel  als  in  de 
republiek  der  letteren. 

De  gevolgen  daarvan  bleven  niet  uit,  —  de  reeks  der  ge- 
beurtenissen schaart  zich  altijd  onherroepelijk  en  noodwendig 
naast  de  reeks  der  ideeën,  zooals  Spinoza  leert  —  en  deze 
gevolgen  schenen  velen  in  den  lande  zoo  onheilspellend  voor 
het  huiselijk  en  maatschappelijk,  voor  het  gemoeds-,gezins-en 
staatsieven,  dat  de  volksmeening  het  laten-varen,  varen  liet 
en  omzag  naar  een  nieuwen  maar  bepaalden  koers. 

Een  gedeelte  der  vrijzinnigen  keerde  twijfelsmoede  tot  de 
leer  der  vaderen  terug;  een  ander  gedeelte  echter,  vastbesloten 
de  oude  wereldbeschouwing  prijs  te  geven  ziet  thans  ver- 
langend naar  nieuwe  beginselen  uit,  om  de  oude  te  vervangen. 
Doch,  eenmaal  ingezien  hebbende,  hoe  onberaden,  vruchteloos 
en  noodlottig  het  is,  in  deze  zaak  van  gewicht  bij  Jan  en 
Alleman  ter  schole  te  gaan,  (psychologie  b.v.  te  studeeren  in 
Fransche  romans  en  levenswijsheid  bij  Jan  Steen  en  dergelijke) 
slaat  men  thans  den  weg  in  dien  men  gewoon  is  op  elk  ander 
gebied  te  volgen,  en  wenscht  men  kennis  te  maken  met  de 
denkbeelden  van  hen  die  op  dit  gebied  hebben  uitgemunt  of 
nog  uitmunten,  waarmede  hier  natuurlijk  de  wijsgeeren  worden 
bedoeld. 


VEREENIGINGEN  VOOR  WIJSBEGEERTE.  381 

De  zoogenaamde  onzijdigheid  is  zelfbedrog  gebleken.  Een 
verstandig  mensch,  hij  moge  handelen  op  gezag  van  een  ander 
in  wien  hij  vertrouwen  stelt,  dan  wel  krachtens  zelf  gevormde 
overtuiging  —  gaat  naar  beginselen  te  werk,  leeft  niet  op  goed 
geluk  of  op  hoop  van  zegen. 

De  la  doctrine  il  en  faut,  heeft  Ds.  Chavannes  eens  gezegd 
en  dat  woord  is  waar  gebleken.  Maar  daarbij  herinnere  men 
zich  tevens,  dat  pour  savoir  quelque  chose  il  faut  l'avoirappris; 
en  daarvoor  is  het  dat  de  Vereenigingen  voor  Wijsbegeerte  de 
gelegenheid  willen  openstellen. 

Zij  willen  leerstoelen  voor  Hooger  Volksonderwijs  zijn.  En 
als  wij  nu  soms  jaren  studeeren  voor  ons  maatschappelijk  be- 
roep, ja  wellicht  jaren  levens  wijden  aan  een  of  andere  lief- 
hebberij of  spel,  zouden  er  dan  niet  enkele  uren  kunnen 
overschieten  voor  de  studie  der  Wijsbegeerte  die  ons  de 
Wellevensconste  leeren  kan? 

Uit  het  voorgaande  volgt  onmiddellijk  dat  een  Vereeniging 
voor  Wijsbegeerte  voor  zeer  verschillende  geesten  van  belang 
kan  zijn  en  nuttig  werken  kan. 

De  rechtgeloovige  heeft  in  den  strikten  zin  van  het  woord 
aan  haar  geen  behoefte.  Toch  treft  men  ook  onder  hen  wien 
op  bovennatuurlijke  wijze  de  waarheid  is  geopenbaard,  nog 
altijd  velen  aan,  die  er  naar  streven  om  datgeen  wat  zij  ge- 
looven  wijsgeerig  te  kunnen  rechtvaardigen,  evenals  dit  de 
Gnostiek  deed  in  den  ouden  tijd,  de  Scholastieken  in  de 
Middeneeuwen,  de  moderne  theologie  in  de  tweede  helft  der 
vorige  eeuw  en  in  onzen  tijd  zelfs  verscheidene  orthodoxen. 
Ook  voor  hen  heeft  zulk  een  Vereeniging  dus  zekere  beteekenis 
en  waarde. 

Maar  bovenal  moet  hij  voldoen  aan  het  verlangen  van 
hen,  wien  het  alleen  om  redelijke  overtuiging  te  doen  is, 
van  dezulken  die  Dr.  Kuiper  „heidengenooten"  of  paganisten 
zou  noemen. 

Van  welke  ontwikkeling  hun  kennis  op  ander  gebied  ook 
zij,  hoe  breed  ook  of  bekrompen,  zonder  onderscheid  moeten 
zij  zich  vrienden  der  wijsbegeerte  betoonen;  immers,  geen 
kennis  is  zoo  uitgebreid  dat  zij  bevrediging  kan  schenken 
bij   gemis  aan  levenswijsheid,  geen  ontwikkeling  zoo  gering, 


382  VEREENIGINGEN  VOOR  WIJSBEGEERTE. 

dat    zij    het    stellen    kan   zonder  de  wetenschap   des  levens. 

Met  het  oog  op  deze  groote  verscheidenheid  van  geesten 
zal  dus  aan  de  Vereenigingen  voor  Wijsbegeerte  de  hooge 
eisch  moeten  w^orden  gesteld ,  te  spreken  in  algemeen  verstaan- 
bare bewoordingen  en  met  zorgvuldige  vermijding  van  alle 
kunstwoorden ;  en  zal  zij,  kan  het  zijn,  de  gouden  appelen  der 
wijsheid  hebben  aan  te  bieden  in  de  zilveren  schalen  der  wel- 
sprekendheid;  juist  omdat  zij  krachtens  haar  algemeen  men- 
schelijk   beginsel   en  doel,  evenals  Johannes  de  Deo  niemand 

mag  uitsluiten  noch  uitsluit,  dan  die  zich  zelven  uitsluit 

omdat  hij  alles  weet,  omdat  hij  't  alleen  weet. 

Ligt  dit  nu  in  den  aard  der  Vereeniging  dan  laat  zich  verder 
gemakkelijk  begrijpen  waarover  zij  ons  hoofdzakelijk  hebben 
in  te  lichten.  Zij  moet  trachten  ons  den  aard  der  dingen  om 
ons  heen  en  den  aard  onzer  kennis  daarvan  duidelijk  te  maken, 
om  vervolgens  door  te  dringen  tot  de  kennis  van  ons  eigen 
bewustzijn,  terwijl  aan  het  antwoord  op  deze  leerstellige  (theoreti- 
sche) vraagstukken  dan  ten  slotte  de  beginselen  moeten  worden 
ontleend  die  ons  zullen  leiden  tot  de  waardeeringsleer  of  toe- 
gepaste wijsbegeerte,  welke  ons  de  waarde  der  dingen  en  der 
begrippen  doet  kennen  en  zich  splitst  in  Levensleer  en  Gevoels- 
leer,  (Ethiek  en  Aesthetiek),  waaronder  's  menschen  geheele 
maatschappelijk  en  gemoedsleven  te  begrijpen  valt. 

Aan  een  dergelijke  Wereldbeschouwing  en  Levensrichting  is 
thans  in  Nederland  behoefte. 

Ons  land  is  nimmer  een  wijsgeerig  land  geweest.  Integendeel. 
Al  is  op  onzen  bodem  toevallig  de  nieuwere  wijsbegeerte  ont- 
kiemd, dit  is  alleen  te  danken  geweest  aan  een  bijkomstige 
omstandigheid,  de  gewetensvrijheid  namelijk  die  onder  Frederik 
Hendrik  en  Joan  de  Witt  hier  te  lande  geheerscht  heeft  en 
destijds  nergens  ter  wereld  dan  alleen  hier  was  te  vinden; 
geenszins  aan  het  vriendschappelijk  onthaal  dat  haar  door  ons 
volk  werd  bereid.  Zoolang  de  kerk  oppermachtig  of  beter  gezegd : 
het  geloof  overheerschend  was,  had  men  de  wijsbegeerte  niet 
van  noode;  versmaadde,  wantrouwde  en  veroordeelde  men  haar 
veeleer  (zie  Col.  2  vs.  8). 

Maar  Nederland  is  tevens  altijd  een  ernstig  land  geweest.  Dat 
bewijzen  de  heldendaden  van  den  80  jarigen  krijg,  dat  bewijzen  de 


VEREENIGINGEN   VOOR  WIJSBEGEERTE.  383 

getuigenissen  der  geloovigen  in  onze  martelaarsboeken  opgetee- 
kend.  En  daarom,  nu  de  kerk  blijkbaar  niet  aller  leidsvrouw 
meer  kan  zijn,  daarom  wendt  zich  de  volksgeest  thans  met 
aandrang  tot  de  philosophie. 

Of  wij  het  willen  erkennen  of  niet,  wij  staan  voor  de  anti- 
these. Aanvaarden  wij  haar! 

W.  Meijer. 


Vereeniging  voor  Wijsbegeerte  te  's-Qravenhage. 

In  den  afgeloopen  winter  zijn  de  volgende  spreekbeurten 
gehouden : 

14  Maart,  Dr.  C.  J.  Wijnaendts  Francken:  David  Hume. 

21  Maart,  Dr.  J.  D.  Bierens  de  Haan:  De  eenheid  des  Geestes 
in  het  moreel,  aesthetisch  en  religieus  bewustzijn. 

4  April,  Dr.  W.  G.  C.  Bijvanck:  De  vernieuwing  van  het 
Geestesleven  naar  aanleiding  eener  passage  van  Goethe's  Faust. 


ONTVANGEN  BOEKEN. 


Dr.  C.  J.  Wijnaendts  Francken:  David  Hume  (Haarlem  H.  D. 
Tjeenk  Willink  en  Zoon). 

Dr.  C.  J.  Wijnaendts  Francken: 'Sociale  Vertoogen  (Ibid). 

H.  van  Treslong:  Civitas.  Een  inleiding  tot  Philosophie  der 
gemeenschap  II  Dln.  (Rotterdam). 

Dr.  Harald  Höffding:  Lehrbuch  der  Geschichte  d.  neueren 
Philosophie  (Leipzig  Reisland). 

Dr.  Louis  A.  Baehler:  Het  Christendom  (Uitgeversvereeniging 
Vrede ,  's  Gravenhage). 

C.  S.  Adama  van  Scheltema :  Levende  Steden  3  Dln.  Amsterdam, 
een  wijsgeerig  leerdicht.  Londen,  een  dramatisch  gedicht.  Dus- 
seldorp  of  de  ontmoetingen  van  Petrus  Cordatus,  een  satirisch 
dramatisch  gedicht,  (Rotterdam,  Brusse). 

Max  Stirner:  de  Eenige  en  z'n  Eigendom,  vertaald  in  het 
Nederlandsch  (Antv^erpen,  Keersouwken). 

A.  J.  de  Sopper:  David  Hume's  Kenleer  en  Ethiek.  Eerste, 
inleidend  deel.  Van  Bacon  tot  Hume.  Academisch  Proefschrift 
(Leiden,  A.  W.  Sijthoff's  Uitg.  Mü.) 

Dr.  W.  Koster:  Kant's  Noumenale  Wereld  en  de  zinnelijke 
waarnemingen  (Haarlem,  Tjeenk  Willink  en  Zoon). 


PSYCHOLOGIE  EN  LOGICA. 

DOOR 

Dr.  Ph.  KOHNSTAMM. 


§  1.  Men  moge  het  betreuren  of  zich  er  in  verblijden, 
men  moge  het  bejammeren  als  een  kenmerk  van  stumperig 
epigonendom ,  of  het  verheerlijken  als  het  beste  bev^^ijs  van 
wetenschappelijke  nauwgezetheid,  het  feit  zelve  laat  zich 
niet  ontkennen ,  dat  in  de  wijsgeerige  belangstelling  van 
onzen  tijd  de  vraag  naar  de  methode  der  wijsbegeerte  en 
van  haar  onderdeden  op  den  voorgrond  staat.  En  wij 
kunnen  er  bij  voegen:  in  afzienbaren  tijd  zal  blijven  staan. 
Men  behoeft  niet  tot  de  onvoorwaardelijke  bewonderaars  te 
behooren,  om  dit  laatste  zelfs  te  wenschen.  Wie,  zooals 
de  schrijver  dezer  regels,  in  de  wijsbegeerte  een  wetenschap 
ziet,  en  een  wetenschap,  wier  resultaten  niet  minder  zeker 
en  algemeen  geldig  behooren  te  zijn  dan  die  van  welke 
„positieve"  wetenschap  ook,  die  kan  niet  wenschen,  dat 
een  vraagstuk,  eenmaal  aan  de  orde  gesteld,  weder  uit  de 
discussie  verdwijne,  zonder  dat  althans  in  hoofdtrekken 
daaromtrent  eenstemmigheid  zij  verkregen.  En  van  die  een- 
stemmigheid zijn  wij ,  ondanks  alle  scherpzinnigheid ,  die 
er  aan  besteed  is,  op  dit  punt  nog  ver  verwijderd.  Die 
omstandigheid  moge  het  rechtvaardigen ,  —  ook  voor 
hem,   die   niet  met  mij  van  oordeel  is,  dat,  althans  in  de 

25 


386  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

philosophie,  de  opvatting  omtrent  de  methode,  veelal  de 
uitkomsten  beheerscht,  —  dat  evenals  een  vorig  opstel/) 
ook  de  volgende  bladzijden  zich  bezighouden  met  een 
vraagpunt  van  methodiek:  het  verschil  tusschen  logica  en 
psychologie.  Er  is  wellicht  geen  ander  vraagstuk  te  noemen, 
waaromtrent  de  meeningen  zoo  diametraal  tegenover  elkaar 
staan.  Hooren  wij  de  meening  der  zoogenaamde  „psycholo- 
gisten",  dan  kan  er  niet  de  minste  twijfel  bestaan  of  de 
logica  is  een  deel  der  psychologie,  dat  dus  ook  op  de 
wijze  der  psychologie,  d.w. z.  als  een  natuurwetenschap 
moet  behandeld  worden.  Zoo  lezen  wij  bij  Mill:  „De  logica 
is  niet  een  wetenschap,  onderscheiden  van  en  op  een  lijn 
staande  met  psychologie.  Voor  zoover  zij  een  wetenschap 
is,  is  zij  een  deel  of  tak  der  psychologie,  daarvan  ver- 
schillende eensdeels,  zooals  een  deel  verschilt  van  het 
geheel ,  anderdeels  ook ,  zooals  een  kunst  (of  kunde)  van 
een  wetenschap.  De  theoretische  grondslagen  der  logica  zijn 
geheel  ontleend  aan  de  psychologie,  en  zij  behelzen  zoo 
veel  van  die  wetenschap  als  noodig  is  om  de  regels  der 
kunst  te  rechtvaardigen."  ^) 

In  overeenstemming  daarmede  lezen  wij  bij  Lipps:  „De 
logica  is  een  psychologische  wetenschap,  zoo  zeker  als 
kennis  verwerven  alleen  in  een  psyche  mogelijk  is,  en  het 
denken ,  dat  zich  daarin  voltooit  een  psychisch  gebeuren  is.  ^) 


1)  Dit  Tijdschrift  p.  24. 

2)  Logic  is  not  a  science,  distinct  from  and  coordinate  witli,  Psychoiogy. 
So  far  as  it  is  a  science  at  all,  it  is  a  part,  or  branch  of  Psychoiogy,  differing 
form  it,  on  the  one  hand  as  a  part  differs  from  the  whole,  and  on  the  other, 
as  an  Art  differs  from  a  Science.  lts  theoretic  grounds  are  wholly  borrowed 
from  Psychoiogy,  and  include  as  much  ot  that  science,  as  is  required  to 
justify  the  rules  of  the  art.  (An  examination  of  Sir  W.  Hamilton's  Philo- 
sophy  p.  388.) 

3)  Die  Logilc  ist  eine  psychologische  Disziplin,  so  gewiss  das  Erkennen 
nur  in  der  Psyche  vorkommt,  und  das  Denken,  das  in  ihm  sich  vollendet,  ein 
psychisches  Geschehen  ist.  (Grundzüge  der  Logik  p.  1.) 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  387 

Aan  den  anderen  kant  lezen  wij  bij  Windelband:  „Het  is 
een  levensvraag  voor  de  logica  als  philosophische  weten- 
schap, haar  scherp  af  te  scheiden  van  dit  psychologisme. 
Maar  al  wordt  ook  door  velen  levendig  gevoeld  en  uit- 
gesproken hoe  noodzakelijk  zulk  een  principieele  scheiding 
van  logica  en  psychologie  is,  toch  mogen  wij  allerminst 
beweren ,  dat  tot  nu  toe  die  scheiding  op  een  volkomen 
afdoende  wijze  zou  zijn  voltrokken."  ^) 

En,  nog  wel  op  grond  van  experimenteel-psychologische 
onderzoekingen,  komt  Marbe  tot  de  conclusie:  „De  logica, 
die  tegenwoordig  op  veel  punten  niets  anders  is  dan  een 
psychologie  van  het  oordeel ,  zonder  methode  beoefend ,  zal 
in  de  toekomst  zoo  onpsychologisch  mogelijk  moeten  be- 
handeld worden."  ^) 

§  2.  Het  ligt  niet  in  mijn  bedoeling  in  de  volgende  blad- 
zijden een  volledig  overzicht  over  den  stand  der  quaestie 
te  geven.  In  aanmerking  genomen  de  uitgebreide  literatuur 
zou  zulk  een  overzicht  vermoeiend ,  en ,  naar  het  mij  voor- 
komt, weinig  vruchtbaar  zijn.  De  lezers  van  dit  Tijdschrift 
zullen,  naar  ik  hoop,  beter  gediend  zijn  door  een  samen- 
vattende uiteenzetting  van  de  bezwaren  tegen  het  psycholo- 
gisme, die  mijn  onderzoek  mij  heeft  leeren  kennen,  dan 
met  een  opsomming  van  al  de  invloeden ,  die  gedurende  dat 
onderzoek  op  mij  gewerkt  hebben.  Slechts  voor  den  naam 
van  Husserl's  „Logische  Untersuchungen"  en  van  Meinong's 


k  1)  Die  feste  Abgrenzung  gegen  diesen  Psychologismus  ist  eine  Lebensfrage 
für  die  Logilc  als  pliilosopliisclie  Disziplin.  Aber  so  lebhaft  von  vielen  Seiten 
dies  Bedürfnis  nach  einer  principiellen  Scheidung  von  Logik  und  Psychologie 
empfunden  und  ausgesprochen  wird,  so  wenig  dürfen  wir  heute  behaupten, 
dass  es  in  einer  volikommen  gentigenden  Form  erfüllt  worden  wSre.  (Fest- 
schrift  f.  Kuno  Fischer  p.  170.) 

2)  Die  Logik,  die  gegenwSrtig  in  vielen  Stücken  nichts  anderes  als  eine 
unmethodische  Psychologie  des  Urteils  ist,  wird  sich  daher  künftig  so  unpsy- 
chologisch  als  möglich  zu  gestalten  haben.  (Experimenteü-psychologische 
Untersuchungen  über  das  Urteil  p.  98.) 


3B8  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

werken    over   „Gegenstandstheorie"  wil  ik  een  uitzondering 
maken,  om  het  vele,  dat  ik  daaruit  geleerd  heb. 

Het  valt  mij  te  gemakkelijker  mij  aan  het  aldus  afge- 
bakende plan  te  houden,  omdat  ik  bij  de  ontvouwing  van 
de  redenen,  die  mij  noodzaken  de  psychologistische  op- 
vatting der  logica  te  verwerpen,  mij  kan  houden  aan  een 
uiteenzetting  van  die  theorie,  die  door  voor-  en  tegen- 
standers om  strijd  geroemd  wordt  om  haar  helderheid, 
scherpzinnigheid  en  consequentie,  een  uiteenzetting  boven- 
dien, die  ik  bij  de  meeste  lezers  van  dit  Tijdschrift  als 
■  bekend  mag_  onderstellen ,  omdat  zij  neergelegd  is  in  een 
van  de  weinige  door  een  Nederlander  geschreven  werken 
over  wijsbegeerte ,  die  zich  ver  buiten  onze  grenzen  een 
groote  bekendheid  hebben  verworven.  Ik  bedoel  natuurlijk 
Heymans' :  Die  Gesetze  und  Elemente  des  wissenschaftlichen 
Denkens. 

Het  zijn  voornamelijk  drie  punten,  die  mij  belangrijk 
schijnen  voor  de  karakterizeering  van  Heymans'  opvatting 
van  de  kennisleer:^)  1"  zijn  meening  over  het  object  der 
logica,  2*^  zijn  opvatting  over  haar  natuurwetenschappelijke 
methode,  speciaal  den  aard  der  wetten,  die  zij  geeft,  en 
3"  zijn  ontkenning  van  het  waardemetende  en  waarde- 
beoordeelende  karakter  der  logica.  Ik  zal  bij  elk  dier  punten 
dienen  stil  te  staan. 

§   3.   Wat  het   object  der  logica  is,  vinden  wij  met  alle 
scherpte    bij    Heymans   uiteengezet:    „De   wetenschap    be- 
schouwen  wij   uitsluitend   als  een  complex  van  psychische* 
verschijnselen  van  een  bepaalde  soort,  die  wij  eerst  in  ons 


1)  Ik  gebruik  in  het  volgende  de  woorden  logica  en  kennisleer  (Erkenntnis- 
theorie)  zonder  vaste  afgrenzing  van  elkaar,  daarin  het  spraakgebruik  volgende. 
Het  moge  voor  sommige  doeleinden  wenschelijk  zijn,  tusschen  beide  een 
scheiding  te  maken,  en  vol  te  houden,  zeker  is  het,  dat  zulk  een  scheiding  nog 
nooit  met  afdoende  scherpte  is  getrokken,  laat  staan  als  zoodanig  algemeen 
zou  worden  erkend. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  389 

zelf  waarnemen,  en  naar  analogie  daarvan  ook  bij  anderen 
veronderstellen.  Weliswaar  kunnen  wij  in  zekeren  zin  ook 
de  leerboeken  der  wetenschap ,  zoowel  als  de  geschriften  der 
ontdekkers  en  onderzoekers  als  verzamelingen  van  rhateriaal 
beschouwen,  in  dien  zin  n.1.  dat  zij  in  ons  de  voorstellingen 
en  voorstellingsverbindingen  te  voorschijn  roepen,  welke 
het  eigenlijke  voorwerp  van  ons  onderzoek  vormen.  Maar 
in  elk  geval  zijn  zeker  niet  de  geschreven  of  gesproken 
woorden  en  zinnen,  maar  alleen  de  denkverschijnselen,  welke 
associatief  daarmede  verbonden  zijn,  de  objecten  voor  de 
kennistheorie."  ^) 

En  verder:  „Als  wij  beproeven  ons  over  den  aard  van 
ons  materiaal  van  onderzoek  wat  nader  te  orienteeren,  dan 
vinden  wij  gemakkelijk,  dat  dit  uitsluitend  uit  oordeelen 
bestaat.  Een  oordeel  toch  noemen  wij  een  denkverschijnsel, 
waarin  de  eene  of  andere  voorstellingsverbinding  als  waar 
gesteld  wordt.  In  zulke  oordeelen  nu  beweegt  zich  het 
geheele  wetenschappelijke  denken,  van  de  eenvoudigste 
constateering  van  een  waarneming  af  tot  de  meest  abstracte 
formule,  of  een  de  wereld  omspannende  theorie.  Deze 
oordeelen  vormen  dus  het  eigenlijke  voorwerp  van  ons 
onderzoek;  het  ontstaan  der  oordeelen  in  het  bewustzijn  te 
verklaren  is  de  taak  der  kennistheorie."  ^) 


1)  Jene  Wissenschaft  aber  betrachten  wir  ausschliesslich  als  einen  Complex 
psyciiischer  Erscheinungen  bestimmter  Art,  welche  wir  zunachst  in  uns  selbst 
wahrnehmen,  und  nach  Analogie  auch  bei  Anderen  vermuthen.  Alierdings 
l<önnen  wir  in  einen  bestimmten  Sinne  auch  die  Lehrbücher  der  Wissenschaft  so- 
wie  die  Schriften  der  Entdecker  und  Forscher  als  Materiaisamnilungen  bezeichnen: 
in  dem  Sinne  namlich,  dass  dieselben  in  uns  die  Vorstellungen  und  Vorstellungs- 
verbindungen  hervorrufen,  welche  den  eigentlichen  Qege»stand  unserer  Unter- 
suchung  bilden.  Jedenfalis  sind  aber  nicht  die  geschriebenen  odergesprochenen 
Worte  und  Satze,  sondern  ni^  die  Denkerscheinungen  welche  associativ  mit 
denselben  verbunden  sind,  die  Objecte  der  Erkénntnisstheorie.  (p.  27). 

2)  Wenn  wir  versuchen,  uns  über  die  Natur  unseres  Forschungsmaterials 
voriaufig  etwas  naher  zu  orientieren,  so  finden  wir  leicht  dass  dasselbe 
ausschliesslich  aus  Urtheilen  besteht.  Urtheil  aber  nennen  wir  eine  Denker- 


39Ó  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

Ik  voeg  hier  nog  een  derde,  m.  i.  zeer  karakteristieke 
plaats  aan  toe.  Bij  de  bestrijding  van  een  te  duchten  tegen- 
werping over  het  verschil  van  samengestelde  en  enkelvoudige 
oordeelen,  die  voor  ons  doel  verder  niet  van  belang  is, 
lezen  wij :  „Maar  wie  zoo  zou  spreken ,  zou  vergeten ,  dat 
wij  de  oordeelen  niet  als  een  objectief  buiten  ons  bestaand 
iets,  maar  als  individueele  psychische  verschijnselen  zouden 
beschouwen.  Wij  hebben  het  in  de  theorie  der  kennis  uit- 
sluitend met  zulke  individueel  psychische  feiten  te  doen.  Uit 
deze  individueel  psychische  feiten  hopen  wij  —  en  wij  mogen 
dit  naar  het  voorafgaande  hopen  —  algemeen  menschelijke 
wetten  en  oorzaken  van  de  vorming  der  oordeelen  te  leeren 
kennen."  ^) 

Er  behoeft,  dunkt  mij,  ook  voor  hem,  die  Heymans' boek 
niet  kent,  nauwelijks  iets  toegevoegd  te  worden  ter  ver- 
duidelijking. Het  object  van  de  logica  zijn  zekere  bewust- 
zijnsverschijnselen ,  juist  zooals  toorn,  honger  of  leedvermaak 
bewustzijnsverschijnselen  zijn.  Van  de  laatste  onderscheiden 
zich  die  bewustzijnsverschijnselen,  die  het  object  der  logica 
uitmaken,  alleen  daardoor,  dat  ze  gepaard  gaan  met  zeker 
„overtuigingsgevoel",,  gevoel  van  „overtuigd  te  zijn  van  de 
waarheid  van  een  voorstelling  of  voorstellings-verbinding". 


scheinung  in  welcher  irgend  eine  Vorstellung  oder  Vorstellungsverbindung  als 
wahr  gesetzt  wird.  In  solchen  Urteilen  bewegt  sich  nun  das  ganze  wissen- 
schaftliche  Denken,  vom  einfachsten  Wahrnehmungssatz  an  bis  zur  abstrac- 
testen  Formel  und  bis  zur  weltumfassenden  Theorie.  Diese  Urtlieile  bilden 
demnach  den  eigentiichen  Gegenstand  unserer  Untersuciiung;  die  Entstehung 
der  Urtheile  im  Bewusstsein  zu  erklSren,  ist  die  Aufgabe  der  Erkenntniss- 
theorie.  (p.  28.) 

1)  Wer  aber  so  sprache,  würde  vergessen  dass  wir  die  Urtheile  nicht  als 
ein  objectiv  ausser  uns  Exstirendes,  sondern  als  individuell-psychische  Er- 

scheinungen  zu  betrachten  uns  vorgenommeir  haben Wir  haben  es  nun 

in  der  Erkenntnisstheorie  ausschliesslich  mit  solchen  individuell-psychischen 
Thatsachen  zu  thun ;  aus  diesen  individuell-psychischen  Thatsachen  hoffen 
wir,  und  dürfen  wir  nach  dem  Vorhergehenden  hoffen,  allgemeinmenschliche 
Gesetze  und  Ursachen  der  Urtheilsbildung  kennen  zu  lernen.  (p.  32.) 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  391 

Waarin  dit  overtuigingsgevoel  nader  bestaat,  wordt  niet 
onderzocht,  en  ïk  voeg  er  aan  toe,  het  behoeft  oolc  m. i.  niet 
nader  onderzocht  te  worden.  Voor  de  algemeene  psychologie 
moge  het  een  vraag  zijn ,  uit  te  maken  of  dit  gevoel  zich 
terug  laat  brengen  tot  andere,  meer  elementaire,  bewustzijns- 
processen,  de  logica,  nu  genomen  in  den  zin  der  psycho- 
logisten,  als  deel  der  psychologie,  heeft  volkomen  het  recht 
zich  te  bepalen  tot  een  groep  van  verschijnselen,  die  zij 
weliswaar  niet  met  abstracte  begrippen  kan  omgrenzen , 
maar  die  zij  toch  weet,  dat  in  concreto  volkomen  genoeg- 
zaam bepaald  is  voor  elk,  tot  wien  zij  zich  wendt.  Of 
m.  a.  w. :  het  gevoel  van  „overtuigd  zijn",  waarom  het  hier 
gaat,  laat  zich  misschien  zoo  weinig  nader  omschrijven  als 
het  gevoel  van  „rood  zien",  maar  de  psychologist  heeft 
volkomen  het  recht  dat  gevoel  bekend  te  onderstellen  bij 
elk,  tot  wien  hij  zich  richt.  En  zoo  min  als  de  zooloog 
gehouden  is  bij  den  aanvang  van  zijn  uiteenzettingen  van 
het  begrip  „dier"  een  alleszins  afdoende  definitie  te  geven, 
omdat  algemeen  bekend  is,  wat  hij  in  hoofdzaak  onder  dit 
woord  verstaat ,  even  zeer  mag  de  psychologist  zich  beroepen 
op  de  bekendheid  met  v^at  te  verstaan  is  onder  „gevoel  van 
overtuigd  zijn". 

Het  derde  citaat,  dat  ik  gaf,  legt  op  dit  alles  een  zeer 
bepaalden  klemtoon.  Wij  hebben  ons  in  de  theorie  der  kennis 
uitsluitend  met  individueele  psychische  feiten  bezig  te  houden , 
niet  met  iets ,  dat  buiten  ons  bestaat.  Nemen  wij  een  voorbeeld. 
In  1824  kwam  Carnot,  nadenkende  over  het  vermogen  van 
een  machine  tot  praestatie  van  arbeid,  tot  de  overtuiging ,  dat 
dit  vermogen  in  de  eerste  plaats  afhankelijk  moet  zijn  van 
de  temperaturen,  waartusschen  die  machine  werkt;  in  1842 
kwam  J.  R.  Mayer  nadenkende  over  andere  verschijnselen, 
die  met  ontwikkeling  van  warmte  samenhangen ,  tot  de  over- 
tuiging,   dat   warmte    en   arbeidsvermogen   equivalent  zijn. 


392  PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA. 

Datgene  nu  „wat  er  omging"  in  Carnot  of  in  Mayer  toen 
zij  tot  de  ontdekking  kwamen  van  wat  wij  thans  gewoon 
zijn  te  noemen  de  tweede  en  de  eerste  hoofdwet  der  ther- 
modynamica, is  het  object  der  logica.  Om  misverstand  te 
voorkomen  haast  ik  mij  er  bij  te  voegen:  niet  in  volle 
individualiteit.  Zoo  goed  als  iemand  weet  Heymans,  dat 
individuum  est  ineffabile  ^) ,  en  het  ligt  dus  ver  van  hem  te 
willen  zeggen ,  dat  deze  individueele  objecten  in  al  hun 
bijzonderheid  voorwerp  der  logica  zouden  zijn.  Alleen  datgene 
wat  er  algemeen  aan  is,  datgene,  waarin  zij  met  hun  klasse- 
genooten  overeenkomen,  is  onderwerp  eener  algemeene 
natuurwetenschap;  evenzeer  als  niet  het  branden  van  deze 
bepaalde  gloeilamp  voorwerp  is  van  de  lichts-  en  electrici- 
teitsleer,  maar  alleen  datgene,  waarin  dat  verschijnsel  met 
andere  soortgelijke  overeenstemt. 

§  4.  Met  het  voorgaande  is  eigenlijk  reeds  beslist  over 
het  tweede  punt,  de  methode  van  onderzoek  en  de  aard 
der  aldus  gevonden  uitkomsten.  Wie  individueel  psychische 
verschijnselen  in  hun  overeenkomst  met  hun  klassegenooten 
tot  onderwerp  van  studie  kiest,  kan  zich  niet  onttrekken  aan 
de  beantwoording  der  vraag :  Hoe  ontstaan  die  verschijnselen , 
zijn  zij  veroorzaakt,  en  van  welken  aard  zijn  die  oorzaken? 
Ik  koos  opzettelijk  het  voorbeeld  van  Mayer  omdat  wij 
misschien  nergens  in  de  geschiedenis  der  wetenschap  het 
ontstaan  van  een  belangrijke  ontdekking  zoo  nauwkeurig 
kunnen  nagaan  als  hier.  Als  Hollandsch  scheepsarts  naar 
Batavia  gegaan,  deed  Mayer  daar  volgens  de  therapie 
dier  dagen  een  groot  aantal  aderlatingen^);  het  trof  hem 
daarbij  hoeveel  helderder  het  aderlijk  bloed  was  dan  hij  in 


1)  Versl.  Kon.  Akad.  v.  Wet.  Afd.  Letterk.  (4)  VIII.  p.  188. 

2)  Vgl.  Riehl,  Die  Philosophie  der  Gegenwart.  p.  132. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  393 

Europa  pleegde  waar  te  nefiien.  Over  dit  verschijnsel  ging 
hij  nadenken;  de  geringere  blauwkleuring  was  het  gevolg 
van  de  geringere  stofwisseling  in  de  tropen ,  en  deze  ging  hij 
nu  in  verband  brengen  met  de  geringere  warmteontwikkeling 
in  de  tropen.  Gaat  men  aan  de  hand  van  Mayer's  eigen 
mededeelingen  de  geschiedenis  van  zijn  ontdekking  na,  dan 
kan  men  nauwelijks  betwijfelen,  dat  er  oorzakelijk  verband 
bestaat  tusschen  Mayer's  waarneming  van  het  roode  ader- 
lijke  bloed  en  zijn  ontdekking  van  het  beginsel  van  het 
behoud  van  arbeidsvermogen. 

Misschien  zullen  indeterministen  tegen  deze  meening  op- 
komen. Maar  —  al  ben  ik  zelf  allerminst  geneigd  het  con- 
ventioneele  determinisme  als  het  laatste  woord  der  wijsheid 
te  beschouwen  —  de  bewering,  dat  overtuigingen  niet  ver- 
oorzaakt zouden  kunnen  zijn,  laat  zich  m.  i.  niet  volhouden. 
Ik  kom  straks  op  deze  vraag  kortelijk  terug,  een  uitvoerige 
bespreking  zou  natuurlijk  verre  de  ruimte  overschrijden ,  die 
ik  er  in  dit  artikel  aan  kan  geven.  Evenmin  is  het  mogelijk  of 
noodig,  in  te  gaan  op  de  metaphysische  vraag ,  van  welken 
aard  die  oorzaken  van  overtuigingen,  (als  bewustzijnsver- 
schijnselen  beschouwd),  zouden  moeten  zijn ;  of  zij  bijv.  zelve 
noodzakelijk  bewustzijnsverschijnselen  zouden  moeten  zijn, 
en  dergelijke.  Ik  constateer  eenvoudig  het  feit,  dat  in  velerlei 
gevallen  iedereen,  ook  degene,  die  zich  nooit  opzettelijk 
met  wijsgeerige  vraagstukken  heeft  beziggehouden,  een 
bepaalde  overtuiging  beschouwt  als  ontstaan  te  zijn  ten 
gevolge  van,  veroorzaakt  te  zijn  door  zekere  andere  ge- 
beurtenissen. 

Welnu,  als  dit  zoo  is,  dan  heeft  de  wetenschap,  die 
zich  met  die  overtuigingen  bezig  houdt,  misschien  tot  eenige 
taak,  maar  zeker  mede  tot  taak,  dit  causale  verband  nader 
te  onderzoeken,  en  vast  te  stellen  wat  de  wetten  zijn  die 
het  ontstaan  van  overtuigingen  beheerschen.  Die  wetten  zijn 


394  PSYCHOLOGIE   EN    LOGICA. 

algemeene  natuurwetten,  of  zij  daarom  op  een  lijn  gesteld 
mogen  worden  met  die  der  physica  of  chemie  acht  ik  niet 
uitgemaakt.  Maar  dit  is  een  vraag,  waarop  ik  weder  niet 
behoef  in  te  gaan. 

Juist  nu  zooals  ik  het  schetste  redeneert  Heymans,  en  hij 
komt  tot  dezelfde  resultaten ,  behalve  op  het  punt  van  de 
gelijkstelling  met  de  wetten  der  natuur-  of  scheikunde,  die 
voor  hem  van  zelf  sprekend  is.  Dit  blijkt  reeds  uit  het  slot 
van  een  der  citaten,  die  ik  gaf:  „Het  ontstaan  van  de  oor- 
deelen  in  't  bewustzijn  te  verklaren  is  de  taak  der  kennis- 
theorie" ^).  Een  nadere  bevestiging  ervan  vinden  wij  op  de 
plaatsen,  waar  Heymans  zegt:  „Om  ons  over  de  methoden, 
welke  tot  oplossing  van  deze  vraag  kunnen  leiden,  voor- 
loopig  te  orienteeren  kan  misschien  een  korte  herinnering 
van  nut  zijn  aan  de  methoden  der  scheikunde,  welke  in 
't  algemeen  gesproken  een  dergelijke  taak  heeft"  ^) ,  en 
waar  hij  van  de  kennistheorie  zegt,  dat:  „men  haar  een 
scheikunde  der  oordeelen  zou  kunnen  noemen"^);  maar 
inzonderheid  ook  daar,  waar  Heymans  den  aard  der  ge- 
wonnen resultaten  beschrijft.  „Ons  voorgaand  onderzoek 
had  uitsluitend  betrekking  op  gegeven  feiten  van  het  denken. 
Wij  hebben  getracht  deze  feiten  samen  te  vatten  in  empi- 
rische regelmatigheden,  dan  in  algemeenere,  op  't  laatste 
in  algemeenste  wetten.  Die  wetten,  die  van  de  contradictie 
en  het  uitgesloten  derde  hebben  wij  als  de  grondwetten 
leeren  kennen,  juist  in  denzelfden  zin,  waarin  bijv.  de  wet 
van  de  traagheid  en  van  het  parallelogram  van  krachten  de 


1)  Zie  p.  389. 

2)  Um  sich  über  die  Methoden,  welche  zurLösungdieser  Aufgabeführen  kön- 
nen,  vorlaufig  zu  orientieren,  Itaiin  vieileiclit  eine  kurze  Erinnerung  an  die  For- 
schungsmetiioden  der  Chemie,  welche  im  Grossen  und  Ganzen  Shnliche 
Aufgaben  zu  lösen  hat,  Etwas  leisten  (p.  28). 

3)  Die  Erkenntnisstheorie,  welche  man  eine  Chemie  der  Urtheile  nennen 
könnte  (p.  30). 


PSYCHOLOGIE   EN    LOGICA.  395 

grondwetten  der  mechanica  zijn.  De  feitelijk  gegeven  orga- 
nisatie van  het  menschelijk  denken  vindt  daarin  haar  meest 
algemeene  en  compleete  uitdrukking:  wij  kunnen  het  men- 
schelijk denken  definieeren  als  een  denken  naar  de  wetten  der 
contradictie  en  het  uitgesloten  derde ,  zooals  wij  de  mechani- 
sche beweging  definieeren  kunnen  als  een  beweging  naar 
de  wetten  der  traagheid  en  het  parallelogram  van  krachten."  ^) 

§  5.  Over  het  derde  punt,  het  a-teleologisch  karakter 
van  een  zoodanige  logica  behoef  ik  thans  nauwelijks  meer 
uit  te  wijden.  Zoo  min  als  de  physicus,  wanneer  hij  het  be- 
ginsel van  het  behoud  van  arbeidsvermogen  formuleert,  er 
aan*  denkt  aan  de  warmte  een  andere ,  hetzij  hoogere  of  lagere 
waarde  toe  te  kennen  dan  aan  de  electrische  energie  of 
het  arbeidsvermogen  van  plaats,  zoo  min  houdt  degene, 
die  de  oorzaken  van  het  optreden  van  overtuigingen  op- 
zoekt, zich  bezig  met  een  teleologisch  onderzoek.  Het  is 
zeker  onnoodig  daarbij  langer  stil  te  staan ;  geen  der  eigen- 
aardigheden der  natuurwetenschap  heeft  sinds  een  halve 
eeuw  zoozeer  de  belangstelling  getrokken,  geen  is  zoo  zeer 
gemeengoed  geworden  van  alle  wijsgeerige,  half  en  kwart 
wijsgeerige  denkers,  als  juist  deze. 

Alleen  zij  het  mij  vergund  door  een  citaat  aan  te  toonen , 
dat  Heymans  dit  a-teleogisch  karakter  ook  uitdrukkelijk  voor 
zijn  logica  opeischt.  Het  bedoelde  citaat    dat  ook  het  reeds 


1)  Die  bisherige  Untersuchung  bezog  sich  ausschliesslich  auf  gegebene 
Thatsachen  des  Denkens,  welche  sie  in  empirische,  dann  in  aligemcinere, 
zuletzt  in  allgemeinste  Gesetze  zusammenzufassen  versuclite.  Die  Gesetze  des 
Widerspruchs  und  des  ausgeschlossenen  Dritten  haben  wir  als  die  Grund- 
gesetze  des  Denlcens  kennen  geiernt,  in  genau  demselben  Sinne,  inwelchem 
etwa  die  Gesetze  der  TrSglieit  und  des  Krafteparallelogramms'  die  Grundge- 
setze  der  Meclianik  sind.  Die  thatsaclilich  gegebene  Organisation  des  menscli- 
iichen  Denkens  findet  in  denselben  iiiren  alJgemeinsten  und  erscliöpfenden 
Ausdruck:  wir  können  eben  das  menscliliche  Denken  definiren  als  ein  Denken 
nacii  den  Gesetzen  des  Widersprucfis  und  des  ausgesciilossenen  Dritten; 
sowie  wir  die  meciianisciie  Bewegung  definiren  können  ais  eine  Bewegung 
nach  den  Gesetzen  der  Tragheit  und  des  Krafteparallelogramms  (p.  69). 


396  PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA. 

over  object  en  methode  der  logica  gezegde  in  het  scherpste 
licht  stelt,  is  van  te  meer  gewicht  om  de  plaats  waar  het 
staat:  het  maakt  nl.  den  aanhef  uit  van  Heymans'  boek  en 
het  programma,  dat  hij  in  de  eerste  paragraaf  ervan  ont- 
wikkelt. De  aanhef  luidt  als  volgt:  „Het  wetenschappelijke 
denken  verschijnt  ons  gewoonlijk  uitsluitend  als  een  object 
van  teleologische  beschouwing'.  Wij  beoordeelen  het  als  een 
middel  tot  bereiking  van  een  bepaald  doel ,  hetzij  dat  dit 
doel  in  theoretisch  inzicht  gezocht  worde  of  in  practische 
beheersching  van  de  werkelijkheid.  Bij  elk  stuk  weten- 
schappelijk werk  stellen  wij  de  vraag:  waar  of  onwaar? 
juist  of  onjuist?  en  al  naar  het  antwoord  dat  wij  vinden, 
beslissen  wij  erover  of  de  aangeboden  uitkomsten  aangenomen 
of  verworpen  moeten  worden.  Maar  er  is,  naast  deze  tele- 
ologische, ook  een  zuiver  theoretische  beschouwing  van  het 
wetenschappelijk  denken  mogelijk.  Wetenschappelijke  over- 
tuigingen zijn  bewustzijnsverschijnselen,  juist  zooals  toorn, 
begeerte,  smart,  een  wilsbesluit  bewustzijnsverschijnselen 
zijn.  Dat  wetmatig  werkende  oorzaken  het  optreden  van 
deze  verschijnselen  veroorzaken,  is  van  te  voren  op  zijn 
minst  genomen   zeer  waarschijnlijk."  ^)  En  het  slot  van  de 


1)  Das  wissenschaftliche  Denken  erscheint  uns  gewöhnlich  ausschliesslich 
als  ein  Object  teleologischer  Betrachtung.  Wir  beurtheilen  dasselbe  als  ein 
Mittel  zur  Erreichung  eines  bestimmten  Zweckes,  —  sei  es  dass  dieser  Zweck 
in  der  theoretischen  Erkenntniss,  oder  in  der  praktischen  Beherrschung  und 
Nutzbarmachung  der  gegebenen  Wirklichkeit  gesucht  werde.  Bei  jedem  Stück 
wissenschaftlicher  Arbeit  erheben  wir  die  Frage,  ob  wahroderunwahr?richtig 
oder  unrichtig?  —  und  je  nach  der  Antwort  welche  wir  finden,  entscheiden 
wir  darüber,  ob  die  dargebotenen  Ergebnisse  angenommen  oder  verworfen 
werden  mussen. 

Es  ist  aber,  neben  dieser  teleologischen,  auch  eine  rein  theoretische,  auf 
die  Erforschung  von  Ursachen  und  Gesetzen  gerichtete  Betrachtung  des 
wissenschaftlichen  Denkens  möglich.  Wissenschaftliche  Ueberzeugungen 
sind  Bewusstseinserscheinungen,  genau  so  wie  Zorn,  Begierde,  Schmerz, 
ein  Willensentschluss  Bewusstseinserscheinungen  sind.  Dass  gezetzmassig 
wirkende  Ursachen  das  Auftreten  dieser  Erscheinungen  bedingen,  ist  von 
vornherein  mindestens  sehr  wahrscheinlich  (p.  1). 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  397 

paragraaf,  waarin  het  programma  van  het  boek  zoo  kort 
mogelijk  wordt  geformuleerd,  luidt:  „De  exacte  vaststelling 
en  verklaring  van  de  causale  betrekkingen,  die  het  optreden 
van  overtuigingen  in  't  bewustzijn  beheerschen  —  een  onder- 
zoek, dat  alleen  door  empirische  ontleding  van  het  gegeven 
denken  kan  geschieden  —  is  de  taak  der  kennistheorie."  ^) 
§  6.  Ik  heb  dezen  geheelen  opzet  gegeven,  zonder  een 
woord  van  kritiek  er  tusschen  te  lasschen,  omdat  ik  er 
prijs  op  stel  den  lezer  te  doordringen  van  het  volmaakt 
logische  van  den  gedachtengang,  van  de  afwezigheid  van 
alle  willekeur  bij  de  ontwikkeling.  De  geheele  theorie  is 
opgetrokken  uit  één  stuk,  en  alle  lof  komt  toe  aan  de 
helderheid,  waarmede  zij  is  ontwikkeld.  Het  meest  treft  mij 
die  consequentie  in  §  12,  waar  aangegeven  wordt,  welke 
practische  wetenschap  zich  op  deze  theoretische  logica  laat 
opbouwen.  Wij  lezen  daar:  „Naast  de  theoretische  kennisleer 
staat  een  practische  wetenschap,  die  handelt  over  de  middelen, 
waardoor  men  overtuigingen  tot  stand  kan  brengen,  een 
methodologie.  Het  feit,  dat  het  bezit  van  vaste  en  heldere 
overtuigingen  ons  begeerlijk  schijnt,  het  feit  van  den  „drang 
naar  kennis",  voert  noodzakelijk  tot  de  vraag  welke  middelen 
men  moet  aanwenden  om  het  doel  te  bereiken  of  te  naderen , 
dus  tot  den  eisch  van  een  kunstleer  van  het  denken."  En 
verder:  „Het  doel  van  het  denken  is  de  vastheid  van  zijn 
resultaten;  men  moet  dus  het  bewustzijn  zulke  voorstellingen 
geven ,  welke  die  zekerheid  doen  ontstaan ;  maar  van  welken 
aard  die  voorstellingen  moeten  zijn  om  vastheid  van  over- 
tuiging te  geven ,  dat  kan  slechts  de  theorie  leeren."  ^) 

1)  Die  exacte,  durch  empirische  Untersuchung  des  gegebenen  Denkens  zu 
ermittelnde  Feststellung  und  Eritlarung  der  causalen  Beziehungen,  welche  das 
Auftreten  von  Ueberzeugungen  im  Bewusstsein  bedingen,  ist  die  Aufgabe  der 
Erkenntnisstheorie  (p.  3). 

2)  Der  theoretischen  Erkenntnisslehre  stellt  sich  eine  praktische  Wissen- 
schaft von  den  Mittein  durch  welche  Ueberzeugungen  zu  Stande  gebracht  werden 


398  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

Inderdaad,  dit  is  volkomen  consequent.  Op  grond  van 
een  wétenschap,  die  opzetteiijic  de  vraag:  waar  of  onwaar? 
ter  zijde  stelt  voor  deze  andere:  hoe  komt  overtuiging  als 
individueel  bewustzijnsverschijnsel  tot  stand?  laat  zich  geen 
andere  practische,  technische,  wetenschap  opbouwen,  dan 
eene,  die  de  vraag  beantwoordt:  Hoe  moet  ik  doen  om 
vaste  overtuigingen  te  wekken?  Het  beantwoorden  van  de 
vraag:  Hoe  moet  ik  doen  om  tot  waarheid  te  komen? 
ligt  geheel  buiten  haar  gezichtskring.  Tenzij  men  zich  vleie 
met  de  hoop,  dat  het  alleen  ware  oordeelen  zijn,  die  in 
staat  zijn  dat  gevoel  van  zekerheid ,  van  subjectief  over- 
tuigd zijn,  te  geven.  Maar  het  droevig  verhaal  van  Troje's 
ondergang  heeft  ons  reeds  op  de  schoolbanken  het  tegen- 
deel geleerd,  en  het:  mundus  vult  decipi,  bewijst,  dat  het 
niet  alleen  Trojanen  zijn ,  bij  wie  de  waarschuwingen  van 
een  Kassandra  onmachtig  zijn  overtuigingen  te  wekken.  En 
aan  den  anderen  kant  zien  wij  maar  al  te  dikwijls,  hetzij 
„zekere  Juni-gebeurtenissen  in  't  zicht  zijn",  hetzij  het  geldt 
Holloway-pillen  of  Mindrinetti-aandeelen  aan  de  markt  te 
brengen,  tastbare  onwaarheden  muurvaste  overtuigingen 
wekken. 

Maar  is  het  nu,  naast  consequent,  ook  houdbaar,  een 
wetenschap  voor  logica  uit  te  geven,  die  niet  door  den 
wetenschappelijken  onderzoeker,  maar  veeleer  door  den 
demagoog  en  den  oplichter  met  het  meeste  succes  wordt 
in  praktijk  gebracht?  Heeft  niet,  zoolang  als  er  een  logica 

können,  eine  Methodologie,  an  die  Seite.  Die  Thatsache  dass  der  Besitz 
fester  und  klarer  Ueberzeugungen  uns  begehrenswerth  erscheint,  die  That- 
sache des  „Erkenntnisstriebes"  führt  nothwendig  zurFrage,  weiche  Mittel 
angewandt  werden  mussen  um  das  Ziel  desselben  zu  erreichen  oder  doch 
demselben    naher   zu    kommen:    also  zur  Forderung  einer  Kunstlehre  des 

Denkens Das  Ziel  des  Denkens  ist  die  Gewissheit  seiner  Ergebnisse;  es 

mussen  also  dem  Bewusstsein  Vorsteliungen  beigebracht  werden  weiche  diese 
Gewissheit  erzeugen;  wie  aber  die  Vorsteliungen  beschaffen  sein  mussen  um 
Gewissheit  zu  erzeugen,  das  kann  nur  die  Theorie  lehren  (p.  37). 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  399 

bestaat,  naast  haar  een  rhetorica  bestaan,  die  zich  juist 
dat  ten  doel  stelt,  wat  hier  der  logica  als  haar  eigenst ter- 
rein wordt  toegewezen :  de  vraag  nl. :  Hoe  komt  overtuiging 
als  individueel  bewustzijnsverschijnsel  tot  stand,  en  hoe 
moet  ik  doen  om  dit  tot  stand  komen  te  verzekeren?  En 
geldt  niet  ook  hier  Kant's  woord :  „Die  Grenzen  der  Wissen- 
schaften verwischen  heisst  sie  verunstalten ,  nicht  sie  ver- 
mehren"? 

Inderdaad,  aan  de  vruchten  kent  men  den  boom,  en 
naar  het  mij  voorkomt  bewijst  niets  duidelijker  dan  deze 
practische  logica,  de  eenige,  ik  herhaal  het,  die  zich  op 
den  grondslag  eener  psychologistische  logica  laat  opbouwen, 
dat  de  laatste  slechts  in  schijn  den  naam  gemeen  heeft 
met  de  wetenschap ,  van  ouds  met  logica  bedoeld  ^). 

§  7.  Er  moet  dus  een  fout  zijn  in  het  zoo  helder  en 
consequent  opgezette  betoog,  en  het  kan  niet  twijfelachtig 
zijn,  waar  die  is  te  zoeken.  Reeds  in  den  wortel  schuilt 
het  kwaad,  reeds  bij  den  uitgang  dwaalden  wij.  Keeren  wij 
daarheen  terug,  en  zoeken  wij  opnieuw  onzen  weg. 

Laat  het  zich  inderdaad  volhouden ,  dat  bewustzijnsver- 
schijnselen  het  object  der  logica  zijn?  Zijn  het  bewustzijns- 
verschijnselen ,  die  te  samen  de  wetenschap  uitmaken? 
Zeker,  wetenschappelijke  overtuigingen  zijn  bewustzijns- 
verschijnselen,  evenals  toorn,  begeerte  of  de  gewaarwor- 
ding van  rood;  maar  de  eerste  hebben  bovendien  een  be- 
teekenis,  zij  drukken  iets  uit;  en  datgene,  wat  er  door 
uitgedrukt  wordt ,  bestaat  op  een  geheel  andere  wijze  dan 
een  b.ewustzijnstoestand,  het  is  geheel  onafhankelijk  van 
het  bestaan  van  eenig  bewust  wezen.  Wanneer  ik  oordeel, 


1)  Men  spreekt  graag  met  zekere  geringschatting  van  terminologische  vragen, 
en  inderdaad,  zij  zijn  niet  de  belangrijkste.  Maar  toch:  gaat  het  wel  aan  een 
wetenschap  kennisleer  te  noemen,  die  principieel  en  opzettelijk,  afziet  en 
voor  haar  doel  moet  afzien  van  het  verschil  tusschen  kennis  en  onkunde? 


400  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

dat  het  standbeeld  van  Rembrandt  te  Amsterdam  zich  tegen- 
over Café  Mille  Colonnes  bevindt,  dan  beleef  ik  een  be- 
wustzijnstoestand, die  als  zoodanig  deel  uitmaakt  van  mijn 
individueel  leven,  maar  dat  dat  standbeeld  zich  daar  be- 
vindt, gaat  uit  boven  mijn  individualiteit,  mijn  subjectivi- 
teit, riet  oordeel  heeft  betrekking  op  iets  buiten  mij ,  het 
bezit  objectiviteit.  Dit  kan  niet  gezegd  worden  van  den 
toorn,  dien  ik  voel  opkomen  als  een  straatjongen  mij  met 
modder  gooit,  of  het  genot,  dat  ik  heb  van  een  glas 
goeden  Bourgogne.  Die  zielstoestanden  zouden  er  geen  van 
alle  zijn,  als  ik  er  niet  was,  en  dit  geldt  natuurlijk  ook 
van  het  oordeel,  dat  ik  vel,  maar  het  laatste  staat  boven- 
dien in  betrekking  tot  een  werkelijkheid ,  die  blijft  gelden 
geheel  onafhankelijk  van  mijn  individueel  bestaan. 

§  8.  Wie  dat  ingezien  heeft,  kan  onmogelijk  meer  zeggen, 
dat  de  wetenschap  uit  bewustzijnstoestanden  bestaat.  Nemen 
wij  een  voorbeeld,  en  denken  wij  ons  een  leeraar,  die  aan 
zijn  klasse  de  stelling  van  Pythagoras  uitlegt.  Wij  mogen 
aannemen,  dat  zich  in  korten  tijd  bij  al  zijn  hoorders  de 
overtuiging  ontwikkelt,  dat  in  een  rechthoekigen  driehoek 
het  kwadraat  der  schuine  zijde  gelijk  is  aan  de  som  der 
kwadraten  der  rechthoekszijden.  Gaat  het  nu  aan  te  zeggen, 
dat  het  deze  —  zeg  27  —  overtuigingen  zijn,  de  bewust- 
zijnstoestanden van  de  26  leerlingen  en  den  leeraar,  wan- 
neer zij  aan  deze  stelling  denken,  dat  het  deze  bewust- 
zijnstoestanden zijn  en  vele  dergelijke  meer,  die  te  samen 
de  wiskunde  uitmaken?  De  vraag  stellen,  is  haar  ont- 
kennend beantwoorden.  Datgene,  wat  als  stelling  van  Py- 
thagoras deel  uitmaakt  van  de  wiskunde  bestaat  niet  27  of 
meer  malen  op  verschillende  plaatsen  en  gedurende  ver- 
schillende tijden ,  het  is  niet  een  aantal  overtuigingen ,  be- 
wustzijnstoestanden. Die  bewustzijnstoestanden,  die  over- 
tuigingen, zijn  realiteiten,  zij  maken  deel  uit  van  de  wer- 


PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA.  401 

kelijkheid ,  de  werkelijk  bestaande  wereld ,  en  wel  zijn  zij 
een  psychische  realiteit,  maar  van  de  stelling  van  Pytha- 
goras  te  zeggen,  dat  zij  iets  psychischs  is,  is  even  onjuist 
als  te  zeggen ,  dat  zij  iets  physischs  is.  Zij  bezit  in  't  ge- 
heel geen  realiteit,  maar  idealiteit;  zij  behoort  niet  thuis 
in  de  sfeer  der  reëele  dingen.  Wie  dat  ingezien  heeft,  is 
het  naturalisme  in  beginsel  reeds  te  boven  gekomen;  hij 
ziet  in,  dat  het  niet  aangaat  te  beweren,  dat  wij  ons  al- 
leen te  bekommeren  hebben  om  het  vergankelijke  en  ver- 
anderlijke. Immers  deze  meening,  als  een  overtuiging,  die 
aanspraak  maakt  op  waarheid,  op  geldigheid,  wijst  zelf 
reeds  heen  naar  een  sfeer  van  idealiteit ,  die  boven  de 
reëel  bestaande  dingen  uitgaat. 

Dat  nu  elke  waarheid,  elke  stelling,  in  welke  wetenschap 
ook,  aanspraak  maakt  op  zulk  een  ideaal  bestaan,  is  duidelijk. 
Immers  van  elke  stelling  geldt,  dat  zij  als  eenheid  bestaat, 
niet  even  veelvuldig  als  er  onderzoekers  zijn ,  of  in  't  alge- 
meen menschen,  die  zich  van  haar  bewust  worden.  Dat 
het  tot  volkomen  ongerijmde  conclusies  leidt,  dit  anders  op 
te  vatten,  blijkt  verder,  zoodra  wij  denken  aan  afwijkende 
overtuigingen.  Het  is  zeer  goed  mogelijk,  dat  een  der  leer- 
lingen, met  een  half  oor  luisterende,  het  bewijs  verkeerd 
begrijpt,  en  tot  de  overtuiging  komt,  dat  het  kwadraat  der 
schuine  zijde  gelijk  is  aan  het  produkt  der  beide  rechthoek- 
zijden.  Deze  afwijkende  overtuiging  heeft  precies  evenveel 
realiteit,  zij  bestaat  precies  even  goed  als  de  andere  meening, 
en  ware  de  logica  een  natuurwetenschap,  een  wetenschap, 
die  op  het  werkelijk  bestaande  is  gericht,  dan  zou  die 
afwijkende  overtuiging  voor  haar  juist  dezelfde  beteekenis 
moeten  hebben  als  de  normale.  Voor  de  psychologie,  dat 
deel  der  natuurwetenschap ,  dat  op  de  psychische  werkelijk- 
heid zich  richt,  heeft  dan  ook  inderdaad  zulk  een  afwijkende 
meenig   juist  evenveel   beteekenis,  ja   onder  bepaalde  om- 

26 


402  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

standigheden  veel  meer  belang  dan  de  normale.  De  psy- 
choloog moet  het  ontstaan  der  afwijkende  meening  even 
goed  kunnen  verklaren  als  dat  der  normale,  en  in  sommige 
gevallen,  speciaal  psychopathologische,  zal  juist  de  af- 
wijkende meening  alle  aandacht  op  zich  concentreeren.  Zoo 
zal  ook  voor  den  leeraar,  als  hij  zich  verdiept  in  psycholo- 
gische vragen,  het  feit,  dat  juist  die  jongen  tot  juist  die 
afwijkende  meening  kwam,  van  veel  meer  belang  zijn,  dan 
dat  de  anderen  tot  het  andere  inzicht  kwamen.  Maar  voor 
de  logica,  zoowel  als  voor  de  wiskunde  zelf,  bestaat  die 
afwijkende  overtuiging  in  't  geheel  niet,  eenvoudig  daarom, 
omdat  noch  afwijkende ,  noch  normale  overtuigingen  voor 
haar  bestaan.  De  wiskunde  bestaat  niet  uit  overtuigingen, 
maar  uit  stellingen,  waarheden,  die  een  geheel  ander  bestaan 
leiden  dan  overtuigingen  ,  en  de  logica  gaat  na  welk  verband 
er  bestaat  in  dit  geheel  van  waarheden. 

§  9.  Het  spreekt  vanzelf,  dat  het  hier  niet  de  plaats  is, 
nader  na  te  gaan,  welke  de  taak  is,  die  zij  daardoor  op 
zich  neemt  én  tegenover  de  wetenschap  in  't  algemeen,  én 
tegenover  elke  bijzondere  wetenschap.  Hier  dien  ik  mij  te 
beperken  tot  de  psychologistische  theorie,  en  dan  dien  ik 
er  nog  op  te  wijzen,  dat  wanneer  de  stellingen,  waaruit 
een  wetenschap  is  opgebouwd,  realiteiten,  en  wel  psychische 
realiteiten  van  bepaalden  aard,  overtuigingen,  waren,  die 
stellingen  ook  een  eindig  bestaan  moesten  hebben  als  alle 
realiteiten.  Laat  het  zich  nu  inderdaad  verdedigen,  dat  de 
stelling  van  Pythagoras  ontstaat  en  vergaat  zooals  een  be- 
wustzijnstoestand. Zeker,  het  inzicht  in  die  stelling  was, 
wanneer  wij  de  traditie  mogen  gelooven,  vóór  Pythagoras 
niet  aanwezig,  en  het  kost  ons  volstrekt  geen  moeite  aan 
te  nemen,  dat  er  een  tijd  zal  komen,  waarop  onze  aarde 
in  den  toestand  van  de  maan  zal  komen,  en  alle  psychisch 
leven  er  zal  zijn  uitgebluscht.  Maar  dit  beteekent  toch  niet. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  403 

dat  daardoor  de  stelling  van  Pythagoras  zal  opgehouden 
hebben  te  gelden.  Een  stelling  is  waar,  en  dan  geldt  zij 
voor  alle  tijden,  of  zij  is  onwaar,  en  dan  geldt  zij  nooit. 
Het  is  mij  natuurlijk  niet  onbekend,  dat  onder  den  invloed 
der  heerschende  positivistische  strooming  tegenwoordig  vele 
natuuronderzoekers  zijn  gaan  twijfelen  aan  de  eeuwige,  d.i. 
ontijdelijke  geldigheid  van  misschien  niet  alle  dan  toch 
van  vele  natuurwetenschappelijke  waarheden.  Ik  haalde  een 
Duitsch  staaltje  aan  in  mijn  vorig  opstel ,  ^)  slechts  kort 
daarop  had  men  ook  in  een  ernstig  Hollandsch  boek  ^)  met 
instemming  aangehaald  kunnen  vinden  een  uitspraak  van 
Poincaré,  dat  de  aarde  eigenlijk  pas  draait  sinds  Copernicus 
het  heeft  uitgesproken.  Toch  kan  ik  in  dergelijke  beweringen 
niets  anders  zien  dan  afdwalingen  van  wat  elk  nuchter 
waarheidszoeker  voor  waar  erkent,  zoolang  hij  niet  door 
een  zonderlinge  theorie  zich  van  de  wijs  heeft  laten  brengen. 
En  het  komt  mij  hoogst  onwaarschijnlijk  voor,  dat  zij  die 
zoo  spreken,  de  consequenties  van  hun  leer  zouden  aan- 
durven. Of  zou  men  ook  durven  beweren ,  dat  vóór  Harvey 
het  bloed  der  menschen  stil  stond,  en  eerst  hij  het  in  be- 
weging heeft  gebracht,  en  dat  vóór  Leeuwenhoek  (om  in 
de  termen  onzer  dagen  te  spreken)  alle  water  steriel  was, 
en    eerst   hij    het   met  levende  wezens   heeft  bevolkt.  ^)  Er 


1)  Dit  Tijdschrift,  p.  35. 

2)  L.  E.  J.  Brouwer.  Dissertatie,  p.  104.  Uit  mondelinge  mededeelingen  van  den 
Heer  Brouwer  is  mij  echter,  sedert  ik  deze  bladzijden  schreef,  gebleken,  dat  zijn  be- 
doeling een  gansch  andere  is,  dan  ik  uit  de  aangehaalde  woorden  meende  te 
moeten  opmaken. 

3)  Misschien  zal  het  volgende  voorbeeld  nog  duidelijker  de  onhoudbaarheid 
aantoonen  van  het  standpunt,  waarop  alle  „waarheid"  wordt  opgelost  in  „doel- 
matigheid". In  Schmoller's  Jahrbuch  für  Gesetzgebung,  Verwaltung  und  Volks- 
wirtschaft  deel  29  p.  106  deelt  Weber  mede,  dat  de  Florentijnsche  bankiers  der 
Middeleeuwen  ten  gevolge  van  hun  onbekendheid  met  het  Arabisch  cijferstelsel 
zich  vrij  geregeld  verrekenden,  en  dat  in  de  boekhoudingen  van  dien  tijd  bij 
de  behandeling  van  groote  sommen  een  volkomen  juiste  uitkomst  bijna  tot  de 
uitzonderingen  behoort.  Meent  men  nu  inderdaad  te  kunnen  volhouden,  dat 


404  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

zullen  heel  wat  sterker  argumenten  vóór  dergelijlke  be- 
weringen moeten  gegeven  worden,  dan  tot  nu  toe,  willen 
zij  ernstige  bestrijding  verdienen. 

Eerder  zou  een  andere  klasse  van  stellingen  den  schijn 
wekken,  alsof  ook  oordeelen  een  tijdelijk  bestaan  hadden. 
Ik  bedoel  stellingen  als  deze:  „Frankrijk  is  een  republiek", 
die  wel  geldig  schijnt  te  zijn  op  't  oogenblik ,  maar  het  niet 
altijd  geweest  is,  en  het  wellicht  later  weer  niet  zal  zijn. 
Inderdaad  wordt  daarmede  een  uiterst  belangrijke  onder- 
scheiding tusschen  oordeelsklassen  aangewezen,  een  onder- 
scheiding, waaraan  de  oude  logica,  geheel  in  syllogistisch 
gepeuter  verdiept,  veel  te  weinig  aandacht  heeft  geschonken. 
Maar  die  onderscheiding,  die  men  misschien  het  beste  als 
die  tusschen  kategorische  en  hypothetische,  of  tusschen 
historische  en  natuurwetenschappelijke  stellingen  aanduidt, 
kan  hier  blijven  rusten.  Immers  op  dit  punt  heeft  Heymans 


weliswaar  in  onzen  tijd  zestien  maal  twintig  driehonderd  en  twintig  is,  maar 
dat  het  onjuist  zou  zijn  te  zeggen,  dat  dit  ook  reeds  voor  vijf  of  zes  honderd 
jaar  waar  was?  Toch  bestaat  er  tusschen  dit  geval  en  dat  van  Copernicus 
geen  enkel  essentieel  verschil.  Het  is  duidelijk,  dat  het  voor  die  bankiers  der 
Middeleeuwen  zeer  veel  „doelmatiger"  was  desnoods  toe  te  laten,  wat  wij 
foutieve  boekingen  zouden  noemen,  dan  zich  de  voor  hen  ontzaglijke  moeite 
te  getroosten,  die  noodig  ware  geweest  om  die  te  voorkomen.  Voor  den  heden- 
daagschen  bankier  daarentegen  zou  zulk  een  „afwijkende"  boeking  hoogst  „on- 
doelmatig" zijn,  al  ware  het  ook  alleen  met  het  oog  op  sommige  artikelen  van 
het  Wetboek  van  Strafrecht  in  verband  met  zekere  andere  uit  het  Wetboek  van 
Koophandel,  juist  op  dezelfde  wijze  als  voor  ons  het  Copernikaansche  stelsel 
„doelmatiger"  is,  terwijl  voor  de  astronomen  van  vroeger  tijd  het  Ptole- 
mSische  stelsel  het  „doelmatigere"  was.  Ik  zie  dan  ook  niet  hoe  de  aanhangers 
van  Mach's  Oekonomie  des  Denkens  aan  deze  ietwat  zonderlinge  conclusie 
over  de  arithmetische  waarheden  zouden  kunnen  ontsnappen  —  tenzij  zij 
mochten  verklaren,  dat  het  voor  hen  hoogst  ondoelmatig  zou  zijn  zich  bezig 
te  houden  met  personen,  die  zoo  lang  geleden  gestorven  zijn,  en  daarenboven 
zoo  vreemde  gedachten  hadden  als  de  genoemde  Florentijnsche  bankiers,  en 
dat  dus  volgens  Mach's  wetenschappelijk  stelsel  die  bankiers  nooit  bestaan 
hebben.  En  voor  dit  laatste  argument  zal  dan  —  deze  bewering  moge  als  een 
charge  klinken,  maar  zij  is  geenszins  als  zoodanig  bedoeld  —  een  elk  zich 
gewonnen  moeten  geven,  die  ernst  tracht  te  maken  met  de  in  den  tekst  ge- 
noemde positivistische  theorieën. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  405 

ongetwijfeld  gelijk,  dat  niet  de  gesproken  of  geschreven 
woorden  of  zinnen,  object  der  logica  zijn^),  maar,  zoo  zeg 
ik  in  afwijking  van  Heymans:  de  stelling,  die  zij  uitdrukken. 
En  nu  is  het  duidelijk,  dat  bij  alle  stellingen  als  de  be- 
doelde een  nadere  tijdsbepaling  meegedacht  is,  en  mèt  die 
tijdsbepaling  geldt  dan  de  aldus  aangevulde  stelling  even- 
zeer voor  altijd,  als  dit  bij  de  stelling  van  Pythagoras  het 
geval  is. 

§  10.  Met  het  vooroordeel,  alsof  alle  wetenschap  zich  op 
realiteiten  zou  moeten  richten,  valt  tegelijkertijd  het  andere, 
dat  alle  wetenschap  causaal  verband  zou  hebben  op  te  sporen. 

Het  is  duidelijk,  dat  causaal  verband,  verband  tusschen 
oorzaak  en  gevolg,  alleen  kan  plaats  grijpen  tusschen  in 
den  tijd  bestaande  grootheden,  scherper  gezegd,  tusschen 
in  den  tijd  verloopende  gebeurtenissen.  Het  verband,  dat 
tusschen  waarheden  of  stellingen  bestaat,  is  van  geheel 
anderen  aard.  In  de  wiskunde  wordt  bijv.  gehandeld 
over  stellingen  als  deze:  De  zijden  van  driehoek  ABC 
zijn  gelijk  aan  de  zijden  van  driehoek  DEF,  en:  De 
hoeken  van  driehoek  ABC  zijn  gelijk  aan  de  hoeken  van 
driehoek  DEP.  Tusschen  die  beide  waarheden  bestaat 
ongetwijfeld  een  zeker  verband,  immers  de  tweede  geldt 
als  de  eerste  geldt,  maar  de  eerste  behoeft  niet  te  gelden, 
al  geldt  de  tweede;  maar  even  zeker  is  het,  dat  dit  ver- 
band niet  een  causaal  verband  is,  dat  de  eerste  stelling 
niet  de  oorzaak  van  de  tweede  kan  genoemd  worden.  Het 
verband ,  dat  tusschen  deze  stellingen  bestaat  is  van  anderen 
aard;  het  is  ontijdelijk,  het  is  logisch  verband.  Logisch 
verband  van  anderen  aard  bestaat  tusschen  de  stellingen: 
Twee  zijden  van  driehoek  ABC  zijn  aan  elkaar  gelijk, 
en :  Twee  hoeken  van  driehoek  ABC  zijn  aan  elkaar  gelijk. 

2)  Verg.  p.  389. 


406  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

Evenzoo  is  het  met  de  stellingen,  die  in  andere  weten- 
schappen voorkomen.  Er  is  bijv.  ongetwijfeld  verband  tusschen 
de  trillingstheorie  van  het  licht  en  de  wet  van  Snellius 
omtrent  de  lichtbreking.  Evenzoo  onbetwijfelbaar  is  het, 
dat  de  trillingstheorie  van  het  licht  niet  de  oorzaak  ge- 
noemd kan  worden  der  wet  van  Snellius. 

De  studie  nu  van  dit  logisch  verband  in  den  meest  uit- 
gebreiden  zin  is  de  taak  der  logica. 

§  11.  Tegen  deze  opvatting,  dat  het  verband,  dat  de 
logica  op  te  sporen  en  te  onderzoeken  heeft,  geheel  iets 
anders  is  dan  causaal  verband ,  voert  Heymans  aan ,  dat 
er  toch  zoo  iets  als  bewijzen  bestaat:  „Reeds  de  eenvou- 
dige overweging"  —  zoo  lezen  wij  in  de  eerste  paragraaf 
van  zijn  boek  —  „dat  er  zoo  iets  als  bewijzen  bestaan , 
pleit  voor  een  causale  opvatting  van  het  denkproces.  Want 
wat  doet  eigenlijk  de  man  der  wetenschap ,  als  hij  mij  de 
waarheid  van  een  stelling  bewijzen  wil?  Hij  beproeft  door 
woorden  en  teekens,  door  verwijzing  naar  waarneembare 
of  door  vertelling  van  waargenomen  feiten  in  mijn  bewust- 
zijn voorstellingen  en  voorstellingsverbindingen  in  zulk  een 
groepeering  te  voorschijn  te  roepen,  dat  zich  daaruit  met 
noodzakelijkheid  de  overtuiging  van  de  waarheid  der  te 
bewijzen  stelling  bij  mij  ontwikkelt."  Heymans  spreekt  dan 
verder  over  die  noodzakelijkheid ,  en  komt  tot  de  conclusie, 
dat:  „tusschen  bewijs  en  overtuiging,  beide  als  bewust- 
zijnsverschijnsel  beschouwd,  een  causaal  verband  bestaat"  ^), 


1)  Schon  die  einfache  Erwagung,  dass  es  so  etwas  wie  Beweise  giebt,  legt 
eine  causale  Auffassung  des  Denkprozesses  nahe.  Denn  was  heisst  es  eigentlicli: 
etwas  beweisen?  Was  thut  eigentlich  der  Mann  der  Wissenscliaft,  wenn  er 
mir  die  Wahrheit  irgend  eines  Satzes  beweisen  will?  Er  versuclit  durcli  Worte 
und  Zeiciien,  durch  Hinweisung  auf  wahrnehmbare  oder  durch  Erzahlung 
wahrgenommener  Tiiatsachen,  in  meinem  Bewusstsein  soicfie  Vorstellungen 
und  Vorstellungsverbindungen  in  solcher  Gruppirung  zu  erzeugen,  dass  sich 
daraus    mit   Nothwendigkeit   die  Ueberzeugung  von  der  Wahrheit  des  zu 


PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA.  407 

en  daaruit  concludeert  hij  dan  verder,  dat  het  de  taak  is  der 
kennistheorie  dit  verband  op  te  sporen. 

Nu  heb  ik  tegen  het  eerste  niets  in  te  brengen ;  ik  ben 
met  Heymans  overtuigd,  dat  bewustzijnsverschijnselen  ,  spe- 
ciaal overtuigingen,  veroorzaakt  kunnen  zijn.  Wanneer  ik 
iemand  met  beslistheid  hoor  verklaren ,  dat  sedert  dezen 
zomer  de  laatste  trein  van  Amsterdam  naar  den  Haag  het 
Centraalstation  om  10.40  verlaat,  nadat  ik  hem  van  te 
voren  in  een  van  de  bekende  roode  boekjes  heb  zien 
kijken,  dan  neem  ik  aan,  dat  er  tusschen  het  ontstaan  van 
zijn  overtuiging  omtrent  dien  laatsten  trein  en  de  gezichts- 
waarnemingen, die  hij  een  oogenblik  te  voren  had,  causaal 
verband  bestaat,  en  ik  acht  dit  in  dit  geval  even  gerecht- 
vaardigd, als  in  welk  ander  geval  ook,  waarin  van  oor- 
zaak en  gevolg  gesproken  wordt.  En  met  Heymans  meen 
ik,  dat  elke  poging  om  iets  te  bewijzen,  zinledig  wordt 
voor  hen,  die  anders  daarover  denken.  Moge  dus,  mis- 
schien, de  meening  dat  overtuigingen  veroorzaakt  kunnen 
worden,  geen  conditio  sine  qua  non  zijn  voor  den  waar- 
heidszoeker, zij  is  het  wel  voor  den  docent  in  den  meest 
uitgebreiden  zin ,  voor  elk ,  die  wenscht  anderen  zeker  in- 
zicht mede  te  deelen.  En  zoo  zal  ook  elk  wetenschappe- 
lijk man,  die  overtuigd  is  dat  wetenschap  niet  mogelijk  is 
voor  den  enkelling,  maar  dat  zij  alleen  ontstaan  kan  door 
samenwerking,  die  mogelijkheid  moeten  erkennen,  wil  hij 
niet  zijn  eigen  streven,  als  zinloos,  disqualificeeren. 

Maar  het  is  gansch  iets  anders  die  mogelijkheid  toe  te 
geven,  of,  zooals  Heymans  doet,  het  naspeuren  van  dit 
verband  aan  de  logica  op  te  dragen ,  ja  het  als  haar  eenige 
taak  te   beschouwen.   Die   misgreep  Is  zelfs  te  verwonder- 


erweisenden  Satzes  bei  mir  entwickelt Offenbar  muss  demnach  zwischen 

Beweis  und  Ueberzeugung,  beide  als  Bewusstseinserscheinungen  betrachtet, 
ein  ursachliches  VerhSltniss  angenommen  werden,  (p.  2.) 


408  PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA, 

lijker,  omdat  elk  bewijs  zelve  ten  duidelijkste  doet  zien, 
dat  er  naast  causaal  verband  tusschen  realiteiten  nog  een 
ander  verband  is,  dat  onze  aandacht  verdient:  logisch  ver- 
band tusschen  waarheden.  Tusschen  de  te  bewijzen  stelling 
en  het  onderstelde  bestaat  logisch  verband;  causaal  ver- 
band bestaat  tusschen  het  beamen,  het  overtuigd  zijn  van 
het  onderstelde,  en  het  beamen,  het  toegeven  van  het  ge- 
stelde. Laat  ik  ook  dit  aan  een  voorbeeld  verduidelijken. 
Schiller's  Wilhelm  Teil  begint  ongeveer  met  de  volgende 
woorden : 

's  Giebt  Regen ,  Fahrmann , 

Meine  Schafe  fressen  mit  Begierde  Gras 

Und  Wachter  scharrt  die  Erde. 

Ein  Gewitter  ist  im  Anzug. 

Dit  is  een  bewijs  in  optima  forma.  De  herder,  die  deze 
woorden  zegt,  wil  bij  den  veerman  de  overtuiging  doen 
ontstaan,  dat  een  onweer  in  aantocht  is.  Om  daartoe  te 
geraken  tracht  hij  voorstellingsverbindingen  bij  dezen  op  te 
wekken  van  zoodanigen  aard,  dat  zij  naar  zijn  meening  de 
gewenschte  overtuiging  moeten  doen  ontstaan.  Dat  hij 
daarin  slaagt,  leert  het  verdere  verloop  van  het  drama.  Tus- 
schen de  waarneming  van  den  veerman  omtrent  de  schapen  en 
den  hond,  en  zijn  daarna  optredende  overtuiging,  dat  een 
onweer  zal  losbarsten,  mogen  wij  dan  ook  ongetwijfeld  causaal 
verband  aannemen.  Maar  even  zeker  is  het,  dat  tusschen 
de  stellingen ,  waarmede  zijn  bewustzijnstoestanden  corre- 
laat zijn,  in  casu  de  stellingen:  Op  dit  oogenblik  handelen 
die  schapen  zoo,  en  die  hond  aldus,  en:  Binnenkort  zal 
een  onweer  losbarsten,  dat  er  tusschen  die  stellingen  geen 
causaal  verband  bestaat,  noch  bestaan  kan.  Tusschen  die 
stellingen  kan  verband  bestaan;  maar  dan  is  dit  niet  causaal, 
maar  logisch  verband,  bijv.   het  verband,  dat  ook  bestaat 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  409 

tusschen  de  stellingen:  De  zijden  van  driehoek  ABC  zijn 
gelijk  aan  die  van  driehoek  DEF  en:  De  hoeken  van  drie- 
hoek ABC  zijn  gelijk  aan  de  hoeken  van  driehoek  DEF. 
Maar  óf  zoodanig  verband  bestaat,  kan  alleen  de  metereologie 
in  verband  met  de  zoöphysiologie  leeren;  het  blijkt  geenszins 
uit  het  meegedeelde  feitenloop,  dat  daarentegen  volkomen 
afdoende  is  om  het  causale  verband  tusschen  de  overtuigingen 
van  den  veerman  waarschijnlijk  te  maken. 

Nog  duidelijker  wordt  dit,  wanneer  men  met  dit  bewijs 
uit  het  eerste  bedrijf  een  ander  bewijs,  ditmaal  uit  het  vijfde 
bedrijf,  vergelijkt.  Daar  wil  Stüssi  Teil  overtuigen,  dat 
er  binnenkort  ernstige  rampen  en  gruwelen  te  vreezen  zijn, 
en  om  daartoe  te  geraken  voert  hij  het  volgende  aan. 

Auch  anderswo  vernimmt  man  Wunderdinge: 
Ein  Ritter  wollte  zu  dem  König  reiten, 
Und  unterwegs  begegnet  ihn  'ne  Schaar 
Von  Hornissen;  die  fallen  auf  sein  Ross 
Dass  es  vor  Marter  tot  zu  Boden  sinkt, 
Und  er  zu  Fusse  ankommt  bei  dem  König. 

Uit  het  antwoord,  dat  Teil  geeft,  mogen  wij  opmaken 
dat  het  verloop  van  zijn  voorstellingen  inderdaad  zoo  zou 
geweest  zijn,  als  de  spreker  verwacht,  wanneer  de  mede- 
deeling  geschied  zou  zijn  voor  Tell's  ontmoeting  met  den 
landvoogd.  Blijkbaar  is  dus  de  mededeeling  van  dien  aard, 
dat  zij  geschikt  was  bij  Tell's  land-  en  tijdgenooten  de 
overtuiging  te  veroorzaken:  Er  zal  binnen  kort  een  groot 
ongeluk  in  den  lande  plaats  grijpen.  Toch  zijn  wij  over- 
tuigd dat  hier  geen  logisch  verband  bestaat  tusschen  de 
stellingen ,  waarmede  de  bewustzijnstoestanden  correlaat  zijn , 
dat  de  stelling:  Het  paard  van  een  ridder  is  door  een 
zwerm  paardevliegen  overvallen  en  gedood,  logisch  geheel 
onafhankelijk  is  van  deze:  Binnenkort  zal  een  groot  ongeluk 


410  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

het  land  treffen.  Het  al  of  niet  bestaan  van  logisch  verband 
tusschen  stellingen  is  dus  een  geheel  ander  iets  dan  het 
bestaan  van  causaal  verband  tusschen  met  die  stellingen 
correlate  bewustzijnstoestanden. 

§  12.  Ik  moet  straks  nog  nader  terugkomen  op  dit  verschil 
tusschen  geldige  en  ongeldige  bewijzen;  vooreerst  dien  ik 
nog  nader  in  te  gaan  op  een  ander  punt,  dat  naar  Hey- 
mans*  eigen  meening  hoogst  karakteristiek  is  voor  zijn 
methode,  en  dat  naar  de  mijne  ten  duidelijkste  toont,  tot 
hoe  gedwongen  en  averechtsche  opvattingen  men  komt 
door  het  miskennen  van  alle  logisch  verband,  en  de  poging 
alle  verband  te  beschouwen  als  causaal  verband.  Ik  bedoel 
Heymans'  opvatting  omtrent  den  aard  der  zoogenaamde 
logische  wetten. 

Volgens  de  psychologistische  leer  kunnen  deze  wetten 
natuurlijk  niets  anders  zijn  dan  denkweiien ,  causale  wetten 
omtrent  de  opeenvolging  van  bewustzijnsverschijnselen ,  en 
wel  speciaal  zulke,  die  van  overtuigingsgevoel  vergezeld 
gaan.  Bij  de  beschouwing  nu  van  deze  „denkwetten",  en 
van  de  wijze  waarop  zij  gewonnen  worden ,  treft  ons  iets , 
dat  ons  in  den  aanvang  allerwonderlijkst  voorkomt.  Heymans 
behoort  tot  de  ijverigste  lofredenaars  der  empirische ,  natuur- 
wetenschappelijke methode;  in  geen  enkele  wetenschap 
erkent  hij  het  recht  van  een  andere  richting.  Wanneer  hij 
dus  zelf  die  methode  moet  gebruiken,  zou  men  mogen 
verwachten  haar  in  vollen  omvang  te  zien  toegepast.  In  ons 
geval,  waar  het  er  om  gaat  het  tot  stand  komen  van  over- 
tuigingen bij  het  menschelijk  ras  te  bestudeeren,  zou  men 
dus  mogen  verwachten  een  uitvoerig  experimenteel  onder- 
zoek ,  zich  richtende  op  een  groot  aantal  vertegenwoordigers 
van  menschentypen ,  die  zoo  ver  mogelijk  uiteenloopen  in 
de  wijze ,  waarop  overtuiging  bij  hen  tot  stand  komt.  Immers 
dat  er  in  den  afloop  der  bewustzijnsprocessen,  die  eindigen 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  411 

in  de  vorming  van  een  overtuiging,  verschillen  zullen  ge- 
vonden worden  tusschen  verschillende  individuen  en  rassen, 
laat  zich  van  te  voren  verwachten.  Niemand  betwijfelt,  dat 
wanneer  in  stede  van  Tartarin  de  Tarascon  bijv.  Hermann 
von  Helmholtz  deel  genomen  had  aan  het  beroemde  gesprek 
met  Gonzague  Bompard ,  het  den  laatste  niet  gelukt  zou  zijn 
zijn  hoorder  te  overtuigen ,  dat  geheel  Zwitserland  in  exploi- 
tatie genomen  was  door  een  Engelsche  Maatschappij ,  die 
door  haar  voortreffelijke  veiligheidsmaatregelen  het  beklimmen 
ook  van  de  schijnbaar  moeilijkste  bergen  tot  een  ongevaar- 
lijk en  gemakkelijk  tijdverdrijf  had  gemaakt.  De  wijze , 
waarop  overtuigingen  tot  stand  komen,  schijnt  nu  eenmaal 
geheel  anders  te  zijn  bij  een  Duitsch  natuuronderzoeker  dan 
bij  een  rentenier  uit  Zuidelijk  Frankrijk. 

Men  zou  dus  recht  hebben  te  verwachten,  dat  een  aan- 
hanger der  experimenteele  methode  rekening  zou  houden 
met  dergelijke  voor  de  hand  liggende  verschillen,  en  niet 
dan  na  een  uitgebreid  onderzoek  der  verschillende  typen 
zou  trachten  een  algemeene  wet  te  formuleeren.  Van  een 
zoodanig  onderzoek  blijkt  echter  niets;  er  wordt  slechts 
geëxperimenteerd  op  één  enkel  individu,  den  onderzoeker  zelf, 
en  de  daarbij  gevonden  psychische  regelmatigheden  worden 
geproclameerd  tot  algemeen  menschelijke  denkwetten.  Reeds 
dit  feit  op  zich  zelve  bewijst,  dat  ook  de  vurigste  psycho- 
logist  toch  in  den  grond  zijns  harten  overtuigd  is,  dat  de 
logische  wetten  iets  anders  zijn ,  en  anders  gevonden  moeten 
worden,  dan  causale  natuurwetten.  Men  stelle  zich  den 
chemicus  voor,  die  uit  den  aard  van  één  enkele  reactie  de 
algemeene  wetten  der  affiniteit  zou  willen  vaststellen,  of 
den  physicus,  die  den  aard  der  moleculaire  krachten  zou 
willen  bepalen  op  grond  van  één  bepaling  van  de  opper- 
vlakte-spanning van  verdund  zwavelzuur.  Inderdaad ,  degene 
die  gewend  is  op  eigen  gebied  de  natuurwetenschappelijke 


412  PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA. 

methode  te  hanteeren,  kan  niet  anders  dan  verbaasd  zijn 
over  de  wijze ,  waarop  hier  quasi  langs  natuurwetenschappe- 
lijken  weg  resultaten  worden  verkregen. 

§  13.  Maar  zien  wij  af  van  de  wijze,  waarop  de  resul- 
taten verkregen  zijn,  en  wenden  wij  ons  tot  die  resultaten 
zelve.  Als  een  natuurwet,  die  voor  het  denken  even  veel- 
omvattend is  als  de  wet  der  traagheid  en  van  het  parallelogram 
van  krachten  voor  de  bewegingsleer,  leeren  wij  de  wet  der 
contradictie  kennen.  Deze  wet  nu  luidt,  dat  „bevestiging 
en  ontkenning  in  't  denken  elkaar  uitsluiten,  dat  derhalve 
naast  de  overtuiging  „A  is  B"  de  overtuiging  „A  is  niet  B" , 
en  naast  de  overtuiging  „Ais  niet  B"  de  overtuiging  „A  is B" 
in  't  denken  niet  bestaan  kan."  ^)  De  lezer,  die  zich  nog 
niet  ingedacht  heeft  in  Heymans'  gedachtengang,  zal  daarbij 
allicht  denken ,  dat  bedoeld  is  de  wet  van  logischen  samen- 
hang: dat  de  geldigheid  van  een  stelling:  „A  is  B"  de 
geldigheid  der  stelling:  „A  is  niet  B"  uitsluit,  en  omgekeerd. 
Maar  dat  dit  geenszins  Heymans'  bedoeling  is,  dat  deze 
volkomen  ernst  maakt  met  zijn  voornemen ,  niet  logische 
regels  voor  idealiteiten ,  maar  causale  regels  voor  realiteiten 
op  te  stellen,  blijkt  afdoende  uit  de  wijze,  waarop  Heymans 
zijn  regel  verdedigt  tegen  daartegen  ingebrachte  bezwaren. 
Opgevat  als  een  causale  regel  van  bewustzijnsverloop  toch, 
en  uitgedrukt  in  de  daarvoor  passende  terrfiinologie ,  zou 
die  regel  eigenlijk  moeten  luiden:  dat  het  bestaan  van  de 
overtuiging  „A  is  B"  het  bestaan  van  den  bewustzijnstoestand 
„A  is  niet  B"  onmogelijk  zou  maken.  Toch  leert  ons  de  meest 
alledaagsche   ervaring,  dat  niet  alle  menschen  eenstemmig 


1)  ...  das  Gesetz  des  Widerspruchs  (principium  contradictionis),  welches 
besagt,  dass  Bejahung  und  Verneinung  im  Denken  sich  ausschliessen,  dass 
also  neben  dem  Urtheil  „A  ist  B"  das  Urtheil  „A  ist  nicht  B",  und  neben  dem 
Urtheil  „A  ist  nicht  B"  das  Urtheil  „A  ist  B"  im  Denlcen  nicht  bestehen 
kann.  (p.  67.) 


PSYCHOLOGIE   EN    LOGICA.  413 

denken.  Daartegenover  is  nu  tweeërlei  handelwijze  mogelijk: 
óf  men  geeft  den  regel  op  als  causale  natuurwet,  óf  men 
beperkt  hem  zoodanig,  dat  hij  met  de  werkelijkheid  over- 
eenkomt. Heymans  kiest  den  laatsten  weg,  en  daaruit  blijkt 
ten  duidelijkste,  dat  het  hem  inderdaad  om  causale  wetten 
van  bewustzijnsverloop  te  doen  is.  Hij  begint  met  de  beper- 
king in  te  voeren,  dat  de  twee  overtuigingen  bestaan  moeten 
bij  denzelfden  persoon.  Maar  omdat  het  maar  al  te  waar  is, 
dat  ook  dezelfde  persoon  wel  eens  tegenstrijdige  overtui- 
gingen heeft,  gaat  hij  verder  in  die  richting  en  zegt :  „Inderdaad 
is  toe  te  geven,  dat  de  onwetenschappelijke  mensch,  en 
ook  wel  de  wetenschappelijke,  op  verschillende  tijden  ver- 
schillende en  met  elkaar  strijdige  dingen  volhoudt.  Maar 
dan  heeft  hij  zijn  vroegere  meening  vergeten,  of  gelooft 
haar  niet  meer.  Maar  niet  waar  is  de  bewering  van  hen, 
die  in  de  wet  der  tegenstrijdigheid  geen  natuurwet  willen 
zien ,  in  den  eenigen  zin  waarin  die  bewering  iets  bewijzen 
zou:  nl.  als  beweerd  zou  worden,  dat  gelijktijdig  in  één 
bewustzijn  als  tegenstrijdig  ingeziene  oordeelen  naast  elkaar 
bestaan  kunnen.  Zoolang  zulk  een  geval ,  dus  een  met 
inzicht  uitgesproken  oordeel  van  den  vorm:  „A  is  B  en 
niet  B",  niet  bewezen  is,  zoolang  mag  de  feitelijke  geldig- 
heid van  de  wet  der  identiteit  zoo  weinig  geloochend 
worden  als  bijv.  de  feitelijke  geldigheid  der  chemische 
wetten ,  die  zeggen  dat  waterstof  en  zuurstof  een  verbinding 
aangaan ,  geloochend  mag  worden  omdat  waterstof  en  zuur- 
stof, op  verschillende  plaatsen  bewaard,  zich  niet  verbinden. 
De  onmiddellijke  aanraking  is  in  beide  gevallen  de  nood- 
zakelijke voorwaarde  voor  het  werken  der  psychische  of 
chemische  krachten."  ^) 


1)  Wahr  ist  (diese  Behauptung)  In  dem  Sinne,  dass  der  natürliche  (auch 
wohl  einmal  der  wissenschaftliche)  Mensch  zu  verschiedenen  Zeiten  Ver- 
schiedenes  und   Widersprechendes  behaupten;  nur  deshalb  aber,  weil  jetzt 


414  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

De  wet  der  contradictie,  die  de  grondwet  is  voor  het 
denicen ,  zooals  de  mechanische  wetten  voor  de  beweging  ^) 
moet  dus,  wel  beschouwd,  aldus  luiden,  dat  de  aanwezig- 
heid van  de  overtuiging  „A  is  B"  bij  een  bepaald  persoon 
het  onmogelijk  maakt,  dat  bij  denzelfden  persoon  en  gelijk- 
tijdig de  overtuiging:  „A  is  niet  B"  bestaat.  Wilden  wij  dit 
„gelijktijdig"  streng  opvatten,  dan  kwamen  wij  daarmede 
van  Scylla  op  Charybdis.  Omvatte  de  regel  zooeven  veel  te 
veel,  zoodat  hij  foutief  werd,  thans  zou  hij  zoo  beperkt 
worden,  dat  hij  eigenlijk  niets  meer  zegt.  Want  het  bestaan 
van  de  overtuiging  „A  is  B",  d.  w.  z.  het  beleven  van  den 
met  overtuigingsgevoel  gepaard  gaanden  bewustzijnstoestand 
„A  is  B"  sluit,  voor  dit  oogenblik  en  dien  bepaalden  per- 
soon, niet  alleen  de  overtuiging  „A  is  niet  B"  uit,  maar  —  voor 
zoover  althans  mijn  ervaring  reikt  —  tevens  het  bestaan 
van  welke  andere  overtuiging  ook,  bijv.  „C  is  D".  En  dus  zou 
naar  Heymans'  nieuwe  formuleering  zijn  „algemeenste  natuur- 
wet" eigenlijk  niets  anders  zijn  dan  een  zeer  bijzonder  ge- 
val van  deze  psychologische  waarheid,  dat  een  mensch  zijn 
volle  aandacht  slechts  aan  één  ding  tegelijk  kan  geven. 

Maar   het   is    duidelijk,    dat  niet   aldus  het  „gelijktijdig" 


andere  Gründe  vorliegen  als  früher,  und  er  seine  frühere  Behauptiing  sowie 
die  Gründe  derselben  jetzt  nicht  melir  anerlcennt  oder  auch  vergessen  iiat — 
Unwahr  ist  dagegen  der  Göringsche  Satz  in  der  einzigen  Bedeutung,  in 
welcher  derselbe  etwas  beweisen  würde:  wenn  es  namlich  heissen  soll,dass 
gleichzeitig,  in  einem  Bewusstsein,  als  widersprecliend  erkannte  Urtheile  neben- 
einander  bestehen  können.  Solange  ein  solcher  Fall,  also  ein  mit3ewusstsein 
ausgesprochenes  Urtheil  von  der  Form:  A  ist  B  und  nicht  B,  nicht  nachge- 
wiesen  worden  ist,  solange  darf  die  thatsachliche  Geltung  des  Identitatsatzes 
ebensowenig  geleugnet  werden,  wie  etwa  die  thatsachliche  Geltung  der  che- 
mischen  Gesetze,  weil  Wasserstoff  und  Sauerstoff,  an  verschiedenen  Orten 
aufbewahrt,  keine  Verbindung  eingehen.  Der  unmittelbare  Contact  ist  eben  in 
beiden  Pallen  die  nothwendige  Bedingung  für  das  Wirksamwerden  der  psy- 
chischen  oder  chemischen  Krafte  (p.  12). 
1)  Vgl.  p.  395. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  415 

bedoeld  is.  Er  moet  bedoeld  zijn  „gelijktijdig"  in  den  zin  van 
het  practische  leven,  d.  v^.  z.  „binnen  zekeren  niet  al  te 
langen  tijd",  die  verder  onbepaald  wordt  gelaten.  Nauwkeu- 
rig geformuleerd  zou  dus  Heymans'  wet  der  contradictie 
aldus  moeten  luiden:  „Het  optreden  van  de  overtuiging  „A 
is  B"  bij  een  bepaald  persoon  maakt  het  optreden  van  de 
overtuiging  „A  is  niet  B"  bij  dien  persoon  binnen  zekeren 
niet  nader  bepaalden  termijn  onmogelijk." 

§  14.  Nu  schijnt  mij  zelfs  in  deze  beperkte  formuleering  de 
regel  foutief,  als  in  strijd  met  de  feiten.  Mij  althans  is  het 
herhaaldelijk  voorgekomen,  dat  ik  bij  het  optellen  van  een 
lange  reeks  cijfers  bij  eerste  telling  tot  de  overtuiging  kwam : 
„Die  som  is  (bijv.)  3776"  terwijl  de  tweede  telling  mij  de 
overtuiging  gaf:  „Die  som  is  3766".  Ware  inderdaad  de 
regel  van  Heymans  een  algemeene  wet  van  bewustzijnsver- 
loop,  dan  zou  de  tweede  overtuiging  zich  niet  baan  hebben 
kunnen  breken,  zoo  kort  nadat  de  eerste  overtuiging 
had  bestaan.  Toch  durf  ik  te  zeggen,  dat  ik  in  deze  niet 
alleen  sta.  En  gelukkig,  dat  dit  zóo  is.  Hoe  zou  men  ooit 
iemand  van  dwaling  kunnen  overtuigen,  wanneer  werkelijk 
het  bestaan  van  een  overtuiging  voor  korter  of  langer  tijd 
het  opkomen  van  tegengestelde  overtuigingen  onmogelijk 
maakte.  Iedereen,  die  inziet,  „dat  hij  zich  vergist  heeft"  is 
een  levend  getuige  tegen  den  aldus  geformuleerden  regel 
van  bewustzijnsverloop.  Ja,  dat  er  zoo  iets  als  „problemen" 
bestaan,  berust,  zooals  Heymans  zelf  op  een  andere  plaats 
toegeeft,  uitsluitend  daarop,  dat  men  langs  zekeren  weg  tot 
de  overtuiging  komt  „A  is  B,"  en  onmiddellijk  daarop  langs 
anderen  weg  tot  de  overtuiging  „A  is  niet  B". 

Nu  voere  men  hiertegen  niet  aan,  dat  men  in  zulk  een 
geval,  bijv.  in  het  geval  van  de  rekensom  die  eenmaal 
3776  en  de  tweede  maal  3766  oplevert,  onmiddellijk  de 
overtuiging   voelt  opkomen:  „Ik  heb  gedwaald  in  minstens 


416  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

één  dier  gevallen."  Immers  wie  zoo  zou  spreken,  zou  too- 
nen,  nog  volstrekt  niet  te  begrijpen  waarom  het  gaat,  nl. 
om  het  constateeren  van  causale  betrekkingen  tusschen 
reëele  bewustzijnstoestanden.  Mijn  overtuiging:  „Die  som  is 
3776"  is  één  feit;  mijn  daarna  optredende  overtuiging :  „Die 
som  is  3766"  is  een  ander  feit.  Dat  nu  deze  beide  feiten, 
kort  op  elkaar  volgende ,  te  zamen  oorzaak  zijn  van  een  der- 
den bewustzijnstoestand:  „Ik  moet  gedwaald  hebben",  of 
iets  dergelijks,  moge  op  zich  zelf  weder  aanleiding  geven  een 
wet  van  bewustzijnsverloop  te  formuleeren,  dit  kan  nooit  het 
feit,  dat  die  beide  overtuigingen  bestaan  hebben,  ongedaan 
maken.  Een  causale  wet,  die  de  mogelijkheid  van  het  op- 
treden van  den  tweeden  bewustzijnstoestand  onder  die  om- 
standigheden loochent,  kan  niet  juist  zijn. 

Men  kan  beproeven  door  een  andere  formuleering  aan 
dit  bezwaar  te  ontkomen,  en  aldus  een  aequivalent  van 
Heymans'  regel  formuleeren :  Wanneer  kort  na  het  ontstaan 
van  een  overtuiging  „A  is  B"  bij  denzelfden  persoon  een 
daarmede  strijdige  overtuiging  ontstaat,  dan  volgt  daarop 
onmiddellijk  en  met  noodzakelijkheid  het  optreden  van 
het  oordeel :  „Een  van  mijn  beide  vorige  oordeelen  was  on- 
juist". Het  komt  mij  voor,  dat  daarin  eigenlijk  de  quintessens 
besloten  is  van  wat  Heymans  bedoelt. 

Helaas,  ook  dan  nog  schijnt  mij  de  regel  foutief.  Men 
moge  zoo  weinig  als  ik  zelf  geneigd  zijn  de  juistheid  der 
leer  van  de  coincidentia  oppositorum  toe  te  geven,  daarom 
te  loochenen,  dat  aanhangers  van  die  leer  geleefd  hebben, 
en  nog  leven,  gaat  toch  moeilijk,  heden  ten  dage  nog 
heel  wat  moeilijker  dan  toen  Heymans  zijn  boek  schreef. 
En  wie  in  de  gelegenheid  is,  na  te  gaan  hoe  onze  jong- 
Hegelianen  op  dit  punt  denken,  zal  spoedig  ontwaren, 
dat,  om  een  enkel  voorbeeld  te  noemen,  bij  hen  de  over- 
tuiging:  „Denken  is  zijn",  optredende   onmiddellijk  na  de 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  417 

overtuiging:  „Denken  is  niet  zijn"^),  volstrekt  niet  leidt 
tot  liet  optreden  van  het  oordeel :  „Ik  moet  mij  vergist 
hebben" ,  maar  veeleer  töt  het  optreden  van  gansch  an- 
dere oordeelvellingen,  bijv.:  „Ziehier  opnieuw  een  bewijs 
voor  de  juistheid  van  Hegel's  leer".  Nog  eens,  men  moge 
dezen  gedachtengang  al  of  niet  kunnen  billijken,  het  feit 
zelve,  dat  hij  bestaat,  laat  zich  niet  loochenen. 

§  15.  Op  geenerlei  wijze  dus  schijnt  het  mij  mogelijk 
een  formuleering  van  de  door  Heymans  bedoelde  wet  te 
geven ,  die  niet  met  de  feiten  in  botsing  komt.  Maar  zien 
wij  af  van  deze  tegenwerpingen  en  de  daaraan  geknoopte 
pogingen  tot  andere  formuleering,  en  houden  wij  ons  aan 
Heymans'  regel  zelf.  Ook  dan  moeten  wij  uit  den  aard  van 
dien  regel  zelf  reeds  tot  de  overtuiging  komen,  dat  hier 
geen  sprake  kan  zijn  van  een  natuurwet,  laat  staan  van  de 
hoogste  natuurwet  van  een  gansche  groep  verschijnselen 
zooals  de  wetten  der  traagheid  of  van  het  parallelogram 
van  krachten,  maar  dat  in  het  beste  geval  slechts  ge- 
sproken kan  worden  van  een  empirische  regelmatigheid  in 
den  zin  ongeveer  van  de  regels,  die  opgesteld  zijn  om 
den  samenhang  van  zonnevlekken  en  weersgesteldheid  aan 
te  geven. 

Immers  wat  ons  aan  Heymans'  regel  allereerst  treft,  is 
zijn  vaagheid.  Heymans  zelf  legt  er  nadruk  op,  dat  men 
de  tijdsbepaling  niet  uit  den  regel  mag  weglaten.  De  regel, 
dat  bij  éénzelfden  persoon  het  bestaan  van  de  overtuiging 
„A  is  B"  het  bestaan  van  de  overtuiging  „A  is  niet  B" 
voor  altijd  zou  uitsluiten,  zou  foutief  zijn,  zooals  hij  uit- 
drukkelijk toegeeft.  De  tijd  is  dus  een  factor,  waarmede 
voor  de  toepassing  van  dezen  regel  nauwkeurig  rekening 
moet  gehouden  worden.  Welnu,  dan  zou  ook,  wanneer  het 


I)  Verg.  Bolland.  Zuivere  rede  p.  46  en  passin. 

27 


418  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

hier  een  echte  natuurwet  betrof,  die  invloed  van  den  tijd  vol- 
komen ondubbelzinnig  moeten  zijn  bepaald.  D.  w.  z.  —  steeds 
aangenomen ,  dat  de  regel  juist  is  —  er  zou  nauwkeurig 
aangegeven  moeten  worden,  hoe  lang  de  termijn  is,  ge- 
durende welken  het  optreden  der  tweede  overtuiging  wordt 
uitgesloten  door  het  bestaan  hebben  der  eerste,  en,  mocht 
die  termijn  niet  voor  alle  individuen  dezelfde  zijn,  dan  zou 
in  een  algemeene  natuurwet,  die  vergelijkbaar  ware  met 
physische  of  chemische  wetten,  moeten  zijn  geformuleerd 
van  welke  eigenaardigheden  van  het  individu  die  termijn 
afhangt,  en  op  welke  wijze  hij  ervan  afhangt.  Of,  mathe- 
matisch gesproken,  om  ooit  voor  een  natuurwet  als  die 
van  het  parallelogram  van  krachten  te  kunnen  worden  ge- 
houden ,  zou  de  regel  moeten  luiden :  Bij  een  individu  van 
de  eigenaardigheden  a,  b,  c,  etc,  maakt  het  optreden  van 
de  overtuiging  „A  is  B"  gedurende  ƒ  (a,  b,  c,  etc)  se- 
conden het  optreden  van  de  overtuiging  „A  is  niet  B"  on- 
mogelijk. Dat  de  psychologie  van  het  bepalen  van  zooda- 
nige afhankelijkheid  nog  zeer  ver  verwijderd  is ,  zal  ieder 
toegeven,  ook  al  mocht  hij  geen  oogenblik  betwijfelen,  dat 
zij  op  den  duur  tot  zulke  regels  zal  kunnen  en  dus  zal 
moeten  komen;  ^) 

Wie  ingezien  heeft,  wat  met  de  voorgaande  opmerking 
werd  bedoeld,  zal  thans  geheel  anders  dan  wij  zooeven 
deden,  oordeelen  over  de  wijze,  waarop  Heymans  tot  zijn 
regel  komt.  Wij  wraakten  het  boven,  dat  aan  het  opstellen 
van  dien  regel  niet  een  uitvoerig  empirisch  onderzoek  naar 
de  eigenaardigheden  van  de  meest  uiteenloopende  typen  was 
voorafgegaan.  Wjj  wezen  er  op,  dat  personen  als  Tartarin  de 

1)  Ik  voor  mij  twijfel  ernstig  op  dit  punt.  Ik  lioop  op  deze  quaestie  binnen 
niet  al  te  langen  tijd  uitvoeriger  terug  te  kunnen  komen.  Dan  zal  tevens 
blijken,  waarom  ik  wel  aanneem,  dat  overtuigingen  veroorzaakt  kunnen 
zijn  (p.  393)  en  toch  niet  met  het  determinisme  in  zijn  gewoonlijk  voorge- 
dragen vorm  kan  meegaan. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  419 

Tarascon  en  Hermann  von  Helmholtz  zeer  ver  uiteenloopen  in 
de  wijze ,  waarop  hun  overtuigingen  ontstaan ,  en  wij  leidden 
daaruit  af,  dat  een  algemeene  natuurwet  over  liet  ontstaan 
dier  overtuigingen  alleen  mocht  opgesteld  worden  op  grond 
van  uitgebreid  empirisch,  liefst  experimenteel  onderzoek. 
Thans  is  het  duidelijk,  waarom  Heymans  voor  het  opstellen 
van  zijn  regel  zulk  een  onderzoek  kon  ontberen.  Immers 
het  is  duidelijk,  dat  de  verschillen  der  individuen  voor- 
namelijk daarin  zullen  bestaan,  dat  bij  den  een  gansch 
andere  processen  zullen  verloopen  vóór  hij  tot  een  nieuwe 
overtuiging  komt  dan  bij  den  ander,  dat  zij  dus  ook  aan- 
merkelijk zullen  verschillen  in  den  tijd,  die  verloopt  tusschen 
het  bestaan  van  de  overtuiging  „A  is  B"  en  van  de  daarmede 
strijdige  overtuigingen.  Of,  mathematisch  uitgedrukt:  Deindivi- 
dueele  verschillen  zullen  zich  —  aangenomen ,  dat  de  regel 
voor  allen  geldt  —  openbaren  in  de  waarde  der  parameters 
fl,  b,  c,  etc.  en  den  vorm  der  functie  ƒ.  Voor  het  opstellen 
van  een  exacte  wet  zou  dus  zeker  diepgaande  studie  van 
vele  individuen  vereischt  zijn,  voor  de  vage  algemeenheid 
echter,  die  ontstaat,  wanneer  men  den  aard  dier  afhankelijk- 
heid volkomen  in  't  midden  laat,  mag  zulk  een  experimenteel 
onderzoek  overbodig  geacht  worden. 

Zondigt  dus  door  zijn  vaagheid  Heymans'  regel  tegen  den 
eersten  eisch,  die  aan  een  natuurwet  te  stellen  is,  hij  doet 
het  ook  in  een  ander,  zij  het  ook  nauw  daarmede  samen- 
hangend opzicht:  hierin  n.1.  dat  hij  niet  ondubbelzinnig  den 
afloop  der  gebeurtenissen  bepaalt.  De  regel :  Bij  een  persoon , 
die  de  overtuiging  „A  is  B"  heeft  beleefd,  kan  niet  binnen 
zekeren  termijn  de  overtuiging  „A  is  niet  B"  optreden, 
bepaalt  alleen  wat  er  niet  gebeurt;  hij  laat  ons  geheel  in 
het  duister,  als  wij  vragen,  wat  er  wei  gebeurt  als  iemand 
de  overtuiging  „A  is  B"  bezit.  Daardoor  onderscheidt  hij 
zich    ten  eene  male    van    elke   werkelijke    natuurwet.    Een 


420  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

t 

natuurwet  geeft  volkomen  exact  aan,  welke  bepaalde  ge- 
beurtenissen op  deze  bepaalde  moeten  volgen;  zij  leert  ons 
nauwkeurig  berekenen  wat  op  een  tijdstip  /g  gebeurt,  als 
op  het  tijdstip  t^  die  en  die  toestanden  heerschen.  Daarop 
berust  immers  juist  ook  haar  waarde  voor  de  practijk.  Om 
met  zulk  een  wet  vergelijkbaar  te  zijn  zou  een  psychologische 
wet,  die  nog  wel  aanspraak  maakt  te  behooren  tot  de 
meest  algemeene  natuurwetten,  ons  in  staat  moeten  stellen 
uit  zekere  eigenaardigheden  van  een  individu ,  dat  op  het 
tijdstip  tl  de  overtuiging  „A  is  B"  heeft,  te  berekenen, 
welke  overtuiging  dit  individu  zal  hebben  op  het  tijdstip  t^. 
De  regel,  dat  hij  op  het  tijpstip  t^  niet  de  overtuiging  „A  is 
niet  B"  zal  hebben  —  zelfs  al  liet  zich  de  grens  van  dit 
tijdstip  volkomen  exact  aangeven  —  kan  even  weinig  als 
meest  algemeene  natuurwet  van  een  groep  verschijnselen 
gelden,  als  bijv.  de  regel:  „Wanneer  twee  krachten  van 
zekere  grootte  onder  zekeren  hoek  op  een  lichaam  werken, 
zal  dit  lichaam  op  den  duur  niet  in  rust  blijven",  de  plaats 
zou  kunnen  innemen  van  de  mechanische  grondwetten.  *) 
§  16.  Golden  onze  voorafgaande  bezwaren  de  vraag:  of 
Heymans'  psychologische  regel  wel  juist  is,  en  zoo  ja,  of 
hij  als  een  natuurwet  in  den  zin  der  mechanische  wetten 
mag  beschouwd  worden,  mijn  laatste  bezwaar  geldt  de 
poging  dezen  regel  in  de  plaats  te  stellen  van  het  logische 
principium  contradictionis.  En  dit  bezwaar  blijft  bestaan, 
ook  al  zou  men  toegeven,  èn  dat  Heymans'  regel  juist,  èn 
dat  hij  een  natuurwet  is.  Ik  bedoel,  dat  niet  alleen  om 
de  reden,  die  ik  reeds  noemde,  —  dat  nl.  een  regel  van 
causaal  verband  tusschen  realiteiten  nooit  een  regel  van 
logisch    verband    tusschen    stellingen    kan   vervangen,    — 


1)  In  beide  opzichten  zou  zelcer  de  boven  (p.  416)  geformuleerde  regel  — 
gesteld,  dat  hij  juist  ware  —  zeer  veel  beter  voldoen  aan  de  aan  een  natuurwet 
te  stellen  eischen  dan  de  regel  van  Heymans. 


PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA.  421 

maar  ook  nog  om  een  andere  reden  het  ook  voor  den 
meest  overtuigden  psychologist  duidelijk  moet  zijn,  dat 
het  gebied  van  aanwending  dier  beide  regels  geheel  ver- 
schillend is.  Heymans  zelf  wijst  uitdrukkelijk  op  het  feit, 
dat  het  bestaan  van  de  overtuiging,  „A  is  B"  bij  zekeren 
persoon  volstrekt  niets  beslist  over  het  bestaan  van  de 
overtuiging  „A  is  niet  B"  bij  een  anderen  persoon.  Zijn 
regel  van  causaal  verband  wil  alleen  iets  zeggen  over  het 
bestaan  van  overtuigingen  bij  denzelfden  persoon.  Wanneer 
dus  de  heer  A  meent,  dat  Amsterdam's  prise  d'eau  zal  ver- 
zouten  door  diepe  draineering,  en  de  heer  B  daarentegen 
dat  daartoe  niet  de  minste  kans  bestaat,  dan  laat  zich 
omtrent  die  feiten  uit  Heymans'  regel  verder  niets  afleiden; 
die  regel  is  op  dit  geval  niet  van  toepassing,  omdat  de 
voorwaarde  van  toepasselijkheid  ontbreekt.  Het  principium 
contradictionis,  als  regel  van  logisch  verband  daarentegen,  is 
wel  degelijk  op  die  beide  stellingen  van  toepassing,  en  het 
zegt,  kort  en  krachtig,  dat  als  de  heer  A  gelijk  heeft,  B  zich 
vergist. 

§  17.  En  daarmede  zijn  wij  genaderd  tot  ons  derde  hoofd- 
punt: het  teleologisch  karakter  der  logica.  Immers  wat  be- 
teekent  die  laatste  uitspraak  eigenlijk.  Niets  anders  toch 
dan  dit,  dat  het  logisch  principium  contradictionis  een  regel 
van  waardebeoordeeling  is,  een  teleologische  regel.  Het 
zegt,  dat  van  twee  tegenstrijdige  stellingen  altijd  maar  één 
waarde  heeft  voor  de  bereiking  van  waarheid.  En  zooals 
deze  regel,  zoo  is  elke  logische  regel  teleologisch,  en  de 
logica  is  een  teleologisch  onderzoek,  dat  zich  ten  doel  stelt 
te  bepalen  welke  waarde  aan  elke  wetenschap  in  't  bijzon- 
der, en  aan  de  wetenschap  en  de  bestanddeelen,  waaruit  zij 
bestaat,  in  't  algemeen,  toekomt  voor  de  realiseering  van 
het  ideaal  der  waarheid. 

Laat   ons    thans  zien,  hoe  Heymans  staat  tegenover  deze 


422  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

opvatting,  met  name  of  het  in  den  aanhef  van  zijn  boek 
zoo  Icrachtig  op  den  voorgrond  gestelde  a-teleologisch  karak- 
ter van  zijn  logica  door  hem  zelf  kan  worden  gehandhaafd. 
Hierbij  nu  treft  het  ons  in  de  eerste  plaats,  dat  Heymans 
zelf  voortdurend  erkent,  en  moet  erkennen,  dat  er  naast 
causaal  verband  nog  een  geheel  andersoortig  verband  be- 
staat. Zelfs  Heymans  wordt  hier  inconsequent,  en  hij  moet 
het  worden,  want  reeds  de  formuleering  van  zijn  hoofdwet 
zou  onmogelijk  worden,  zoodra  hij  ernst  zou  willen  maken 
met  de  loochening  van  logisch  verband.  Immers  wat  wordt 
er  van  die  hoofdwet:  „dat  een  persoon  op  hetzelfde  oogen- 
blik  niet  overtuigd  kan  zijn  van  twee  tegenstrijdige  stellingen", 
wanneer  men  logisch  verband  loochent.  Door  die  formu- 
leering zelf  is  immers  reeds  logisch  verband  erkend.  Hey- 
mans' geheele  regel  toch  komt  hierop  neer,  dat  wanneer 
twee  stellingen  in  het  logische  verband  van  uitsluiting  staan, 
een  bewustzijnstoestand  correlaat  met  de  eene  daarvan,  op- 
tredende bij  een  bepaald  individu,  gedurende  zekeren  tijd 
bij  dat  individu  het  optreden  onmogelijk  maakt  van  een 
bewustzijnstoestand ,  die  correlaat  is  met  de  andere  stel- 
ling. Maar  wat  beteekent  dit  voor  iemand,  die  niet  weet, 
dat  zoo  iets  als  logisch  verband  bestaat?  Wel  verre  van 
in  de  plaats  te  treden  van  logische  regels  kan  Heymans' 
regel  eerst  geformuleerd  worden  door  hem,  die  logisch 
verband  erkent.  Reeds  om  aan  te  wijzen  op  welk  ma- 
teriaal die  regel  toepasselijk  zal  zijn,  dient  men,  wel  niet 
abstract,  maar  althans  intuïtief  ^),  logisch  verband  van 
stellingen  te  kennen.  En  dit  ligt  geenszins  aan  Heymans' 
formuleering.  Ook  in  onze  gansch  andere  formuleering  lag 
opgesloten  de  erkenning  van  logisch  verband;  ook  wij  ge- 


1)  Over  het  verschil  van  abstracte  en  intuïtieve  kennis  zie  Spruyt,  Gesch. 
der  Wijsbegeerte,  p.  181  seq. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  423 

bruikten  logische  regels,  en  moesten  ze  gebruiken,  tot  aan- 
duiding van  het  materiaal  van  onzen  causalen  regel,  toen 
wij  spraken  van  het  ontstaan  van  een  overtuiging  „A  is  B" 
en  een  daarmee  strijdige  overtuiging  in  hetzelfde  bewustzijn  ^). 

En  zooals  in  dit  geval ,  zoo  staat  het  ook  in  het  reeds 
besproken  geval  van  de  mogelijkheid  van  bewijzen.  Heymans 
voert  die  mogelijkheid,  en  de  daarmede  samenhangende 
causale  gedetermineerdheid  van  het  optreden  van  overtui- 
gingen ,  aan ,  om  zijn  meening  te  staven  dat  de  kennistheorie 
niets  anders  te  zoeken  heeft  dan  causaal  verband.  Maar  wel 
verre  er  vandaan  de  uitsluitende  beteekenis  van  causaal 
verband  in  't  licht  te  stellen,  krijgt  deze  geheele  gedachten- 
gang  eerst  zin  voor  hem,  die  logisch  verband  erkent.  Immers 
het  feit,  waarop  Heymans  zich  beroept,  komt  alleen  hierop 
neer,  dat,  wanneer  twee  stellingen  in  zoodanig  logisch  ver- 
band staan,  dat  de  geldigheid  van  de  eerste  de  geldigheid 
van  de  tweede  insluit,  een  bewustzijnstoestand,  die  correlaat 
is  met  de  eerste,  oorzaak  kan  worden  van  een  bewustzijns- 
toestand, die  correlaat  is  met  de  tweede.  Hij,  die  logisch 
verband  tusschen  stellingen  ontkent,  kan  zelfs  niet  het 
karakteristieke  moment  aangeven,  waardoor  zich  een  bewijs 
(hier  bedoeld  als  opeenvolging  van  bewustzijnstoestanden) 
onderscheidt  van  welke  willekeurige  opeenvolging  van  over- 
tuigingen ook. 

§  18.  Wie  hierop  attent  geworden  is,  zal  in  Heymans' 
boek  niet  éénmaal ,  maar  tallooze  malen  afwijking  vinden 
van  den  in  het  programma  gestelden  eisch,  dat  de  wetenschap 
uitsluitend  met  causaal  verband  rekening  houde,  en  dat  alle 
waardebeoordeeling  buiten  de  zuivere  theorie  blijve.  Zoo 
vinden  wij  reeds  in  §  2  deze  formuleering  van  het  probleem, 
dat  aanleiding  geeft  tot  de  kennistheorie:  „Onderzoeken  wij  de 

1)  Verg.  p.  416.  / 


424  PSYCHOLOGIE  EN   LOGICA. 

feitelijk  gegeven  wetenschap,  dan  vinden  wij  tot  onze  ver- 
bazing, dat  zij  op  alle  gebied  oneindig  meer  inhoudt  dan 
onze  ervaring  schijnt  te  Icunnen  waarborgen."  ^)  En  op 
pag.  9  lezen  wij :  „De  verschijnselen  van  het  wetenschappelijk 
denken ,  welke  wij  in  de  vorige  paragraaf  hebben  leeren 
kennen ,  zijn  ons  daarom  onverstaanbaar  en  ondenkbaar,  om- 
dat wij ,  ieder  voor  zich ,  er  vast  van  overtuigd  zijn ,  dat  we 
redelijke ,  naar  toereikende  gronden  oordeelende  wezens 
zijn."  ^)  Terwijl  wij  reeds  op  pag.  6  vonden :  „Wij  beschou- 
wen, in  overeenstemming  met  het  voorgaande,  ervarings- 
gegevens en  overtuigingen  uitsluitend  als  causaal  verbonden 
bewustzijnsverschijnselen,  en  constateeren  geheel  empirisch 
het  feit,  dat  in  deze  overtuigingen  veel  opgesloten  ligt,  wat 
wij  in  die  gegevens  niet  vinden.  Dit  feit  verdient,  als  alle 
feiten,  onze  achting,  maar  het  eischt  tevens,  zooals  vele 
andere,  een  verklaring.  Want  als  wij  er  ons  goed  indenken, 
dan  schijnt  het  ons  onbegrijpelijk,  ondenkbaar,  dat  wij  van 
iets  overtuigd  zouden  zijn,  zonder  dat  we  op  een  of  andere 
wijze  toereikende  gronden  daarvoor  hebben."  ^) 

Die  verbazing  verbaast  mij ,  die  onbegrijpelijkheid  is  mij 
onbegrijpelijk.  Let  wel,  op  Heymans'  standpunt.  Wie  erkent, 


1)  Untersuchen  wir  aber...  diethatsachlich  gegebene  Wissenschaft,  so finden 
wir  zu  unserem  Erstaunen,  dass  dieselbe  auf  allen  Gebieten  unendlich  mehr 
enthalt  als  die  vorliegende  Erfahrung  gewahrleisten  zu  können  scheint.  (p.  4.) 

2)  Die  Erscheinungen  des  wissenschaftlichen  Denkens  welche  wir  im  vorigen 
Paragraphen  kennen  gelernt  haben,  sind  uns  darum  unverstandlich  und 
undenkbar,  weil  wir,  jeder  für  sich,  fest  davon  überzeugt  sind,  dass  wir  ver- 
nünftige,  nach  zureichenden  Gründen  urtheilende  Wesen  sind  (p.  9). 

3) wir  betrachten,  dem  Vorhergehenden  gemass,  Erfahrungsdaten  und 

Ueberzeugungen  lediglich  als  ursachlich  verbundene  Bewusstseinserschei- 
nungen,  und  constatiren  rein  empirisch  die  Thatsache,  dassindiesen  Ueber- 
zeugungen Manches  enthaiten  ist  was  wir  in  jenen  Daten  nicht  entdecken. 
Diese  Thatsache  verdient,  wie  alle  Thatsachen,  unsere  Achtung;  zugleich 
aber  erfordert  sie,  wie  manche  andere,  eine  Erklarung.  Denn  wenn  wir  uns 
recht  in  dieselbe  hineindenken,  so  erscheint  es  uns  unverstandlich,  undenkbar, 
dass  wir  etwas  für  wahr  halten  soUten,  ohne  dass  wir  dazu  in  irgendwelcher 
Weise  im  Gegebenen  die  genügenden  Gründe  gefunden  hatten. 


PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA.  425 

dat  met  elke  overtuiging,  als  bewustzijnstoestand,  realiteit, 
beschouwd,  een  stelling  correlaat  is,  en  dat  er  tusschen 
stellingen  logisch  verband  bestaat,  die  kan  ook  zijn  onder- 
zoek beginnen  met  de  vooropgezette  meening ,  dat  twee 
bewustzijnstoestanden ,  die  in  het  causale  verband  van  oorzaak 
en  gevolg  staan,  steeds  nog  op  andere  wijze,  nl.  door  een 
bepaald  soort  van  logisch  verband  tusschen  de  correlate  stel- 
lingen, zijn  verbonden.  Misschien  kan  hij  zelfs  die  voorop- 
gevatte  meening  met  goede  argumenten  verdedigen.  Maar 
Heymans'  boek  is  immers  juist  geschreven  om  aan  te  toonen , 
dat  er,  voor  den  wetenschappelijken  onderzoeker  althans, 
geen  ander  dan  causaal  verband  bestaat,  en  dat  overtuigingen 
bewustzijnstoestanden  zijn ,  die  door  den  beoefenaar  der 
logica  juist  zoo  beschouwd  moeten  worden ,  als  bewegings- 
toestanden door  den  beoefenaar  der  mechanica  of  warmte-  en 
lichtverschijnselen  door  den  physicus.  En  plaats  ik  mij  op 
dit  standpunt,  dan  is  het  mij  ten  eenen  male  onbegrijpelijk, 
wat  een  „toereikende  grond"  is,  hoe  in  overtuigingen  iets 
„opgesloten"  kan  liggen,  hoe  onze  ervaring  iets  zou  kunnen 
„waarborgen".  Gegeven,  dat  vastgesteld  is  dat  een  over- 
tuiging een  andere  veroorzaakt,  hoe  kan  men  haar  dan 
qualificeeren  als  „ontoereikend",  toch  niet  als  ontoereikend 
om  die  tweede  te  veroorzaken?  En  hoe  kan  van  zuiver 
natuurwetenschappelijk-psychologisch  standpunt  in  een  over- 
tuiging, d.  w.  z.  een  bepaalden  bewustzijnstoestand  iets  anders 
„opgesloten"  liggen  dan  de  bewustzijnstoestanden,  die  er  de 
facto  de  gevolgen  van  zijn ,  geheel  onafhankelijk  van  de  vraag , 
hoe  die  laatste  er  uit  mogen  zien?  Wat  zijn  de  psychologische 
eigenaardigheden  van  een  overtuiging,  die  iets  anders  zou 
kunnen  „waarborgen"  ?  Gegeven  twee  paar  overtuigingen , 
waarvan  telkens  de  eerste  de  tweede  veroorzaakt,  terwijl  in 
het  eerste  geval  de  oorzaak  wèl  „toereikende  grond"  is,  in 
het  tweede  geval   niet,   door  welke   met  de   middelen  van 


426  PSYCHOLOGIE   EN   LOGICA. 

een  zuiver  causale  natuurwetenschap  aan  te  geven  eigen- 
schappen onderscheiden  zich  dan  die  twee  paren?  Het 
behoeft  immers  niet  nader  verduideliji^t  te  worden ,  dat  al 
die  uitdrukkingen  een  waardebeoordeeling  inhouden ,  een 
meten  met  een  idealen  maatstaf.  Men  gaat  er  van  uit,  dat 
datgene,  wat  er  is,  er  slechts  behoort  te  zijn  als  hel  voldoet 
aan  zekere  eischen ,  dat  speciaal  een  overtuiging  (bewust- 
zijnstoestand) alleen  dan  behoort  te  bestaan,  wanneer  hij 
zekere  eigenaardigheden  vertoont,  waardoor  hij  in  logisch 
verband  staat  met  andere,  voorafgaande  overtuigingen. 

Ook  hier,  bij  de  formuleering  van  het  probleem  van  het 
psychologisme  vindt  men  dus  hetzelfde  als  bij  de  forrnu- 
leering  van  zijn  einduitkomst  en  van  de  argumenten,  die 
er  voor  pleiten:  dat  die  formuleeringen  nl.  eerst  mogelijk 
worden  door  het  erkennen  van ,  het  zich  beroepen  op  logisch- 
teleologisch  verband.  Zoo  treft  dan  ook  het  psychologisme, 
de  leer,  dat  de  logica  causaal  verband  heeft  op  te  sporen, 
omdat  het  opsporen  van  ander  dan  causaal  verband  onmo- 
gelijk, althans  onwetenschappelijk  is,  het  lot  van  alle  on- 
juiste philosophische  theorieën :  het  heft  zich  zelve  op.  Ook 
Heymans  treft  het  lot  van  Hume:  Wil  hij  consequent  zijn, 
dan  moet  hij  zwijgen^),  want  om  het  meest  essentieele  van 
zijn  leer  te  kunnen  formuleeren,  moet  hij  zich  bedienen 
van  woorden ,  op  wier  vermeende  zinledigheid  die  leer  is 
gebouwd. 


1)  Spruyt.  Qesch.  der  Wijsbegeerte  p.  47L 


DE  WEG  TOT  DE  IDEE. 

(EEN  DENKEN  DAT  ZICHZELF   DENKT) 


DOOR 


Dr.  J.  D.  BIERENS  DE  HAAN. 


(I— III.  ONMISBAARHEID  VAN  EEN  WEG  TOT  DE  IDEE). 

I.  Het  is  der  wijsbegeerte  te  doen  om  een  verstaan  van 
de  ervaring;  immers  de  ervaarbare  wereld  is  liet  groote 
voorwerp,  dat  altijd  voorhanden  is  en  steeds  weer  ons 
noodigt  zijn  raadsel  op  te  lossen.  Maar  dit  „verstaan"  ge- 
schiedt op  bizondere  manier.  De  wijsbegeerte  komt  niet  met 
de  natuurwetenschap  in  konkurrentie,  die  ook  een  weten- 
schap van  de  ervaring  is.  Het  is  ook  niet  in  eerste  plaats 
de  natuur  wat  men  onder  „ervaarbare  wereld"  heeft  te  ver- 
staan, maar  de  geheele  inhoud  der  zelfervaring  als  een 
ervaring  van  het  menschengeslacht. 

Er  is  een  menschengeslacht,  dat  waarneemt,  voorstelt, 
denkt  en  redeneert,  goed-  en  afkeurt,  schoon-  en  leelijk 
vindt,  en  vereert.  Dit  menschengeslacht  heeft  logika,  zedelijk 
bewustzijn,  schoonheidszin,  religie;  het  lijdt  en  geniet, 
begeert  en  streeft;  het  vertoont  zich  op  verschillende  hoogten ; 
het  arbeidt,  schept,  handelt...  in  één  woord:  er  is  het 
ervaarbare  geestesleven  met  al  zijn  inhoud.  De  ervaarbare 
wereld  is  (behalve  de  objektieve  natuur)  een  veelheid  van 


428  DE   WEG   TOT   DE   IDEE 

geestelijke  verschijnselen.  Zij  moeten  wijsgeerig  doorgrond 
worden.  De  natuur  is  daarbij  wijsgeerig  verstaanbaar  niet 
in  het  opzicht  harer  bepaalde  toedrachten  en  processen 
(het  gebied  der  natuurwetenschappen)  maar  in  haar  alge- 
meen verband  met  de  wereld  des  geestes. 

De  wijsbegeerte  nu  wil  de  ervaring  (ervaarbare  wereld) 
verstaan  in  een  systeem  der  ervaring.  D.  i.  zij  wil  niets  uit 
de  ervaring  verstaan  '(gelijk  de  natuurwetenschap  de  natuur 
uit  ervaring  kent,  d.  i.  voorstelt  als  onder  wetten  staand); 
maar  zij  wil  de  ervaring  verstaan,  d.  i.  zij  wil  haar  door- 
zien in  haar  Princiep,  zooals  zich  dit  in  de  ervaring  orga- 
niseert tot  stelsel :  de  ervaring  wordt  verstaan  uit  het  andere 
dat  niet  ervaarbaar  is:  zooals  het  cirkelvlak  niet  uit  het 
vlak,  maar  van  uit  het  middelpunt  begrepen  wordt.  Dit 
andere  (Princiep)  is  de  Idee.  Het  systeem  der  ervaring  be- 
staat in  een  systeem  der  Idee.  Wij  hebben  het  systeem 
der  Idee  vast  te  stellen  en  daarmee  is  het  systeem  der 
ervaring  vastgesteld,  want  het  wordt  niet  als  pure  ideologie 
los  van  de  ervaring,  maar  aan  deze  ontwikkeld.  De  denker 
ziet  aan  de  ervaring  de  Idee  in  haar  organisatie. 

II.  Nu  dus  de  wereld  begrepen  wordt  uit  de  Idee,  moet 
er  een  weg  tot  de  Idee  zijn ,  zal  een  wijsbegeerte  mogelijk 
wezen.  Er  moet  zijn  een  eigen  weg  des  denkens  tot  de 
Idee;  een  methode  om  zich  op  haar  te  bezinnen. 

Want  de  Idee  heeft  een  zijn  op  zichzelf.  Zij  is  niet  maar 
een  bepaald  opzicht  aan  de  ervaringswereld.  Zij  is  niet  maar 
dit  opzicht  aan  de  ervaringswereld,  dat  deze  een  grens 
heeft ,  of  een  algemeene  voorwaarde  veronderstelt  —  in  welk 
geval  de  Idee  moest  genaderd  uit  de  ervaring  door  opsporing 
der  voorwaarde,  waarop  een  ervaringswereld  mogelijk  is 
(transcendentale  methode).  Alsdan  ware  van  geen  eigen  weg 
des  denkens  tot  de  Idee  sprake. 


DE  WEG  TOT   DE   IDEE.  429 

Een  natuurwet  is  wel  een  opzicht  aan  de  ervaring  (ervaarbare 
wereld),  nl.  het  opzicht  der  algemeenheid;  en  daarom  is 
er  geen  andere  manier  om  een  natuurwet  vast  te  stellen 
dan  door  van  de  ervaring  uit  te  gaan ;  maar  deze  vaststelling 
is  geen  wijsgeerige  doorgronding.  Wanneer  velen  evenzoo 
de  Idee  als  een  opzicht  der  ervaringswereld  aanzien,  geschiedt 
dit  tot  voorkoming  van  een  dualisme,  volgens  t  welk  Idee 
en  ervaringswereld  als  gescheiden  gebieden  tegenover  elkaar 
lagen.  Dit  dualisme  moet  vermeden;  maar  het  kan  ook  ver- 
meden zonder  dat  de  Idee  tot  een  mathematisch  punt  wordt 
ontledigd.  Het  monisme,  dat  men  op  deze  wijze  verkrijgt,  is 
ten  nadeele  der  Idee;  er  is  ook  een  monisme  mogelijk,  dat 
ten  voordeele  van  de  Idee  uitvalt;  en  waarbij  niet  de  ervarings- 
wereld hoofdzaak  en  de  Idee  bijzaak  wordt ,  doch  andersom. 
De  Idee  is  niet  het  denkbeeldig  punt  waar  de  ervaring  eindigt , 
maar  de  ervaring  is  het  voorstelbaar  punt  waar  de  Idee 
eindigt.  De  verhouding  tusschen  ervaring  en  Idee  moet  zoo 
gesteld,  dat  de  nadruk  op  de  Idee  en  niet  op  de  ervaring 
valt:  niet  de  Idee  is  een  opzicht  aan  de  ervaring,  maar 
de  ervaring  is  een  opzicht  aan  de  Idee;  nl.  dit  opzicht  der 
Idee  dat  zij  in  verschijning  treedt. 

In  de  verhouding  Idee-ervaringswereld  heeft  de  Idee  den 
voorrang. 

De  Idee  heeft  een  zijn  in  zichzelf,  en  zij  treedt  in  ver- 
schijning aan  het  Niet-zijn.  De  verschijning  der  Idee  is  de 
ervaringswereld  en  is  als  een  konvexe  buitenzijde  harer 
konkave  zelf-natuur.  Om  deze  verhouding  in  te  zien  moeten 
wij  dus  het  denkspook  verjagen  van  een  Idee  die  aanhangsel 
ware  aan  de  ervaring.  Juist  andersom  is  er  geen  ervaring 
dan  krachtens  de  Idee. 

Op  deze  wijze  is  een  dualisme  afwijsbaar.  De  Idee  is 
nu  evenmin  zonder  de  ervaarbare  wereld  denkbaar  als  deze 
zonder  gene;  een  van  elkaar  losgemaakt  bestaan  van  twee 


430  DE   WEG  TOT   DE   IDEE. 

grondzakelijkheden ,  is  nu  afgewezen.  Maar  de  afwijzing  is 
geschied  ten  bate  der  hoofdwaarde.  Zoo  wordt  de  Idee  ais 
waarheid  der  werl^elijlcheid  erlcend. 

Maar  dan  kan  dus  uit  de  ervaring  geen  weg  tot  de  Idee 
leiden;  evenmin  als  in  het  omgekeerd  geval  (zoo  de  Idee 
slechts  een  bepaald  opzicht  ware  van  de  ervaringswereld) 
de  ervaring  kan  gekend  worden  uit  de  Idee.  Over  deze 
laatste  onmogelijkheid  zullen  de  empiristen  u  gaarne  inlich- 
ten; over  de  eerste  lichten  wij  in. 

III.  Veelal  heeft  het  geloof  gegolden  als  een  weg  der  kennis 
tot  het  onervaarbare.  Maar  ziehier  een  term  die  meer  ver- 
warring sticht  dan  wetenschap.  Men  mag  niet  van  „geloof" 
spreken  zonder  zakelijke  bijvermelding  van  wat  men  daar- 
mee wil  verstaan.  Meestentijds  wordt  bij  dien  term  bijge- 
dacht  een  openbaring  van  hetgeen  boven  de  rede  is,  en 
welke  door  het  geloof  wordt  aangenomen.*  Daar  het  inzicht 
te  kort  schiet  moet  de  aanname  op  vertrouwen  zijn.  Geloof 
is  dan  niet  een  (eigen)  inzicht,  maar  een  ontkenning  van 
inzicht,  dus  een  blindheid.  Toch  wordt  in  de  diepzinnigste 
definitie  die  ooit  van  het  begrip  „geloof"  gegeven  is,  de 
zaak  anders  gevat.  In  het  Hoofdstuk  XI  van  -den  Brief  aan 
.  de  Hebreeërs  heet  het  geloof  een  verzekerdheid  aangaande 
*  het  onzienlijke,  waarbij  blijkbaar  aan  eene  openbaring  niet 
wordt  gedacht.  Maar  hier  is  een  handeling  van  het  menschelijk 
bewustzijn  aangeduid ,  die  ook  anders  moet  kunnen  benaamd 
worden,  en  die  nadere  bepaling  behoeft. 

De  bewustzijnshandeling  hier  bedoeld  is  daar,  waar  een 
denken  (een  bewustzijn)  niet  het  objekt  denkt,  maar  zich 
denkt;  d.  i.  waar  niet  een  objekt,  maar  het  subjekt  zelf 
inhoud  van  denken  is:  een  denken  dat  zichzelf  denkt,  is  de  weg 
tot  de  Idee.  De  mogelijkheid  van  dezen  weg  bespreken  wij 
weldra,   in   afwijking  van  de  ontkenners.  Indien  het  begrip 


DE  WEG  TOT   DE   IDEE.  431 

der  Idee'  zin  heeft ,  moet  een  denken  dat  zichzelf  denkt 
daartoe  de  weg  zijn.  ^ 

Want  de  Idee  is  grond  der  verschijning  of  grond  der 
ervaarbare  wereld ,  en  de  ervaarbare  wereld  heeft  haar  vol- 
komenheid in  het  geestesleven,  en  het  geestesleven  heeft 
zijn  zuiveren  vorm  in  de  denkverrichting:  zoo  is  dan 
deze  de  verschijning  in  haar  voorbeeldigsten  vorm.  En  zoo 
is  de  Idee,  grond  der  verschijning  zijnde,  grond  van  de 
denkverrichting.  Zoodat  een  denken,  om  de  Idee  te  bereiken, 
tot  zijn  grond  moet  wederkeeren. 

Een  denken  dat  zich  denkt,  is  een  denken  dat  tot  zijn 
grond  keert. 

Een  denken  dat  de  ervaring  denkt,  heeft  zijn  objekt  voor 
oogen  en  stelt  dit  aan  zich  tegenover.  Zoo  ik  den  samen- 
hang onderzoek  tusschen  een  stormwind  en  gekonstateerde 
temperatuurverschillen,  of  een  associatie  van  voorstellingen 
overweeg,  denk  ik  een  objektief,  aan  't  subjekt  tegenover- 
staand verloop.  Een  denken,  dat  tot  zijn  grond  keert  nu, 
is  als  een  terugkeer  van  de  objekten ,  die  ik  overdacht 
heb,  tot  het  denken  zelf,  dat  de  objekten  denkt.  Het  richt 
zich  tot  zijn  uitgangspunt ;  d.  i.  niet  tot  eenig  bepaald  uitgangs- 
punt; maar  tot  de  Idee  als  uitgangspunt  aller  ervaring  in 
het  algemeen. 

(IV-V.  EEN  DENKEN  DAT  ZICHZELF  DENKT,  ALS  OERHANDELING 
DES  BEWUSTZIJNS). 

Een  denken  dat  zich  denkt  is  geen  mystische,  maar  een 
logische  handeling  van  het  bewustzijn.  Een  mystische  han- 
deling is  bijv.  in  Cartesius'  spreuk:  „cogito,  sum"  vervat. 
Deze  spreuk  beduidt:  ik  bedenk  dat  ik  denk;  nu  weet  ik 
dat  ik  besta.  In  de  eerste  helft  der  spreuk  is  het  denken 
gericht. op  zich;  Cartesius  bedenkt  zijn  denken  (hoewel  hier 
niet   op   den   grond   der  denkverrichting,   maar  op  de  ver- 


432  DE   WEG   TOT   DE   IDEE. 

richting  zelf  de  aandacht  is  gewend).  En  dit  op  zich  gerichte 
dfnl^en  heeft  een  hoogere  beteel^enis,  geiiji^  ook  het  „denken 
dat  zichzelf  denkt"  een  beteekenis  heeft  als  weg  tot  de  Idee. 
Maar  bij  Cartesius  heeft  het  de  beteekenis  van  erkenning 
eener  substantie  als  werkelijkheid  („ik"  besta). 

Deze  aanwending  van  het  denken,  waarmee  ik  weet  dat 
ik  denk,  is  mystisch  omdat  hier  iets  bereikt  wordt,  dat  inde 
handeling  des  denkens  niet  is  meebegrepen.  In  het  denken 
is  wel  het  subjekt  meebegrepen ,  maar  het  substantieele  be- 
staan ,  gelijk  Cartesius  wil ,  is  niet  meêvervat.  Zoo  wordt 
er  in  Cartesius'  spreuk  een  sprong  uitgevoerd,  naar  hetgeen 
transcendent  boven  het  denken  ligt,  een  sprong  over  de 
tegenstelling  van  denken  en  werkelijkheid  heen.  Deze  sprong 
is  bij  hem  zoo  klein  mogelijk  en  veel  geringer  dan  in  het 
ontologisch  bewijs,  dat  leert:  ik  denk  God,  dus  God  be- 
staat; Cartesius  is  tevreden  indien  maar  eenige  substantieele 
werkelijkheid  is  vastgesteld :  zoo  kiest  hij  de  ik-substantie 
als  het  vaststelbare  werkelijkheidspunt . . .  maar  zonder  sprong 
komt  hij  hier  niet,  want  de  handeling  des  denkens  sluit 
deze  substantialiteit  niet  in.  Het  denken  van  Cartesius  stort 
zich  één  oogenblik  van  het  cogito  af  als  in  den  blinde,  en  komt 
gelukkig  in  het  sum  terecht.  Dit  is  mystische  denkhandeling. 

Maar  een  denken  dat  zich  denkt  is  een  logische  handeling 
van  het  bewustzijn ,  daar  het  geen  ander  principe  van  erken- 
ning aanvaardt  dan  de  denknoodwendigheid :  het  blijft  strikt 
bij  zichzelf,  zooals  een  rechte  weg. 

V.  Hoe  is  nu  een  denken  dat  zich  denkt  mogelijk?  Het  is 
mogelijk  als  zuivere  handeling  van  het  bewustzijn;  nl.  als 
de  oerhandeling,  waarop  alle  aktueele  verrichtingen  van  het 
menschelijk  bewustzijn  steunen.  Aan  geheel  de  hiërarchie  des 
denkens,  van  zinnelijk,  over  verstandelijk  tot  redelijk  denken, 
ligt  deze  zelfde  oerhandeling  ten  grondslag.  Het  ware  ook 


DE  WEG  TOT  DE  IDEE.  433 

onmogelijk  dat  het  denken  deze  drieërlei  hoogte  had,  zoo  niet 
één  oer-kracht  door  de  drie  heenging,  die  ze  alle  tot  denken 
stempelt.  De  oerhandeling  is  het  denken  in  zijn  pure  enkel- 
voudigheid. 

Het  denken  in  deze  drie  hoogten  vertoont  een  bepaalde 
lijn:  in  de  zinnelijkheid  (voorstellingsprocessen)  richt  het 
zich  naar  het  objekt  en  verliest  zich  in  de  veelheid;  in  de 
verstandelijkheid  stelt  het  de  veelheid  op  regel  en  keert 
zich  dusdoende  van  de  zinnelijkheid  af;  het  verstandelijk 
denken  bestrijdt  de  veelheid  door  het  algemeene.  In  de 
redelijkheid  richt  het  zich  (na  de  verstandelijke  scholing)  tot 
de  eenheid  der  Idee.  Dit  is  een  koncentratie  na  de  expansie 
der  zinnelijkheid  en  een  verdieping  na  de  vervluchtiging. 

Deze  bewegingslijn  nu  is  mogelijk,  doordat  aan  heel 
het  denken  ten  grondslag  ligt  de  oer-handeling;  het  zich- 
denken,  de  bij  zichzelf  blijving.  Deze  oer-handeling  houdt 
het  denken  in  zijn  richting  vast  en  beweegt  het  door  de 
tegengestelden  heen  tot  zijn  doel.  Het  doel  is  de  Idee  bewust 
te  worden  aan  eenen  in  de  voorstelling  opgenomen  erva- 
ringsinhoud, Dit  is  mogelijk  doordat  reeds  de  oer-handeling 
een  richting  is  welke  het  denken  neemt  tot  de  Idee.  Immers 
het  zich-denken  gaat  tot  zich ,  tot  het  subjekt ,  tot  het  uitgangs- 
punt, tot  de  Idee  zelve,  die  het  subjekt  der  wereld  is;  ziehier  het 
Wereld-denken  dat  in  mij  denkt.  De  Idee  is  datgene  dat  denkt 
in  volstrekten  zin  genomen ;  niet  dalgene  dat  gedacht  wordt. 

Dat  waarlijk  een  denken ,  dat  zichzelf  denkt,  als  oer-hande- 
ling des  bewustzijns  moet  aangenomen  worden ,  blijkt  uit  een 
onderzoek  van  den  aard  des  bewustzijns  zelf,  zoowel  van 
het  praktische  als  van  het  theoretische  bewustzijn.  Want 
beide  zijn  van  normatieve  natuur.  Het  theoretisch  bewustzijn 
is  evenzeer  norm-bewustzijn  als  het  praktische.  Wij  er- 
kennen  de  stelling  van   Pythagoras  als   waar.  Wij  achten 

28 


434  DE   WEG   TOT   DE   IDEE. 

de  stelling ,  dat  de  hoeken  van  een  driehoek  te  zamen  zoo 
groot  zijn  als  drie  rechte  en  dat  zij  samen  zoo  groot  zijn 
als  twee  rechte  met  elkaar  in  strijd:  noch  waarheid  noch 
strijdigheid  ware  mogelijk,  zoo  niet  het  theoretisch  bewust- 
zijn norm-karakter  had. 

Nu  dan :  een  denken  dat  niet  op  zich ,  maar  op  't  objekt 
gericht  is,  kent  slechts  feitelijkheid,  en  heeft  geen  norm- 
karakter. Buiten  verband  met  het  subjekt  beschouwd,  ob- 
jektief  genomen,  zijn  medelijden  en  moordzucht  gelijkwaardig; 
zij  zijn  beide  „feitelijk"  en  niets  meer.  „Twee  maal  twee  is 
zeventien"  is  een  meening  die,  als  zij  voorkomt,  even  feitelijk 
is  (vergissing,  rekenfout)  als  „twee  maal  twee  is  vier".  Of  dui- 
delijker: dat  zeventien  maal  zeventien  honderd  negen  en 
zeventig  is,  kan  gemeend  worden  en  is  alsdan  een  even  feitelijke 
meening  als  dat  zeventien  maal  zeventien  honderd  negen 
en  tachtig  bedraagt.  Tegenstrijdigheid ,  onwaarheid  is  slechts 
op  grond  van  norm-bewustzijn  mogelijk.  Piet  heeft  Paul 
bestolen  is,  objektief  beschouwd,  van  gelijke  waarde  als 
Piet  heeft  Paul  gezegend.  Malaise  en  energie  staan  als 
feitelijkheden  gelijk:  voor  het  objektsbewustzijn  is  geen 
waarde-onderscheid. 

Daar  nu  het  menschelijk  bewustzijn  normatief  van  aard 
is,  tegenstellingen  maakt,  en  waarheid  onderscheidt  van 
onwaarheid,  moet  daaraan  ten  grondslag  liggen  een  han- 
deling, die  niet  op  het  objekt  is  gericht,  maar  op  het  sub- 
jekt; een  denken  dat  niet  het  andere,  maar  zich  zelf  denkt. 

Deze  oer-handeling  dan  is  de  wortel-handeling,  waarvan 
Kant  het  bestaan  vermoed  heeft,  zonder  haar  te  durven  er- 
kennen ^).  Zij  is  de  intellektueele  aanschouwing  als  een  nog- 


1)  In  de  bekende  passage  van  de  Kr.  d.  r.  Vern.  Einl.  VII,  alwaar  van  de 
„zwei  Stamme  der  menschlichen  Erkentnisse"  gezegd  wordt,  dat  zij  „vielleicht 
aus  einer  gemeinschaftlichen,  aber  uns  unbekannten  Wurzel  entspringen." 


DE  WEG   TOT   DE   IDEE.  435 

niet  onderscheiden  eenheid  van  aanschouwelijke  kennis  (of 
onmiddelijkheid)  enalgemeenheids-kennis(of  inteilektualiteit). 
De  aanschouwde  algemeenheid  is  niet  de  abstrakte  alge- 
meenheid van  het  soortgelijke,  maar  de  konkrete  algemeen- 
heid van  het  oorspronkelijke  bestaan.  Niet  het  objekt  maar 
het  subjekt;  niet  eenig  ding  maar  de  Idee. 

Zoo  is  dan  een  denken  dat  zichzelf  denkt,  mogelijk,  ja 
noodwendig  als  oer-handeling  of  fundamenteele  handeling 
des  bewustzijns. 

Is  dit  zekerlijk  zoo?  Dat  wij  de  oer-handeling  uitvoeren 
is  zeker;  maar  het  kon  zijn  dat  zij  alleenlijk  implicite  uit- 
voerbaar ware ,  d.  i.  als  veronderstelde  kern  van  het  nor- 
matieve denken ,  en  niet  afzonderlijk.  Dan  strekte  de  oer- 
handeling tot  het  praktisch  effekt  der  waarde-onderscheiding, 
maar  een  weg  tot  erkenning  der  Idee  ware  zij  niet.  Zij 
ware  slechts  in  het  waardebewustzijn  aanwendbaar,  gelijk 
ook  de  verstandskategorie  geen  andere  werking  heeft  dan 
in  toepassing  op  de  ervaring. 

Dat  echter  de  oer-handeling  niet  slechts  in  deze  ver- 
heimelijking en  dienstbaarheid  werkt,  maar  zijn  eigen  wer- 
king uitoefent  en  dus  een  weg  des  denkens  tot  de  Idee  is, 
blijkt  reeds  uit  het  feit  der  erkenning  van  het  transcendente. 
Het  feit  van  den  godsdienst  is  hier  bewijs  genoeg.  De 
drang  naar  het  transcendente  zou  niet  mogelijk  (laat  staan 
onuitroeibaar!)  zijn,  zoo  niet  een  „orgaan"  voor  het  trans- 
cendente bestond ;  d.  i.  zoo  niet  in  den  aanleg  van  ons  be- 
wustzijn een  diepste  handeling  ware,  die  naar  het  tegen- 
gestelde der  ervaring  is  heengericht.  Het  begrip  van  het 
transcendente  zou  nooit  zijn  opgekomen. 

Dit  bewijs  voor  de  mogelijkheid  van  een  denken  dat  zich 
denkt,  als  zelfstandige  handeling  des  geestes,  is  een  bewijs  uit 
het  ongerijmde :  een  rechtstreeksch  bewijs  moet  hierin  bestaan 


.436  DE   WEQ  TOT   DE   IDEE. 

dat  het  begrip  van  dat  denken  zelf  naar  zijn  inlioud  ontwilc- 
keld  wordt;  want  daarin  biijkt  dit  denken  als  mogelijklieid. 
Hoe  zouden  wij  een  denken  begrijpen  zoo  liet  niet  mogelijk 
ware? 

(VI— VII  EEN  DENKEN  DAT  ZICHZELF  DENKT,  NAAR  ZIJN  INHOUD). 

VI.  Wij  hebben  een  denken  dat  zichzelf  denkt  als  oer- 
handeling van  het  menschelijk  bewustzijn  begrepen:  begrijp 
nu  deze  oer-handeling  naar  haar  inhoud.  Deze  inhoud  is  de 
Idee.  Als  hoedanig  wordt  in  een  denken  dat  zichzelf  denkt 
de  Idee  gedacht? 

Wat  is  het  „zich"  in  een  denken  dat  „zich"  denkt?  Niet 
zoo  maar  de  verrichting  van  het  denken  zelf.  „Ik  denk"  — 
dit  is  een  psychische  verrichting,  een  empirische  werk- 
zaamheid. Evenals:  ik  fantaseer,  ik  geniet,  ik  droom, 
zulke  verrichtingen  zijn,  is  ook  een  denken  een  psychische 
verrichting.  Wanneer  nu  een  denken  zich  denkt,  overdenkt 
het  dan  de  psysiche  verrichting,  de  empirische  werkzaam- 
heid van  te  denken?  Ware  dit  het  geval,  dan  beklom  zoo'n 
denken  dat  zichzelf  denkt,  een  eindelooze  ladder,  of  geraakte  in 
een  eindeloos  wisselspel  van  kaatsen  en  terugkaatsen.  Immers, 
wanneer  een  denken  (ö)  in  dien  zin  zich  {b)  denkt,  dan  ware  dit 
„zich"  {b)  een  denken  dat  opnieuw  tot  zich  {a)  terugkeert  enz. 
De  uitslag  van  dit  krijgertje  spelen  kan  niet  afgewacht.  Er  zou 
inderdaad  een  eindelooze  werkzaamheid  moeten  verricht  wor- 
den, om  deze  handeling  uit  te  voeren.  Het  lijkt  op  dien  schilder, 
die  een  schilder  schilderde,  welke  bezig  is  met  het  schilderen 
van  een  schilderenden  schilder.  Een  zoodanig  denken  denkt 
niets ,  en  het  is  beter  daarmee  niet  aan  te  vangen  ^).  In  den 
Charmides  voorziet  Plato  de  moeilijkheden  verbonden  aan 
een  begrip  van  een  weten  des  wetens,  en  wijst  dit  begrip 

1).  Cf.  Schuppe  Grundriss  d.  Erkenntniss-theorie  u.  Logik.  Berlin  1894  §27 
••■„dds  Gespenst  der  steten  Wiederholung  der  Reflexion  des  Ich  auf  sich  selbst." 
Spinoza  Ethica  II  Prop.  XXI  Simulac  enim  quis  aliquid  scit  etc. 


DE  WEG  TOT   DE   IDEE.  437 

■* 

af  door  verwijzing  naar  de  onbestaanbaarlieid  van  een  zien 
dat  niet  de  l<leur,  maar  het  gezichtsvermogen  zelf  tot  objei^t 
had ,  of  een  hooren  dat  het  hooren  hoorde  en  niet  het  geluid  ^). 

Een  denken  als  denkverrichting  is  een  psychisch  ver- 
loop, een  objektieve  toedracht,  een  ervaarbare  gesteldheid, 
zooals  deze  door  het  bewustzijn  wordt  voorgesteld ,  even 
objektief  als  een  materieel  proces,  hoezeer  dan  ook  van 
psychischen  aard;  geheel  en  al  verschijning,  en  tot  de 
verschijning  behoorende.  De  óenkverrichting  is  hei  gedachte 
denken,  evenals  elk  verschijningsverloop  een  objekt  van 
denken  en  dus  een  gedacht  verloop  is. 

Maar  het  „zich",  waarvan  de  oer-handeling  weet,  is  het 
denkende  denken;  niet  een  verloop  of  toedracht,  maar  prin- 
ciep,  grond  van  denken  zelf;  niet  resultaat  maar  uitgangs- 
punt, subjekt.  Een  denken  als  gedacht  denken  is  een  objektief 
verloop  —  een  denken  als  denkend  denken  is  subjekt.  [Het 
subjekt  is  niet  een  substantie  of  Ding  dat  denkt,  Cartesi- 
aansch;  maar  het  is  de  Daad  van  het  denken  zelf:  het 
denkende  Denken]. 

Een  denken  dat  zich  denkt,  denkt  zich  als  denkende 
Denken  (Idee);  d.  i.  als  vrij  van  alle  objektiviteit,  ervaar- 
baarh^id,  empirisch  karakter,  vrij  van  alle  psychologie, 
want  vrij  van  alle  gedachtheid.  Het  denkende  Denken  is  niet 
de  individualiteit,  want  deze  is  een  ervaarbare  gesteldheid, 
en  dus  een  empirische  bestaanswijze  van  den  geest.  Het 
denkende  Denken  is  het  subjekt  als  zoodanig,  in  zijn  strikt 
zuivere  en  oorspronkelijke  Algemeenheid. 

Het  denkend  Denken  is  de  Idee  of  Geest  (Wereldrede, 
Wereldprinciep).  Een  denken  dat  Zich  denkt,  aanziet  het 
Wereldprinciep.  Een  denken  dat  tot  Zich  terugkeert,  komt 
niet  tot  zijn  verrichting  maar  tot  den  wereldgrond. 

1).  Charm.  167. 


438  DE  WEG   TOT   DE   IDEE. 

Men  zal  te  berde  brengen ,  dat  nu  eerst  recht  de  on- 
uitvoerbaarheid van  dit  denl^en  blijkt;  immers,  zoodra  de 
Idee  inhoud  van  ons  denken  is,  is  zij  een  objekt  dat  ge- 
dacht wordt,  en  niet  het  subjekt  meer.  Een  denken  dat 
Zich  denkt,  is  dus  toch  geen  weg  om  van  de  objekten- 
wereld  (de  ervaring)  af  te  komen.  Het  subjekt,  als  uitgangs- 
punt van  denken,  is  in  dit  denken  voorgoed  verlaten,  want 
gij  zijt  ervan  uitgegaan. 

Deze  redeneering  echter  is  niet  meer  houdbaar  dan  de 
objektivistische  beschouwingswijs,  waarvan  zij  deel  uit- 
maakt: leert  het  objektivisme  dat  wij  slechts  met  feiten  en  fei- 
tenverband  te  doen  hebben  —  het  denken  zelf  weerlegt  deze 
theorie  elk  oogenblik  door  bevestiging  en  ontkenning,  welke 
beide  een  overschrijding  zijn  der  objektiviteit  van  feit  en 
feitverband.  In  elke  bevestiging  en  ontkenning  is  een  an- 
dere dan  de  objektiveerende  kenhandeling  aangewend. 
Toch  is  in  genoemde  oppositie  op  een  belangrijk  punt 
in  het  Idee-begrip  gewezen. 

Immers,  al  is*  het  waar,  dat  wij  het  subjekt  kunnen 
denken ,  het  is  ook  waar  dat  wij ,  op  elk  oogenblik  dat  wij 
het  subjekt  denken,  het  subjekt  objektiveeren  en  dus  niet 
meer  denken ;  het  verdwijnt  zoodra  het  is  gedacht ;  ja  maar 
om  op  nieuw  gedacht  te  worden  en  te  verdwijnen.  Ten 
onrechte  maakt  men  hieruit  op,  dat  het  niet  gedacht  wordt. 
Het  verdwijnen  is  echter  een  ander  opzicht  van  het  Idee- 
begrip dan  het  gedacht-worden ;  het  is  niet  een  o/zfkenning 
der  Idee,  maar  een  erkenning  aangaande  haar  inhoud:  de 
Idee  is  naar  haar  inhoud  Mysterie.  Het  subjekt  verdwijnt 
eerst  zoodra  wij  zijn  inhoud  overdenken,  overwegende 
hoedanig  het  is.  Het  feit  van  het  subjekt  is  onwegdenkbaar. 

Het  Mysterie  is  niet  een  negatieve  onkenbaarheid ,  zooals 
Kant's  Ding  an  Sich,  waarbij  met  de  onkenbaarheid  van 
den   inhoud   niet  slechts  de  kenbaarheid,  maar  ook  de  er- 


DE  WEG   TOT  DE   IDEE.  439 

kenbaailieid  van  het  heele  begrip  te  niet  gaat,  en  van  in- 
houdsbegrip  tot  inhoudloos  grensbegrip  verijlt.  Het  Mysterie 
is  een  positieve  onkenbaarheid;  zoodat  het  Mysterie-begrip 
een  positieve  aanwijzing  van  de  Idee  is. 

Een  denken  dat  Zich  denkt,  heeft  dus  een  weg  afgelegd 
tot  een  ander  Zijn  dan  der  ervaarbare  wereld :  uit  het  denken 
zelf  is  nu  dit  andere  verzekerd,  en  het  is  niet  meer  voor- 
werp van  vrome  wenschen.  De  Idee  is  de  waarheid  aller 
werkelijkheid,  de  waarheid  der  verschijning,  de  waarheid 
der  ervaringswereld;  en  de  wijsbegeerte  heeft  aan  de  er- 
varing de  organisatie ,  d.i.  het  systeem ,  der  Idee  te  ont- 
wikkelen. Dit  zal  het  stelsel  der  waarheid  zijn. 

Wordt  nu  de  oer-handeling  door  lederen  mensch  her- 
haaldelijk implicite  uitgevoerd  —  de  wijsgeerige  bezinning 
voltrekt  haar  met  helderen  toeleg  en  klaar  inzicht.  De  wijs- 
geer weet  wat  hij  doet.  Om  tot  het  stelsel  zijner  filosofie 
te  komen  bezint  hij  zich  op  zijn  denken  zelf. 

Deze  handeling  is  de  strikte  lijn  der  waarheid ;  de  smalle 
weg  der  wijsbegeerte,  gelijk  ook  het  geloof  zijn  smallen 
weg  heeft;  de  enkelvoudige  daad  der  zelfkoncentratie;  de 
wederkeer  des  geestes  uit  het  schitterende  en  verblindende 
velerlei  der  zinnenwereld  tot  de  eenheid  van  het  Princiep. 
De  filosofie  met  al  haar  samengesteld  en  zich  vertakkend 
ragwerk  van  overweging  veronderstelt  deze  zuivere  enkel- 
voudigheid in  aanvang,  deze  van  de  wereld  afgewende 
oer-handeling  onzes  geestes:  de  erkenning  der  Idee, 

Het  realisme  begint  bij  de  veelheid  en  het  velerlei  der 
ervaring  en  komt  nooit  tot  eenheid ;  het  naief  realisme  gaat 
zelfs  van  de  zinnelijke  ervaring  uit  om  waarheid  te  vinden ! 
Het  idealisme  na  de  onzinnigheid  hiervan  te  hebben  aan- 
gewezen ,  verkondigt  zijn  rechtten  weg  tot  de  Idee ,  die  het 
hart  is  der  werkelijkheid. 


VERWEER 

DOOR 

K.  J.  PEN. 


Zonder  strijd  geen  vooruitgang.  Ook  tot  de  ontwikkeling 
der  wetenschap  behoort  de  strijd,  als  redetwist,  en  eerst 
als  de  wetenschap  ophoudt,  is  't  ook  met  den  redetwist 
gedaan.  Behoort  de  pennestrijd  tot  de  wetenschap,  dan 
moet  hij  —  dat  spreekt  haast  van  zelf,  zou  men  zeggen, — 
wetenschappelijk,  zakelijk  zijn;  zaak  en  persoon  dient  men 
scherp  te  scheiden.  Dit  is  echter  betrekkelijk  juist,  want  de 
zaak  is  niet  zonder  de  persoon:  zij  is  uit  den  schrijver 
voortgekomen ,  die  zich  zelf  in  de  zaak  heeft  gelegd.  Wie 
zoo  zakelijk  mogelijk  is,  is  toch  in  aanleg  persoonlijk,  en 
noemt  de  beoordeeling  de  eene  of  andere  opvatting  plat, 
en  een  inhoud  onzin,  dan  kan  de  schrijver  terecht  aannemen, 
dat  de  beoordeelaar  hem,  al  is  't  niet  uitgesproken,  min 
of  meer  plathoofdig  vindt. 

Toch  is  er  weer  persoonlijk  en  persoonlijk.  Het  gaat  de 
wetenschap  niet  aan ,  of  een  schrijver  een  onzelfzuchtig 
eerlijk  man  is,  wien  de  zaak  alleen,  voor  zoo  ver  dit  mo- 
gelijk is,  ter  harte  gaat,  dan  wel  een  met  allerlei  bijoog- 
merken werkend  eerzuchtige,  die  meent,  dat  zijne  bijzon- 
derheid de  spil  moet  zijn,  waar  het  algemeene  om  draait; 
nog  veel   minder  heeft  zij  er  mee  te  maken ,  hoe  hij  zich 


VERWEER.  441 

buiten  de  wetenschap  in  zijn  bijzonder  leven  gedraagt;  be- 
treedt hij  deze  gebieden,  dan  wordt  de  strijd  onwetenschap- 
pelijk persoonlijk.  Voor  de  wetenschap  geldt  alleen  wat  in 
haar  voor  den  dag  komt;  waarom  't  zoo  gedaan  werd  zal 
in  't  tweede  geval  de  zoo  gaarne  moralizeerende ,  dadelijk 
minwaardige  beweegredehen  vooronderstellende  kleinzielige 
nijd  ras  ontdekken ,  en  in  't  eerste  geval  is  de  goede  wil 
en  bedoeling,  hoe  lofwaardig  op  zich  zelf,  nog  niets.  Is 
echter  de  inhoud  van  een  geschrift  armoedig,  dan  heeft  de 
critiek  den  duren  plicht  dat  openlijk  uit  te  spreken,  zonder 
aanzien  des  persoons.  Dit  laatste  acht  men  zeer  ten  onrechte 
ook  wel  „persoonlijk",  doch  't  is  't  noodzakelijk ,  door  de 
zaak  meegebracht  persoonlijke. 

Zoo  is  er  dan ,  om  vooruit  te  komen ,  geen  beter  gave 
van  God  dan  een  flink  vijand;  wanneer  iemand  tegen  de 
wijsheid  in  't  krijt  treedt,  is  dat  voor  haar  een  geluk  te 
noemen,  want  het  juiste  in  de  polemiek  wordt  dankbaar 
aanvaard,  en  het  verkeerde  laat  men  liggen.  Doch  er  is 
onderscheid.  De  wijze ,  waarop  de  polemiek  de  te  bespreken 
punten  heeft  aangevat,  en  over  de  zaak  hare  meening  uit- 
eenzet, doet  al  gauw  den  maatstaf  aan  de  hand,  waarmede 
zij  zelf  is  te  meten:  wie  oordeelt,  stelt  zichzelf  ten  oordeel ! 
Zijn  de  vraagpunten  juist  begrepen ,  heeft  de  tegenpartij 
zich  op  het  standpiyit  van  den  verdediger  kunnen  plaatsen 
en  door  ontwikkeling  van  diens  onderstellingen  het  stelsel 
van  binnen  af  uiteengewerkt ,  of  de  onhoudbaarheid  van 
bepaalde  deelen  aangetoond,  dan  is  daardoor  juist  de  weg 
gebaand  tot  een  nieuw  en  hooger  standpunt,  tot  een  betere 
opvatting.  Zoo  doet  de  vruchtbare,  zakelijke,  vernietigende 
èn  opbouwende  polemiek,  —  die  evenwel  weinig  voorkomt. 
De  tweede,  in  de  wijsbegeerte  meest  gewone,  stelt  zich 
niet  op  't  standpunt  van  den  aangevallene ,  midden  in  diens 
sterkte,   maar   begint,    zonder   zijne   tegenpartij   te   hebben 


442  VERWEER. 

doorzien ,  van  uit  eigen  stellingen  in  't  wilde  weg  te  scher- 
men met  allerlei  aanhalingen ,  met  min  of  meer  weten- 
schappelijk en  geleerd  gebaar  met  't  oog  op  de  tribune , 
en  doet  denken  aan  een  tweegevecht  op  den  degen  met  een 
ouderlingen  afstand  van  een  kilometer. 

Hiermede  zich  bezig  te  houd'en,  is  de  onvruchtbaarste 
tijdverspilling  die  er  bestaat;  en  waar  de  eerste  polemiek 
met  innige  belangstelling  wordt  ontvangen,  hangt  't  bij  de 
laatste  van  de  plaats  af ,  van  waar  ze  wordt  uitgesproken , 
of  men  zich  toch  nog  daarmede  heeft  af  te  geven ,  dan  wel 
of  men  ze  in  haar  onbenulligheid  vergeten  kan  laten  weg- 
slinken. Verschijnt  ze  in  het  „Wijsgeerig  Tijdschrift",  dat, 
naar  mijn  inzicht,  niet  maar  de  plaats  kan  zijn,  waar  allerlei 
min  of  meer  wijsgeerig  lijkende  overdenkinkjes  zich  mogen 
verheugen  in  een  kortstondige  bekendheid  onder  vriendjes, 
maar  krachtens  zijne  roeping,  —  waaraan  het  zich  niet  kan 
onttrekken ,  omdat  de  leiders  van  het  „Tijdschrift"  ook  reeds 
voor  zich  de  keuze  hebben  te  doen  onder  verschillende 
stukken  —  een  openlijke  gezaghebbende  rechtbank  is,  of  er 
anders  toe  moet  worden  gemaakt,  dan  zal  het  niet-weer- 
spreken  de  goede  zaak  schaden ,  want  zoo'n  polemiek  heeft 
van  daar  door  hare  plaats  reeds  invloed ,  en  de  menschen 
nemen  aan  op  gezag,  —  ten  kwade  en  ook  ten  goede. 

Wanneer  men  dan  de  verdrietige  er^  ondankbare  taak  op 
zich  neemt,  dergelijke  de  zaak  niet  rakende  polemiek  in 
hare  armzalige  machteloosheid  op  de  kaak  te  stellen,  zou 
men  gaarne  zich  daarvan  ontslagen  willen  zien,  als  men, 
aangetoond  hebbende,  dat  de  schrijver  zijne  tegenpartij 
noch  zich  zelf  verstaat ,  hem  met  een  of  anderen  behar- 
tenswaardigen  wenk  naar  huis  kon  zenden. 

Doch  deze  manier  gaat  alleen  op,  als  'tonder  vieroogen 
wordt  afgehandeld. 

Staat   't   woord   op   't  papier,   dan   is  het  gemeen  goed 


VERWEER.  443 

geworden  en  niet  meer  van  den  schrijver:  de  eigen,  of 
aan  leidslieden  ontleende  redeneeringen  worden  weer  wa- 
pens in  de  hand  van  derden,  die  met  „onweerlegde  argu- 
menten", al  komen  ze  niet  uit  eigen  arsenaal,  zelfs  al 
weten  zij  ze  zelfs  in  't  geheel  niet  te  hanteeren,  graag  brallend 
optreden.  Zooals  hij  dus  verdient,  mag  hij  niet  eens  worden 
behandeld:  hoe  stumperachtig  hij  ook  is,  hij  moet  voor  vol 
worden  aangezien ,  en  —  waar  hij ,  die  leeraren  wilde , 
volstrekt  geen  recht  op  had,  —  hij  krijgt  gelegenheid  om 
te  worden  ingelicht;  want  de  verdediger  kan  dan  alleen 
rekenen  op  aandacht  bij  de  lezers,  wanneer  deze  ook  iets 
meer  vernemen  dan  louter  terechtwijzigingen ;  mogelijk  dat 
zoo  door  het  kwaad  iets  goeds  wordt  uitgewerkt. 

In  de  „Beschouwingen  over  de  schoolsche  logika  bij 
Hegel  en  bij  de  nieuwere  Duitsche  logici"  (blz.  271—315 
van  dit  Tschft.)  hebben  we  'n  dergelijke  polemiek:  zij  heeft 
de  strekking  te  moeten  aantoonen ,  dat  met  Hegel  niet  't 
laatste  woord  gezegd  is  in  de  wijsbegeerte  (vgl.  272),  dat 
daarom  de  Nieuw-Hegelianen,  die  op  de  hoogte  van  hun 
tijd  willen  zijn,  een  dieper  ingrijpende  omwerking  dienen 
te  leveren  (vgl.  283),  terwijl  de  schrijver,  die  bij  geduldige 
en  doorzettende  studie  naar  eigen  getuigenis  Hegel  niet  zoo 
onbegrijpelijk  vond  (vgl.  278),  een  hooger,  of  dieper,  in- 
zicht heeft  opgedaan  bij  „hedendaagsche  richtingen  van 
wijsgeerig  denken"  (272),  onder  welker  vertegenwoordigers 
in  't  bijzonder  Christoph  von  Sigwart  verre  boven  Hegel  is 
te  verkiezen  (283). 

Dat  de  wijsbegeerte  van  Hegel ,  zooals  ze  is  neergeslagen 
in  de  gezamenlijke  werken,  niet  het  laatste  woord  der  wijs- 
heid zou  zijn,  en  er  onderscheid  te  maken  valt  tusschen 
de  letter  en  den  geest,  wist  Hegel  zelf  reeds  heel  goed: 
„Niemand  kan  over  zijn  tijd  heenspringen :  de  geest  van 
„zijn  tijd  is  ook  zijn  geest"  (XIV:  242);  „Wat  het  individu 


444  VERWEER. 

„betreft,  is....  ieder  een  zoon  van  zijn  tijd,  zoo  is  ook 
„de  wijsbegeerte  haar  tijd  in  gedachten  neergelegd"  (VIII: 
18);  „De  enkeling  mag  zich  opblazen,  zooveel  hij  wil,  hij 
„kan  niet  waarlijk  boven  zijn  tijd  uit,  zoo  min  als  uit  zijne 
huid"  (XIII:  59);  „geen  wijsbegeerte  [gaat]  boven  haren 
„tijd  uit  (XV:  618),  „ieder  enkeling  is  de  zoon  van  zijn 
„volk  en  tegelijk....  de  zoon  van  zijn  tijd"  (IX:  65); 
„Hoe  zou  ik  kunnen  meenen ,  dat  de  methode,  die  ik  in 
„dit  stelsel  der  logika  heb  gevolgd,  —  of  liever  die  dit 
„stelsel  in  zich  zelf  volgt  —  niet  nog  voor  veel  vervol- 
„making,  veel  doorwerking  in  afzonderlijkheden  vatbaar  is, 
„maar  ik  weet  meteen ,  dat  ze  de  eenige  ware  is"  (III :  39). 
Wie  de  wording  van  de  logica  heeft  nagegaan  van  de  door 
Rosenkranz  besproken  eerste  opvatting  van  de  logika  als 
een  stelsel  van  driehoeken,  door  de  „Propaedeutik",  de  uit- 
gaven der  „Groote"  en  die  der  „Kleine  logika"  heen ,  weet ,  dat 
dat  lang  niet  zonder  ingrijpende  veranderingen  is  geschied, 
en  een  week  voor  zijn  dood  schreef  Hegel  aan  't  einde  van 
de  voorrede  tot  de  tweede  uitgave  van  de  Groote  logika, 
dat  hij  gaarne  voor  een  werk  als  deze  moderne  logika  den 
vrijen  tijd  had  willen  hebben  haar  zeven  en  zeventig  maal 
door  te  werken  (Vgl.  III :  23).  Daarom  is  ze  echter  niet  uit  den 
tijd.  Oogenschijnlijk  lijkt  het  een  bezwaar,  in  de  wijsbegeerte 
der  natuur  bij  oppervlakkige  kennismaking  het  meest  geuit, 
dat  de  natuurwetenschappen  in  1830  lang  niet  zoo  ontwik- 
keld zijn  als  in  1907;  daar  het  in  de  wijsheid  niet  dadelijk 
over  feiten ,  maar  over  kategorieën  gaat ,  en  't  om  inzicht , 
niet  om  kennis  is  te  doen ,  weegt  dit  veel  minder  dan  men 
zoo  wel  denkt,  en  de  hoofdidee  staat  onaangetast;  in  't 
bijzonder  is  voor  eene  „diepere"  omwerking  der  logika,  die 
veroorloven  zou ,  de  oude  onbestudeerd  te  laten,  voorshands 
zeker  geen  reden ,  integendeel :  èn  wijsbegeerte  der  natuur  èn 
„hedendaagsche    richtingen   van    wijsgeerig   denken"   (272) 


VERWEER.  445 

hebben  nog  het  eerste  besef  van  redelijkheid  daarin  op  te 
doea,  en  nergens  anders;  om  dit  aan  „hedendaagsche  men- 
schen"  onder  't  oog  te  brengen  wordt  dit  stuk  geschreven. 

Het  woord  van  Rickert,  dat  de  schrijver  in  't  begin 
aanhaalt ,  en  waarmede  hij ,  in  verkorten  vorm ,  zijn  stuk 
besluit  (273  en  315),  leert  ons  hem  kennen  als  iemand,  die 
niet  alleen  doet  aan  theorie  der  kennis,  —  waarom  niet?  — 
maar  er  op  dóód  blijft:  „De  moed  des  wetens  is  ons  nu 
„eenmaal  gebroken ,  althans  de  moed  in  dien  zin ,  als  Hegel 
„hem  bezat.  Kennis-theorie  is  voor  ons  een  gewetenszaak 
„geworden,  en  we  willen  naar  niemand  luisteren,  die  ver- 
„zuimt  zijn  gedachten  door  haar  te  rechtvaardigen.  Mis- 
„schien  zal  dit  aan  latere  —  en  gelukkiger  —  tijden  voor- 

„komen    als   een   teeken   van   zwakte ! Ook   onze  weg 

„moet  ten  slotte  tot  een  omvattende  levens-  en  wereld- 
„beschouwing  leiden.  Dit  is  een  taak,  waaraan  geen  tijd 
zich  mag  onttrekken"  (273). 

Wat  hebben  we  aan  de  theorie  der  kennis? 

Toen,  dadelijk  bijna,  na  Kant  als  datgene,  wat  de  ver- 
nielde metaphysika  en  de  onttroonde  logika,  die  zich  verder 
alleen  met  waardeloosheden  mocht  bemoeien,  terecht  moest 
bevatten  de  logika  van  Hegel  kwam ,  die  in  zijn  en  wezen , 
en  begrip,  —  ontologie  en  logika  in  éénen  was;  toen  als 
vervulling  van  de  belofte  der  Kritiek  der  zuivere  Rede 
het  Stelsel  der  zuivere  Rede ,  waarvan  Kant  spreekt ,  was 
ontbloeid ,  hebben  de  zwakken ,  tragen  en  kleinmoedigen 
de  zevenmijlsstappen  van  den  geest  niet  kunnen  bijhouden; 
ze  zijn  't  spoor  bijster  geraakt  en  na  eenig  gedwaal  hebben 
ze  den  kreet  geslaakt  van  „terug  naar  Kant!",  om  verder 
eene  afwachtende  houding  aan  te  nemen.  Al  ging  men  dus 
niet  geheel  tot  Kant  terug ,  al  was  die  kreet  meer  een  ver- 
zuchting in  den  nood  dan  eene  aansporing  tot  een  werke- 
lijken   terugtocht,   aan   den   anderen   kant  werd  zelfs  veel 


446  VERWEER. 

van  het  oude  voorkritische  denken  weer  levend:  men  kon 
niet  mee,  men  wilde  niet  terug  en  heeft  daarvoor  een 
woord  gevonden  als  leuze  voor  zijns  gelijken.  „Gewoonlijk," 
zegt  Hegel  (XI  :  54),  „wanneer  de  menschen  een  inval 
„krijgen,  dien  ze  voor  erg  verstandig  houden,  zijn  ze  er  Ifet 
„ergst  aan  toe,  en  de  voldoening  bestaat  daarin,  dat  ze 
voor  hunne  dwaasheid  en  onwetendheid  eene  voortreffelijke 
„wending  hebben  gevonden.  In  het  algemeen  zijn  ze  onuit- 
„puttelijk  in  wendingen,  wanneer  het  er  op  aankomt,  hun 
„geweten  te  sussen  vanwege  hunne  traagheid  en  zich  van 
„zaak  af  te  maken."  Een  van  die  draaien,  van  die  leuzen 
is  in  de  wijsbegeerte  het  woord  „kennistheorie."  Kennis- 
theorie wil  niet  meer  onbevangen  eene  Kantiaansche  kritiek 
der  rede  zijn ,  wil  ook  niet  flinkweg  of  „stormenderhand"  (274) 
het  hoogste  grijpen  en  wetenschap  van  het  weten,  het  op 
zich  zelf  gerichte  of  (o,  schrik!)  absolute  weten  heeten:  de 
kennistheorie  is  tusschen  de  kritiek  en  het  weten  bij  de 
pakken  gaan  neerzitten. 

Aanknoopende  aan  de  gewone  voorstelling  zullen  we, 
waar  het  denken  eene  onderstelling  vormt  over  eenige  wetten 
te  zamen,  zoo'n  onderstelling  eene  theorie  noemen;  overal 
waar  men  van  theorieën  spreekt,  heeft  men  vermoeden 
v|n  samenhang,  dien  men  bij  gelegenheid  door  proeven 
tracht  aan  te  toonen.  Kennistheorie  is  als  theorie,  —  en 
nog  niet  weten  —  der  kennis,  nog  niet  de  ware  kennis 
der  kennis,  maar  een  met  subjectief  acceftt  geuit  vermoeden , 
eene  vermeende  kennis  der  kennis;  een  van  vooronder- 
stellingen uitgaand  in  den  blinde  tasten  naar  het ,  ware , 
wat  ze  niet  kan  krijgen :  wat  ze  zich  dus  verbeeldt  te  weten , 
is  geen  kennis  der  ware  kennis.  Dat  dergelijke  jacht  naar 
een  onmogelijk  iets,  juist  daardoor  zelf  een  onmogelijk 
iets,  de  leege  ijdelheid  zelf  is,  zegt  ze  zich  echter  niet. 
Integendeel:  bij  allen  deemoed  in  de  benaming  steekt,  ge- 


VERWEER.  447 

lijk  bij  meer  openlijke  nederigheid,  de  aanmatigende  hoog- 
moed in  't  stemmige  kleed,  want:  haar  nederige  „theorie" 
is  eerst  je. ware  „kennis" ;  de  ongegronde  vooronderstellingen , 
de  kategorieën,  die  ze  zonder  dat  ze  zich  daarvan  bewust 
is,  meebrengt  bij  haar  geredeneer,  zijn  vastheden,  waaraan 
zich  vast  te  klampen  ze  zich  tot  een  gewetenszaak  maakt. 
Toch  heeft  reeds  Kant,  op  wien  ze  zich  zoo  gaarne  be- 
roept, gezegd,  dat  de  wijsbegeerte  geen  vaste  vooronder- 
stellingen kan  hebben;  ieder  afzonderlijk  vak  van  weten- 
schap heeft  ze ,  zelfs  de  zoo  zeer  om  hare  klaarheid  geroemde 
wiskunde  stelt  het  niet  buiten  hare  axiomata.  Eerst  de 
wijsbegeerte  maakt  ze  doorzichtig  en  bewijst  ze  door  die 
kategorieën  hare  plaats  in  't  denken  te  geven  (K.  Log.  §  121 
Toev.).  Ze  hebben  daar  hun  betrekkelijk  recht,  waar  men  op 
ervaring  uit  is,  bijzondere  vakken  heeft,  maar  niet  in  't  wéten ; 
theorie  is  voor  het  weten  eene  voorloopigheid :  wie  weten 
heeft,  heeft  de  theorie  niet  noodig,  al  heeft  men  kennis 
van  theorieën  gebruikt  om  tot  weten  te  komen. 

Al  hebben  ze  dus  theorie,  en  niet  kennis,  de  ware 
theorie  hebben  ze  niet  eens:  de  ware  theorie  is  de  eigen 
theorie  der  waarheid,  de  zelfbeschouwing  der  waarheid, 
die  zelfkennis  van  het  weten  is:  de  ware  theorie  is  geen 
theorie  meer. 

Ook  de  mensch ,  die  zich  te  midden  van  de  onwaarheden 
zoo  behaaglijk  voelt,  heeft  in  zijne  betere  oogenblikken  een 
gevoel  voor  het  ware  hoogere.  Dat  religieuze  gevoel,  dat 
Kant  het  ideaal  liet  opstellen,  hebben  zij  voor  het  stelsel. 
Nu  is  het  weten  wezenlijk  stelsel;  ontkenning  hiervan  kan 
alleen  komen  van  de  zijde  van  het  op  zich  zelf  gestelde 
ijdele  subjectieve  denken,  want  bij  bevestiging  heeft  het 
zijne  subjectiviteit  op  te  geven;  daarom  heeft  de  kennis 
theorie  het  stelsel  als  —  „ideaal".  „Systeem ,  stelsel ,  dit  is 
„ten    slotte,  wat  als  ideaal  allen  wetenschappelijken  arbeid 


448  VERWEER. 

„moet  bezielen.  De  vraag,  aan  welke  eischen  onze  weten- 
„schappelijke  redeneeringen  moeten  voldoen;  een  onderzoek 
„naar  ons  oordeelen ,  moge  onontbeerlijk  zijn  —  het  ideaal 
„van  een  gesloten  stelsel  moet  ons  even  goed  voor  den 
„geest  staan,  wil  alle  wetenschappelijke  arbeid  niet  ijdel 
„worden.  Even  goed  als  in  de  ethiek  het  plichtbesef  eener- 
„zijds  een  punt  van  uitgang  vormt,  maar  ze  toch  anderzijds 
„het  begrip  van  een  Hoogste  Goed  tot  aanvulling  behoeft, 
„aldus  ook  verlangt  onze  logika  het  Ideaal  des  Systeems"  (273) 

Een  stelsel,  dat  buiten  de  logika  staat,  is  onlogisch ;  verlangt 
deze  evenwel  het  stelsel  als  aanvulling,  dan  voelt  de  logika 
dat  ze  zelf  een  onwetenschappelijke  warwinkel  is,  en  dat  in 
't  stelsel,  om  het  werkelijk  te  maken,  logika  moet  zijn:  de  logika 
is  een  halfheid  en  onwerkelijk  is  het  „Ideaal  des  Systeems". 

„Ideaal  des  Systeems".  Prachtig  juist  uitgedrukt:  daar 
't  ideaal  is,  zullen  ze  het  nooit  krijgen,  want  een  bereikt  ideaal 
is  ideaal  èf;  nog  erger:  een  streven  naar  dat  ideaal,  dat  tot 
bereiken  zou  leiden,  zou  de  kennistheorie  tot  weten  willen 
maken ,  en  de  kennistheorie  zou  zich  zelf  vermoorden :  daarom 
moet  het  ideaal  een  schoone  droom  blijven,  want  't  is  een 
ideaal  als  een  hongerige  wolf  dat  is  voor  een  schaap ,  of 
een  graf  voor  een  man  der  kennistheorie.  Die  vurige  geest- 
drift voor  't  ideaal ,  „waaraan  geen  tijd  zich  mag  onttrek- 
ken" (273) ,  is  dus  theoretische  huichelarij ;  voor  zoover  de 
„hedendaagsche  denkers"  simpel  genoeg  zijn  om  het  pro- 
gram te  gaan  uitwerken  (315)  zijn  ze  als  de  stomme  dieren 
des  velds,  die  bij  den  leeuw  op  bezoek  gingen,  en  niet 
meer  terugkwamen,  omdat  hij  ook . . .  'n  aanvulling  noodig  had. 

„Ideaal  des  Systeems".  „De  wijsbegeerte  slooft  zich  niet 
„af  met  zulke  leegheden,  die  alleen  aan  de  overzijde  zijn" 

„(K.   Log.  §  94   Toev.)    „Het   is   juist   deze   verhou- 

„ding     der    wijsbegeerte    tot    de    werkelijkheid,    die    de 
„misverstanden   betreffen,   en  ik  keer  hiermede  tot  datgene 


VERWEER.  449 

„terug ,  wat  ik  te  voren  heb  opgemerkt ,  dat  de  wijsbegeerte , 
„wijl  ze  het  doorgronden  van  het  redelijke  is,  juist  daar- 
„mede  het  grijpen  van  het  tegenwoordige  en  werkelijke, 
„niet  het  opstellen  van  iets  aan  den  overkant  is,  dat  God 
„weet  waar  moest  zijn  —  of  waarvan  men  inderdaad  wel 
„weet  te  zeggen,  waar  het  is,  nl.  in  de  dwaling  van  een 
„eenzijdig,  leeg  geredeneer"  (VIII :  16).  —  „De  waarheid 
„is  geen  hersenschim  ....  Het  ware  ideaal  móét  niet  wer- 
„kelijk  zijn,  maar  is  werkelijk  en  alleen  het  werkelijke;  als 
„eene  idee  voor  het  bestaan  te  goed  moet  zijn ,  dan  zou 
„dat  veeleer  een  gebrek  van  het  ideaal  zelf  zijn,  waarvoor 
„de  werkelijkheid  te  goed  is....  Wat  werkelijk  is,isrede- 
„lijk"  (XIV:  241— 2). 

Aan  't  standpunt  zijn  echter,  zooals  ze  zeer  goed  voelen, 
voordeelen  verbonden;  het  weten  is  één,  en  de  dood  van 
alle  meening,  maar  de  theorie  laat  speelruimte  voor  „eigen" 
opvattingen :  welk  geleerde  broedt  niet  gaarne  een  theorietje 
over  eigen  vak  uit,  waarmede  hij  wat  bijzonders,  al  is  het  ook 
eene  bijzondere  domheid,  voor  den  dag  brengt,  en  welkNieuw- 
Kantiaan  heeft  niet  zijne  eigen  meeningen,  die  hij  zich  niet  kan 
laten  nemen  omdat  er  anders  niets  van  hem  zou  overblijven? 
Zelfs  meent  men  allen  vooruit  te  zijn  door  te  beweren, 
dat  ieder  slechts  een  eigen  kijk  kan  hebben ,  „theoretisch" 
eenzelvig  moet  zijn:  solipsisme.  Dit  is  niet  zonder  zijne 
aanleiding,  maar  vindt  zijne  waarheid  en  zijn  einde  reeds 
in  het  woord;  daarom  is  het  solipsisme  een  uiting  van  in 
zijne  ontwikkeling  gestuit  denken. 

Daar  een  kennistheoreticus  niet  kan  weten,  en  toch' wil  weten, 
moet  hij  waar  hij  over  iets  zijn  oordeel  heeft  te  vellen,  in 
geleerd  bargoensch  de  manier  van  zeggen  beoefenen,  die 
de  oude  loods  Hallema  bij  Weruméus  Buning  heeft:  als 
men  hem  vraagt  of  't  goed  weer  zal  zijn ,  is  't  best  mogelijk , 
dat  we   't  mooie  weer  nog  een  tijdje  mogen  houden ,  maar 

29 


450  VERWEER. 

't  kan  even  goed  wezen,  dat  't  omslaat,  en  bi]  elke  voor- 
komende vraag  op  den  man  af,  houdt  hij  in  zijne  half- 
slachtigheid een  slag  om  den  arm.  „Het  hoogst  bereikbare 
„is  de  waarschijnlijkheid"  is  het  shibboleth  van  deze  mo- 
derne halfheden. 

Als  staaltjes  van  de  wijze  waarop  zoo'n  weet-niet  met 
zijne  woorden ,  di» gedachten  moeten  uitdrukken,  omspringt, 

neme   men   eens  de   volgende monstertjes  van  zuivere 

fijne  zegging: 

„De  gedachte,  dat  ieder  ding  is,  wat  het  is,  of  in 't  prin- 
„cipium  contradictionis  (als  Hegel  het  noemt,  §  119  al.  4) 
„uitgedrukt,  dat  een  ding  geen  tegenstrijdige  eigenschappen 
„kan  bezitten ,  schijnt  in  eenige  zeer  fundamenteele  begrippen 
„te  worden  weersproken.  Reeds  Zeno  van  Elea  betoogde, 
„dat  een  vliegende  pijl  zich  in  rust  moet  bevinden.  En  sinds 
„Kant  ons  de  moeilijkheid  van  het  begrip  verandering,  of 
„liever  van  de  daarmee  samenhangende  moeilijkheden  van 
„de  oneindig-deelbare  en  oneindig-uitgestrekte  ruimte  en 
„tijd  door  zijn  antinomieën  weer  heeft  ingeprent,  zullen 
„we  dit  niet  spoedig  weer  vergeten"  (292 — 3). 

„De   gedachte,   dat  ieder  ding  is,  wat  het  is schijnt 

„in  eenige  zeer  fundamenteele  begrippen  te  worden  weer- 
„sproken." 

Zonder  ons  te  stooten  aan  de  barbaarschheid  een  begrip 
een  ding  te  noemen,  vragen  we:  Is  er  nu  weerspreking, 
of  is  er  géén  weerspreking? 

„Reeds  Zeno  van  Elea  betoogde,  dat  de  vliegende  pijl 
„zich  in  rust  moet  bevinden".  „Betoogde".  Te  récht  of  ten 
onrechte  ? 

Hegel:  „De  beweging  is  de  bestaande  tegenstrijdigheid" 
(IV :  67). 

En  wat  zal  de  theorie  der  kennis  niet  weer  zoo  gauw 
vergeten?   Dat   haar   door  Kant   iets  is  ingeprent?  Dat  er 


VERWEER.  451 

antinomieën  zijn  en  dat  Kant  hierin  gelijk  heeft,  of  dat  het 
een  dwaalbegrip  van  hem  is? 

Hegel :  „Kant's  dialektielc  in  de  antinomieën  der  zuivere 
„rede  verdient ....  wanneer  ze  nader  wordt  beschouwd  .... 
„geen  grooten  lof"  (111:41);  „de  antinomieën  der  rede  van 
„Kant  zijn  niets  anders,  dan  dat  uit  een  begrip  eerst  de 
„eene  bepaling  daarvan  ten  grond  wordt  gelegd ;  de  andere 
„maal  echter  even  zoo  noodzakelijk  de  andere"  (V:125); 
„  . . . .  de  bewijzen,  die  Kant  voor  zijne  stellingen  en  tegen- 
„stellingen  aanvoert  [zijn]  als  louter  schijnbewijzen  te  be- 
„schouwen,  daar  datgene  wat  moet  worden  bewezen ,  altijd 
„reeds  in  de  vooronderstellingen  is  vervat,  van  welke 
„wordt  uitgegaan"  (K.  Log.  §  48  Toev.).  Dit  voor  hem, 
die  zich  dóór  de  „bewijzen"  van  Kant,  die  uitvoerig  worden 
behandeld  in  111:208 — 220,  mocht  overtuigd  voelen. 

Maar  al  deugen  de  „bewijzen"  niet,  „die  hoofdzaak,  die 
„is  op  te  merken,  is,  dat  niet  alleen  in  die  vier  bijzondere 
„uit  de  kosmologie  genomen  onderwerpen  zich  de  antinomie 
„bevindt,  maar  veeleer  in  alle  voorwerpen  van  alle  soorten, 
„in  alle  voorstellingen,  begrippen  en  ideeën.  Dit  te  weten 
„en  de  voorwerpen  in  deze  eigenschap  te  leeren  kennen, 
„behoort  tot  het  wezenlijke  der  wijsgeerige  beschouwing" 
(K.  Log.  §  48).  „In  ieder  begrip  zijn  antinomieën,  daar  het 
„niet  enkelvoudig,  maar  concreet  is,  dus  onderscheidene  be- 
„paaldheden  bevat,  die  tegelijk  tegengesteld  zijn"  (XV  :  523). 
„Wat  de  wereld  beweegt,  is  de  tegenstrijdigheid"  (K.  Log. 
§  119,  2e  Toev.). 

Verder  zou  „ieder  ding  is,  wat  het  is,"  hetzelfde  zijn  als : 
„een  ding  kan  geene  tegenstrijdige  eigenschappen  bezitten." 
Om  bij  de  boven  gegeven  voorbeelden  te  blijven :  is  de 
verandering  niet  de  verandering,  al  „schijnt"  er  van  tegen- 
strijdigheid sprake  te  kunnen  zijn  bij  dit  begrip? 

Maar   dit  is   eene   bewering,   die  de  theorie  der  kennis 


452  VERWEER. 

zegt  ook  te  hebben  gevonden  bij  Hegel  (KI.  Log.  §  119 
al.  4).  —  Nu  het  hier  aankomt  op  het  gewoon  nauwkeurig 
weergeven  van  eene  gedachte  bij  Hegel ,  zullen  we  de 
sloddervospolemiek  in  haar  slordigheid  leeren  kennen. 

Men  lette  op  de  loopend  gedrukte  woorden  in  mijne  ver- 
taling, die  nu  volgt: 

„Terwijl  vergeten  wordt,  dat  identiteit  en  tegenstelling 
„zelf  tegengesteld  zijn,  wordt  de  stelling  der  tegenstelling 
„ook  voor  die  der  identiteit  in  den  vorm  van  de  stelling 
„der  tegenstrijdigheid  genomen,  en  een  begrip,  waaraan 
„van  twee  met  elkaar  strijdige  kenmerken  geen  een  of 
„alle  twee  toekomen ,  voor  logisch  verkeerd  verklaard ,  ge- 
„lijk  bijv.  een  vierhoekige  cirkel". 

Nu  laat  ik  hierop  de  vertaling  volgen  van  iemand,  die 
geduldig  en  volhardend  alle  knoesterige  plaatsen  in  Hegel 
heeft  bestudeerd,  en  er  nooit  tegen  opziet,  hier  of  daar 
eene  moeilijke  passage  zóó  voor  zich  te  vertolken  (vgl.  278) , 
dat  daardoor  de  voor  hem  onoverkomelijke  hinderpalen 
verdwijnen  in  ... .  onzin  van  hemzelf  : 

„Terwijl  vergeten  wordt,  dat  identiteit  en  tegengesteld- 
„heid  (oppositie)  zelf  tegenstrijdig  (lees:  tegengesteld)  zijn, 
„wordt  de  stelling  der  tegenstelling  (princ.  tertii  exclusi) 
„ook  genomen  als  stelling  der  identiteit,  in  den  vorm  der 
„tegengesteldheid  (lees :  stelling  der  tegenstrijdigheid)  en  een 
„begrip,  waaraan  geen  van  twee  contradictorische  keu- 
rmerken of  beide  toekomen,  voor  logisch  valsch  verklaard 
„als  bijv.  een  vierkante  cirkel." 

Eerst  wordt  „tegenstrijdig"  gezet,  waar  „tegengesteld" 
moest  staan;  dan  staat  „tegengesteldheid,"  waar  de  tekst 
„tegenstrijdigheid"  heeft,  en  „de  stelling  der  tegenstelling" 
wordt  „verduidelijkt"  door  „(princ.  tertii  exc.)"! 

Is  tegengesteld  en  tegenstrijdig  't  zelfde,  of  is  het  wat 
anders  ? 


VERWEER.  453 

Hegel:  „De  bepaling  der  tegenstelling  is  eveneens  tot 
„eene  stelling  gemaakt,  het  zoogenaamde  principium  exclu- 
„si  tertii.  Iets  is  A  of  niet  A;  er  is  geen  derde. 

„Deze  stelling  bevat  ten  eerste,  dat  Alles  iets  tegengestelds 
„is,  iets  als  positief  of  als  negatief  bepaalds.  Eene  gewich- 
„tige  stelling,  die  daarin  hare  noodzakelijkheid  heeft,  dat 
„de  identiteit  in  verschil ,  en  deze  in  tegenstelling  overgaat. 
„Maar  men  pleegt  ze  niet  in  dezen  zin  te  verstaan ,  doch  ze 
„moet  gewoonlijk  zooveel  beteekenen  als  dat  aan  een  ding 
„van  alle  gezegden  of  dit  gezegde  zelf  of  zijn  niet-zijn  toe- 
„komt.  Het  tegengestelde  beteekent  hier  slechts  het  ontbreken 
„of  vereleer  de  onbepaaldheid ;  en  de  stelling  is  zoo  onbe- 
Jeekenendy  dat  het  niet  de  moeite  waard  is,  haar  te  zeggen. 
„Wanneer  de  bepalingen  zoet,  groen,  vierhoekig  genomen 
„worden ,  —  en  alle  gezegden  moeten  worden  genomen  — 
„en  nu  van  den  geest  wordt  gezegd:  dat  hij  zoet  of  niet- 
„zoet,  groen  of  niet-groen  is,  enz.,  dan  is  dat  eene  tot 
„niets  leidende  platheid.  De  bepaalheid ,  het  gezegde ,  wordt 
„op  iets  betrokken;  het  iets  is  bepaald,  zegt  de  stelling; 
„nu  moet  zij  wezenlijk  dit  bevatten ,  dat  de  bepaaldheid 
„zich  nader  bepale,  tot  bepaaldheid  aan  zich,  tot  tegen- 
„stelling  worde.  In  plaats  daarvan  gaat  zij  echter  in  genen 
„trivialen  zin  van  de  bepaaldheid  slechts  over  tot  haar 
„volstrekt  niet-zijn,  terug  tot  de  onbepaaldheid  (IV  :  64—5).  — 
„In  plaats  van  volgens  de  stelling  van  het  uitgesloten 
„derde  (dat  de  stelling  van  het  afgetrokken  verstand  is)  te 
„spreken ,  ware  veeleer  te  zeggen :  Alles  is  tegengesteld.  Er 

„is   inderdaad   nergens zulk  een  afgetrokken  of  —  of, 

„als  het  verstand  beweert,"  staat  in  dien  eigen  11 9^"  pa- 
„ragraat  in   het  tweede  toevoegsel....  en: 

Tegenstrijdigheid  is  „tegenstelling  in  zich  zelf"  (II :  121). 

Zóó  maakt  men  in  zijn  waanwijsheid  van  fijnfe  opmer- 
kingen   onzin,   om    eigen   onzin   door  het  gezag  van   een 


454  VERWEER. 

naam  te  steunen ;  als  het  te  pas  komt  trekt  men  met  eigen 
onzin  ook  tegen  den  eigen  in  Hegel  ingesloddervosten  onzin 
van  leer;  zóó  vecht  rnen  dan  tegen  eigen  spookgestalten 
in  zijnen  door  „wijsgeerige"  nachtmerries  verontrusten 
geestelijken  slaap. 

En  in  dezen  trant  gaat  het  door.  Bij  den  invloed ,  dien 
Hegel  zou  gehad  hebben  op  de  taaistudie ,  krijgen  we  weer 
'n  orakelspreuk : 

„En  ofschoon  men  gewis  meer  en  meer  zal  inzien,  dat 
„de  drieledige  taaiclassificatie  voorbarig  is  geweest,  en  men 
„hier  langs  empirischen  weg  verder  moet  komen  . . . . ,  zoo 
„is  het  anderzijds  toch  de  vraag ....  of  men  in  de  Indo- 
„Europeesche  linguïstiek  het  denkbeeld  dezer  drie  stadiën 
„zal  opgeven"  (277). 

Die  classificatie  is  „voorbarig"  geweest:  deugde  ze  nu  of 
deugde  ze  niet?  Indien  ze  niet  deugde,  waartoe  dan  niet 
aangestipt,  dat  het  dwaas  is,  „dat  men  ze  niet  zal  op- 
geven"? Een  van  de  vóórdeelen  van  Hegel's  stelsel  was 
zijn  appreciatief ,  beoordeelend  karakter  (vgl.  274);  prijst 
de  kennistheorie  dat,  wat  ze  zelf  niet  heeft? 

Een  zelfde  doorzichtigheid  biedt  ons  de  bespreking  van 
Hamilton's  logische  studiën;  bij  dezen  wordt  de  sluitrede 
„beschouwd  (als  bij  de  oplossing  van  meerdere  algebraï- 
„sche  vergelijkingen)  als  de  „eliminatie"  van  een  gemeen- 
„schappelijken  derden  term,  waardoor  de  beide  overige 
„termen  met  elkander  in  verband  worden  gebracht  en  hun 
„omvangsverhoüding  wordt  vastgesteld".  „Ofschoon  het  zich 
„niet  laat  ontkennen",  heet  het  dan,  dat  het  syllogistisch 
„redeneeren  in  zulk  een  algebraïsch  formuleschrift  kan 
„worden  omgezet,  zoo  blijkt  deze  richting  toch  overi- 
„gens  niets  dan  een  zinledig  en  overbodig  geknutsel  te 
„zijn"  (283). 

Het  laat  zich  niet  ontkennen,  dat  het  kan;  de  omvangs- 


VERWEER.  455 

verhouding  wórdt  dus  vastgesteld;  op  blz.  310  echter  bij 
de  besprelcing  van  de  eerste  en  derde  Aristotelische  figuur 
wordt  tweemaal  gezegd:  „indien  vergelijking  van  begrips- 
omvangen  mogelijk  is".  Hier  schijnt,  kennistheoretisch  uit- 
gedrukt, te  worden  betwijfeld,  wat  bij  Hamilton  niet  viel 
te  ontkennen.  (Over  „omvang"  zie  V :  57 !). 

Nu  is  Hamilton  iemand ,  naar  wien  tegenwoordig  iedereen 
gerust  met  steenen  kan  gooien;  hij  doet  toch  niets  terug; 
maar  als  je  zelf  in  een  glazen  huis  woont,  past  dat  toch 
niet:  het  quantificeeren  van  het  gezegde  is  even  dom  en 
kortzichtig  als  het  terugbrengen  van  de  oordeelen  op  identi- 
teit, of  van  de  sluitrede  op  den  grond  (284),  of  van  de 
principia  der  contradictie,  der  dubbele  ontkenning  als  be- 
vestiging, van  het  uitgesloten  midden,  op  de  ontkenning 
(296—7);  of  Sigwarfs  geknoei  op  blz.  312  en  313.  (Verg. 
Hegel  V:55,  136,  141—3.) 
—  Het  een  is  al  kwalachtiger  dan  het  ander! 
•  Hegel  had  gezegd: